Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:9661

2026-09-25 Civiel recht 11912544 \ CV EXPL 25-13758
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-09-25
Publicatiedatum
2026-09-28
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11912544 \ CV EXPL 25-13758
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Energieleverancier Vattenfall mag, als daarover in de terugleverovereenkomst niets is afgesproken, niet eenzijdig terugleverkosten vragen.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.972 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Civiel recht
Kantonrechter



Zaaknummer: 11912544 \ CV EXPL 25-13758




Vonnis van 25 september 2026




in de zaak van





[eisende partij]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. R. de Nekker,



tegen




de naamloze vennootschap VATTENFALL SALES NEDERLAND N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: Vattenfall,
gemachtigde.: mr. A.J. Haasjes en mr. K.W.G. Heesterbeek.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 oktober 2025, met producties 1-8,- de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie, met producties 1-10,
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 9-16.



1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 juli 2026. [eisende partij] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens Vattenfall is verschenen mevrouw [naam] , bijgestaan door mr. K.W.G. Heesterbeek. Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht – de gemachtigden van partijen mede aan de hand van pleitnota – en vragen van de kantonrechter beantwoord.



1.3.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.
Vattenfall is een energieleverancier. [eisende partij] heeft in 2002 met (de rechtsvoorganger van) Vattenfall een leveringsovereenkomst voor gas en elektriciteit gesloten. Op deze overeenkomst, het “Blijven Loont-contract” zijn algemene voorwaarden van toepassing.



2.2.

[eisende partij] heeft zestien zonnepanelen en levert sinds 15 juli 2020 stroom terug aan Vattenfall. Bij aanvang van die teruglevering heeft Vattenfall [eisende partij] een brief gestuurd. Daarin schreef Vattenfall, voor zover van belang:


“Vergoeding voor teruggeleverde energie

(…) Als u méér energie opwekt dan u verbruikt, houdt u energie over en die levert u aan ons terug. Elk jaar ontvangt u hiervoor van ons een terugleververgoeding. Op uw jaarafrekening ziet u de berekening hiervan. (…)”





2.3.
Sinds 1 juli 2024 brengt Vattenfall aan al haar klanten met zonnepanelen, waaronder [eisende partij] , kosten in rekening voor de stroom die zij terugleveren aan het elektriciteitsnet (hierna: terugleverkosten).



2.4.
Op enig moment heeft Vattenfall [eisende partij] een e-mail met de titel ‘Addendum Algemene voorwaarden en uitleg terugleverkosten’ gestuurd. Daarin schrijft Vattenfall, voor zover relevant:



“
Aanvullende voorwaarden


In onze e-mail in mei hebben we u geïnformeerd dat wij de Productvoorwaarden Algemeen deel hebben aangepast omdat wij vanaf 1 juli 2024 vaste terugleverkosten in rekening brengen. Wij vullen nu ook de Algemene Voorwaarden aan, zodat ook daaruit duidelijk is dat wij vaste terugleverkosten in rekening brengen. Dat mogen wij doen op grond van artikel 19 van de Algemene Voorwaarden 2017. De aanvullende voorwaarden gaan 30 dagen na dagtekening van deze e-mail in. U kunt uw contract kosteloos opzeggen voordat de aanvullende voorwaarden ingaan. (…)”





2.5.
De Algemene voorwaarden voor de levering van elektriciteit en gas aan kleinverbruikers, versie 2017 van Vattenfall (hierna: Algemene Voorwaarden 2017) luiden, voor zover van belang:


“Artikel 19. Mogen wij deze voorwaarden en onze leveringstarieven veranderen?



19.1

Wij mogen deze voorwaarden altijd veranderen.



19.2

Veranderen wij deze voorwaarden? Dan informeren wij u minimaal tien kalenderdagen voor de verandering schriftelijk of digitaal.”






3Het geschil



in conventie




3.1.


[eisende partij] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. een verbod voor Vattenfall om eenzijdig terugleverkosten in de terugleveringsovereenkomst op te nemen en in rekening te brengen,
II. een verklaring voor recht dat het voorwaardenwijzigingsbeding (artikel 19.1 en 19.2 van de Algemene Voorwaarden 2017) oneerlijk is en vernietiging van dat beding,
III. veroordeling van Vattenfall in de proceskosten.




3.2.

[eisende partij] stelt hiertoe – samengevat – dat partijen niet zijn overeengekomen dat Vattenfall terugleverkosten in rekening mag brengen. De overeenkomst tot teruglevering van energie is vastgelegd in de brief die [eisende partij] bij aanvang van de teruglevering van Vattenfall heeft ontvangen, zoals genoemd onder 2.2. In deze terugleveringsovereenkomst staat niets over terugleverkosten, en op de overeenkomst zijn geen algemene voorwaarden van toepassing verklaard. Met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:144 (Deem) betoogt [eisende partij] dat het eenzijdig in rekening brengen van nieuwe tariefcomponenten niet mogelijk is.



3.3.
Ook vordert [eisende partij] vernietiging van het voorwaardenwijzigingsbeding in artikel 19.1 en 19.2 Algemene Voorwaarden 2017. Het beding noemt geen redenen voor wijziging van de algemene voorwaarden en is daarom intransparant. Ook hoeft Vattenfall een wijziging van de voorwaarden op grond van het beding slechts tien dagen van tevoren aan te kondigen, terwijl de contractuele opzegtermijn dertig dagen is.



3.4.
Vattenfall heeft aangevoerd, kort gezegd, dat het gebruik van zonnepanelen door haar klanten aantoonbare meerkosten meebrengen voor Vattenfall als leverancier. Tot 1 juli 2024 werden deze meerkosten omgeslagen over al haar klanten, waaronder de klanten zonder zonnepanelen. Dit en de denivellering die dit veroorzaakt werden door de wetgever, de ACM en verschillende energieleveranciers als onwenselijk bestempeld. Vattenfall heeft er mede daarom in 2024 voor gekozen om de meerkosten nog uitsluitend in rekening te brengen bij klanten met zonnepanelen, in de vorm van redelijke terugleverkosten. Vattenfall stelt primair dat zij hiertoe gerechtigd is op grond van de gestelde terugleverings-overeenkomst en de wet. In de terugleveringsovereenkomst is niet bepaald dat sprake is van vaste prijzen maar is bepaald dat jaarlijks een vergoeding wordt ontvangen, die op grond van artikel 31c lid3 Elektriciteitswet 1998 respectievelijk artikel 2.31 lid Energiewet redelijk dient te zijn. Vattenfall maakt op de terugleverkosten geen aanvullende marges en de kosten worden op zorgvuldige wijze in kaart gebracht en aan de juiste groep toegerekend.



3.5.
Subsidiair, voor het geval dat [eisende partij] het voorgaande bestrijdt, meent Vattenfall dat dit betekent dat partijen geen wilsovereenstemming hebben bereikt over de hoogte van de terugleververgoeding. In dat geval geldt dat Vattenfall ook los van de gestelde terugleveringsovereenkomst op grond van het wettelijk kader uit de Elektriciteitswet 1998 en de Energiewet gerechtigd is deze kosten in rekening te brengen. Vattenfall verwijst in dat kader naar: (i) de verplichting voor Vattenfall om de door [eisende partij] teruggeleverde elektriciteit af te nemen ex artikel 95c Elektriciteitswet 1998 en artikel 2.5 lid 5 Energiewet; (ii) het recht van [eisende partij] om deze elektriciteit tot 1 januari 2027 te salderen tot maximaal zijn jaarlijkse afname ex artikel 31c, lid 1 jo. artikel 95c lid 3 Elektriciteitswet 1998 en artikel 2.31 lid 1 Energiewet; en (iii) het recht van [eisende partij] op een redelijke vergoeding voor het niet-gesaldeerde deel ex artikel 31c, lid 3 Elektriciteitswet 1998 en artikel 2.31 lid 3 Energiewet. Vattenfall betoogt dat zij om die reden, aangevuld met de redelijkheid en billijkheid, gerechtigd is terugleverkosten te hanteren zoals zij dat doet. Voor zover [eisende partij] zich met zijn vordering beoogt te onttrekken aan de (mede) door hem veroorzaakte kosten van teruglevering, is dit bovendien naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en leidt dit tot een onredelijke verdeling van de kosten.



3.6.
Ten aanzien van de vordering van [eisende partij] tot vernietiging van het voorwaardenwijzigingsbeding in artikel 19.1 en 19.2 Algemene Voorwaarden 2017 stelt Vattenfall zich op het standpunt dat [eisende partij] geen belang heeft bij een toetsing van die bedingen. Volgens [eisende partij] zijn de Algemene Voorwaarden 2017 namelijk niet van toepassing op de gestelde terugleveringsovereenkomst. Mocht de kantonrechter evenwel tot het oordeel komen dat de Algemene Voorwaarden 2017 wel van toepassing zijn op de terugleveringsovereenkomst en dat het beroep van [eisende partij] op de oneerlijkheid van de daarin opgenomen bedingen beoordeling behoeft, dan verzoekt Vattenfall de kantonrechter haar in de gelegenheid te stellen zich hierover nader uit te laten.



in voorwaardelijke reconventie





3.7.
In voorwaardelijke reconventie vordert Vattenfall voor recht te verklaren dat Vattenfall op grond van de gestelde terugleveringsovereenkomst zoals genoemd onder 2.2. gerechtigd is om aan [eisende partij] redelijke terugleverkosten in rekening te brengen en, voor zover nodig, dienovereenkomstig de gestelde terugleveringsovereenkomst te wijzigen.



3.8.
Vattenfall legt hieraan ten grondslag – samengevat - dat indien en voor zover ervan uit moet worden gegaan dat de gestelde terugleveringsovereenkomst niet regelt dat Vattenfall terugleverkosten in rekening kan brengen, artikel 6:258 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dan wel de aanvullende of beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid grond geven voor een wijziging en/of ontbinding van de gestelde terugleveringsovereenkomst vanwege onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat [eisende partij] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van die overeenkomst niet mag verwachten. Bij de start van de teruglevering in 2020 is geen rekening gehouden met de exponentiële groei van het aantal zonnepanelen, en de omvang van de meerkosten die daarmee gemoeid zijn. Dat was ten tijde van het sluiten van de gestelde terugleveringsovereenkomst niet te voorzien.



3.9.

[eisende partij] stelt dat de gestelde meerkosten voor teruglevering al ver vóór 2020 bestonden. Reeds daarom is geen sprake van onvoorziene omstandigheden. Dat Vattenfall er op enig moment voor heeft gekozen die gestelde kosten anders te alloceren, is geen onvoorziene omstandigheid die tot wijziging van de overeenkomst kan leiden. Daarbij komt dat Vattenfall haar klanten zelf over de streep heeft willen trekken om zonnepanelen aan te schaffen door hen via haar website hiertoe aan te sporen, de terugleververgoeding in 2022 te verhogen en kortingen op de aanschaf van zonnepanelen aan te bieden. Desondanks is de groei van het aantal huishoudens met zonnepanelen sinds 2020 juist afgevlakt in plaats van toegenomen.



3.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling



De terugleveringsovereenkomst




4.1.
Gelet op de samenhang worden de vorderingen in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie gelijktijdig beoordeeld.



4.2.
Voor de beantwoording van de vraag of Vattenfall terugleverkosten in rekening mag brengen bij [eisende partij] is het allereerst van belang om te bezien wat tussen partijen is overeengekomen. Daarbij kan niet volstaan worden met een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van de tussen partijen gemaakte afspraken maar komt het aan op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijs mochten afleiden. In dat verband kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van partijen kan worden verwacht.



4.3.
Tussen partijen is niet in debat dat de terugleveringsovereenkomst een zelfstandige overeenkomst is, en geen onderdeel uitmaakt van de onder 2.1 genoemde leveringsovereenkomst, zodat dit tot uitgangspunt wordt genomen. De Algemene Voorwaarden 2017, waaronder het wijzigingsartikel 17 zijn derhalve ook niet van toepassing op de terugleveringsovereenkomst.



4.4.
In de terugleveringsovereenkomst wordt uitsluitend melding gemaakt van een vergoeding voor teruggeleverde energie. In de overeenkomst is niets vermeld over terugleverkosten. Vaststaat dat op deze overeenkomst geen algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard. Daarnaast is uit de overgelegde stukken niet naar voren gekomen dat voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst Vattenfall op enigerlei wijze aan [eisende partij] kenbaar heeft gemaakt dat op termijn mogelijk kosten voor de teruglevering in rekening gebracht kunnen worden, dan wel dat in de vergoeding voor de teruggeleverde energie ook een kostencomponent begrepen was. Voorts verdient aantekening dat Vattenfall ten tijde van de sluiting van de overeenkomst als professionele partij handelde en [eisende partij] consument was (en is). Als Vattenfall de mogelijkheid had willen openhouden om op termijn andere componenten bij [eisende partij] in rekening te brengen, dan wel een wijziging van de overeenkomst door te voeren, had het op haar weg als professionele partij gelegen dat in de overeenkomst op te nemen, dan wel op de overeenkomst algemene voorwaarden van toepassing te verklaren en daar een (eerlijke) wijzigingsmogelijkheid in op te nemen. Nu zij dit heeft nagelaten, komt dit voor haar risico. Voor zover door Vattenfall is opgemerkt dat [eisende partij] niet had mogen verwachten dat deze duurovereenkomst ongewijzigd zou blijven voortbestaan, wordt hieraan voorbij gegaan. Als professionele partij had het op de weg van Vattenfall gelegen, die bekend is met de energiemarkt en de ontwikkelingen daarin, om in de overeenkomst of in de communicatie voorafgaand, de consument op duidelijke en transparante wijze te wijzen om de mogelijkheid dat er op termijn mogelijk kosten in rekening gebracht zullen worden. Zij kan dit eigen nalaten niet aan [eisende partij] als consument tegenwerpen. Het is Vattenfall zelf die bij de totstandkoming zichzelf de mogelijkheid heeft ontzegd om kosten aan [eisende partij] in rekening te brengen en daarvan kan zij [eisende partij] nu achteraf geen verwijt maken. Het vorenstaande leidt ertoe dat in de overeenkomst geen (impliciete) grond gevonden kan worden voor het eenzijdig in rekening brengen van kosten van teruglevering.



4.5.
Voor zover door Vattenfall is betoogd dat [eisende partij] uit de omstandigheid dat in de overeenkomst is opgenomen dat [eisende partij] een redelijke vergoeding zou ontvangen voor zijn aan Vattenfall geleverde energie en aldus heeft moeten begrijpen dat hij kosten voor teruglevering zou moeten gaan betalen, wordt zij daarin niet gevolgd. Met een wijziging van de hoogte van de terugleververgoeding had [eisende partij] rekening kunnen en moeten houden, maar een wijziging van de structuur waarbij juist kosten in rekening worden gebracht niet. Daarbij is relevant dat in artikel 2.31 lid 3 van de Energiewet is bepaald dat de redelijke vergoeding niet kan worden vastgesteld op een negatief bedrag. Uit de door Vattenfall overgelegde stukken wordt afgeleid dat de vergoeding die [eisende partij] voor zijn energie ontvangt inmiddels lager is dan de in rekening gebrachte terugleverkosten, zodat hij anders dan hij mocht verwachten bij het aangaan van de terugleverovereenkomst, er op toelegt.



4.6.
Dat de ACM, zoals Vattenfall naar voren heeft gebracht, heeft geconcludeerd dat de meerkosten voor teruglevering ook daadwerkelijk bestaan, deze kosten niet onredelijk hoog zijn, de leveranciers geen extra marge maken en deze kosten zorgvuldig aan de juiste klantgroep worden toegerekend, brengt nog niet mee dat daar eenzijdig door Vattenfall kan worden ingegrepen in een individuele overeenkomst. Indien die mogelijkheid in de overeenkomst niet is opgenomen zoals hier het geval is brengen deze oordelen nog niet mee dat een consument op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid deze kosten heeft te accepteren.



4.7.
Voor zover door Vattenfall nog een beroep wordt gedaan op ongerechtvaardigde verrijking, wordt dit beroep afgewezen, met verwijzing naar hetgeen door de Hoge Raad is overwogen in het arrest van 31 januari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:144) onder rechtsoverweging 3.3.3. Als al zou komen vast te staan dat [eisende partij] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van Vattenfall, zou het zich niet met het hiervoor weergegeven oordeel dat Vattenfall deze kosten niet in rekening mag brengen, verdragen dat het redelijk is dat [eisende partij] de schade vergoedt van Vattenfall die bestaat uit het niet in rekening kunnen brengen van een deel van die terugleverkosten.



4.8.
Een niet in de overeenkomst opgenomen mogelijkheid om kosten in rekening te brengen verhoudt zich ook niet met het (Europees) consumentenrecht, waarbij voor de consument bij de totstandkoming de economische gevolgen van een overeenkomst duidelijk moeten zijn. Daar is hier geen sprake van geweest, nu [eisende partij] op basis van de overeenkomst er niet op hoefde te rekenen dat er terugleverkosten bij hem in rekening gebracht zouden worden.



4.9.
Ook een wettelijke bepaling voor het (alsnog) in rekening brengen van terugleverkosten is thans niet aanwezig. Met de wijziging van artikel 2.34 van de Energiewet, waarin met ingang van de inwerkingtreding per 1 januari 2027 lid 8 wordt toegevoegd waarin is bepaald dat kosten die verbonden zijn aan het terugleveren van energie uitsluitend in rekening worden gebracht bij actieve deelnemers, kunnen weliswaar terugleverkosten niet langer over alle klanten van Vattenfall worden verspreid, maar Vattenfall heeft onvoldoende toegelicht dat deze aanstaande wetswijziging thans meebrengt dat haar een beroep toekomt op artikel 6:258 BW. De verwijzing naar de rapporten van de ACM is daarvoor niet voldoende. Verder had Vattenfall voor een geslaagd beroep op artikel 6:258 BW (onder meer) voldoende concreet moeten maken dat het niet in rekening brengen van terugleverkosten bij [eisende partij] een ernstige verstoring in de waardeverhouding tussen de wederzijdse prestaties van [eisende partij] en Vattenfall zou opleveren. Dat is door Vattenfall niet gedaan.



4.10.
Daarbij geldt dat van onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW alleen sprake kan zijn voor zover het omstandigheden betreffen die op het ogenblik van tot stand komen van de overeenkomst nog in de toekomst lagen. Voor de kwalificatie als ‘onvoorzien’ komt het aan op de vraag of partijen de mogelijkheid van het optreden van de omstandigheden hebben willen voorzien of althans stilzwijgend die mogelijkheid hebben verdisconteerd. De onvoorziene omstandigheden moeten van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst mag verwachten. Aan dit vereiste zal niet snel zijn voldaan. Redelijkheid en billijkheid verlangen in de eerste plaats trouw aan het gegeven woord en laten afwijking daarvan slechts bij hoge uitzondering toe. Daaruit volgt dat terughoudendheid moet worden betracht ten aanzien van de aanvaarding van een beroep op onvoorziene omstandigheden. Een wijziging of ontbinding van de overeenkomst is niet in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid wanneer de omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van degene die zich daarop beroept. Een belangrijke categorie gevallen waarin artikel 6:258 BW wordt toegepast betreft een ernstige verstoring in de waardeverhouding tussen de wederzijdse prestaties bij wederkerige overeenkomsten. Er moet daarbij zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de oorspronkelijke bedoeling van partijen en de strekking van de overeenkomst.



Oneerlijk wijzigingsbeding artikel 19.1 en 19.2 Algemene Voorwaarden 2017





4.11.
Het verweer van Vattenfall dat dit deel van de vordering niet toewijsbaar is, omdat [eisende partij] hierbij geen belang heeft, wordt verworpen. Het Europese Hof van Justitie heeft in het Provident Polska-arrest (ECLI:EU:C:2023:911) beslist, kort gezegd en voor zover hier van belang, dat artikel 7 lid 1 van de Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna de richtlijn), gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, zich verzet tegen een nationale regeling die bepaalt dat een vordering van een consument om een beding oneerlijk te verklaren alleen kan worden toegewezen wanneer de consument een procesbelang heeft, als dat procesbelang wordt geacht niet te bestaan wanneer deze consument een vordering tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde kan instellen of wanneer hij tegen een vordering, die door de verkoper is ingesteld, kan aanvoeren dat het beding waarop de vordering is gebaseerd oneerlijk is. Volgens het Europese Hof van Justitie verleent de richtlijn een consument het recht zich tot een rechter te wenden om te laten vaststellen dat een beding in een door de verkoper met hem gesloten overeenkomst oneerlijk is en dit beding buiten toepassing te laten verklaren. De consument heeft recht op een effectieve rechterlijke bescherming. Het is in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel als de uitoefening van de door de richtlijn aan consumenten verleende rechten uiterst moeilijk wordt gemaakt, aldus het Europees Hof. [eisende partij] heeft, nu dit beding in de rechtsverhouding tussen hem en Vattenfall een rol kan spelen, belang bij de beoordeling van de oneerlijkheid van dit beding en hoeft niet te wachten totdat Vattenfall een beroep doet op voornoemd beding. Dit leidt tot de conclusie dat [eisende partij] ontvankelijk is in zijn vordering.



4.12.
Vattenfall heeft niet inhoudelijk op de eventuele oneerlijkheid van artikel 19 Algemene Voorwaarden 2017 gereageerd en heeft nadrukkelijk verzocht daartoe in de gelegenheid te worden gesteld. Volgens vaste jurisprudentie dienen de verschenen partijen altijd de gelegenheid te krijgen zich uit te laten over door de rechter geconstateerde oneerlijkheid van een beding in consumentenovereenkomsten. Weliswaar is er in dit geding nog geen oordeel gegeven over de oneerlijkheid van het beding, maar nu Vattenfall daartoe kennelijk voorafgaand haar visie daarover wil delen, zal zij daartoe de gelegenheid krijgen. Er is, anders dan Vattenfall heeft verzocht, geen aanleiding om daarmee te wachten totdat door de Hoge Raad is beslist op de oneerlijkheid van het prijswijzigingsbeding waarop door de Advocaat Generaal inmiddels een conclusie is gewezen (ECLI:NL:PHR:2026:541). Weliswaar gaat het daarbij om dezelfde Algemene Voorwaarden 2017, maar betreft het daar het prijswijzigingsbeding. Gelet op de verwachte uitspraakdatum, eind van dit jaar, kan bovendien het oordeel van de Hoge Raad nog betrokken worden in het oordeel in deze zaak omdat partijen zich nog moeten uitlaten indien wordt geoordeeld dat artikel 19 Algemene Voorwaarden 2017 oneerlijk zou zijn. Als in de uitspraak van de Hoge Raad aanleiding wordt gezien om partijen zich daarover uit te laten, kan dat in een later stadium dus alsnog gebeuren. Met het nemen van een conclusie over artikel 19 van de Algemene Voorwaarden 2017 hoeft Vattenfall daarop niet te wachten. [eisende partij] mag op de door Vattenfall te nemen akte reageren.



4.13.
Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende beslissing. De kosten aan de zijde van [eisende partij] in reconventie worden begroot op nihil.



4.14.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.





5De beslissing



in conventie




5.1.
verbiedt Vattenfall om eenzijdig terugleverkosten in de terugleveringsovereenkomst op te nemen en bij [eisende partij] in rekening te brengen;



5.2.
verklaart het verbod onder 5.1 uitvoerbaar bij voorraad;



5.2.
verwijst de zaak naar de rol van vrijdag 23 oktober 2026 voor een akte aan de zijde van Vattenfall als hiervoor vermeld;



5.3
houdt iedere verdere beslissing aan;



in reconventie





5.4.
wijst de vordering af;



5.5.
veroordeelt Vattenfall in de kosten aan de zijde van [eisende partij] begroot op nihil.









Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026.