Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:9460
2026-09-03
Civiel recht; Verbintenissenrecht
10940521 \ CV EXPL 24-1765
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Leaseovereenkomst. Bedingen m.b.t. doorbelasten boetes, buitengerechtelijke ontbinding, beëindigingsvergoeding en contractuele rente oneerlijk. Uitlaten.
Citeert (4)
- ECLI:EU:C:2021:68
- ECLI:EU:C:2022:971
- ECLI:NL:HR:1995:ZC1731 Hoge Raad 19-05-1995
- ECLI:EU:C:2021:68
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.098 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10940521 \ CV EXPL 24-1765
Vonnis van 3 september 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VOLKSWAGEN PON FINANCIAL SERVICES B.V.,
gevestigd te Amersfoort,
eisende partij,
gemachtigde: mr. J.M. Wisseborn,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 februari 2024, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De beoordeling
2.1.
Eisende partij vordert uit hoofde van een met gedaagde partij gesloten private leaseovereenkomst met betrekking tot een auto (Volkswagen T-Cross), veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 14.170,69 aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
2.2.
De vordering bestaat volgens eisende partij uit onbetaald gelaten leasetermijnen, verkeersboetes, boekwaardeverlies, winstderving door voortijdige beëindiging, vergoeding teveel gereden kilometers en inleverschade. De vordering is mede gebaseerd op bedingen uit de algemene voorwaarden (de Algemene Voorwaarden Keurmerk Private Lease, hierna: de algemene voorwaarden, alsmede de aanvullingen daarop, hierna: de aanvullende algemene voorwaarden).
2.3.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.4.
Over de informatieplichten stelt eisende partij in de dagvaarding dat de overeenkomst is gesloten in de verkoopruimte bij de autodealer. Onder die omstandigheden is sprake van een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen valt immers niet onder de definities van overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte als bedoeld in artikel 6:230g lid 1 onder e en f van het Burgerlijk Wetboek (BW), zodat deze valt in de ‘restcategorie’. In dat geval zijn de informatieplichten van artikel 6:230l BW van toepassing. Eisende partij heeft gemotiveerd gesteld op welke wijze zij aan deze verplichtingen heeft voldaan. Alle essentiële informatie als bedoeld in dat artikel is ook opgenomen in de overeenkomst, die gedaagde partij heeft kunnen doornemen alvorens deze te ondertekenen. Aan de informatieplichten heeft eisende partij dan ook voldaan.
2.5.
Van alle afzonderlijke onderdelen van de vordering moet worden getoetst of hierover iets is geregeld in de overeenkomst, ongeacht of daarop een beroep wordt gedaan. Als het beding in de overeenkomst dat aan de vordering ten grondslag is óf kan worden gelegd oneerlijk is in de zin van de richtlijn, dan moet dat gedeelte van de vordering worden afgewezen. Ook als uitsluitend een beroep op de wettelijke regeling is gedaan. Dat volgt uit de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger).
2.6.
Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten.
2.7.
De betalingsvoorwaarden volgen uit (de aanvulling op) artikel 20 van de algemene voorwaarden. De betalingsvoorwaarden zijn niet oneerlijk bevonden, behoudens het beding met betrekking tot de overeengekomen rente van 1,5% per maand, waarover later meer.
2.8.
Voor wat betreft de onbetaald gelaten leasetermijnen, de afrekening in verband met teveel gereden kilometers en de hoogte van het eigen risico, geldt dat deze onderdelen van de vordering zien op de kern van de overeengekomen prestaties, te weten de door gedaagde partij te betalen prijs. Ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn moeten dergelijke kernbedingen uitsluitend op oneerlijkheid worden getoetst als deze niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Nu de prijs op transparante wijze in de overeenkomst staat, is verdere toetsing aan de richtlijn niet aan de orde.
2.9.
Voor de in rekening gebrachte bedragen aan eigen risico vanwege schades geldt dat deze onderdelen van de vordering ook zijn gebaseerd op artikel 25 en 26 van de algemene voorwaarden. Daarin is bepaald dat eisende partij per schadegeval maximaal het overeengekomen bedrag aan eigen risico bij gedaagde partij in rekening mag brengen, of zoveel minder als de schade lager is. Deze bedingen zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
2.10.
De gestelde schades zijn door eisende partij niet onderbouwd. Eisende partij wordt opgedragen de inleverschades en de schades, waarvoor meerdere keren het eigen risico in rekening is gebracht, te onderbouwen.
2.11.
Aan de schades ligt artikel 62 van de algemene voorwaarden ten grondslag, waarin wordt verwezen naar het Innameprotocol, dat is overgelegd. In het Innameprotocol wordt aan hand van voorbeelden en foto’s uitgebreid beschreven welke (typen) schades wel en niet acceptabel zijn. Artikel 62 is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
2.12.
Eisende partij heeft meerdere bekeuringen doorbelast op grond van een beding vervat in artikel 44 van de algemene voorwaarden en de aanvulling daarop. Het beding luidt:
44. Hoe worden boetes en naheffingen parkeerbelasting en dergelijke afgehandeld?
U bent aansprakelijk voor alle boetes, naheffingsaanslagen parkeerbelasting en de gevolgen van andere maatregelen in verband met het gebruik van het voertuig. Dat geldt ook als de boetes en dergelijke aan de leasemaatschappij worden opgelegd omdat het kenteken op haar naam staat. In de Aanvullende voorwaarden is vermeld hoe de boetes worden afgehandeld. De leasemaatschappij kan een bedrag aan administratiekosten in rekening brengen voor de behandeling van bekeuringen en dergelijke. Het bedrag daarvan wordt in het leasecontract vermeld.
Aanvulling op artikel 44:
Hoe worden boetes en naheffingen parkeerbelasting en dergelijke afgehandeld?
Alle bekeuringen worden door de overheidsinstantie rechtstreeks naar u gestuurd. Indien de leasemaatschappij de bekeuring ontvangt, stuurt de leasemaatschappij de bekeuring aan u door.
2.13.
Door de formulering van het beding moet de consument eisende partij altijd schadeloos stellen en de bijkomende administratiekosten vergoeden, óók als zo’n schadeloosstelling normaal gesproken niet voor de consument behoort te komen en ook als de boete onterecht blijkt te zijn. Daardoor wordt het evenwicht ten nadele van de consument aanzienlijk verstoord. Uit het beding blijkt ook niet dat de consument nog een mogelijkheid krijgt om bezwaar te maken. Dit geldt temeer nu veelal een mogelijkheid bestaat om boetes te verleggen naar de consument, dan wel als gemachtigde te laten optreden in een bezwaarprocedure. Nu het beding als oneerlijk is aangemerkt, is gedaagde partij daar niet aan gebonden, met als gevolg dat gedaagde partij eisende partij niet schadeloos hoeft te stellen voor bekeuringen of parkeerboetes, noch in dat verband administratiekosten is verschuldigd.
2.14.
Eisende partij maakt verder aanspraak op een beëindigingsvergoeding van € 7.076,48 en op kosten in verband met het innemen van de auto na de tussentijdse buitengerechtelijke ontbinding. De grondslag van dit deel van de vordering is een beding met betrekking tot buitengerechtelijke ontbinding en een beding met betrekking tot een gefixeerde opzegvergoeding. Op grond daarvan is gedaagde partij bij tussentijdse ontbinding, kort gezegd, voor het eerste jaar 100% van de leasetermijnen verschuldigd en na het eerste jaar 40% van de resterende leasetermijnen.
2.15.
De artikelen in de (aanvullende) algemene voorwaarden die van belang zijn, luiden:
22. Wat kan er verder gebeuren als het termijnbedrag of andere bedragen niet tijdig betaald worden?
De leasemaatschappij kan de overeenkomst dan ontbinden. Dan moet u naast de openstaande bedragen ook een ontbindingsvergoeding betalen. Die is gelijk aan de opzegvergoeding die staat in artikel 47 eventueel vermeerderd met de vertragingsrente en incassokosten voor zover deze zijn aangezegd. In de Aanvullende voorwaarden kan echter een afwijkende regeling zijn opgenomen, die voorziet in een lagere ontbindingsvergoeding. Om de leaseovereenkomst wegens niet-betaling te kunnen ontbinden, moet de leasemaatschappij u eerst een aangetekende brief sturen, met een kopie per gewone brief of per e-mail. In die brief moet de leasemaatschappij u in de gelegenheid stellen alsnog binnen 14 dagen te betalen, onder mededeling dat zij anders de leaseovereenkomst mag ontbinden en dat u dan de hiervoor genoemde vergoeding verschuldigd wordt. Indien op het moment waarop die termijn afloopt, de leaseovereenkomst kan worden opgezegd, moet de leasemaatschappij u wijzen op de regeling van opzegging van artikel 46.
(…)
47. Hoe wordt de hoogte van de opzeggingsvergoeding bepaald bij opzegging na het eerste jaar?
Bij opzegging tegen het begin van het tweede jaar van de leaseperiode of tegen een latere dag geldt voor de opzeggingsvergoeding het volgende. (…)
1. Berekening
In de Aanvullende voorwaarden is een regeling opgenomen waaruit u kunt opmaken hoeveel de opzeggingsvergoeding zal bedragen.
A. De opzeggingsvergoeding kan worden bepaald op een vast percentage van het bedrag van de gezamenlijke termijnbedragen die u zonder de opzegging nog zou moeten betalen.
(…)
B. De opzeggingsvergoeding kan ook op een andere manier bepaald worden, namelijk zodanig dat deze afhankelijk is van o.a. de werkelijke duur van de leaseperiode. De berekeningswijze van de opzeggingsvergoeding in de Aanvullende voorwaarden wordt in dat geval met een rekenvoorbeeld toegelicht.
2. Maximum aan opzeggingsvergoeding
Hoe de opzeggingsvergoeding ook wordt berekend, er zit een grens aan. De opzeggingsvergoeding is ten hoogste het bedrag van het verschil tussen de gezamenlijke termijnbedragen die u hebt betaald en nog moet betalen tot het moment van opzegging en de gezamenlijke – hogere – termijnbedragen die u tot dat moment had moeten betalen als u direct de leaseovereenkomst voor kortere duur was aangegaan.
(…)
Aanvulling op artikel 47
Hoe wordt de hoogte van de opzegvergoeding bepaald bij opzegging na het eerste jaar?
Bij opzegging na het eerste jaar geldt een vaste opzeggingsvergoeding die gelijk is aan 40% van de nog resterende leasetermijnen. Ongeacht de hoogte van de berekende vaste opzeggingsvergoeding, betaalt u nooit meer dan het bedrag van het verschil tussen de gezamenlijke termijnbedragen die u hebt betaald en nog moet betalen tot het moment van opzegging en de gezamenlijke – hogere – termijnbedragen die u tot dat moment had moeten betalen als u direct de leaseovereenkomst voor de kortere duur was aangegaan.
Rekenvoorbeeld vaste opzeggingsvergoeding (…)
(…)
50. Kan de leaseovereenkomst ontbonden worden?
De leasemaatschappij mag de overeenkomst ontbinden als u het termijnbedrag of andere bedragen niet hebt betaald, ook niet nadat u daartoe in de gelegenheid bent gesteld. De leasemaatschappij moet u voorafgaand aan de ontbinding wel tijdig waarschuwen. Zie artikel 22.
Verder kan de leasemaatschappij de overeenkomst ontbinden als:
(…)
De wettelijke ontbindingsmogelijkheden zijn verder volledig van toepassing.
(…)
51. Moet ik een vergoeding betalen bij ontbinding van de leaseovereenkomst door de leasemaatschappij?
Als de leasemaatschappij de leaseovereenkomst ontbindt op grond van artikel 50 of op grond van de wet, dan moet u een ontbindingsvergoeding betalen. Deze is gelijk aan de opzeggingsvergoeding van artikel 47. In de Aanvullende voorwaarden kan echter een afwijkende regeling zijn opgenomen, die voorziet in een lagere ontbindingsvergoeding.
2.16.
Het beding met betrekking tot buitengerechtelijke ontbinding wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling met betrekking tot ontbinding. Uit de wettelijke regeling volgt dat een tekortkoming ontbinding ook moet rechtvaardigen. Daar zit een bepaalde redelijkheidstoets in, die het beding niet kent. Integendeel, op grond van het beding kan eisende partij bij het niet (volledig) of niet tijdig betalen een leasetermijn of andere bedragen, na het sturen van een brief met een nakomingstermijn van 14 dagen, tot buitengerechtelijke ontbinding overgaan en de bedongen vergoeding in rekening brengen, ook als zo’n ontbinding met haar gevolgen, gelet op de geringe aard van de tekortkoming, niet gerechtvaardigd zou zijn.
2.17.
Het beding met betrekking tot de in rekening te brengen beëindigingsvergoeding is een boetebeding als bedoeld in artikel 6:91 BW. Als partijen geen regeling inzake de ontbindingsvergoeding hadden getroffen, dan zouden de artikelen 6:271 en 6:277 BW van toepassing zijn geweest. Het eerste artikel bepaalt dat een ontbinding partijen bevrijdt van de getroffen verbintenissen en voor zover deze reeds zijn nagekomen, ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking. Toepassing van dit artikel zou ertoe hebben geleid dat gedaagde partij vanaf de datum van ontbinding zou zijn bevrijd van zijn betalingsverplichtingen. Het tweede artikel bepaalt dat de partij wier tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd, verplicht is haar wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt, doordat geen wederzijdse nakoming maar ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt. Het zogenaamde ‘positief contractsbelang’ dient dan te worden vergoed (ECLI:NL:HR:1995:ZC1731). Dat houdt in dit geval in dat eisende partij dient te worden gebracht in de situatie waarin zij zou hebben verkeerd als de tekortkoming door gedaagde partij was uitgebleven en de leaseovereenkomst correct was nagekomen. Hierbij moet wel overeenkomstig artikel 6:100 BW het voordeel dat de ontbinding voor de wederpartij oplevert, voor zover dit redelijk is, bij de vaststelling van de te vergoeden schade in mindering worden gebracht.
2.18.
Het boetebeding voortvloeiend uit de leaseovereenkomst kan ondanks de begrenzing erop neerkomen dat gedaagde partij méér moet vergoeden dan het positief contractsbelang, nu gesteld noch gebleken is dat de gederfde winst van eisende partij in alle gevallen (ongeveer) gelijk is te stellen aan 100% van de leasetermijnen in het eerste jaar plus 40% van de leasetermijnen na het eerste jaar tot de einddatum van de overeenkomst, althans daar niet onevenredig veel ten nadele van de consument van afwijkt. Hierover dient voldoende concrete informatie door eisende partij te worden aangeleverd. De algemene stellingen van eisende partij in de dagvaarding volstaan in dat verband niet. Daarbij komt dat eisende partij de beëindigingsvergoeding berekent aan de hand van de leaseprijs inclusief btw, terwijl moet worden aangenomen dat haar contractbelang exclusief btw is. Voorts wordt in het beding geen rekening gehouden met het reëel te verwachten voordeel ten tijde van de sluiting van de leaseovereenkomst, bestaande uit (onder meer) bespaarde kosten en de opbrengst uit een leaseovereenkomst met een andere lessee betreffende de onderhavige auto of de verkoop ervan (vgl. ECLI:EU:C:2021:68).
2.19.
Het beding met betrekking tot buitengerechtelijke ontbinding en de vervolgens in rekening te brengen beëindigingsvergoeding zorgen ieder afzonderlijk, maar vooral in hun onderlinge samenhang dan ook voor een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen, ten nadele van de consument. Van belang is voorts dat er geen mogelijkheid bestaat voor gedaagde partij om aan het gebruik van deze bedingen door eisende partij een einde te maken door (bijvoorbeeld) alsnog de achterstallige termijnen te betalen. Eisende partij had redelijkerwijs dan ook niet mogen aannemen dat gedaagde partij het beding zou hebben aanvaard als daarover afzonderlijk door partijen zou zijn onderhandeld.
2.20.
De bedingen worden op grond van het voorgaande als oneerlijk aangemerkt. Oneerlijke bedingen binden de consument niet. Dat leidt ertoe dat de beëindigingsvergoeding van € 7.076,48 niet toewijsbaar is. Evenmin is toewijsbaar het gedeelte van de hoofdsom waaraan de facturen met betrekking tot de kosten in verband met het transporteren en innemen van de auto ten grondslag liggen, omdat deze kosten het gevolg zijn van de door eisende partij gegeven uitvoering aan een oneerlijk beding.
2.21.
Eisende partij maakt aanspraak op wettelijke rente, maar heeft een rentebeding in de algemene voorwaarden staan op grond waarvan zij 1,5% rente per maand in rekening kan brengen. De bedongen rente is aanzienlijk hoger dan de geldende wettelijke rente ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, zonder dat daarvoor een geldige reden in de overeenkomst staat. De overeengekomen rente wordt als onevenredig hoge schadevergoeding aangemerkt. Het rentebeding wordt daarom als oneerlijk aangemerkt.
2.22.
Eisende partij maakt verder aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten. In artikel 21 van de algemene voorwaarden staat een beding dat gaat over de mogelijkheid tot het in rekening brengen van incassokosten. Dat beding is getoetst en niet oneerlijk bevonden, omdat wordt verwezen naar en aangesloten bij de wettelijke regeling.
2.23.
In de algemene voorwaarden staat geen beding over proceskosten, zodat eisende partij zich rechtsgeldig op de wet kan beroepen.
2.24.
Voordat de kantonrechter de bedingen die als oneerlijk zijn aangemerkt buiten toepassing laat, mag eisende partij zich over de oneerlijkheid en de gevolgen daarvan uitlaten.
2.25.
De zaak wordt daarvoor, alsmede voor een onderbouwing van de schades (overweging 2.10), verwezen naar de rol.
2.26.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
2.27.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3De beslissing
De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van donderdag 1 oktober 2026 om 10.00 uur voor akte aan de zijde van eisende partij,
3.2.
bepaalt dat eisende partij de akte aan gedaagde partij moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.26,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026.
991
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10940521 \ CV EXPL 24-1765
Vonnis van 3 september 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VOLKSWAGEN PON FINANCIAL SERVICES B.V.,
gevestigd te Amersfoort,
eisende partij,
gemachtigde: mr. J.M. Wisseborn,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 februari 2024, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De beoordeling
2.1.
Eisende partij vordert uit hoofde van een met gedaagde partij gesloten private leaseovereenkomst met betrekking tot een auto (Volkswagen T-Cross), veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 14.170,69 aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
2.2.
De vordering bestaat volgens eisende partij uit onbetaald gelaten leasetermijnen, verkeersboetes, boekwaardeverlies, winstderving door voortijdige beëindiging, vergoeding teveel gereden kilometers en inleverschade. De vordering is mede gebaseerd op bedingen uit de algemene voorwaarden (de Algemene Voorwaarden Keurmerk Private Lease, hierna: de algemene voorwaarden, alsmede de aanvullingen daarop, hierna: de aanvullende algemene voorwaarden).
2.3.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.4.
Over de informatieplichten stelt eisende partij in de dagvaarding dat de overeenkomst is gesloten in de verkoopruimte bij de autodealer. Onder die omstandigheden is sprake van een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen valt immers niet onder de definities van overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte als bedoeld in artikel 6:230g lid 1 onder e en f van het Burgerlijk Wetboek (BW), zodat deze valt in de ‘restcategorie’. In dat geval zijn de informatieplichten van artikel 6:230l BW van toepassing. Eisende partij heeft gemotiveerd gesteld op welke wijze zij aan deze verplichtingen heeft voldaan. Alle essentiële informatie als bedoeld in dat artikel is ook opgenomen in de overeenkomst, die gedaagde partij heeft kunnen doornemen alvorens deze te ondertekenen. Aan de informatieplichten heeft eisende partij dan ook voldaan.
2.5.
Van alle afzonderlijke onderdelen van de vordering moet worden getoetst of hierover iets is geregeld in de overeenkomst, ongeacht of daarop een beroep wordt gedaan. Als het beding in de overeenkomst dat aan de vordering ten grondslag is óf kan worden gelegd oneerlijk is in de zin van de richtlijn, dan moet dat gedeelte van de vordering worden afgewezen. Ook als uitsluitend een beroep op de wettelijke regeling is gedaan. Dat volgt uit de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger).
2.6.
Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten.
2.7.
De betalingsvoorwaarden volgen uit (de aanvulling op) artikel 20 van de algemene voorwaarden. De betalingsvoorwaarden zijn niet oneerlijk bevonden, behoudens het beding met betrekking tot de overeengekomen rente van 1,5% per maand, waarover later meer.
2.8.
Voor wat betreft de onbetaald gelaten leasetermijnen, de afrekening in verband met teveel gereden kilometers en de hoogte van het eigen risico, geldt dat deze onderdelen van de vordering zien op de kern van de overeengekomen prestaties, te weten de door gedaagde partij te betalen prijs. Ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn moeten dergelijke kernbedingen uitsluitend op oneerlijkheid worden getoetst als deze niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Nu de prijs op transparante wijze in de overeenkomst staat, is verdere toetsing aan de richtlijn niet aan de orde.
2.9.
Voor de in rekening gebrachte bedragen aan eigen risico vanwege schades geldt dat deze onderdelen van de vordering ook zijn gebaseerd op artikel 25 en 26 van de algemene voorwaarden. Daarin is bepaald dat eisende partij per schadegeval maximaal het overeengekomen bedrag aan eigen risico bij gedaagde partij in rekening mag brengen, of zoveel minder als de schade lager is. Deze bedingen zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
2.10.
De gestelde schades zijn door eisende partij niet onderbouwd. Eisende partij wordt opgedragen de inleverschades en de schades, waarvoor meerdere keren het eigen risico in rekening is gebracht, te onderbouwen.
2.11.
Aan de schades ligt artikel 62 van de algemene voorwaarden ten grondslag, waarin wordt verwezen naar het Innameprotocol, dat is overgelegd. In het Innameprotocol wordt aan hand van voorbeelden en foto’s uitgebreid beschreven welke (typen) schades wel en niet acceptabel zijn. Artikel 62 is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
2.12.
Eisende partij heeft meerdere bekeuringen doorbelast op grond van een beding vervat in artikel 44 van de algemene voorwaarden en de aanvulling daarop. Het beding luidt:
44. Hoe worden boetes en naheffingen parkeerbelasting en dergelijke afgehandeld?
U bent aansprakelijk voor alle boetes, naheffingsaanslagen parkeerbelasting en de gevolgen van andere maatregelen in verband met het gebruik van het voertuig. Dat geldt ook als de boetes en dergelijke aan de leasemaatschappij worden opgelegd omdat het kenteken op haar naam staat. In de Aanvullende voorwaarden is vermeld hoe de boetes worden afgehandeld. De leasemaatschappij kan een bedrag aan administratiekosten in rekening brengen voor de behandeling van bekeuringen en dergelijke. Het bedrag daarvan wordt in het leasecontract vermeld.
Aanvulling op artikel 44:
Hoe worden boetes en naheffingen parkeerbelasting en dergelijke afgehandeld?
Alle bekeuringen worden door de overheidsinstantie rechtstreeks naar u gestuurd. Indien de leasemaatschappij de bekeuring ontvangt, stuurt de leasemaatschappij de bekeuring aan u door.
2.13.
Door de formulering van het beding moet de consument eisende partij altijd schadeloos stellen en de bijkomende administratiekosten vergoeden, óók als zo’n schadeloosstelling normaal gesproken niet voor de consument behoort te komen en ook als de boete onterecht blijkt te zijn. Daardoor wordt het evenwicht ten nadele van de consument aanzienlijk verstoord. Uit het beding blijkt ook niet dat de consument nog een mogelijkheid krijgt om bezwaar te maken. Dit geldt temeer nu veelal een mogelijkheid bestaat om boetes te verleggen naar de consument, dan wel als gemachtigde te laten optreden in een bezwaarprocedure. Nu het beding als oneerlijk is aangemerkt, is gedaagde partij daar niet aan gebonden, met als gevolg dat gedaagde partij eisende partij niet schadeloos hoeft te stellen voor bekeuringen of parkeerboetes, noch in dat verband administratiekosten is verschuldigd.
2.14.
Eisende partij maakt verder aanspraak op een beëindigingsvergoeding van € 7.076,48 en op kosten in verband met het innemen van de auto na de tussentijdse buitengerechtelijke ontbinding. De grondslag van dit deel van de vordering is een beding met betrekking tot buitengerechtelijke ontbinding en een beding met betrekking tot een gefixeerde opzegvergoeding. Op grond daarvan is gedaagde partij bij tussentijdse ontbinding, kort gezegd, voor het eerste jaar 100% van de leasetermijnen verschuldigd en na het eerste jaar 40% van de resterende leasetermijnen.
2.15.
De artikelen in de (aanvullende) algemene voorwaarden die van belang zijn, luiden:
22. Wat kan er verder gebeuren als het termijnbedrag of andere bedragen niet tijdig betaald worden?
De leasemaatschappij kan de overeenkomst dan ontbinden. Dan moet u naast de openstaande bedragen ook een ontbindingsvergoeding betalen. Die is gelijk aan de opzegvergoeding die staat in artikel 47 eventueel vermeerderd met de vertragingsrente en incassokosten voor zover deze zijn aangezegd. In de Aanvullende voorwaarden kan echter een afwijkende regeling zijn opgenomen, die voorziet in een lagere ontbindingsvergoeding. Om de leaseovereenkomst wegens niet-betaling te kunnen ontbinden, moet de leasemaatschappij u eerst een aangetekende brief sturen, met een kopie per gewone brief of per e-mail. In die brief moet de leasemaatschappij u in de gelegenheid stellen alsnog binnen 14 dagen te betalen, onder mededeling dat zij anders de leaseovereenkomst mag ontbinden en dat u dan de hiervoor genoemde vergoeding verschuldigd wordt. Indien op het moment waarop die termijn afloopt, de leaseovereenkomst kan worden opgezegd, moet de leasemaatschappij u wijzen op de regeling van opzegging van artikel 46.
(…)
47. Hoe wordt de hoogte van de opzeggingsvergoeding bepaald bij opzegging na het eerste jaar?
Bij opzegging tegen het begin van het tweede jaar van de leaseperiode of tegen een latere dag geldt voor de opzeggingsvergoeding het volgende. (…)
1. Berekening
In de Aanvullende voorwaarden is een regeling opgenomen waaruit u kunt opmaken hoeveel de opzeggingsvergoeding zal bedragen.
A. De opzeggingsvergoeding kan worden bepaald op een vast percentage van het bedrag van de gezamenlijke termijnbedragen die u zonder de opzegging nog zou moeten betalen.
(…)
B. De opzeggingsvergoeding kan ook op een andere manier bepaald worden, namelijk zodanig dat deze afhankelijk is van o.a. de werkelijke duur van de leaseperiode. De berekeningswijze van de opzeggingsvergoeding in de Aanvullende voorwaarden wordt in dat geval met een rekenvoorbeeld toegelicht.
2. Maximum aan opzeggingsvergoeding
Hoe de opzeggingsvergoeding ook wordt berekend, er zit een grens aan. De opzeggingsvergoeding is ten hoogste het bedrag van het verschil tussen de gezamenlijke termijnbedragen die u hebt betaald en nog moet betalen tot het moment van opzegging en de gezamenlijke – hogere – termijnbedragen die u tot dat moment had moeten betalen als u direct de leaseovereenkomst voor kortere duur was aangegaan.
(…)
Aanvulling op artikel 47
Hoe wordt de hoogte van de opzegvergoeding bepaald bij opzegging na het eerste jaar?
Bij opzegging na het eerste jaar geldt een vaste opzeggingsvergoeding die gelijk is aan 40% van de nog resterende leasetermijnen. Ongeacht de hoogte van de berekende vaste opzeggingsvergoeding, betaalt u nooit meer dan het bedrag van het verschil tussen de gezamenlijke termijnbedragen die u hebt betaald en nog moet betalen tot het moment van opzegging en de gezamenlijke – hogere – termijnbedragen die u tot dat moment had moeten betalen als u direct de leaseovereenkomst voor de kortere duur was aangegaan.
Rekenvoorbeeld vaste opzeggingsvergoeding (…)
(…)
50. Kan de leaseovereenkomst ontbonden worden?
De leasemaatschappij mag de overeenkomst ontbinden als u het termijnbedrag of andere bedragen niet hebt betaald, ook niet nadat u daartoe in de gelegenheid bent gesteld. De leasemaatschappij moet u voorafgaand aan de ontbinding wel tijdig waarschuwen. Zie artikel 22.
Verder kan de leasemaatschappij de overeenkomst ontbinden als:
(…)
De wettelijke ontbindingsmogelijkheden zijn verder volledig van toepassing.
(…)
51. Moet ik een vergoeding betalen bij ontbinding van de leaseovereenkomst door de leasemaatschappij?
Als de leasemaatschappij de leaseovereenkomst ontbindt op grond van artikel 50 of op grond van de wet, dan moet u een ontbindingsvergoeding betalen. Deze is gelijk aan de opzeggingsvergoeding van artikel 47. In de Aanvullende voorwaarden kan echter een afwijkende regeling zijn opgenomen, die voorziet in een lagere ontbindingsvergoeding.
2.16.
Het beding met betrekking tot buitengerechtelijke ontbinding wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling met betrekking tot ontbinding. Uit de wettelijke regeling volgt dat een tekortkoming ontbinding ook moet rechtvaardigen. Daar zit een bepaalde redelijkheidstoets in, die het beding niet kent. Integendeel, op grond van het beding kan eisende partij bij het niet (volledig) of niet tijdig betalen een leasetermijn of andere bedragen, na het sturen van een brief met een nakomingstermijn van 14 dagen, tot buitengerechtelijke ontbinding overgaan en de bedongen vergoeding in rekening brengen, ook als zo’n ontbinding met haar gevolgen, gelet op de geringe aard van de tekortkoming, niet gerechtvaardigd zou zijn.
2.17.
Het beding met betrekking tot de in rekening te brengen beëindigingsvergoeding is een boetebeding als bedoeld in artikel 6:91 BW. Als partijen geen regeling inzake de ontbindingsvergoeding hadden getroffen, dan zouden de artikelen 6:271 en 6:277 BW van toepassing zijn geweest. Het eerste artikel bepaalt dat een ontbinding partijen bevrijdt van de getroffen verbintenissen en voor zover deze reeds zijn nagekomen, ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking. Toepassing van dit artikel zou ertoe hebben geleid dat gedaagde partij vanaf de datum van ontbinding zou zijn bevrijd van zijn betalingsverplichtingen. Het tweede artikel bepaalt dat de partij wier tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd, verplicht is haar wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt, doordat geen wederzijdse nakoming maar ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt. Het zogenaamde ‘positief contractsbelang’ dient dan te worden vergoed (ECLI:NL:HR:1995:ZC1731). Dat houdt in dit geval in dat eisende partij dient te worden gebracht in de situatie waarin zij zou hebben verkeerd als de tekortkoming door gedaagde partij was uitgebleven en de leaseovereenkomst correct was nagekomen. Hierbij moet wel overeenkomstig artikel 6:100 BW het voordeel dat de ontbinding voor de wederpartij oplevert, voor zover dit redelijk is, bij de vaststelling van de te vergoeden schade in mindering worden gebracht.
2.18.
Het boetebeding voortvloeiend uit de leaseovereenkomst kan ondanks de begrenzing erop neerkomen dat gedaagde partij méér moet vergoeden dan het positief contractsbelang, nu gesteld noch gebleken is dat de gederfde winst van eisende partij in alle gevallen (ongeveer) gelijk is te stellen aan 100% van de leasetermijnen in het eerste jaar plus 40% van de leasetermijnen na het eerste jaar tot de einddatum van de overeenkomst, althans daar niet onevenredig veel ten nadele van de consument van afwijkt. Hierover dient voldoende concrete informatie door eisende partij te worden aangeleverd. De algemene stellingen van eisende partij in de dagvaarding volstaan in dat verband niet. Daarbij komt dat eisende partij de beëindigingsvergoeding berekent aan de hand van de leaseprijs inclusief btw, terwijl moet worden aangenomen dat haar contractbelang exclusief btw is. Voorts wordt in het beding geen rekening gehouden met het reëel te verwachten voordeel ten tijde van de sluiting van de leaseovereenkomst, bestaande uit (onder meer) bespaarde kosten en de opbrengst uit een leaseovereenkomst met een andere lessee betreffende de onderhavige auto of de verkoop ervan (vgl. ECLI:EU:C:2021:68).
2.19.
Het beding met betrekking tot buitengerechtelijke ontbinding en de vervolgens in rekening te brengen beëindigingsvergoeding zorgen ieder afzonderlijk, maar vooral in hun onderlinge samenhang dan ook voor een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen, ten nadele van de consument. Van belang is voorts dat er geen mogelijkheid bestaat voor gedaagde partij om aan het gebruik van deze bedingen door eisende partij een einde te maken door (bijvoorbeeld) alsnog de achterstallige termijnen te betalen. Eisende partij had redelijkerwijs dan ook niet mogen aannemen dat gedaagde partij het beding zou hebben aanvaard als daarover afzonderlijk door partijen zou zijn onderhandeld.
2.20.
De bedingen worden op grond van het voorgaande als oneerlijk aangemerkt. Oneerlijke bedingen binden de consument niet. Dat leidt ertoe dat de beëindigingsvergoeding van € 7.076,48 niet toewijsbaar is. Evenmin is toewijsbaar het gedeelte van de hoofdsom waaraan de facturen met betrekking tot de kosten in verband met het transporteren en innemen van de auto ten grondslag liggen, omdat deze kosten het gevolg zijn van de door eisende partij gegeven uitvoering aan een oneerlijk beding.
2.21.
Eisende partij maakt aanspraak op wettelijke rente, maar heeft een rentebeding in de algemene voorwaarden staan op grond waarvan zij 1,5% rente per maand in rekening kan brengen. De bedongen rente is aanzienlijk hoger dan de geldende wettelijke rente ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, zonder dat daarvoor een geldige reden in de overeenkomst staat. De overeengekomen rente wordt als onevenredig hoge schadevergoeding aangemerkt. Het rentebeding wordt daarom als oneerlijk aangemerkt.
2.22.
Eisende partij maakt verder aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten. In artikel 21 van de algemene voorwaarden staat een beding dat gaat over de mogelijkheid tot het in rekening brengen van incassokosten. Dat beding is getoetst en niet oneerlijk bevonden, omdat wordt verwezen naar en aangesloten bij de wettelijke regeling.
2.23.
In de algemene voorwaarden staat geen beding over proceskosten, zodat eisende partij zich rechtsgeldig op de wet kan beroepen.
2.24.
Voordat de kantonrechter de bedingen die als oneerlijk zijn aangemerkt buiten toepassing laat, mag eisende partij zich over de oneerlijkheid en de gevolgen daarvan uitlaten.
2.25.
De zaak wordt daarvoor, alsmede voor een onderbouwing van de schades (overweging 2.10), verwezen naar de rol.
2.26.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
2.27.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3De beslissing
De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van donderdag 1 oktober 2026 om 10.00 uur voor akte aan de zijde van eisende partij,
3.2.
bepaalt dat eisende partij de akte aan gedaagde partij moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.26,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026.
991