Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:9615

2026-06-08 Civiel recht 12153858 / EA VERZ 26-357
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-06-08
Publicatiedatum
2026-09-25
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12153858 / EA VERZ 26-357
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Ontslag op staande voet blijft in stand. Onterecht thuiswerkvergoeding gedeclareerd tijdens ziekte. Wel toekenning transitievergoeding.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.241 tekens)
RECHTBANK
AMSTERDAM



Civiel recht
Kantonrechter



Zaaknummer / rekestnummer: 12153858 \ EA VERZ 26-357




Beschikking van 8 juni 2026




in de zaak van





[verzoeker]
,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. G.H.A. van den Heuvel,



tegen




ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: ABN AMRO,
gemachtigde: mr. L. 't Mannetje.





1De procedure


1.1.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben partijen de volgende stukken ingediend:


het verzoekschrift van 18 maart 2026, met bijlagen;


de vermindering van het verzoek met een aanvullende bijlage, van 29 april 2026;


het herziene verzoekschrift van 19 mei 2026;


het verweerschrift van ABN Amro, met bijlagen.





1.2.
Op 22 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoeker] heeft daaraan deelgenomen via een digitale verbinding. Haar gemachtigde was fysiek aanwezig. Aan de zijde van ABN AMRO zijn [naam 1] ([functie 1]) en [naam 2] ([functie 2]) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben aan de hand van spreekaantekeningen hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Na verder debat is beschikking gevraagd en is daarvoor een datum bepaald.





2De feiten


2.1.

[verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1990, is sinds 1 februari 2021 in dienst bij ABN AMRO. Haar functie is [functie 3] en het loon bedraagt € 9.628,83 bruto per maand, inclusief vakantiegeld en vaste bonus.



2.2.
Op 9 augustus 2023 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld. Sindsdien is zij onafgebroken arbeidsongeschikt geweest en heeft zij niet meer gewerkt.


2.3.
Op 6 augustus 2025 was [verzoeker] langer dan 104 weken ziek en is de loondoorbetalingsverplichting van ABN AMRO afgelopen. ABN AMRO heeft in een brief van 3 december 2025 aangekondigd dat zij een ontslagaanvraag zou indienen bij het UWV.


2.4.
Op 30 december 2025 heeft [verzoeker] declaraties voor thuiswerkvergoedingen ingediend voor de periode december 2023 tot en met november 2025. In deze periode heeft [verzoeker] vanwege arbeidsongeschiktheid niet gewerkt.


2.5.

ABN AMRO heeft in verschillende reglementen bepalingen over de thuiswerkvergoeding opgenomen.
- In de ABN AMRO cao staat over het declareren van thuiswerkvergoedingen:




“on days that you work from home and are not travelling for work, you will receive a fixed homework allowance of €3 for each day that you work from home.”




- In het thuiswerkreglement (het document met de naam Homework allowance and Internet allowance) is onder meer bepaald:




“this additional allowance currently amounts € 3 per home working day. […] You can only claim the home working allowance for the days that you worked from home and did not travel for work. […]. By submitting a claim form, you declare that you have completed the form truthfully. Any false claims for the home working allowance, mileage allowance of other expenses may have implications for you relating to employment law.





Which information should I enter if I’m on sick leave?

When you’re sick or on leave (regardless of the type of leave), you are not working or travelling. You may not claim any allowances for that particular day or period.”





2.6.
Voordat een medewerker een declaratie kan indienen, verschijnt er een pop up met de tekst: “By clicking “Accept & Continue, I declare:


1. That I have taken knowledge of the terms and conditions listed in the text Homework allowance […] and have taken note of the regulations, the collective labor agreement and the information on SharePoint;



[…]


2. That this is a true and accurate representation of my expenses […] and that no payment is requested for expenses that have a private nature or are not permitted within the applicable company regulations.”




De declaratie kan enkel worden afgerond als de medewerker op “Accept & Continue” klikt.





2.7.
De leidinggevende van [verzoeker], de heer [naam 2], werd op 7 januari 2026 bekend met de declaraties. Dit is aanleiding geweest om de declaraties van [verzoeker] te onderzoeken. [naam 2] heeft [verzoeker] vervolgens uitgenodigd voor een gesprek daarover op 14 januari 2026. Op vrijdag 16 januari 2026 heeft [verzoeker] het verslag van dat gesprek geaccordeerd. Op maandag 19 januari 2026 is binnen ABN AMRO intern het ontslag van [verzoeker] aangevraagd bij de daartoe bevoegde personen.



2.8.
Op 21 januari 2026 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. Dit ontslag is dezelfde dag per brief bevestigd. In deze brief is over de dringende reden (onder meer) het volgende vermeld: “Recently you have submitted a large number of claims for homework allowances, namely for (almost) all weekdays in the period from January 2022 up to and including November 2025. Based on the overviews of your claims for homework allowances, it has been established that you have claimed homework allowances without being entitled thereto (…).” Daarna volgt in de brief een opsomming van verschillende data waarop thuiswerkvergoeding gedeclareerd is tussen maart 2022 en juli 2025 en waarop vanwege ziektedagen, vakantie of feestdagen geen aanspraak bestond op thuiswerkvergoeding. In de brief staat dat het in totaal om meer dan 500 dagen gaat en dat deze gedragingen van [verzoeker] ieder afzonderlijk en in hun onderling verband een dringende reden voor ontslag vormen.






3Het verzoek en het verweer


3.1.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter (na herziening van het verzoek) om, in een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is, te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst op een niet rechtsgeldige wijze is opgezegd en ABN AMRO te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding en de wettelijke transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.



3.2.

[verzoeker] legt daaraan – kort gezegd – ten grondslag dat het ontslag op staande voet onterecht was. Allereerst stelt [verzoeker] dat de ontslagbrief op onjuiste feiten gebaseerd is. Daarin worden declaraties vanaf 2022 genoemd. [verzoeker] meent dat haar declaratie van eind 2025 alleen betrekking had op de periode december 2023 tot en met 2025. Daarnaast stelt [verzoeker] dat er geen dringende reden voor ontslag was, omdat zij altijd te goeder trouw heeft gehandeld. [verzoeker] begrijpt achteraf dat zij geen recht had op de thuiswerkvergoeding op dagen dat zij niet werkte, maar heeft daar destijds geen moment aan gedacht. Eind december was haar bekend geworden dat haar arbeidsovereenkomst zou worden beëindigd. [verzoeker] was bezig met het afhandelen van de laatste administratieve zaken en heeft daarbij onnadenkend de thuiswerktoeslagen gedeclareerd. Daarbij speelt een rol dat eind december een moeilijke periode is voor [verzoeker] en dat zij lijdt aan PTSS en zware depressie. Verder stelt [verzoeker] dat zij ook in december 2023 een declaratie voor de thuiswerkvergoeding heeft ingediend. Die declaratie ging voor een gedeelte ook over ziektedagen en is destijds goedgekeurd door ABN AMRO. Daarnaast ontving [verzoeker] een vergoeding voor internetkosten die doorliep tijdens ziekte. [verzoeker] heeft daarom niet getwijfeld of zij recht had op de thuiswerkvergoeding toen zij in december 2025 de tweede declaratie indiende. Al met al had ABN AMRO een minder ingrijpend middel moeten kiezen, zoals het doorzetten van de ontslagvergunning bij het UWV. Ten slotte is het ontslag volgens [verzoeker] niet onverwijld gegeven.


3.3.
Het verweer van ABN AMRO strekt tot afwijzing van de verzoeken. ABN AMRO voert aan dat het voor [verzoeker] volstrekt duidelijk heeft moeten zijn dat zij geen thuiswerkvergoeding kon declareren over dagen waarop zij niet thuis heeft gewerkt. Dat zij desondanks toch een grote hoeveelheid thuiswerkdagen heeft gedeclareerd terwijl zij ziek was en niet werkte, is een dringende reden voor ontslag. Daarbij speelt mee dat juist aan een bankmedewerker hoge integriteitseisen worden gesteld. ABN AMRO voert aan dat zij ook voldoende voortvarend heeft gehandeld bij het ontslag. De tijd die is verstreken vanaf het moment dat de declaraties zijn ontdekt op 7 januari 2026, was nodig om een compleet beeld te krijgen van de situatie, het houden van een hoor- en wederhoorgesprek en interne afstemming over meerdere schijven. De billijke vergoeding moet daarom worden afgewezen. Ook op de transitievergoeding heeft [verzoeker] volgens ABN AMRO geen recht, omdat het einde van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen. Daar komt nog bij dat [verzoeker] eerst in haar herziene verzoek om de transitievergoeding heeft verzocht. Dat is na het verstrijken van de vervaltermijn van artikel 7:686a BW, aldus ABN AMRO.




4De beoordeling


4.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. In artikel 7:677 lid 1 BW is bepaald dat daarvoor moet zijn voldaan aan de volgende drie voorwaarden: i) er moet een dringende reden voor het ontslag zijn, ii) het ontslag moet onverwijld gegeven zijn en iii) de dringende reden moet onverwijld aan de werknemer zijn medegedeeld.

Dringende reden





4.2.
Er is sprake van een dringende reden voor ontslag als daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer maken dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling moeten alle omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang worden gewogen.



4.3.
De kantonrechter is met ABN AMRO van oordeel dat het voor [verzoeker] volstrekt duidelijk had moeten zijn dat zij geen recht had op een thuiswerkvergoeding op dagen dat zij niet heeft gewerkt. Dat blijkt uit de in rechtsoverweging 2.5 genoemde reglementen. De formulering daarvan is heel helder en laat geen ruimte voor twijfel. ABN AMRO heeft ook voldoende onderbouwd dat [verzoeker] bekend was (of in elk geval had moeten zijn) met deze reglementen, waar zij bij het indienen van de declaratie nog uitdrukkelijk op werd gewezen. Bovendien volgt uit de aard van de vergoeding die per dag moet worden aangevraagd dat deze bedoeld is voor dagen dat daadwerkelijk thuis wordt gewerkt. [verzoeker] heeft niettemin over ruim 500 dagen thuiswerkvergoeding gedeclareerd, terwijl zij in die periode arbeidsongeschikt was en in het geheel niet werkte.



4.4.

[verzoeker] heeft aangevoerd dat zij in de veronderstelling verkeerde dat zij recht had op een thuiswerkvergoeding, omdat zij in 2023 ook een declaratie had ingediend die gedeeltelijk betrekking had op ziektedagen. Die declaratie is volgens [verzoeker] goedgekeurd. Dit is geen rechtvaardiging voor de onterechte declaraties. ABN AMRO heeft voldoende toegelicht dat declaraties niet standaard handmatig gecontroleerd worden. [verzoeker] heeft tot augustus 2023 gewerkt. Dat zij in 2023 een thuiswerkvergoeding declareerde, was in die zin niet opvallend. De declaratie is destijds automatisch goedgekeurd. Naar het oordeel van de kantonrechter is die automatische goedkeuring tegenover het schriftelijke – en heel duidelijke – beleid van ABN AMRO onvoldoende voor [verzoeker] om er in redelijkheid op te vertrouwen dat zij tijdens ziekte recht had op de thuiswerkvergoeding.



4.5.
Voorgaande geldt ook voor het feit dat de internetvergoeding tijdens ziekte werd doorbetaald. Een algemene internetvergoeding heeft een ander karakter dan een thuiswerkvergoeding per dag. Het enkele feit dat de internetvergoeding doorliep tijdens ziekte, maakt niet dat [verzoeker] ervanuit mocht gaan dat zij ook recht had op de thuiswerkvergoeding, zeker nu het beleid daaromtrent zo helder is vastgelegd.



4.6.

[verzoeker] heeft verder gesteld dat ABN AMRO zelf de declaraties beter had moeten controleren en stelselmatiger had moeten handhaven op onjuistheden. Dat ABN Amro dit had kunnen doen, doet naar het oordeel van de kantonrechter niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van [verzoeker] voor haar handelen.



4.7.
Tot slot heeft [verzoeker] aangevoerd dat geen sprake is van een dringende reden omdat zij meer dan 104 weken ziek was en daarom niet meer werkte voor ABN AMRO. Bovendien was er geen loondoorbetalingsverplichting meer. Volgens [verzoeker] had het daarom op de weg van ABN AMRO gelegen om te kiezen voor een minder ingrijpend middel om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. ABN AMRO heeft daartegenover gesteld dat juist omdat [verzoeker] meer dan 104 weken ziek was, de gevolgen van het ontslag op staande voet voor haar beperkt zijn. Zij verliest daardoor geen inkomsten. ABN AMRO heeft verder – terecht - aangevoerd dat voor bancaire instellingen als zijzelf integriteit van groot belang is en dat zij op schendingen van interne integriteitsregels – ook vanwege het scherpe toezicht waaronder zij zelf staat – met voortvarendheid moet kunnen handhaven. Onder deze omstandigheden mocht ABN AMRO naar het oordeel van de kantonrechter overgaan tot een ontslag op staande voet en hoefde zij niet de (langere) ontbindingsprocedure of de ontslagaanvraag bij het UWV af te wachten.



4.8.
Ook hetgeen [verzoeker] over haar persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd, is niet zo zwaarwegend dat dit tot een ander oordeel leidt. Het ten onrechte declareren van een thuiswerkvergoeding over ruim 500 dagen levert daarom een dringende reden op.



Onverwijldheid





4.9.
Het ontslag was voldoende voortvarend en dus onverwijld. Tussen het moment dat de declaratie is ontdekt door [naam 2] en het ontslag zit een periode van twee weken. ABN AMRO heeft toegelicht dat die tijd is gebruikt om onderzoek te doen, in gesprek te gaan met [verzoeker] en intern toestemming te verzoeken voor het ontslag op staande voet. De personen die daadwerkelijk bevoegd waren om tot ontslag over te gaan, waren op 19 januari 2026 bekend met de dringende reden. Twee dagen daarna is [verzoeker] ontslagen. Al met al heeft ABN AMRO daarbij naar het oordeel van de kantonrechter met voldoende voortvarendheid gehandeld.



Onverwijlde mededeling dringende reden





4.10.


[verzoeker] heeft gesteld dat het ontslag niet rechtsgeldig is, omdat de ontslagbrief gedeeltelijk op onjuiste feiten is gebaseerd. Dat zou betekenen dat de dringende reden niet op de juiste manier aan [verzoeker] is medegedeeld. In dat standpunt wordt [verzoeker] niet gevolgd. De declaratie van december 2025 was de eerste aanleiding voor het onderzoeken van de declaraties en het ontslag op staande voet. Daarin ging het alleen om de thuiswerkvergoeding vanaf eind 2023. [verzoeker] heeft echter niet betwist dat zij op een eerder moment ook declaraties heeft gedaan over de data uit 2022 die in de ontslagbrief worden genoemd. ABN AMRO kon die declaraties daarom (mede) aan het ontslag ten grondslag leggen. Van een onjuiste ontslagbrief is geen sprake.

Geen recht op billijke vergoeding





4.11.
Uit het voorgaande volgt dat het ontslag op staande voet rechtmatig is. De billijke vergoeding wordt daarom afgewezen.



Wel recht op de transitievergoeding





4.12.
Het handelen van [verzoeker] is niet ernstig verwijtbaar in de zin van artikel 7:673 lid 7 BW. Uit vaste rechtspraak volgt dat voor ernstige verwijtbaarheid een hoge lat geldt, die in deze zaak niet wordt gehaald. [verzoeker] heeft overtuigend voor het voetlicht gebracht dat zij eind december 2025 de laatste administratieve dingen voor het eindigen van haar contract wilde afhandelen, in een periode dat zij langdurig ziek was en het op mentaal vlak niet goed met haar ging. Het is aannemelijk dat zij daarbij daadwerkelijk niet stil heeft gestaan bij het beleid voor declareren van thuiswerkdagen en dat geen sprake is geweest van doelbewustheid. Zoals hiervoor in het kader van de dringende is besproken, had [verzoeker] daarbij wel stil moeten staan en had zij de declaraties niet moeten indienen. Haar handelen is dus wel verwijtbaar, maar van doelbewuste benadeling van ABN AMRO is geen sprake. De feiten zijn daarom onvoldoende om te komen tot ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] . Dat betekent dat [verzoeker] recht heeft op de wettelijke transitievergoeding. Deze bedraagt € 15.965,24. Bij de berekening is uitgegaan van een einddatum op 21 januari 2026 en een maandsalaris van € 9.628,83 (inclusief vaste bonus en vakantiegeld). De wettelijke rente over dit bedrag is toewijsbaar vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 21 februari 2026.



4.13.

Het beroep van ABN AMRO op het verstrijken van de vervaltermijn van artikel 7:686a BW slaagt niet. De vervaltermijn strekt tot bescherming van de partijen tegen onzekerheid over de verschuldigdheid en de hoogte van de transitievergoeding. [verzoeker] heeft in haar eerste verzoek, vóór het verstrijken van de vervaltermijn, uitdrukkelijk benoemd dat zij aanspraak maakte op de
transitievergoeding, zij het als onderdeel van de billijke vergoeding. ABN AMRO heeft er dus rekening mee kunnen houden dat de transitievergoeding onderdeel was van het geschil tussen partijen. Dat in het herziene verzoek de transitievergoeding als afzonderlijke vergoeding is verzocht, maakt dat niet anders. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter geen aanvulling, maar een verduidelijking van het verzoek.




Proceskosten





4.14.
Partijen worden over en weer op onderdelen in het ongelijk gesteld. De proceskosten worden daarom gecompenseerd, wat betekent dat iedere partij de eigen kosten moet dragen.


4.15.
In een nagekomen e-mail van 26 mei 2026 heeft [verzoeker] verzocht om vanwege het herziene verzoek het geheven griffierecht aan te passen van € 753,00 naar het griffierecht voor onbepaalde bedragen voor natuurlijke personen. Daartoe wordt geen aanleiding gezien, nu het verzoek tot toekenning van de transitievergoeding en de billijke vergoeding een duidelijk afgebakende financiële waarde van meer dan € 12.500 vertegenwoordigt.





5De beslissing


De kantonrechter:



veroordeelt ABN AMRO tot betaling van de wettelijke transitievergoeding ten bedrage van € 15.965,24 aan [verzoeker] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2026 tot de volledige voldoening.



verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;



compenseert de proceskosten;


wijst het meer of anders verzochte af.


Deze beschikking is gegeven door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.