Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2019:1895
2019-02-07
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL18.24328
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Mondelinge uitspraak, nova, nieuwe elementen of bevindingen, Transcripties van Facebook
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2016:3443 Raad van State 23-12-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.414 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.24328
v-nummer: [nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
(gemachtigde: mr. P.R. van de Water),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.H.M. Post).
Procesverloop
Bij besluit van 17 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers herhaalde aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.24329, plaatsgevonden op 7 februari 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich ook laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De voorzieningenrechter heeft onmiddellijk na de zitting mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen. De authenticiteit van de overgelegde transcriptie van eisers Facebookgesprek kan immers niet worden vastgesteld. Dat eiser met verwijzing naar het Bolbol-arrest stelt dat hij elk middel kan gebruiken om zijn stelling te onderbouwen maakt dit niet anders. Daar komt bij dat eiser in zijn gehoor verklaringen heeft afgelegd die tegenstrijdig zijn met de inhoud van de transcriptie.
2. Los daarvan stelt de rechtbank vast dat de door eiser gestelde nova niet betwisten dat eiser naar Irak kan terugkeren. Eiser heeft namelijk niet verklaard door wie hij vreest te worden vervolgd indien hij zou terugkeren naar Mosul, nu de Islamitische Staat daar niet langer meer overheerst. Ook als eiser gevolgd zou worden in de gestelde nova, heeft hij evenmin bestreden dat Bagdad voor eiser een binnenlands vestigingsalternatief is. Hetgeen door eiser is aangevoerd kan dus niet afdoen aan het besluit dat door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 december 2016 in rechte is komen vast te staan.
3. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier, op 7 februari 2019.
Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Hof van Justitie van de Europese Unie Zaak C-31/09 van 17 juni 2010
ECLI:NL:RVS:2016:3443
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.24328
v-nummer: [nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
(gemachtigde: mr. P.R. van de Water),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.H.M. Post).
Procesverloop
Bij besluit van 17 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers herhaalde aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.24329, plaatsgevonden op 7 februari 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich ook laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De voorzieningenrechter heeft onmiddellijk na de zitting mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen. De authenticiteit van de overgelegde transcriptie van eisers Facebookgesprek kan immers niet worden vastgesteld. Dat eiser met verwijzing naar het Bolbol-arrest stelt dat hij elk middel kan gebruiken om zijn stelling te onderbouwen maakt dit niet anders. Daar komt bij dat eiser in zijn gehoor verklaringen heeft afgelegd die tegenstrijdig zijn met de inhoud van de transcriptie.
2. Los daarvan stelt de rechtbank vast dat de door eiser gestelde nova niet betwisten dat eiser naar Irak kan terugkeren. Eiser heeft namelijk niet verklaard door wie hij vreest te worden vervolgd indien hij zou terugkeren naar Mosul, nu de Islamitische Staat daar niet langer meer overheerst. Ook als eiser gevolgd zou worden in de gestelde nova, heeft hij evenmin bestreden dat Bagdad voor eiser een binnenlands vestigingsalternatief is. Hetgeen door eiser is aangevoerd kan dus niet afdoen aan het besluit dat door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 december 2016 in rechte is komen vast te staan.
3. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier, op 7 februari 2019.
Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Hof van Justitie van de Europese Unie Zaak C-31/09 van 17 juni 2010
ECLI:NL:RVS:2016:3443