Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:9462
2026-09-24
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12140794 CV EXPL 26-3796
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Effectenlease. Het Dexia Aanbod is een vaststellingsovereenkomst. De overeengekomen afstand van aanspraak op schadevergoeding geldt niet voor de effectenleaseovereenkomst die op het aanmeldformulier van het Dexia Aanbod staat vermeld onder “Overeenkomst die niet in aanmerking komt voor het Dexia Aanbod”.
Citeert (26)
- ECLI:NL:GHAMS:2014:4436 Gerechtshof Amsterdam 28-10-2014
- ECLI:NL:RBOVE:2021:2548 Rechtbank Overijssel 22-06-2021
- ECLI:NL:GHARL:2019:8462 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-10-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2021:7910 Rechtbank Amsterdam 25-11-2021
- ECLI:NL:HR:2015:1198 Hoge Raad 01-05-2015
- ECLI:NL:HR:2017:164 Hoge Raad 03-02-2017
- ECLI:NL:HR:2019:590 Hoge Raad 12-04-2019
- ECLI:NL:HR:2008:BC2837 Hoge Raad 28-03-2008
- ECLI:NL:HR:2009:BH
- ECLI:NL:HR:2011:BP4003 Hoge Raad 29-04-2011
- ECLI:NL:HR:2019:590 Hoge Raad 12-04-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2014:1135 Gerechtshof Amsterdam 01-04-2014
- ECLI:NL:GHARL:2020:8992 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-11-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 Gerechtshof Amsterdam 25-05-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2023:23 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-01-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:4177 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-05-2023
- ECLI:NL:GHARL:2025:684 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:686 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:687 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:688 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:689 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-02-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:379 Gerechtshof Amsterdam 11-02-2025
- ECLI:NL:HR:2023:882 Hoge Raad 09-06-2023
- ECLI:NL:HR:2016:2012 Hoge Raad 02-09-2016
- ECLI:NL:HR:2018:1935 Hoge Raad 12-10-2018
- ECLI:NL:HR:2022:862 Hoge Raad 10-06-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (35.689 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12140794 CV EXPL 26-3796
vonnis van 24 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ( [gemeente] ),
eisende partij,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
Partijen worden hierna [eiser] en Dexia genoemd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 juli 2026.
1.2.
Op 26 augustus 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tegelijkertijd met de behandeling van deze zaak is de zaak met nummer 12109468 CV EXPL 26-2174 door mr. Wiltjer, kantonrechter, behandeld en de zaak met nummer 12093056 CV EXPL 26-1607 door mr. Otten, kantonrechter. Verschenen zijn mr. J.M. Both namens [eiser] en mr. J.M.K.P. Cornegoor namens Dexia. Mr. Cornegoor heeft pleitaantekeningen overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
1.3.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.
2De verdere beoordeling
2.1.
De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis van 16 juli 2026 is overwogen over de feiten en vorderingen van [eiser] . In dat vonnis zijn de volgende feiten opgenomen:
“2.1. [eiser] heeft de volgende leaseovereenkomsten (verder: de overeenkomsten) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
[contractnummer 1]
09-11-1999
Allround Sparen
II.
[contractnummer 2]
26-03-2001
Capital Effect
2.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
25-05-2006
- € 736,87
Deels verrekend met dividendopbrengsten verder € 544,74 gecedeerd, betaald door [eiser]
II.
25-05-2006
- € 724,30
€ 728,64 gecedeerd, betaald door [eiser]
2.3.
Volgens de opgave van Dexia heeft [eiser] op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 10.379,12 aan maandtermijnen (betaald). Volgens die opgave heeft [eiser] een bedrag van € 586,15 aan dividenden ontvangen en € 782,62 aan fiscaal voordeel genoten.
2.4.
De gemachtigde van [eiser] , Leaseproces, heeft bij brief van 25 november 2005 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
2.5.
[eiser] heeft op 17 februari 2003 het aanmeldingsformulier Dexia Aanbod ondertekend, waarin onder meer het volgende is vermeld:
“I
Overeenkomst(en) die, onder voorwaarden in aanmerking komen voor het Dexia Aanbod.
(…)
[contractnummer 3] Profit Effect
(…)
II Overeenkomst(en) die niet in aanmerking komen voor het Dexia Aanbod
(…)
[contractnummer 2] Capital Effect
[contractnummer 1] Allround Sparen
(…)”
algemeen
2.2.
Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eiser] .
2.3.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
2.4.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van nietigheid of vernietigbaarheid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[eiser] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
Dexia Aanbod
2.5.
Dexia heeft primair aangevoerd dat met het ondertekenen van het aanmeldingsformulier Dexia Aanbod een vaststellingsovereenkomst tussen haar en [eiser] tot stand is gekomen waarbij [eiser] afstand heeft gedaan van zijn aanspraken op schadevergoeding en dat de vorderingen daarom moeten worden afgewezen.
Dexia heeft gewezen op de navolgende tekst op het aanmeldingsformulier:
“
Ja,
ik ga in op het Dexia Aanbod
Door ondertekening van dit formulier, dat voor zoveel nodig geldt als akte, ga ik met Dexia Bank Nederland N.V. de Overeenkomst Dexia Aanbod aan. De volledige tekst van de Overeenkomst Dexia Aanbod als opgenomen bij de Juridische Documenten Dexia Aanbod, moet voor zover nodig, geacht worden volledig in dit aanmeldingsformulier te zijn ingelast en herhaald. Ik verklaar deze overeenkomst ontvangen gelezen en begrepen te hebben, en met de bepalingen daarvan in te stemmen.”
en op artikel 5.1.2. van de Overeenkomst Dexia Aanbod, dat, voor zover van belang, luidt als volgt:
“Deelnemer verklaart dat hij terzake van de DA-Effectenlease-overeenkomst(en) en/of de NDA-Effectenlease-overeenkomst(en) afstand doet van alle door of namens hem of te zijnen behoeve door derden jegens Dexia en/of tussenpersoon bij de totstandkoming van die effectenlease-overeenkomsten betrokken tussenpersoon, gepretendeerde rechten (met inbegrip van maar niet beperkt tot enig recht op schadevergoeding of vernietiging) uit hoofde van of verband houdende met die effectenleaseovereenkomst(en)(…).
In artikel 1.1.1. van de Overeenkomst Dexia Aanbod is voor zover van belang vermeld:
“ DA Effectenlease-overeenkomst:
Dexia Aanbod Effectenlease-overeenkomst: de effectenlease-overeenkomst(en) tussen Deelnemer en Dexia waarvoor het Dexia Aanbod geldt omdat daaruit op de Afloopdatum een restschuld van Deelnemer aan Dexia kan voortvloeien en die is/zijn vermeld op het Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod onder I.
(…)
NDA Effectenlease-overeenkomst:
Niet Dexia Aanbod Effectenlease-overeenkomst: de (eventuele) effectenleaseovereenkomst(en) tussen Deelnemer en Dexia waarvoor de verruimde mogelijkheden van het Dexia Aanbod niet gelden omdat daaruit aan het einde van de reguliere looptijd geen Restschuld van Deelnemer aan Dexia kan voortvloeien en die is/zijn vermeld op het Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod onder II;”
2.6.
Dexia meent dat de door [eiser] verleende kwijting ziet op alle overeenkomsten en niet alleen op de overeenkomsten waarbij aan het einde van de looptijd een restschuld kon ontstaan. [eiser] heeft bewust van zijn rechten afstand gedaan, gelet op de hiervoor weergegeven tekst op het aanmeldingsformulier. In de documentatie, zoals de introductiebrief, het aanmeldingsformulier en de Toelichting Dexia Aanbod (pagina’s 2, 7, 21) is verschillende keren uitdrukkelijk vermeld dat met ondertekening van het Dexia Aanbod afstand wordt gedaan van iedere mogelijkheid van juridische actie tegen Dexia.
2.7.
[eiser] meent dat geen sprake is van een vaststellingsovereenkomst omdat hij ten aanzien van de overeenkomst rechten heeft prijsgegeven terwijl daar niets tegenover staat. Voorts stelt hij dat hij alleen voor afstand van recht heeft getekend voor de Profit Effect overeenkomst maar niet ten aanzien van de Capital Effect en Allround Sparen overeenkomsten. Daarvan mocht hij ook uitgaan, nu Dexia expliciet in het aanmeldingsformulier heeft aangegeven dat enkel de Profit Effect overeenkomst in aanmerking kwamen voor het Dexia Aanbod en de Capital Effect en Allround Sparen overeenkomsten niet. In dit verband heeft [eiser] verwezen naar uitspraken van het Hof Amsterdam, waaronder het arrest van 28 oktober 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:4436). [eiser] beroept zich ten overvloede nog op de artikelen 3 en 5 van de Richtlijn 93/13/EEG (hierna te noemen: de Richtlijn) betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen is ten nadele van de consument aanzienlijk verstoord. [eiser] deed immers afstand van al zijn rechten zonder dat daar van de zijde van Dexia iets tegenover werd gesteld. Dit is ook niet transparant verwoord nu één en ander verspreid over de tekst is opgenomen. [eiser] is niet ondubbelzinnig en niet uitdrukkelijk erop gewezen dat hij het Dexia Aanbod had moeten begrijpen zoals de uitleg die Dexia thans aan het Dexia Aanbod geeft.
2.8.
Dexia voert daartegen aan dat het beroep op de uitspraak van het Hof Amsterdam [eiser] niet kan baten omdat het Hof in het betreffende arrest ten onrechte heeft overwogen dat nergens duidelijk en ondubbelzinnig zou zijn bepaald dat de kwijting ook betrekking had op de overeenkomsten waarvoor niet de verruimde mogelijkheden van het Dexia Aanbod gelden. Dit blijkt immers duidelijk uit de considerans van de overeenkomst, de aanbiedingsbrief en de toelichting op het Dexia Aanbod. Daarbij dient ook te worden bedacht dat ten tijde van het tekenen van het Dexia Aanbod nog een wezenlijk onderscheid bestond tussen restschuld- en niet-restschuldproducten, maar dat dat thans – door ontwikkelingen in de jurisprudentie – niet meer het geval is. Dexia meent voorts dat een beroep op de artikelen 3 en 5 van de Richtlijn niet aan de orde kan zijn nu artikel 5.1.2. van de Overeenkomst Dexia Aanbod het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst vormt en dus een kernbeding betreft. Evenmin is dit artikel oneerlijk in de zin van artikel 3 van de Richtlijn omdat het daarin bedoelde evenwicht niet wordt verstoord en het artikel evenmin onduidelijk of onbegrijpelijk is in de zin van artikel 5 van de Richtlijn. Een redelijk omzichtige en oplettende consument zou immers ook kennis hebben genomen van de voorwaarden, de toelichting en de introductiebrief. De gevolgen van de ondertekening van het Dexia Aanbod waren volgens Dexia dan ook glashelder.
2.9.
Allereerst is de vraag aan de orde of sprake is van een vaststellingsovereenkomst. Anders dan [eiser] meent, is de kantonrechter van oordeel dat dit het geval is nu het Dexia Aanbod beoogt de totale relatie van de afnemer met (de rechtsvoorganger van) Dexia af te wikkelen. Dat ten aanzien van bepaalde overeenkomsten het Dexia Aanbod geen voordeel voor een afnemer inhoudt, terwijl de door Dexia beoogde finale kwijting op alle overeenkomsten ziet, maakt dat niet anders.
2.10.
Ten aanzien van de vraag of [eiser] het Dexia Aanbod zo heeft mogen begrijpen dat het aanbod en daarmee de afstand van rechten niet gold voor de Capital Effect en Allround Sparen overeenkomsten, wordt het volgende overwogen. In artikel 5.1.2. van de Overeenkomst Dexia Aanbod – gelezen in samenhang met artikel 1.1.1. van de Overeenkomst Dexia Aanbod – is voldoende duidelijk vermeld dat aanvaarding van het Dexia Aanbod meebrengt dat ten aanzien van alle overeenkomsten wordt afgezien van verdere juridische acties. Echter behoefde [eiser] de Overeenkomst Dexia Aanbod niet te ondertekenen. In de overige stukken waarnaar Dexia heeft verwezen staat niet ondubbelzinnig vermeld dat voor alle overeenkomsten wordt afgezien van verdere juridische acties. In het bijzonder is van belang dat deze informatie ontbreekt in het aanmeldingsformulier, terwijl daarin wel nadrukkelijk wordt genoemd dat de Capital Effect en Allround Sparen overeenkomsten niet onder het Dexia Aanbod vallen. Dit aanmeldingsformulier moest, in tegenstelling tot de Overeenkomst Dexia Aanbod, wél door [eiser] worden ingevuld en ondertekend. Daarnaast wordt opgemerkt dat aan [eiser] een veelheid aan stukken is toegezonden omtrent het Dexia Aanbod, maar dat daarin slechts één keer voldoende duidelijk is gewezen op de gevolgen van het accepteren van het Dexia Aanbod. Door het aanmeldingsproces op deze manier in te richten, kon bij [eiser] de opvatting postvatten dat hij alleen ten aanzien van de andere overeenkomst afstand van zijn rechten deed en niet ten aanzien van de Capital Effect en Allround Sparen overeenkomsten. De kantonrechter is van oordeel dat hij daar ook gerechtvaardigd op mocht vertrouwen. Dit betekent dan ook dat het beroep van Dexia op het Dexia Aanbod wordt verworpen. Wat partijen verder over en weer hebben gesteld over het Dexia Aanbod, behoeft daarom geen bespreking meer.
verjaring
2.11.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eiser] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring.Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
tussenpersoon
2.12.
[eiser] heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Spaar Select (verder ook: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
2.13.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eiser] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eiser] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiser] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eiser] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
2.14.
[eiser] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
[eiser] heeft in 1999 naast een Allround Sparen ook een Profit Effect overeenkomst via de adviseur van Spaar Select afgesloten. [eiser] werd door Spaar Select telefonisch benaderd. De medewerker van Spaar Select stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van [eiser] door te nemen met een financieel adviseur van Spaar Select. [eiser] heeft hiermee ingestemd. Tijdens het huisbezoek heeft de adviseur van Spaar Select, te weten mevrouw [adviseur] (hierna te noemen: ‘[adviseur]’), geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eiser] . Zo is met [adviseur] gesproken over de manier waarop [eiser] spaarde en over het feit dat hij een manier zocht om meer rendement te behalen dan via een normale spaarrekening. Vervolgens is met [adviseur] gesproken over de wens van [eiser] om een extra financiële reserve op te bouwen voor later, bijvoorbeeld voor tijdens zijn pensioen. [adviseur] gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat zij hier geschikte overeenkomsten voor wist. De [adviseur] adviseerde [eiser] een Allround Sparen overeenkomst, met een maandelijkse inleg van ongeveer NLG 200,00 en een Profit Effect overeenkomst, met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 3.240,00 van Bank Labouchere af te sluiten. [adviseur] adviseerde [eiser] twee verschillende overeenkomsten om zijn vermogen te spreiden. [eiser] diende de betaling vanuit zijn salaris en bankrekening te voldoen. Volgens [adviseur] zou [eiser] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [eiser] een mooie financiële reserve zou opbouwen voor later, bijvoorbeeld voor zijn pensioen. [eiser] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van [adviseur] en haar advies. Om deze reden heeft [eiser] het advies van [adviseur] opgevolgd en een Allround Sparen overeenkomst afgesloten met een maandelijkse inleg van NLG 200,00 en een Profit Effect overeenkomst afgesloten met een vooruitbetaling van NLG 3.282,82. De aanvraag voor de Allround Sparen overeenkomst en de Profit effect overeenkomst is door [adviseur] in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is tijdens een opvolgend huisbezoek ondertekend. [eiser] heeft in 2001 contact opgenomen met Spaar Select. [eiser] had namelijk nog wat financiële ruimte en was benieuwd naar zijn mogelijkheden wat betreft vermogensopbouw. [eiser] heeft vervolgens een afspraak ingepland op het kantoor van Spaar Select in [woonplaats] . Tijdens het kantoor bezoek heeft de adviseur van Spaar Select, niet zijnde [adviseur], opnieuw geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eiser] . Zo is er gesproken over de al lopende effectenleaseovereenkomsten en over het feit dat [eiser] nog wat extra financiële ruimte beschikbaar had. Vervolgens is met de adviseur gesproken over de wens van [eiser] om een extra financiële reserve op te bouwen voor later, bijvoorbeeld voor tijdens zijn pensioen. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel sneller te bereiken en dat hij hier een geschikte overeenkomst voor wist. De adviseur adviseerde om een Capital Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten met een maandelijkse inleg van ongeveer NLG 150,00. [eiser] diende de betaling vanuit zijn salaris te voldoen. Volgens de adviseur zou [eiser] met het afsluiten van het Capital Effect, naast de al lopende effectenleaseovereenkomsten, nog sneller vermogen opbouwen voor een mooie financiële reserve in de toekomst. [eiser] had nog steeds geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [eiser] het advies van de adviseur opgevolgd en een Capital Effect overeenkomst afgesloten met een maandelijkse inleg van NLG 151,28. De aanvraag is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is tijdens een later moment ondertekend.
2.15.
[eiser] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, voor zover van belang, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:- een kopie van de overeenkomst van 9 november 1999 met contractnummer [contractnummer 1] , voorzien van de tekst “Adviseur: [nummer 1] – Spaar Select B.V.”
-een kopie van de overeenkomst van 26 maart 2001 met contractnummer [contractnummer 2] , voorzien van de tekst “Adviseur: [nummer 2]-Spaar Select B.V.”.
2.16.
Met deze feitelijke uiteenzetting en stukken heeft [eiser] voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dexia heeft de door [eiser] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Dexia had echter meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds geen sprake is geweest van advisering. Zo had Dexia moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomsten in haar visie tot stand waren gekomen. Dexia heeft weliswaar erop gewezen dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eiser] en de adviseur van de tussenpersoon, maar dat kan Dexia niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dat voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij zoals hiervoor is overwogen eerder bewijs kunnen verzamelen maar daarbij komt dat Dexia destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersoon voor de afzet van haar producten. Dit terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van die tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerker van de) tussenpersoon. Daarom wordt uitgegaan van de juistheid van de door [eiser] geschetste gang van zaken nu Dexia deze onvoldoende heeft weersproken. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
wetenschap Dexia
2.17.
[eiser] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat de tussenpersoon Spaar Select een op de persoon van [eiser] toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. Hoewel in dit geval niet is gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [eiser] , had zij behoren te weten dat [eiser] door de tussenpersoon is geadviseerd.
aansprakelijkheid Dexia
2.18. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eiser] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eiser] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [eiser]
2.19. De door [eiser] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door [eiser] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser] niet alleen als klant aanbracht maar [eiser] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat, alsmede dat Dexia de dientengevolge geleden schade dient te vergoeden.
2.20.
Die schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht, waarvan de juistheid door [eiser] ten aanzien van de berekening van het in aanmerking te nemen batig saldo en de in aanmerking te nemen restschuld is betwist. Dexia heeft naar aanleiding van de stellingen het in aanmerking te nemen batig saldo aangepast. De kantonrechter gaat ervan uit dat partijen bij de berekening van de schade het juiste bedrag aan batig saldo zullen betrekken. Ten aanzien van de betaalde restschuld aan derden dient de uitspraak van 29 augustus 2023 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, waarnaar [eiser] verwijst, te worden gevolgd. Voor zover [eiser] aan Dexia kan aantonen dat hij de gecedeerde restschulden heeft voldaan, dienen de betreffende bedragen dus als schade in aanmerking te worden genomen. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
2.21.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eiser] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
proceskosten
2.22.
Omdat [eiser] inhoudelijk grotendeels gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser] gevallen.
De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 151,94
- griffierecht € 93,00
- salaris gemachtigde € 720,00 (2,5 x tarief € 288,00)
- nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals
vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.108,94.
2.23.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.
3Beslissing
De kantonrechter
3.1.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door [eiser] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser] niet alleen als klant aanbracht maar [eiser] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
3.2.
verklaart voor recht dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
3.3.
veroordeelt Dexia om aan [eiser] te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, een en ander zoals weergegeven in r.o. 2.20.,
3.4.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 1.108,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
3.5.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
3.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
3.8.
wijst de vorderingen af,
3.9.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
typ:
coll:
In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
Zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 en gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23.
Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12140794 CV EXPL 26-3796
vonnis van 24 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ( [gemeente] ),
eisende partij,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
Partijen worden hierna [eiser] en Dexia genoemd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 juli 2026.
1.2.
Op 26 augustus 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tegelijkertijd met de behandeling van deze zaak is de zaak met nummer 12109468 CV EXPL 26-2174 door mr. Wiltjer, kantonrechter, behandeld en de zaak met nummer 12093056 CV EXPL 26-1607 door mr. Otten, kantonrechter. Verschenen zijn mr. J.M. Both namens [eiser] en mr. J.M.K.P. Cornegoor namens Dexia. Mr. Cornegoor heeft pleitaantekeningen overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
1.3.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.
2De verdere beoordeling
2.1.
De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis van 16 juli 2026 is overwogen over de feiten en vorderingen van [eiser] . In dat vonnis zijn de volgende feiten opgenomen:
“2.1. [eiser] heeft de volgende leaseovereenkomsten (verder: de overeenkomsten) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
[contractnummer 1]
09-11-1999
Allround Sparen
II.
[contractnummer 2]
26-03-2001
Capital Effect
2.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
25-05-2006
- € 736,87
Deels verrekend met dividendopbrengsten verder € 544,74 gecedeerd, betaald door [eiser]
II.
25-05-2006
- € 724,30
€ 728,64 gecedeerd, betaald door [eiser]
2.3.
Volgens de opgave van Dexia heeft [eiser] op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 10.379,12 aan maandtermijnen (betaald). Volgens die opgave heeft [eiser] een bedrag van € 586,15 aan dividenden ontvangen en € 782,62 aan fiscaal voordeel genoten.
2.4.
De gemachtigde van [eiser] , Leaseproces, heeft bij brief van 25 november 2005 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
2.5.
[eiser] heeft op 17 februari 2003 het aanmeldingsformulier Dexia Aanbod ondertekend, waarin onder meer het volgende is vermeld:
“I
Overeenkomst(en) die, onder voorwaarden in aanmerking komen voor het Dexia Aanbod.
(…)
[contractnummer 3] Profit Effect
(…)
II Overeenkomst(en) die niet in aanmerking komen voor het Dexia Aanbod
(…)
[contractnummer 2] Capital Effect
[contractnummer 1] Allround Sparen
(…)”
algemeen
2.2.
Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eiser] .
2.3.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
2.4.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van nietigheid of vernietigbaarheid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[eiser] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
Dexia Aanbod
2.5.
Dexia heeft primair aangevoerd dat met het ondertekenen van het aanmeldingsformulier Dexia Aanbod een vaststellingsovereenkomst tussen haar en [eiser] tot stand is gekomen waarbij [eiser] afstand heeft gedaan van zijn aanspraken op schadevergoeding en dat de vorderingen daarom moeten worden afgewezen.
Dexia heeft gewezen op de navolgende tekst op het aanmeldingsformulier:
“
Ja,
ik ga in op het Dexia Aanbod
Door ondertekening van dit formulier, dat voor zoveel nodig geldt als akte, ga ik met Dexia Bank Nederland N.V. de Overeenkomst Dexia Aanbod aan. De volledige tekst van de Overeenkomst Dexia Aanbod als opgenomen bij de Juridische Documenten Dexia Aanbod, moet voor zover nodig, geacht worden volledig in dit aanmeldingsformulier te zijn ingelast en herhaald. Ik verklaar deze overeenkomst ontvangen gelezen en begrepen te hebben, en met de bepalingen daarvan in te stemmen.”
en op artikel 5.1.2. van de Overeenkomst Dexia Aanbod, dat, voor zover van belang, luidt als volgt:
“Deelnemer verklaart dat hij terzake van de DA-Effectenlease-overeenkomst(en) en/of de NDA-Effectenlease-overeenkomst(en) afstand doet van alle door of namens hem of te zijnen behoeve door derden jegens Dexia en/of tussenpersoon bij de totstandkoming van die effectenlease-overeenkomsten betrokken tussenpersoon, gepretendeerde rechten (met inbegrip van maar niet beperkt tot enig recht op schadevergoeding of vernietiging) uit hoofde van of verband houdende met die effectenleaseovereenkomst(en)(…).
In artikel 1.1.1. van de Overeenkomst Dexia Aanbod is voor zover van belang vermeld:
“ DA Effectenlease-overeenkomst:
Dexia Aanbod Effectenlease-overeenkomst: de effectenlease-overeenkomst(en) tussen Deelnemer en Dexia waarvoor het Dexia Aanbod geldt omdat daaruit op de Afloopdatum een restschuld van Deelnemer aan Dexia kan voortvloeien en die is/zijn vermeld op het Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod onder I.
(…)
NDA Effectenlease-overeenkomst:
Niet Dexia Aanbod Effectenlease-overeenkomst: de (eventuele) effectenleaseovereenkomst(en) tussen Deelnemer en Dexia waarvoor de verruimde mogelijkheden van het Dexia Aanbod niet gelden omdat daaruit aan het einde van de reguliere looptijd geen Restschuld van Deelnemer aan Dexia kan voortvloeien en die is/zijn vermeld op het Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod onder II;”
2.6.
Dexia meent dat de door [eiser] verleende kwijting ziet op alle overeenkomsten en niet alleen op de overeenkomsten waarbij aan het einde van de looptijd een restschuld kon ontstaan. [eiser] heeft bewust van zijn rechten afstand gedaan, gelet op de hiervoor weergegeven tekst op het aanmeldingsformulier. In de documentatie, zoals de introductiebrief, het aanmeldingsformulier en de Toelichting Dexia Aanbod (pagina’s 2, 7, 21) is verschillende keren uitdrukkelijk vermeld dat met ondertekening van het Dexia Aanbod afstand wordt gedaan van iedere mogelijkheid van juridische actie tegen Dexia.
2.7.
[eiser] meent dat geen sprake is van een vaststellingsovereenkomst omdat hij ten aanzien van de overeenkomst rechten heeft prijsgegeven terwijl daar niets tegenover staat. Voorts stelt hij dat hij alleen voor afstand van recht heeft getekend voor de Profit Effect overeenkomst maar niet ten aanzien van de Capital Effect en Allround Sparen overeenkomsten. Daarvan mocht hij ook uitgaan, nu Dexia expliciet in het aanmeldingsformulier heeft aangegeven dat enkel de Profit Effect overeenkomst in aanmerking kwamen voor het Dexia Aanbod en de Capital Effect en Allround Sparen overeenkomsten niet. In dit verband heeft [eiser] verwezen naar uitspraken van het Hof Amsterdam, waaronder het arrest van 28 oktober 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:4436). [eiser] beroept zich ten overvloede nog op de artikelen 3 en 5 van de Richtlijn 93/13/EEG (hierna te noemen: de Richtlijn) betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen is ten nadele van de consument aanzienlijk verstoord. [eiser] deed immers afstand van al zijn rechten zonder dat daar van de zijde van Dexia iets tegenover werd gesteld. Dit is ook niet transparant verwoord nu één en ander verspreid over de tekst is opgenomen. [eiser] is niet ondubbelzinnig en niet uitdrukkelijk erop gewezen dat hij het Dexia Aanbod had moeten begrijpen zoals de uitleg die Dexia thans aan het Dexia Aanbod geeft.
2.8.
Dexia voert daartegen aan dat het beroep op de uitspraak van het Hof Amsterdam [eiser] niet kan baten omdat het Hof in het betreffende arrest ten onrechte heeft overwogen dat nergens duidelijk en ondubbelzinnig zou zijn bepaald dat de kwijting ook betrekking had op de overeenkomsten waarvoor niet de verruimde mogelijkheden van het Dexia Aanbod gelden. Dit blijkt immers duidelijk uit de considerans van de overeenkomst, de aanbiedingsbrief en de toelichting op het Dexia Aanbod. Daarbij dient ook te worden bedacht dat ten tijde van het tekenen van het Dexia Aanbod nog een wezenlijk onderscheid bestond tussen restschuld- en niet-restschuldproducten, maar dat dat thans – door ontwikkelingen in de jurisprudentie – niet meer het geval is. Dexia meent voorts dat een beroep op de artikelen 3 en 5 van de Richtlijn niet aan de orde kan zijn nu artikel 5.1.2. van de Overeenkomst Dexia Aanbod het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst vormt en dus een kernbeding betreft. Evenmin is dit artikel oneerlijk in de zin van artikel 3 van de Richtlijn omdat het daarin bedoelde evenwicht niet wordt verstoord en het artikel evenmin onduidelijk of onbegrijpelijk is in de zin van artikel 5 van de Richtlijn. Een redelijk omzichtige en oplettende consument zou immers ook kennis hebben genomen van de voorwaarden, de toelichting en de introductiebrief. De gevolgen van de ondertekening van het Dexia Aanbod waren volgens Dexia dan ook glashelder.
2.9.
Allereerst is de vraag aan de orde of sprake is van een vaststellingsovereenkomst. Anders dan [eiser] meent, is de kantonrechter van oordeel dat dit het geval is nu het Dexia Aanbod beoogt de totale relatie van de afnemer met (de rechtsvoorganger van) Dexia af te wikkelen. Dat ten aanzien van bepaalde overeenkomsten het Dexia Aanbod geen voordeel voor een afnemer inhoudt, terwijl de door Dexia beoogde finale kwijting op alle overeenkomsten ziet, maakt dat niet anders.
2.10.
Ten aanzien van de vraag of [eiser] het Dexia Aanbod zo heeft mogen begrijpen dat het aanbod en daarmee de afstand van rechten niet gold voor de Capital Effect en Allround Sparen overeenkomsten, wordt het volgende overwogen. In artikel 5.1.2. van de Overeenkomst Dexia Aanbod – gelezen in samenhang met artikel 1.1.1. van de Overeenkomst Dexia Aanbod – is voldoende duidelijk vermeld dat aanvaarding van het Dexia Aanbod meebrengt dat ten aanzien van alle overeenkomsten wordt afgezien van verdere juridische acties. Echter behoefde [eiser] de Overeenkomst Dexia Aanbod niet te ondertekenen. In de overige stukken waarnaar Dexia heeft verwezen staat niet ondubbelzinnig vermeld dat voor alle overeenkomsten wordt afgezien van verdere juridische acties. In het bijzonder is van belang dat deze informatie ontbreekt in het aanmeldingsformulier, terwijl daarin wel nadrukkelijk wordt genoemd dat de Capital Effect en Allround Sparen overeenkomsten niet onder het Dexia Aanbod vallen. Dit aanmeldingsformulier moest, in tegenstelling tot de Overeenkomst Dexia Aanbod, wél door [eiser] worden ingevuld en ondertekend. Daarnaast wordt opgemerkt dat aan [eiser] een veelheid aan stukken is toegezonden omtrent het Dexia Aanbod, maar dat daarin slechts één keer voldoende duidelijk is gewezen op de gevolgen van het accepteren van het Dexia Aanbod. Door het aanmeldingsproces op deze manier in te richten, kon bij [eiser] de opvatting postvatten dat hij alleen ten aanzien van de andere overeenkomst afstand van zijn rechten deed en niet ten aanzien van de Capital Effect en Allround Sparen overeenkomsten. De kantonrechter is van oordeel dat hij daar ook gerechtvaardigd op mocht vertrouwen. Dit betekent dan ook dat het beroep van Dexia op het Dexia Aanbod wordt verworpen. Wat partijen verder over en weer hebben gesteld over het Dexia Aanbod, behoeft daarom geen bespreking meer.
verjaring
2.11.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eiser] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring.Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
tussenpersoon
2.12.
[eiser] heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Spaar Select (verder ook: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
2.13.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eiser] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eiser] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiser] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eiser] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
2.14.
[eiser] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
[eiser] heeft in 1999 naast een Allround Sparen ook een Profit Effect overeenkomst via de adviseur van Spaar Select afgesloten. [eiser] werd door Spaar Select telefonisch benaderd. De medewerker van Spaar Select stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van [eiser] door te nemen met een financieel adviseur van Spaar Select. [eiser] heeft hiermee ingestemd. Tijdens het huisbezoek heeft de adviseur van Spaar Select, te weten mevrouw [adviseur] (hierna te noemen: ‘[adviseur]’), geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eiser] . Zo is met [adviseur] gesproken over de manier waarop [eiser] spaarde en over het feit dat hij een manier zocht om meer rendement te behalen dan via een normale spaarrekening. Vervolgens is met [adviseur] gesproken over de wens van [eiser] om een extra financiële reserve op te bouwen voor later, bijvoorbeeld voor tijdens zijn pensioen. [adviseur] gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat zij hier geschikte overeenkomsten voor wist. De [adviseur] adviseerde [eiser] een Allround Sparen overeenkomst, met een maandelijkse inleg van ongeveer NLG 200,00 en een Profit Effect overeenkomst, met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 3.240,00 van Bank Labouchere af te sluiten. [adviseur] adviseerde [eiser] twee verschillende overeenkomsten om zijn vermogen te spreiden. [eiser] diende de betaling vanuit zijn salaris en bankrekening te voldoen. Volgens [adviseur] zou [eiser] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [eiser] een mooie financiële reserve zou opbouwen voor later, bijvoorbeeld voor zijn pensioen. [eiser] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van [adviseur] en haar advies. Om deze reden heeft [eiser] het advies van [adviseur] opgevolgd en een Allround Sparen overeenkomst afgesloten met een maandelijkse inleg van NLG 200,00 en een Profit Effect overeenkomst afgesloten met een vooruitbetaling van NLG 3.282,82. De aanvraag voor de Allround Sparen overeenkomst en de Profit effect overeenkomst is door [adviseur] in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is tijdens een opvolgend huisbezoek ondertekend. [eiser] heeft in 2001 contact opgenomen met Spaar Select. [eiser] had namelijk nog wat financiële ruimte en was benieuwd naar zijn mogelijkheden wat betreft vermogensopbouw. [eiser] heeft vervolgens een afspraak ingepland op het kantoor van Spaar Select in [woonplaats] . Tijdens het kantoor bezoek heeft de adviseur van Spaar Select, niet zijnde [adviseur], opnieuw geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eiser] . Zo is er gesproken over de al lopende effectenleaseovereenkomsten en over het feit dat [eiser] nog wat extra financiële ruimte beschikbaar had. Vervolgens is met de adviseur gesproken over de wens van [eiser] om een extra financiële reserve op te bouwen voor later, bijvoorbeeld voor tijdens zijn pensioen. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel sneller te bereiken en dat hij hier een geschikte overeenkomst voor wist. De adviseur adviseerde om een Capital Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten met een maandelijkse inleg van ongeveer NLG 150,00. [eiser] diende de betaling vanuit zijn salaris te voldoen. Volgens de adviseur zou [eiser] met het afsluiten van het Capital Effect, naast de al lopende effectenleaseovereenkomsten, nog sneller vermogen opbouwen voor een mooie financiële reserve in de toekomst. [eiser] had nog steeds geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [eiser] het advies van de adviseur opgevolgd en een Capital Effect overeenkomst afgesloten met een maandelijkse inleg van NLG 151,28. De aanvraag is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is tijdens een later moment ondertekend.
2.15.
[eiser] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, voor zover van belang, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:- een kopie van de overeenkomst van 9 november 1999 met contractnummer [contractnummer 1] , voorzien van de tekst “Adviseur: [nummer 1] – Spaar Select B.V.”
-een kopie van de overeenkomst van 26 maart 2001 met contractnummer [contractnummer 2] , voorzien van de tekst “Adviseur: [nummer 2]-Spaar Select B.V.”.
2.16.
Met deze feitelijke uiteenzetting en stukken heeft [eiser] voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dexia heeft de door [eiser] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Dexia had echter meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds geen sprake is geweest van advisering. Zo had Dexia moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomsten in haar visie tot stand waren gekomen. Dexia heeft weliswaar erop gewezen dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eiser] en de adviseur van de tussenpersoon, maar dat kan Dexia niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dat voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij zoals hiervoor is overwogen eerder bewijs kunnen verzamelen maar daarbij komt dat Dexia destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersoon voor de afzet van haar producten. Dit terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van die tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerker van de) tussenpersoon. Daarom wordt uitgegaan van de juistheid van de door [eiser] geschetste gang van zaken nu Dexia deze onvoldoende heeft weersproken. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
wetenschap Dexia
2.17.
[eiser] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat de tussenpersoon Spaar Select een op de persoon van [eiser] toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. Hoewel in dit geval niet is gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [eiser] , had zij behoren te weten dat [eiser] door de tussenpersoon is geadviseerd.
aansprakelijkheid Dexia
2.18. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eiser] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eiser] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [eiser]
2.19. De door [eiser] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door [eiser] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser] niet alleen als klant aanbracht maar [eiser] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat, alsmede dat Dexia de dientengevolge geleden schade dient te vergoeden.
2.20.
Die schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht, waarvan de juistheid door [eiser] ten aanzien van de berekening van het in aanmerking te nemen batig saldo en de in aanmerking te nemen restschuld is betwist. Dexia heeft naar aanleiding van de stellingen het in aanmerking te nemen batig saldo aangepast. De kantonrechter gaat ervan uit dat partijen bij de berekening van de schade het juiste bedrag aan batig saldo zullen betrekken. Ten aanzien van de betaalde restschuld aan derden dient de uitspraak van 29 augustus 2023 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, waarnaar [eiser] verwijst, te worden gevolgd. Voor zover [eiser] aan Dexia kan aantonen dat hij de gecedeerde restschulden heeft voldaan, dienen de betreffende bedragen dus als schade in aanmerking te worden genomen. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
2.21.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eiser] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
proceskosten
2.22.
Omdat [eiser] inhoudelijk grotendeels gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser] gevallen.
De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 151,94
- griffierecht € 93,00
- salaris gemachtigde € 720,00 (2,5 x tarief € 288,00)
- nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals
vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.108,94.
2.23.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.
3Beslissing
De kantonrechter
3.1.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door [eiser] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser] niet alleen als klant aanbracht maar [eiser] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
3.2.
verklaart voor recht dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
3.3.
veroordeelt Dexia om aan [eiser] te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, een en ander zoals weergegeven in r.o. 2.20.,
3.4.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 1.108,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
3.5.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
3.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
3.8.
wijst de vorderingen af,
3.9.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
typ:
coll:
In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
Zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 en gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23.
Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.