Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:9785
2026-09-17
Strafrecht; Materieel strafrecht
13/348839-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Artikel 144 sr. Opzettelijk storen geoorloofde betoging door gooien rookfakkel. Geen sprake van vreedzame demonstratie of uitoefenen van recht op vrijheid van meningsuiting. Feit is strafbaar.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.825 tekens)
Aantekening mondeling vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Sector Strafrecht
Parketnummer: 13/348839-25
Uitspraak van de politierechter, mr. M. Nieuwenhuijs, van donderdag 17 september 2026, in de zaak tegen verdachte
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
wonende op het adres [adres] .
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 december 2025 te Amsterdam, door het verwekken van wanorde of het maken van gedruis, te weten:
- door een rokende fakkel op de grond te gooien,
een geoorloofde betoging, een solidariteitsdemonstratie op de Dam, opzettelijk heeft gestoord;
De formele voorvragen
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De politierechter is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging.
Bewijsoverweging
Is er sprake van een geoorloofde betoging?
De verdediging heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat niet is bewezen dat er sprake is van een geoorloofde betoging op als bedoeld in artikel 144 Wetboek van Strafrecht (sr.) en dat verdachte daarom moet worden vrijgesproken. Dat standpunt wordt verworpen.
Artikel 144 sr. stelt onder andere strafbaar het opzettelijk storen van een geoorloofde betoging door het veroorzaken van wanorde. In de wetsgeschiedenis bij artikel 144 sr. is vermeld dat de bescherming van manifestaties in dit artikel is beperkt tot geoorloofde manifestaties. Daarbij is verwezen naar de Wet Openbare Manifestaties (hierna WOM).
In artikel 11 van de WOM is strafbaar gesteld het deelnemen aan een betoging waarvoor de vereiste kennisgeving niet is voldaan. Daaruit volgt dat als een vereiste kennisgeving niet is gedaan, er geen sprake is van een geoorloofde manifestatie als bedoeld in artikel 144 sr.
In artikel 4 WOM is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels vast stelt met betrekking tot gevallen waarin voor betogingen op openbare plaatsen een voorafgaande kennisgeving is vereist. In artikel 2.32 en 2.33 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Amsterdam zijn die regels gesteld.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de gegevens die op grond van de APV in de kennisgeving aan de gemeente moeten worden opgenomen, zoals onder andere de datum, de plaats, de aard van de manifestatie, en het tijdstip van begin en einde daarvan, daarin zijn vermeld. De gemeente heeft de kennisgeving ook tijdig ontvangen. Daarmee is naar het oordeel van de politierechter voldaan aan de voorschriften uit de APV en de WOM en is sprake van een geoorloofde betoging als bedoeld in artikel 144 sr. De betoging duurde weliswaar langer dan de in de kennisgeving opgegeven eindtijd, maar dat enkele feit betekent niet dat de betoging na afloop van die tijd niet meer als geoorloofd kan worden aangemerkt. Het gaat om de kennisgeving van de betoging.
De bewezenverklaring
De politierechter acht op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, bewezen dat verdachte
op 17 december 2025 te Amsterdam, door het verwekken van wanorde, te weten:
- door een rokende fakkel op de grond te gooien,
een geoorloofde betoging, een solidariteitsdemonstratie op de Dam, opzettelijk heeft gestoord.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de politierechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid
Valt de gedraging van verdachte onder de bescherming van artikel 10 en 11 EVRM?
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij met haar handelen een tegengeluid wilde laten horen en aandacht wilde vragen voor de situatie in Gaza. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit is gepleegd in het kader van een vreedzame demonstratie en dat de gedraging daarmee valt onder de bescherming van artikel 10 en 11 EVRM.
Dat standpunt wordt verworpen. Om te beoordelen of verdachte gebruik maakte van haar demonstratierecht of het recht op vrijheid van meningsuiting, zijn de omstandigheden van het geval bepalend. Verdachte stond in de groep van demonstranten en heeft een rookfakkel tussen die demonstranten op de grond gegooid. Dat is naar het oordeel van de politierechter geen vreedzame demonstratie en valt ook niet onder het recht op vrijheid van meningsuiting. Verdachte heeft zich verder niet geuit.
Het bewezenverklaarde feit is volgens de wet dan ook strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
Verdachte is strafbaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
De op te leggen straf
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 300,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 3 dagen.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de politierechter gelet op de aard van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte.
De deelnemers aan de betoging maakten gebruik van hun demonstratierecht. Verdachte heeft door het gooien van een rookfakkel die betoging gestoord. Verdachte mag het met het doel van die betoging niet eens zijn, maar mag niet handelen zoals zij heeft gedaan. De boete die door de officier van justitie is geëist, is redelijk.
Toepasselijke wetsartikelen
De beslissing is gegrond op de artikelen:
23, 24c en 144 Wetboek van Strafrecht
DE UITSPRAAK
De politierechter:
vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking,
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven,
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
door het verwekken van wanorde een geoorloofde betoging opzettelijk storen
verklaart het bewezene strafbaar,
verklaart verdachte hiervoor strafbaar,
veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete ter hoogte van 300,00 euro, subsidiair 3 dagen hechtenis.
Deze zaak valt onder het verlofstelsel.
De politierechter zegt tegen verdachte dat zij binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis en maakt haar opmerkzaam op het recht ter terechtzitting van dat rechtsmiddel afstand te doen.
De politierechter,
RECHTBANK AMSTERDAM
Sector Strafrecht
Parketnummer: 13/348839-25
Uitspraak van de politierechter, mr. M. Nieuwenhuijs, van donderdag 17 september 2026, in de zaak tegen verdachte
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
wonende op het adres [adres] .
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 december 2025 te Amsterdam, door het verwekken van wanorde of het maken van gedruis, te weten:
- door een rokende fakkel op de grond te gooien,
een geoorloofde betoging, een solidariteitsdemonstratie op de Dam, opzettelijk heeft gestoord;
De formele voorvragen
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De politierechter is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging.
Bewijsoverweging
Is er sprake van een geoorloofde betoging?
De verdediging heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat niet is bewezen dat er sprake is van een geoorloofde betoging op als bedoeld in artikel 144 Wetboek van Strafrecht (sr.) en dat verdachte daarom moet worden vrijgesproken. Dat standpunt wordt verworpen.
Artikel 144 sr. stelt onder andere strafbaar het opzettelijk storen van een geoorloofde betoging door het veroorzaken van wanorde. In de wetsgeschiedenis bij artikel 144 sr. is vermeld dat de bescherming van manifestaties in dit artikel is beperkt tot geoorloofde manifestaties. Daarbij is verwezen naar de Wet Openbare Manifestaties (hierna WOM).
In artikel 11 van de WOM is strafbaar gesteld het deelnemen aan een betoging waarvoor de vereiste kennisgeving niet is voldaan. Daaruit volgt dat als een vereiste kennisgeving niet is gedaan, er geen sprake is van een geoorloofde manifestatie als bedoeld in artikel 144 sr.
In artikel 4 WOM is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels vast stelt met betrekking tot gevallen waarin voor betogingen op openbare plaatsen een voorafgaande kennisgeving is vereist. In artikel 2.32 en 2.33 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Amsterdam zijn die regels gesteld.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de gegevens die op grond van de APV in de kennisgeving aan de gemeente moeten worden opgenomen, zoals onder andere de datum, de plaats, de aard van de manifestatie, en het tijdstip van begin en einde daarvan, daarin zijn vermeld. De gemeente heeft de kennisgeving ook tijdig ontvangen. Daarmee is naar het oordeel van de politierechter voldaan aan de voorschriften uit de APV en de WOM en is sprake van een geoorloofde betoging als bedoeld in artikel 144 sr. De betoging duurde weliswaar langer dan de in de kennisgeving opgegeven eindtijd, maar dat enkele feit betekent niet dat de betoging na afloop van die tijd niet meer als geoorloofd kan worden aangemerkt. Het gaat om de kennisgeving van de betoging.
De bewezenverklaring
De politierechter acht op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, bewezen dat verdachte
op 17 december 2025 te Amsterdam, door het verwekken van wanorde, te weten:
- door een rokende fakkel op de grond te gooien,
een geoorloofde betoging, een solidariteitsdemonstratie op de Dam, opzettelijk heeft gestoord.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de politierechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid
Valt de gedraging van verdachte onder de bescherming van artikel 10 en 11 EVRM?
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij met haar handelen een tegengeluid wilde laten horen en aandacht wilde vragen voor de situatie in Gaza. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit is gepleegd in het kader van een vreedzame demonstratie en dat de gedraging daarmee valt onder de bescherming van artikel 10 en 11 EVRM.
Dat standpunt wordt verworpen. Om te beoordelen of verdachte gebruik maakte van haar demonstratierecht of het recht op vrijheid van meningsuiting, zijn de omstandigheden van het geval bepalend. Verdachte stond in de groep van demonstranten en heeft een rookfakkel tussen die demonstranten op de grond gegooid. Dat is naar het oordeel van de politierechter geen vreedzame demonstratie en valt ook niet onder het recht op vrijheid van meningsuiting. Verdachte heeft zich verder niet geuit.
Het bewezenverklaarde feit is volgens de wet dan ook strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
Verdachte is strafbaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
De op te leggen straf
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 300,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 3 dagen.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de politierechter gelet op de aard van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte.
De deelnemers aan de betoging maakten gebruik van hun demonstratierecht. Verdachte heeft door het gooien van een rookfakkel die betoging gestoord. Verdachte mag het met het doel van die betoging niet eens zijn, maar mag niet handelen zoals zij heeft gedaan. De boete die door de officier van justitie is geëist, is redelijk.
Toepasselijke wetsartikelen
De beslissing is gegrond op de artikelen:
23, 24c en 144 Wetboek van Strafrecht
DE UITSPRAAK
De politierechter:
vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking,
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven,
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
door het verwekken van wanorde een geoorloofde betoging opzettelijk storen
verklaart het bewezene strafbaar,
verklaart verdachte hiervoor strafbaar,
veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete ter hoogte van 300,00 euro, subsidiair 3 dagen hechtenis.
Deze zaak valt onder het verlofstelsel.
De politierechter zegt tegen verdachte dat zij binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis en maakt haar opmerkzaam op het recht ter terechtzitting van dat rechtsmiddel afstand te doen.
De politierechter,