Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:9463

2026-09-24 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12109468 CV EXPL 26-2174
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-09-24
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12109468 CV EXPL 26-2174
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Effectenlease. Het Dexia Aanbod is een vaststellingsovereenkomst. De overeengekomen afstand van aanspraak op schadevergoeding geldt niet voor de effectenleaseovereenkomst die op het aanmeldformulier van het Dexia Aanbod staat vermeld onder “Overeenkomst die niet in aanmerking komt voor het Dexia Aanbod”.

Citeert (10)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (22.775 tekens)
RECHTBANK
AMSTERDAM



Civiel recht
Kantonrechter



Zaaknummer: 12109468 CV EXPL 26-2174




Vonnis van 24 september 2026




in de zaak van:





[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. G. van Dijk,



tegen




DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 juli 2026.




1.2.
Op 26 augustus 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tegelijkertijd met de behandeling van deze zaak is de zaak met nummer 12140794 CV EXPL 26-3796 door mr. Van Dijk, kantonrechter, behandeld en de zaak met nummer 12093056 CV EXPL 26-1607 door mr. Otten, kantonrechter. Verschenen zijn mr. J.M. Both namens [eiser] en mr. J.M.K.P. Cornegoor namens Dexia. Mr. Cornegoor heeft pleitaantekeningen overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.



1.3.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.




2
2. De verdere beoordeling


2.1.
De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis van 16 juli 2026 is overwogen over de feiten en vorderingen van [eiser] . In dat vonnis zijn de volgende feiten opgenomen:



“2.1. [eiser] heeft de volgende leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:












Nr.




Contractnr.




Datum




Naam overeenkomst






I.





[nummer 1]





15-08-2001




Overwaarde Effect









2.1.

Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:











Nr.




Datum eindafrekening




Resultaat




Betaald






I.




16-08-2006




- € 3.587,58




ja









2.3.

Volgens opgave van Dexia heeft [eiser] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 34.844,40 aan maandtermijnen en een bedrag van € 3.587,58 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [eiser] een bedrag van € 6.502,27 aan dividenden ontvangen en € 1.950,15 aan fiscaal voordeel genoten.




2.4.

De gemachtigde van [eiser] , Leaseproces, heeft bij brief van 7 december 2005 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.




2.5.


[eiser] en zijn echtgenote hebben op 24 februari 2003 het aanmeldingsformulier Dexia Aanbod ondertekend, waarin onder meer het volgende is vermeld:




“I
Overeenkomst(en) die, onder voorwaarden in aanmerking komen voor het Dexia Aanbod.


(…)






[nummer 2] WinstVerDriedubbelaar (…)



[nummer 3] WinstVerDriedubbelaar





(…)





II Overeenkomst(en) die niet in aanmerking komen voor het Dexia Aanbod





(…)



[nummer 1] Overwaarde Effect


(…)”





algemeen




2.2.
Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eiser] .



2.3.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.


2.4.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:


er is sprake van huurkoop;


er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van nietigheid of vernietigbaarheid krachtens de Wck;


Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;



[eiser] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;


er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.



Dexia Aanbod



2.5.

Dexia heeft primair aangevoerd dat met het ondertekenen van het aanmeldingsformulier Dexia Aanbod een vaststellingsovereenkomst tussen haar en [eiser] tot stand is gekomen waarbij [eiser] afstand heeft gedaan van zijn aanspraken op schadevergoeding en dat de vorderingen daarom moeten worden afgewezen.
Dexia heeft gewezen op de navolgende tekst op het aanmeldingsformulier:




“
Ja,
ik ga in op het Dexia Aanbod


Door ondertekening van dit formulier, dat voor zoveel nodig geldt als akte, ga ik met Dexia Bank Nederland N.V. de Overeenkomst Dexia Aanbod aan. De volledige tekst van de Overeenkomst Dexia Aanbod als opgenomen bij de Juridische Documenten Dexia Aanbod, moet voor zover nodig, geacht worden volledig in dit aanmeldingsformulier te zijn ingelast en herhaald. Ik verklaar deze overeenkomst ontvangen gelezen en begrepen te hebben, en met de bepalingen daarvan in te stemmen.”




en op artikel 5.1.2. van de Overeenkomst Dexia Aanbod, dat luidt als volgt:




“Deelnemer verklaart dat hij terzake van de DA-Effectenlease-overeenkomst(en) en/of de NDA-Effectenlease-overeenkomst(en) afstand doet van alle door of namens hem of te zijnen behoeve door derden jegens Dexia en/of tussenpersoon bij de totstandkoming van die effectenlease-overeenkomsten betrokken tussenpersoon, gepretendeerde rechten (met inbegrip van maar niet beperkt tot enig recht op schadevergoeding of vernietiging) uit hoofde van of verband houdende met die effectenleaseovereenkomst(en) (….)




In artikel 1.1.1. van de Overeenkomst Dexia Aanbod is voor zover van belang vermeld:



“ DA Effectenlease-overeenkomst:

Dexia Aanbod Effectenlease-overeenkomst: de effectenlease-overeenkomst(en) tussen Deelnemer en Dexia waarvoor het Dexia Aanbod geldt omdat daaruit op de Afloopdatum een restschuld van Deelnemer aan Dexia kan voortvloeien en die is/zijn vermeld op het Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod onder I.


(…)


NDA Effectenlease-overeenkomst:


Niet Dexia Aanbod Effectenlease-overeenkomst: de (eventuele) effectenleaseovereenkomst(en) tussen Deelnemer en Dexia waarvoor de verruimde mogelijkheden van het Dexia Aanbod niet gelden omdat daaruit aan het einde van de reguliere looptijd geen Restschuld van Deelnemer aan Dexia kan voortvloeien en die is/zijn vermeld op het Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod onder II;”





2.6.
Dexia meent dat de door [eiser] verleende kwijting ziet op alle overeenkomsten en niet alleen op de overeenkomsten waarbij aan het einde van de looptijd een restschuld kon ontstaan. [eiser] heeft bewust van zijn rechten afstand gedaan, gelet op de hiervoor weergegeven tekst op het aanmeldingsformulier. In de documentatie, zoals de introductiebrief, het aanmeldingsformulier en de Toelichting Dexia Aanbod (pagina’s 2, 7, 21) is verschillende keren uitdrukkelijk vermeld dat met ondertekening van het Dexia Aanbod afstand wordt gedaan van iedere mogelijkheid van juridische actie tegen Dexia.



2.7.

[eiser] meent dat geen sprake is van een vaststellingsovereenkomst omdat hij ten aanzien van de overeenkomst rechten heeft prijsgegeven terwijl daar niets tegenover staat. Voorts stelt hij dat hij alleen voor afstand van recht heeft getekend voor de WinstVerDriedubbelaar overeenkomsten, maar niet ten aanzien van de Overwaarde Effect overeenkomst. Daarvan mocht hij ook uitgaan, nu Dexia expliciet in het aanmeldingsformulier heeft aangegeven dat enkel de Altijd Doen overeenkomsten in aanmerking kwamen voor het Dexia Aanbod en de Overwaarde Effect overeenkomst niet. In dit verband heeft [eiser] verwezen naar uitspraken van het Hof Amsterdam, waaronder het arrest van 28 oktober 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:4436). [eiser] beroept zich ten overvloede nog op de artikelen 3 en 5 van de Richtlijn 93/13/EEG (hierna te noemen: de Richtlijn) betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen is ten nadele van de consument aanzienlijk verstoord. [eiser] deed immers afstand van al zijn rechten zonder dat daar van de zijde van Dexia iets tegenover werd gesteld. Dit is ook niet transparant verwoord nu één en ander verspreid over de tekst is opgenomen. [eiser] is niet ondubbelzinnig en niet uitdrukkelijk erop gewezen dat hij het Dexia Aanbod had moeten begrijpen zoals de uitleg die Dexia thans aan het Dexia Aanbod geeft.



2.8.
Dexia voert daartegen aan dat het beroep op de uitspraak van het Hof Amsterdam [eiser] niet kan baten omdat het Hof in het betreffende arrest ten onrechte heeft overwogen dat nergens duidelijk en ondubbelzinnig zou zijn bepaald dat de kwijting ook betrekking had op de overeenkomsten waarvoor niet de verruimde mogelijkheden van het Dexia Aanbod gelden. Dit blijkt immers duidelijk uit de considerans van de overeenkomst, de aanbiedingsbrief en de toelichting op het Dexia Aanbod. Daarbij dient ook te worden bedacht dat ten tijde van het tekenen van het Dexia Aanbod nog een wezenlijk onderscheid bestond tussen restschuld- en niet-restschuldproducten, maar dat dat thans – door ontwikkelingen in de jurisprudentie – niet meer het geval is. Dexia meent voorts dat een beroep op de artikelen 3 en 5 van de Richtlijn niet aan de orde kan zijn nu artikel 5.1.2. van de Overeenkomst Dexia Aanbod het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst vormt en dus een kernbeding betreft. Evenmin is dit artikel oneerlijk in de zin van artikel 3 van de Richtlijn omdat het daarin bedoelde evenwicht niet wordt verstoord en het artikel evenmin onduidelijk of onbegrijpelijk is in de zin van artikel 5 van de Richtlijn. Een redelijk omzichtige en oplettende consument zou immers ook kennis hebben genomen van de voorwaarden, de toelichting en de introductiebrief. De gevolgen van de ondertekening van het Dexia Aanbod waren volgens Dexia dan ook glashelder.



2.9.
Allereerst is de vraag aan de orde of sprake is van een vaststellingsovereenkomst. Anders dan [eiser] meent, is de kantonrechter van oordeel dat dit het geval is nu het Dexia Aanbod beoogt de totale relatie van de afnemer met (de rechtsvoorganger van) Dexia af te wikkelen. Dat ten aanzien van bepaalde overeenkomsten het Dexia Aanbod geen voordeel voor een afnemer inhoudt, terwijl de door Dexia beoogde finale kwijting op alle overeenkomsten ziet, maakt dat niet anders.



2.10.
Ten aanzien van de vraag of [eiser] het Dexia Aanbod zo heeft mogen begrijpen dat het aanbod en daarmee de afstand van rechten niet gold voor de Overwaarde Effect overeenkomst, wordt het volgende overwogen. In artikel 5.1.2. van de Overeenkomst Dexia Aanbod – gelezen in samenhang met artikel 1.1.1. van de Overeenkomst Dexia Aanbod – is voldoende duidelijk vermeld dat aanvaarding van het Dexia Aanbod meebrengt dat ten aanzien van alle overeenkomsten wordt afgezien van verdere juridische acties. Echter behoefde [naam] de Overeenkomst Dexia Aanbod niet te ondertekenen. In de overige stukken waarnaar Dexia heeft verwezen staat niet ondubbelzinnig vermeld dat voor alle overeenkomsten wordt afgezien van verdere juridische acties. In het bijzonder is van belang dat deze informatie ontbreekt in het aanmeldingsformulier, terwijl daarin wel nadrukkelijk wordt genoemd dat de Overwaarde Effect overeenkomst niet onder het Dexia Aanbod valt. Dit aanmeldingsformulier moest, in tegenstelling tot de Overeenkomst Dexia Aanbod, wél door [eiser] worden ingevuld en ondertekend. Daarnaast wordt opgemerkt dat aan [eiser] een veelheid aan stukken is toegezonden omtrent het Dexia Aanbod, maar dat daarin slechts één keer voldoende duidelijk is gewezen op de gevolgen van het accepteren van het Dexia Aanbod. Door het aanmeldingsproces op deze manier in te richten, kon bij [eiser] de opvatting postvatten dat hij alleen ten aanzien van de andere overeenkomsten afstand van zijn rechten deed en niet ten aanzien van de Overwaarde Effect overeenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat hij daar ook gerechtvaardigd op mocht vertrouwen. Dit betekent dan ook dat het beroep van Dexia op het Dexia Aanbod wordt verworpen. Wat partijen verder over en weer hebben gesteld over het Dexia Aanbod, behoeft daarom geen bespreking meer.



2.11.
Dexia heeft voor het overige alleen verweer tegen de door [eiser] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten gevoerd.




vorderingen van [eiser]




2.12.
De door [eiser] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door [eiser] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser] niet alleen als klant aanbracht maar [eiser] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat, alsmede dat Dexia de dientengevolge geleden schade dient te vergoeden.



2.13.
Die door [eiser] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eiser] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). [eiser] heeft bij conclusie van repliek zijn schade berekend op € 29.538,34. Dexia heeft dit bedrag niet weersproken, zodat ook de kantonrechter van dit bedrag zal uitgaan.



2.14.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.



proceskosten




2.15.

Omdat [eiser] grotendeels gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser] . Voor de mondelinge behandeling wordt 1/2 punt toegekend omdat drie zaken tegelijkertijd zijn behandeld.
De kosten van [eiser] worden begroot op:










- kosten van de dagvaarding


€


151,94







- griffierecht


€


93,00







- salaris gemachtigde


€


864,00


(3x tarief € 288,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.252,94.











2.16.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.





3De beslissing
De kantonrechter


3.1.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door [eiser] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser] niet alleen als klant aanbracht maar [eiser] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,



3.2.
verklaart voor recht dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,



3.3.
veroordeelt Dexia om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 29.538,34, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, een en ander zoals weergegeven in r.o. 2.13.,



3.4.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 1.252,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,



3.5.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,



3.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,



3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wiltjer, kantonrechter en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026, in aanwezigheid van de griffier.
















In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).