Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:9376
2026-09-17
Civiel recht
C/13/784867 / HA RK 26-88
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek ontbinding arbeidsovereenkomst met bestuurder. Verwijtbaar handelen bij registratie zorgactiviteiten niet aangetoond, wel ontbinding wegens verstoorde arbeidsrelatie. Geen billijke vergoeding.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2007:BA3516 Hoge Raad 29-06-2007
- ECLI:NL:HR:2017:1187 Hoge Raad 30-06-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (80.134 tekens)
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/784867 / HA RK 26-88
Beschikking van
17
september 2026
in de zaak van
[verzoeker] BV,
te [vestigingsplaats 1] ,
verzoekende partij in het ontbindingsverzoek,
verwerende partij in het voorwaardelijk ontbindingsverzoek en in de zelfstandige tegenverzoeken
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. M.A. van Haelst,
tegen
[verweerder]
,
te [woonplaats] (Portugal),
verwerende partij in het ontbindingsverzoek,
vezoekende partij in het voorwaardelijk ontbindingsverzoek en in de zelfstandige tegenverzoeken,
hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat: mr. P.T. Sick.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 16 maart 2026, met producties 1 tot en met 18,
- het verweerschrift tevens houdende een voorwaardelijk ontbindingsverzoek tevens houdende een aantal zelfstandige tegenverzoeken, met producties 1 tot en met 44,
- de aanvullende producties 19 en 20 van [verzoeker] , - de aanvullende productie 45 van [verweerder] ,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 augustus 2026, waarbij door de advocaten spreekaantekeningen zijn overgelegd en door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De feiten
Relatie [verweerder] en [verzoeker] / [bedrijf 1]
2.1.
[verzoeker] , dat deel uitmaakt van de [bedrijf 1] , richt zich op specialistische dermatologische zorg, flebologie en esthetische chirurgie.
2.2.
[verweerder] , zelf dermatoloog, heeft in 2014 [bedrijf 2] opgericht. In april 2023 is [bedrijf 2] overgenomen door [verzoeker] en onderdeel gaan uitmaken van de [bedrijf 1] . Binnen Nederland vallen meerdere klinieken onder de [bedrijf 1] . Enig aandeelhouder van [verzoeker] is [bedrijf 3] B.V., van wie [bedrijf 4] GmbH enig aandeelhouder is. [bedrijf 3] B.V. heeft een Raad van Commissarissen (RvC) die toezicht houdt op het bestuur van [verzoeker] .
2.3.
Bij de overname van [bedrijf 2] heeft [verweerder] een belangrijk deel van de koopsom opnieuw geïnvesteerd in de [bedrijf 1] . Daarnaast zijn partijen een earn-out regeling overeengekomen die maakt dat [verweerder] onder bepaalde voorwaarden aanspraak heeft op betaling van een deel van de koopprijs dat hem nog niet is betaald. In geval van zogenaamde ‘bona fide claims’ van [verzoeker] mag [verzoeker] die betalingen opschorten. Bij de overname hebben partijen verder afspraken gemaakt over de financiële gevolgen voor [verweerder] van zijn vertrek bij [verzoeker] , afhankelijk van de vraag of dat vertrek binnen dan wel na drie jaar na de verkoop plaatsvindt en afhankelijk van de vraag [verweerder] als ‘good leaver’ dan wel als ‘bad leaver’ wordt aangemerkt.
2.4.
[verweerder] is na de overname benoemd tot statutair bestuurder van [verzoeker] . Met hem is ook een arbeidsovereenkomst gesloten op grond waarvan hij de functie van Chief Executive Officer (ceo) vervulde tegen een salaris van € 16.666,67 bruto per maand inclusief 8% vakantietoeslag. De opzegtermijn voor [verzoeker] bedraagt twaalf maanden. In de arbeidsovereenkomst zijn in de artikelen 11 en 12 een concurrentie- en relatiebeding opgenomen met een duur van 18 maanden vanaf de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In artikel 16 is een daaraan gekoppeld boetebeding opgenomen van € 100.000,- per overtreding en € 5.000,- per dag dat de overtreding voortduurt.
2.5.
[verweerder] is aanvankelijk ook aangesteld als statutair bestuurder van [bedrijf 3] B.V. Per 1 oktober 2024 is [verweerder] uit die functie teruggetreden en in zijn plaats is [naam 1] ( [naam 1] ) als bestuurder aangesteld. [naam 1] is per die datum ook benoemd tot bestuurder van [verzoeker] , naast [verweerder] . Mevrouw [naam 2] ( [naam 2] ) was binnen [bedrijf 2] werkzaam als kwaliteitsmedewerker en is – sinds april 2023 – werkzaam als operationeel directeur.
2.6.
Vanaf begin 2025 hebben partijen gesproken over de mogelijke algehele beëindiging van de relatie tussen [verweerder] en [verzoeker] . In maart 2025 zijn in dat kader al concepten van overeenkomsten gemaakt, met regelingen over de voorwaarden van beëindiging van de arbeidsovereenkomst en van de overige contractuele relaties (waaronder de earn-out). Van ondertekening is het niet gekomen.
Verwijten van niet correcte declaraties / registraties van zorg
a) de brief van maart 2022
2.7.
Op 14 maart 2022 heeft een aantal dermatologen, verbonden aan [bedrijf 2] , een brief aan [verweerder] gestuurd, waarin zij schrijven dat er met betrekking tot de zorgdeclaraties nog niet aan de overheidsregels wordt voldaan.
b) de meldingen van december 2024/januari 2025 en de e-mail van 25 maart 2025
2.8.
In vervolg op eerdere meldingen in december 2024, heeft één van de dermatologen binnen [bedrijf 2] op 6 januari 2025 aan [verweerder] een e-mail gestuurd waarin hij schrijft dat hij heeft geconstateerd dat zonder zijn toestemming aanpassingen zijn gedaan in de registratie van zorgactiviteiten binnen diagnose-behandelcombinaties (DBC’s) die op zijn naam stonden en die volgens hem niet overeenkwamen met de daadwerkelijk verleende zorg. Volgens hem waren daardoor te hoge kosten bij de verzekeraars in rekening gebracht. In dezelfde mail heeft de dermatoloog zich ziekgemeld.
2.9.
[verweerder] heeft in een schriftelijke reactie van 13 januari 2025 – met kopie aan [naam 1] en [naam 2] – aan de dermatoloog laten weten dat het registreren van zorgactiviteiten en DBC’s een gedeelde verantwoordelijkheid is, dat de zorgverleners aan de bron registreren en dat daarna nog een inhoudelijke controle plaatsvindt of juist en volledig is geregistreerd, omdat de registratie niet altijd juist is. Wat betreft de door de dermatoloog genoemde ‘onjuiste’ registraties heeft [verweerder] geschreven het daar niet mee eens te zijn en uitgelegd waarom de registraties in zijn ogen wel juist waren.
2.10.
Na de ziekmelding van de dermatoloog is een mediationtraject met hem gestart, waarbij hij een advocaat heeft ingeschakeld. De advocaat heeft in een e-mailbericht van 25 maart 2025 aan [naam 2] haar exitvoorstel van de hand gewezen. In dat verband heeft hij gewezen op de achtergrond van het geschil van zijn cliënt met [verweerder] en een aantal voorbeelden gegeven van wijzigingen in registraties door [verweerder] die niet zouden kloppen en zich op het standpunt gesteld dat er door [bedrijf 2] ‘spookzorg’ is gedeclareerd. [verzoeker] merkt deze brief aan als ‘klokkenluidersmelding’. Met de dermatoloog is uiteindelijk – buiten [verweerder] om – een beëindigingsregeling overeengekomen.
Onderzoek door [naam 3]
2.11.
Eind 2024 hebben [verweerder] en [naam 1] mevrouw [naam 3] ( [naam 3] ), gevraagd om als externe DBC-consultant te adviseren over de uniformering van de DBC-registratie binnen de [bedrijf 1] . Naar aanleiding van de meldingen van de dermatoloog heeft [naam 3] van (onder meer) de RvC opdracht gekregen om een in eerste instantie beperkt onderzoek te doen naar de vermeende foutieve zorgdeclaraties en onregelmatigheden binnen het declaratiegedrag/-proces. Begin maart heeft [naam 3] haar eerste bevindingen aan de Raad van Bestuur van [verzoeker] gepresenteerd.
2.12.
Daarna heeft de RvC aan [naam 3] opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de vraag of de geregistreerde en gedeclareerde zorg in 2023 en 2024 binnen [bedrijf 2] overeenkwam met de daadwerkelijk geleverde zorg en of de registratie conform de wet- en regelgeving is gedaan.
2.13.
[naam 3] heeft op 16 september 2025 een voorlopig onderzoeksrapport met [verweerder] gedeeld. Daarna hebben gesprekken met hem plaatsgevonden en heeft [verweerder] schriftelijk voorlopige en definitieve zienswijzen gegeven op de voorlopige bevindingen van [naam 3] , waarbij aan hem inzage is gegeven in 30 van de 763 door [naam 3] onderzochte dossiers. In zijn zienswijzen heeft [verweerder] zijn visie gegeven op het onderzoek en op de wijze van registreren. Bij zijn definitieve zienswijze van 8 oktober 2025 heeft [verweerder] als bijlage onder meer een memo van diezelfde datum van het advocatenkantoor AKD gevoegd. De conclusie van AKD in dat memo was dat de wijze van registreren binnen [bedrijf 2] , zoals weergegeven in het voorlopige rapport van [naam 3] , zich bevindt binnen de bandbreedte van rechtmatigheid. Volgens de analyse van AKD blijkt niet dat bij de door [naam 3] gesignaleerde onderwerpen sprake is geweest van onjuiste registraties.
2.14.
[verweerder] is bij brief van 11 december 2025 door de RvC uitgenodigd voor een afspraak om zijn zienswijze te geven ‘ten aanzien van de vermeende onjuiste administratie en declaratie van zorgprestaties’. In de brief staat dat de afspraak ‘een formeel onderdeel vormt van het onderzoek, dat op ons verzoek plaatsvindt en dat is gericht op feitenverzameling over administratie en declaratie van zorgprestaties.’ Vervolgens heeft op 19 december 2025 een gesprek van [verweerder] met de RvC plaatsgevonden.
2.15.
Op 12 januari 2026 heeft [naam 3] haar definitieve rapport afgerond (hierna ook wel het [naam rapport] genoemd, naar de organisatie waaraan [naam 3] kennelijk is verbonden). Uit het rapport volgt dat een steekproef van DBC’s is getrokken waarbij 763 dossiers van 90.369 zijn onderzocht. Na een initiële beoordeling heeft op onderdelen nog een second opinion plaatsgevonden waarbij drie gynaecologen is gevraagd naar de wijze van registreren. Daarna is nog een verdere analyse gedaan naar de herkomst van de registraties van zorgactiviteiten gericht op [verweerder] , waarbij opnieuw een steekproef is gedaan, waarna één van de drie dermatologen (‘dermatoloog BBC’) nog daarop is bevraagd. [naam 3] concludeert dat een deel van de registraties niet in overeenstemming is met de geldende regelgeving en dat [verweerder] verantwoordelijk is voor de hoogste financiële impact daarvan. De resultaten op basis van de steekproef zijn geëxtrapoleerd naar alle gefactureerde dossiers. Op basis hiervan stelt [naam 3] dat de onjuiste/onrechtmatige zorgregistraties hebben geleid tot te hoge declaraties bij zorgverzekeraars ter hoogte van € 2.132.544,03 over de jaren 2023 en 2024. Na correctie voor de met de zorgverzekeraars overeengekomen omzetplafonds resteert een bedrag van € 1.523.214,97 aan zorg die niet rechtmatig is gedeclareerd en waarvoor volgens [naam 3] correctie richting zorgverzekeraars nodig is.
2.16.
[naam 3] heeft inmiddels ook opdracht gekregen om onderzoek te doen naar de DBC-registraties van [bedrijf 2] in de jaren 2021 en 2022.
Onderzoek door [bedrijf 5]
2.17.
Naast [naam 3] heeft ook [bedrijf 5] B.V. ( [bedrijf 5] ) in opdracht van [verzoeker] onderzoek gedaan met als doel ‘vaststellen of de heer [verweerder] patiëntendossiers na behandeling van de arts frauduleus heeft gemuteerd.’ [bedrijf 5] heeft vanaf mei 2025 onderzoek gedaan. [naam 1] heeft [bedrijf 5] in dat verband op 20 mei 2025 een e-mailbericht gestuurd over de personen met wie [bedrijf 5] gesprekken zou moeten voeren en met wie (vooralsnog) niet. Op 18 augustus 2025 had [bedrijf 5] een tussenrapport gereed, waarna een gesprek met [verweerder] heeft plaatsgevonden. Op 24 november 2025 was een concept eindrapport gereed, waarop [verweerder] zijn zienswijze heeft mogen geven. Daarna heeft [bedrijf 5] op 22 december 2025 een definitief onderzoeksrapport uitgebracht.
Visiedocument [naam 4]
2.18.
Op 15 oktober 2025 heeft mr.dr. [naam 4] ( [naam 4] ) op verzoek van [verweerder] in een ‘Visiedocument inzake onderzoek naar de heer [verweerder] door [verzoeker] ’ een oordeel gegeven over de wijze waarop het onderzoek door [naam 3] en door [bedrijf 5] (tot dan toe) is uitgevoerd. [naam 4] komt tot de volgende conclusies:
‘ - [verweerder] is voorafgaande aan het onderzoek onvoldoende op de hoogte gebracht
van de wijze waarop het onderzoek is ingericht.
- [verweerder] is niet aan het begin van het onderzoek geïnformeerd over het toepasselijke c.q. te hanteren toetsingskader.
- [verweerder] is onvoldoende geïnformeerd over de werkwijze van de onderzoekers en de inrichting van het onderzoek.
- Er heeft op gemankeerde wijze hoor en wederhoor plaatsgevonden. [verweerder] heeft onvoldoende tijd gehad zich te beraden op zijn reactie en onvoldoende tijd gehad om die reactie ook daadwerkelijk te geven. Daarbij zijn cruciale gegevens niet met hem gedeeld en heeft hij zeer marginaal toegang gekregen tot het onderzoeksmateriaal.
- Garanties rondom de vertrouwelijkheid van het onderzoek heb ik niet aangetroffen. Er is onvoldoende oog geweest voor de bescherming van de privacy van [verweerder] .
- [verweerder] is onvoldoende geïnformeerd over het tijdsbeslag voor het onderzoek.
- De keuze voor de onderzoekers is niet toegelicht, noch hun deskundigheid en hun kwalificaties.
- Gezien de vergaande bemoeienis van [verzoeker] en haar advocaten met het onderzoek, betwijfel ik sterk of de onderzoekers een onafhankelijke positie hebben kunnen innemen ten opzichte van alle betrokkenen, inclusief [verweerder] .
- Het onderzoek is niet transparant uitgevoerd.
- Het onduidelijk hoe het eindrapport tot stand zal komen.
Dit alles leidt tot de slotconclusie, dat naar mijn professionele eindoordeel het onderzoek
niet voldoet aan de standaarden die daaraan volgens de huidige inzichten (ontleend aan
literatuur en rechtspraak) worden gesteld.’
Schorsing, kort geding, ziekmelding en ontslag [verweerder]
2.19.
Lopende het onderzoek van [naam 3] (en daarna ook [bedrijf 5] ) is [verweerder] met ingang van 22 april 2025 geschorst en op non-actief gesteld. De aankondiging daarvan ontving hij op Paasmaandag 21 april 2025 om 17.00 uur. In de brief van 21 april 2025 werd aangegeven dat de verwachting was dat de schorsing niet langer dan twee maanden zou duren, binnen welke termijn naar verwachting een beslissing zou kunnen worden genomen over opheffing dan wel verlenging van de schorsing of ontslag.
2.20.
In augustus 2025 is [verweerder] een kort geding gestart, waarin hij onder meer heeft verzocht [verzoeker] te veroordelen het schorsingsbesluit en het onderzoek naar hem te beëindigen. Deze en andere vorderingen zijn (na een aanhouding op verzoek van partijen) afgewezen bij vonnis van 24 oktober 2025. In dat vonnis heeft de voorzieningenrechter onder meer overwogen:
‘Dat er nog geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden ligt ook aan [verweerder] . Hij stelt zodanige eisen aan de wijze waarop het onderzoek in zijn visie dient te verlopen dat het lijkt alsof hij het onderzoek wil leiden en niet de deskundigen. Daarmee heeft hij voor vertraging gezorgd.’
2.21.
Op 1 oktober 2025 heeft [verweerder] zich ziekgemeld.
2.22.
De onderzoeksbevindingen van [naam 3] en van [bedrijf 5] en het oordeel van de RvC daarover hebben ertoe geleid dat [verweerder] op de aandeelhoudersvergadering van [verzoeker] van 4 februari 2026 als statutair bestuurder is ontslagen.
Second opinion Van Doorne
2.23.
Op verzoek van [verweerder] heeft het advocatenkantoor Van Doorne op 8 juni 2026 een ‘Second opinion bij memo AKD ‘kanttekeningen bij rapport [naam rapport] ’ uitgebracht. Van Doorne stelt daarin zelfstandig een juridisch oordeel te geven over de houdbaarheid van de conclusies uit het [naam rapport] , waarbij zij de bevindingen van AKD betrekt. Van Doorne onderschrijft in algemene zin de bevindingen van AKD en concludeert dat het [naam rapport] de conclusie omtrent niet-rechtmatige declaraties niet kan dragen. Voor zover moet worden geoordeeld dat bepaalde registraties niet binnen de bandbreedte van rechtmatigheid zijn gebleven, kan – aldus Van Doorne – daarmee niet zonder meer worden geoordeeld dat sprake is van opzettelijk handelen, omdat daar ook een interpretatie aan ten grondslag kan liggen met een oprechte intentie dat daarmee rechtmatig werd gedeclareerd.
3Het verzoek van [verzoeker] en het verweer van [verweerder]
3.1.
Het verzoekschrift van [verzoeker] strekt er – samengevat – toe dat de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, op de kortst mogelijke termijn de tussen [verzoeker] en [verweerder] bestaande arbeidsovereenkomst ontbindt op grond van artikel 7:671b lid 1 sub a Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 7:669 lid 1 en lid 3 BW:
primair wegens (ernstig) verwijtbaar handelen (de e-grond), zonder toekenning van een transitievergoeding, dan wel met een transitievergoeding als het handelen niet ernstig verwijtbaar is (artikel 7:673 lid 7 sub c BW);
subsidiair wegens een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond);
meer subsidiair op andere gronden (de h-grond);
uiterst subsidiair op grond van de cumulatiegrond (de i-grond), en daarbij voor recht verklaart dat [verzoeker] in dat geval aan [verweerder] geen hogere transitievergoeding (ex artikel 7:671b lid 8 BW) verschuldigd is;
en in alle gevallen [verweerder] veroordeelt in de proceskosten, waaronder de nakosten.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoeker] onder meer het volgende ten grondslag gelegd.
3.2.1.
Een arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is en herplaatsing niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Aan die voorwaarden is voldaan. Wat betreft de ontslaggrond geldt primair dat [verweerder] (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub e BW. Het handelen van [verweerder] is zodanig ernstig dat aan hem ook geen transitievergoeding moet worden toegekend. Ook moet de proceduretijd in mindering komen op de contractuele opzegtermijn van twaalf maanden.
3.2.2.
[verweerder] heeft als ceo en (voormalig) statutair bestuurder van [verzoeker] een centrale en sturende rol gespeeld binnen een onrechtmatige registratie- en declaratiepraktijk van [bedrijf 2] . [verweerder] heeft daarmee gehandeld in strijd met de toepasselijke NZa-regelgeving. Er was sprake van een stelselmatig patroon van handelen dat neerkomt op een grove schending van juist de kernverantwoordelijkheden van een zorgbestuurder. Uit het uitgevoerde onderzoek naar de zorgregistraties over 2023 en 2024 blijkt dat de afwijkingen in de registratie ongeveer 8,7% respectievelijk 8,6% bedroegen, terwijl binnen de sector een bandbreedte van 1-1,5% aan niet-rechtmatig gedeclareerde zorg als norm geldt. Dit is niet verklaarbaar uit incidentele vergissingen of systeemfouten. De onjuiste en onrechtmatige declaraties hebben een bruto financiële omvang van € 2.132.544,03. Na correctie van omzetplafonds resteert € 1.523.214,97 aan niet-rechtmatige gedeclareerde zorg waarvoor correctie richting zorgverzekeraars noodzakelijk is. [verzoeker] is daarmee blootgesteld aan aanzienlijke financiële schade, terugbetalingsverplichtingen en grove compliance schendingen. Uit het onderzoek is gebleken dat [verweerder] hier vanuit zijn bestuurdersrol direct bij betrokken was. Hij voerde de regie, gaf actief leiding en registreerde zelf herhaaldelijk onrechtmatige zorgactiviteiten. De onjuiste registratie onder de verantwoordelijkheid van [verweerder] raakt de kern van goed bestuur en is onverenigbaar met de zorgvuldigheid en integriteit die van een statutair bestuurder mogen worden verlangd.
3.2.3.
Subsidiair beroept [verzoeker] zich op de op de g-grond van artikel 7:669 lid 3 BW: een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, waardoor van [verzoeker] in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De verhouding tussen [verweerder] en [verzoeker] is in de kern gebaseerd op vertrouwen in zijn functioneren als ceo en statutair bestuurder. Dit vertrouwen is fundamenteel weggevallen. Herstel van de arbeidsrelatie ligt niet in de rede. [verweerder] is sinds april 2025 geschorst en verricht geen werkzaamheden meer binnen [verzoeker] . Terugkeer zou kunnen leiden tot onrust onder medewerkers, toezichthouders en zorgverzekeraars.
3.2.4.
Meer subsidiair doet [verzoeker] een beroep op de h-grond van artikel 7:669 lid 3 BW. Na het aandeelhoudersbesluit waarin [verweerder] is ontslagen als statutair bestuurder, ontbreekt een reële functie-invulling. Verder is er een fundamenteel verschil van inzicht over de invulling van zijn rol als ceo en statutair bestuurder, waarbij afstand tot operationele processen en onafhankelijke controle uitgangspunt zijn. Ten slotte zou terugkeer kunnen leiden tot onrust onder medewerkers, toezichthouders en zorgverzekeraars.
3.2.5.
Uiterst subsidiair verzoekt [verzoeker] ontbinding van de abeidsovereenkomst op de i-grond: een combinatie van omstandigheden, zodanig dat van de werkgever niet kan worden verwacht de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De samenhang tussen het ernstig tekortschieten in governance en compliance, de duurzame en onherstelbare verstoring van de arbeidsverhouding en het vervallen van de bestuurlijke functie en de gewijzigde governance-structuur, maakt dat voorzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet meer mogelijk is.
3.3.
[verweerder] voert als volgt verweer.
3.3.1.
Van een voldragen/redelijke ontslaggrond is geen sprake. Er is binnen [bedrijf 2] niet onjuist geregistreerd. De door [naam 3] geconstateerde afwijkingen vloeien voort uit interpretatieverschillen van de toepasselijke wet- en regelgeving. Dit wordt onderschreven in de rapporten van AKD en Van Doorne. Er valt hem ten aanzien van de wijze van registreren en declareren geen verwijt te maken, en ook niet anderszins. Voor zover er al sprake zou zijn geweest van interpretatiefouten, zijn deze fouten niet moedwillig of te kwader trouw gemaakt. Dat registraties achteraf werden gecontroleerd, was bekend. [verweerder] is daarover altijd transparant geweest.
3.3.2.
[verweerder] onderschrijft wel dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam is verstoord. Hij verzet zich dan ook niet tegen de ontbinding, maar omdat die verstoring het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] verzoekt hij om een billijke vergoeding (zie ook hierna). De wijze waarop het onderzoek van [naam 3] en van [bedrijf 5] heeft plaatsgevonden was heel onzorgvuldig. Er is gestuurd naar de door [verzoeker] gewenste conclusie, die daarbij een groot financieel belang heeft. Op basis van de door haar gestelde verwijten weigert [verzoeker] namelijk aan aanzienlijke financiële verplichtingen jegens [verweerder] te voldoen. Daarnaast is er geen oog geweest voor de visie en verweren van [verweerder] , noch is enige poging gedaan de arbeidsverhouding te herstellen, hem te laten re-integreren of hem te herplaatsen.
4. Het voorwaardelijk ontbindingsverzoek, de tegenverzoeken van [verweerder] en het verweer daartegen van [verzoeker]
4.1.
[verweerder] verzoekt – samengevat – dat de rechtbank, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
in het ontbindingsverzoek van [verzoeker] :
1. het ontbindingsverzoek toewijst met inachtneming van de contractuele opzegtermijn van twaalf maanden, zonder aftrek van de proceduretijd;
2. [verweerder] een billijke vergoeding toekent van € 200.000,- bruto, of een ander bedrag;
in het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van [verweerder] :
3. de arbeidsovereenkomst ontbindt als [verzoeker] haar ontbindingsverzoek intrekt, eveneens met inachtneming van de contractuele opzegtermijn van twaalf maanden en onder toekenning van een billijke vergoeding aan [verweerder] van € 200.000,- bruto;
zowel in het ontbindingsverzoek van [verzoeker] als in het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van [verweerder] , bij wijze van zelfstandige vorderingen:
4. [verzoeker] beveelt om het volledige eindrapport van [bedrijf 5] aan [verweerder] en aan de rechtbank te verstrekken, zonder weglakkingen en inclusief alle, complete ondertekende verklaringen en overige bijlagen, op straffe van een dwangsom; en
5. [verweerder] vier weken de tijd geeft om schriftelijk te reageren op het onder 4 genoemde rapport, alvorens te beslissen op de overige verzoeken van partijen;
en
[verzoeker] veroordeelt tot betaling aan [verweerder] van:
6. de transitievergoeding van € 24.037,50 bruto;
7. een aanvullende vergoeding van € 12.018,75 bruto bij ontbinding op de i-grond,
8. het salaris, het vakantiegeld en een vergoeding voor het saldo van niet-genoten vakantiedagen en tot verstrekking van een specificatie daarvan;
9. de werkelijke kosten voor juridische bijstand van [verweerder] , begroot op € 135.779,46,- inclusief btw;
10. zijn overige kosten, begroot op een bedrag van (i) € 4.275,- (vrijgesteld van btw), (ii) € 33.244,16 inclusief btw en (iii) € 67.029,17 inclusief btw;
11. een immateriële schadevergoeding van € 10.000,- netto;
en
12. voor recht verklaart dat [verzoeker] geen rechten kan ontlenen aan het overeengekomen concurrentie- en relatiebeding, of deze geheel of gedeeltelijk vernietigt;
13. bepaalt dat [verzoeker] zich zal onthouden van het doen van uitlatingen inhoudende dat [verweerder] zich schuldig heeft gemaakt aan fraude, onrechtmatigheden dan wel anderszins verwijtbaar handelen zolang dat niet in een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk oordeel in rechte is vastgesteld, op straffe van een dwangsom;14. [verzoeker] veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over alle genoemde bedragen;
15. [verzoeker] veroordeelt in de proceskosten, waaronder de nakosten, met rente.
4.2.
Aan zijn verzoeken heeft [verweerder] het volgende ten grondslag gelegd.
4.2.1.
Er is geen voldragen/redelijke grond voor ontslag. Zoals hiervoor onder 3.3.1 weergegeven is van verwijtbaar handelen geen sprake. De arbeidsverhouding is wel ernstig en duurzaam verstoord, maar omdat [verzoeker] geen enkele poging heeft ondernomen om de arbeidsovereenkomst te herstellen, kan niet worden gesproken van een voldragen ontslaggrond. Integendeel, de verstoring is doelbewust gecreëerd en verergerd door het handelen van [verzoeker] . Vanaf het moment van de schorsing is de manier waarop met [verweerder] is omgegaan hoogst onzorgvuldig. Zo werd bij het besluit tot schorsing al niet de oproepingstermijn van acht dagen in acht genomen, de schorsing heeft bijna tien maanden geduurd en elementaire uitgangspunten van zorgvuldig onderzoek zijn, zoals blijkt uit het visiedocument van [naam 4] , flagrant geschonden. Personen binnen [verzoeker] , haar advocaten en de RvC hebben zich vergaand bemoeid met het onderzoeksproces. Het heeft er alle schijn van dat het [verzoeker] erom te doen was de uitkomsten te verkrijgen die zij voor ogen had. Zij heeft niets willen doen met de reacties en verweren van [verweerder] en de onderzoeken zijn overduidelijk sturend naar de gewenste eindconclusie, waarbij de [bedrijf 1] een groot financieel belang heeft gelet op het financiële onderscheid bij zijn vertrek als ‘good leaver’ dan wel als ‘bad leaver’. De conclusies van zowel het onderzoek van [bedrijf 5] als van [naam 3] vinden bovendien geen grond in het ter zake aan te leggen normenkader.
4.2.2.
[verzoeker] heeft doelbewust aangestuurd op verstoring van de arbeidsverhouding en geen enkele poging gedaan de verstoorde arbeidsverhouding te herstellen en geen enkele opvolging gegeven aan de adviezen van de bedrijfsarts, die mediation adviseerde. Door het gevolgde proces heeft [verzoeker] feitelijk de terugkeer van [verweerder] onmogelijk gemaakt. [verzoeker] heeft ook niet onderzocht of [verweerder] als dermatoloog te herplaatsen is binnen haar organisatie, zodat ook om die reden niet kan worden gesproken van een voldragen ontslaggrond.
4.2.3.
[verweerder] ziet in dat de arbeidsverhouding niet meer kan worden hersteld en terugkeer bij [verzoeker] geen realistische mogelijkheid meer is. Hij verzet zich dan ook niet tegen de door [verzoeker] verzochte ontbinding, maar omdat [verzoeker] van de ontstane situatie een ernstig verwijt kan worden gemaakt verzoekt hij om een billijke vergoeding van € 200.000,- op grond van artikel 7:671b lid 9 sub c BW. [verweerder] moet worden gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] , waarbij die vergoeding ook een zekere afschrikwekkende werking moet hebben. Het verwijtbaar handelen weggedacht zouden de vaststellingsovereenkomsten die in maart 2025 ter ondertekening klaarlagen tot stand zijn gekomen. De schade die hij potentieel loopt, bedraagt potentieel miljoenen euro’s. Omdat die schade niet is te begroten verzoekt hij bij wijze van billijke vergoeding om een jaarsalaris. Dit bedrag is aangewezen in het licht van de aan te leggen norm en de gegeven omstandigheden, zoals onder meer het feit dat hij al enige tijd arbeidsongeschikt is, nog moet herstellen en tijd nodig zal hebben om een baan te vinden op een vergelijkbaar inkomensniveau.
4.2.4.
Mocht [verzoeker] het verzoek intrekken, verzoekt [verweerder] zelf om ontbinding. Vanwege het verwijtbare handelen van [verzoeker] moet met de volledige opzegtermijn van twaalf maanden rekening worden gehouden, zonder aftrek van de proceduretijd.
4.2.5.
[verweerder] verzoekt daarnaast de rechtbank [verzoeker] te bevelen het volledige rapport van [bedrijf 5] over te leggen, inclusief alle bijlagen, en hem daarop te laten reageren, voordat de rechtbank verdere beslissingen neemt. [verweerder] heeft namelijk alleen over versies van het rapport kunnen beschikken die grotendeels zwartgelakt waren en waarvan de bijlagen ontbreken, zodat hij zich niet naar behoren tegen het rapport heeft kunnen verdedigen. Zo is voor [verweerder] niet te verifiëren wat [bedrijf 5] in het rapport heeft opgenomen en of dat een volledig beeld geeft van de betreffende bijlagen.
4.2.6.
Verder verzoekt [verweerder] om [verzoeker] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding en tot betaling van het salaris, vakantiegeld en een vergoeding voor het saldo niet-genoten vakantiedagen wat hem uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en/of de beëindiging daarvan toekomt, en tot verstrekking van een specificatie daarvan. Omdat [verzoeker] haar verplichtingen als goed werkgever heeft geschonden, verzoekt [verweerder] dat de rechtbank bepaalt dat [verzoeker] aan [verweerder] de werkelijk gemaakte kosten voor juridische bijstand vergoedt evenals de kosten van de adviezen van AKD, van Van Doorne en van [naam 4] die nodig waren in het kader van zijn verweer. Verder verzoekt [verweerder] om immateriële schadevergoeding vanwege reputatieschade en om een verklaring voor recht omtrent de communicatie over zijn handelen. Ten slotte verzoekt hij om voor recht te verklaren dat aan het concurrentie- en relatiebeding geen rechten meer kunnen worden ontleend, dan wel dat de werking daarvan wordt beperkt. Dit vanwege de onredelijk lange duur van de bedingen (18 maanden), het feit dat hij al geschorst is sinds 22 april 2025 en dus al lang uit het arbeidsproces is, en omdat hij voor zijn registratie als dermatoloog een minimum aantal uren per jaar moet werken.
4.3.
[verzoeker] voert verweer tegen de verzoeken van [verweerder] . Voor toekenning van een billijke vergoeding is vereist dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . Daarvan is geen sprake. [verzoeker] kon gegeven de signalen niet anders handelen dan zij heeft gedaan. Integendeel, van [verzoeker] mocht verwacht worden dat zij ingreep, overging tot schorsing en onderzoek liet doen. Ook de omvang van de verzochte vergoeding is veel te hoog. Voor de verzochte immateriële schadevergoeding bestaat geen basis, omdat er geen aantasting in persoon is en ook geen verwijtbaar handelen van [verzoeker] . Er is ook geen basis voor de gevorderde werkelijke proceskosten.
5De beoordeling
Inleiding en kernbeslissingen
5.1.
In deze zaak verzoekt [verzoeker] om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] . De primaire grondslag is verwijtbaar handelen. Volgens [verzoeker] heeft [verweerder] verwijtbaar gehandeld bij (het aanpassen van) de registratie van zorgactiviteiten. [verzoeker] baseert zich op de rapporten van [naam 3] en [bedrijf 5] en stelt dat daaruit volgt dat er onder leiding van [verweerder] sprake was van structureel patroon van onjuiste (wijzigingen in) registraties, leidend tot hogere declaraties richting zorgverzekeraars. Volgens [verweerder] heeft juist [verzoeker] ernstig verwijtbaar gehandeld, omdat van meet af aan onzorgvuldig en met vooringenomenheid besluiten jegens hem zijn genomen, en onderzoek naar hem is gedaan. Er is toegewerkt naar een conclusie waarbij [verzoeker] belang had, zonder dat er oog was voor het feit dat bij de registratie van zorgactiviteiten interpretatieverschillen mogelijk zijn en voor het feit dat [verweerder] altijd oprecht en transparant heeft gehandeld. [verweerder] baseert zich op de rapporten van AKD en Van Doorne en op het visiedocument van [naam 4] .
5.2.
De rechtbank komt tot de conclusie dat zij op basis van de overgelegde stukken niet kan vaststellen dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld. Van een voldragen e-grond is dus geen sprake. De rechtbank ziet wel voldoende reden om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond). Maar anders dan [verweerder] betoogt, kan niet worden gezegd dat [verzoeker] van die verstoring een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Er zal daarom geen billijke vergoeding worden toegekend.
5.3.
Hierna worden deze beslissingen nader toegelicht en wordt een oordeel gegeven over de andere verzoeken. Eerst wordt nog ingegaan op de bevoegdheid van de rechtbank en het toepasselijke recht.
Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.4.
[verzoeker] is statutair gevestigd te [vestigingsplaats 2] . [verweerder] woont in Portugal. Het geschil ziet op een arbeidsverhouding, waarop Brussel I-bis van toepassing is. [verweerder] is verschenen en heeft daarbij ook tegenverzoeken ingesteld, zodat de rechtbank bevoegd is. In artikel 19.1 van de arbeidsovereenkomst is Nederlands recht van toepassing verklaard, zodat het geschil naar Nederlands recht zal worden beoordeeld.
Geen bevel tot afgifte volledig rapport [bedrijf 5]
5.5.
[verweerder] heeft de rechtbank verzocht [verzoeker] te bevelen het volledige eindrapport van [bedrijf 5] , zonder weglakkingen en inclusief alle, complete en door de betreffende personen voor akkoord ondertekende verklaringen en alle overige in het rapport genoemde bijlagen aan [verweerder] te verstrekken, onder gelijktijdige kopie daarvan aan de rechtbank. Verder heeft hij verzocht om daarop te mogen reageren alvorens wordt beslist op de overige door partijen in deze procedure ingestelde verzoeken.
5.6.
Deze verzoeken zullen worden afgewezen, omdat de rechtbank het rapport van [bedrijf 5] buiten beschouwing zal laten. [verweerder] heeft daarom onvoldoende belang bij toewijzing van deze verzoeken. Ter zitting heeft de raadsvrouw van [verweerder] desgevraagd ook verklaard dat de inzage kon worden overgeslagen als de rechtbank het rapport niet in de beoordeling zou betrekken. De reden dat de rechtbank het rapport niet bij haar beoordeling zal betrekken is dat het rapport niet voldoet aan de eisen waaraan een rapport als dit moet voldoen. Daarbij is van belang dat het hier gaat om een persoonsgericht onderzoek tegen [verweerder] , met een zware verdenking, te weten van fraude. Dat een dergelijk onderzoek zorgvuldig en met inachtneming van de vereiste procedurele waarborgen moet worden verricht spreekt voor zich.
5.7.
Zoals hiervoor al is verwoord, draait het deze zaak in de kern om de vraag of [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld bij de registratie van zorgactiviteiten. [bedrijf 5] heeft echter geen expertise op dit gebied en is ook niet medisch onderlegd. [bedrijf 5] heeft ook niet zelf enig digitaal dataonderzoek gedaan. Hoffman kan dus niet beoordelen of er al dan niet onjuiste registraties waren en ook niet of er (al dan niet ten onrechte) wijzigingen daarin hebben plaatsgevonden. Tegelijkertijd neemt [bedrijf 5] bij haar onderzoek het onderzoek van [naam 3] , waarin al vergaande conclusies over de handelwijze van [verweerder] zijn getrokken, tot uitgangspunt. Het enige dat [bedrijf 5] heeft gedaan is interviews houden, maar gelet op het voorgaande heeft [bedrijf 5] die interviews zelf niet op hun merites kunnen beoordelen. Bovendien valt uit het rapport niet op te maken hoe de (beperkte) selectie van medewerkers tot stand is gekomen en waarom welke vragen zijn gesteld. Uit een door [verweerder] overgelegde instructie aan [bedrijf 5] blijkt dat [naam 1] stuurde op wie er werd geïnterviewd. Niet is gebleken dat [bedrijf 5] zelfstandig een selectie van te interviewen personen heeft gemaakt. Dit roept de vraag op of mogelijk ontlastende visies van andere betrokkenen bewust niet zijn gehoord. Verder geldt dat van de personen die wel zijn gehoord, niet de volledige verklaringen zijn overgelegd en citaten dus niet op hun context kunnen worden getoetst. Ook heeft [verweerder] onweersproken aangevoerd dat een van de geïnterviewde personen, [naam 2] , haar verklaring niet heeft willen ondertekenen omdat zij vond dat de verklaring niet strookte met wat er besproken was.
5.8.
Het belangrijkste bezwaar tegen het rapport van [bedrijf 5] is dat niet op deugdelijke wijze hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. [verweerder] heeft in het kader van wederhoor alleen kunnen beschikken over het tussenrapport van 18 augustus 2025 (zonder bijlagen), dat bijna geheel was zwartgelakt, en over het eindrapport van 24 november 2025 (zonder bijlagen), dat ook grotendeels was zwartgelakt. Het eindrapport (waarin alleen nog namen zijn weggelakt) bevat daardoor citaten en verklaringen die niet eerder aan [verweerder] zijn voorgelegd, zodat hij daar niet op heeft kunnen reageren. Dit alleen al maakt dat aan het rapport van [bedrijf 5] geen waarde kan worden toegekend. Anders dan [verzoeker] betoogt, is het alsnog bij het verzoekschrift overleggen van een meer ongecensureerde versie van het rapport niet voldoende om dit verzuim te herstellen, temeer omdat – zoals hiervoor al genoemd – (nog steeds) de bijlagen bij het rapport ontbreken en verklaringen niet in hun geheel en citaten niet op hun context kunnen worden getoetst. Verder blijkt dat, voor zover [verweerder] wel een zienswijze heeft gegeven, daar niet kenbaar iets mee is gedaan. De zienswijze van [verweerder] op het voorlopige rapport van 24 november 2025 wordt niet in het eindrapport genoemd en is ook niet aan het eindrapport gehecht, terwijl dit wel van een deugdelijk rapport mag worden verwacht.
5.9.
Gelet op al het voorgaande kan het rapport van [bedrijf 5] geen rol spelen bij de vraag of er al dan niet sprake is geweest van onjuiste (wijzigingen van) registraties door [verweerder] . De conclusie is dus dat het rapport van [bedrijf 5] buiten beschouwing zal blijven en het verzoek van [verweerder] om dit rapport integraal te laten overleggen en daarop te mogen reageren, wegens gebrek aan belang zal worden afgewezen.
Ziekte staat niet aan het verzoek tot ontbinding in de weg
5.10.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een opzegverbod, omdat [verweerder] ongeschikt is tot het verrichten van arbeid wegens ziekte. Dit opzegverbod staat echter niet in de weg aan ontbinding, omdat het verzoek van [verzoeker] geen verband houdt met de ziekte van [verweerder] . De rechtbank zal daarom beoordelen of aan de voorwaarden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst is voldaan.
Geen verwijtbaar handelen werknemer (e-grond niet voldragen)
5.11.
[verzoeker] verzoekt primair om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden wegens verwijtbaar handelen. Zij verwijt [verweerder] dat hij als CEO en statutair bestuurder een centrale en sturende rol heeft vervuld binnen een structurele onrechtmatige registratie- en declaratiepraktijk en in dat kader onder meer:
a) een werkwijze heeft gehandhaafd waarbij gedurende meerdere jaren structureel zorgactiviteiten in strijd met de geldende regelgeving werden geregistreerd, hetgeen heeft geleid tot te hoge declaraties bij zorgverzekeraars, ondanks eerdere meldingen van artsen dat er binnen [bedrijf 2] een onjuiste registratie- en declaratiepraktijk werd gevoerd;
b) zelf achteraf DBC-registraties heeft gewijzigd zonder instemming van de behandelende artsen, terwijl uit het onderzoek van [naam 3] volgt dat 64% van de door hem geregistreerde zorgactiviteiten onjuist of onrechtmatig was;
c) heeft nagelaten een deugdelijke functiescheiding en interne controle in te richten, terwijl hij zelf betrokken was bij de zorgadministratie, zodat effectieve interne controle ontbrak;
d) een werkwijze heeft laten bestaan waarbij zorgactiviteiten werden doorgeschoven naar een volgend kalenderjaar wanneer omzetplafonds waren bereikt, met negatieve financiële gevolgen voor zorgverzekeraars en patiënten.
5.12.
Als ceo en statutair bestuurder droeg [verweerder] de eindverantwoordelijkheid. De omvang en duur van de afwijkingen sluiten volgens [verzoeker] uit dat er sprake kan zijn van administratieve fouten of interpretatieverschillen; zij wijzen op structureel falend bestuur en taakvervulling. De ernst van het handelen wordt volgens [verzoeker] in beslissende mate vergroot doordat uit het onderzoek blijkt dat [verweerder] zelf actief betrokken was bij het aanpassen van de DBC-declaraties op een wijze waarop de declaratiewaarde werd verhoogd, dat is vastgesteld dat dit gebeurde zonder toestemming van de behandelend artsen, terwijl artsen al in 2022 hadden gewaarschuwd dat deze werkwijze niet aanvaardbaar was.
5.13.
De verwijten van [verzoeker] zijn in belangrijke mate gebaseerd op de onderzoeksbevindingen van [naam 3] en [bedrijf 5] . Wat betreft het rapport van [bedrijf 5] is hiervoor onder 5.9 overwogen dat de rechtbank het onderzoeksrapport niet bij de beoordeling zal betrekken. Dit rapport kan dus geen grondslag vormen voor het gestelde verwijtbaar handelen van [verweerder] .
5.14.
[verweerder] heeft ook procedurele en inhoudelijke bezwaren opgeworpen tegen het onderzoeksproces en het onderzoeksrapport van [naam 3] . Eerst wordt ingegaan op de procedurele bezwaren. De rechtbank heeft er oog voor dat er bij het onderzoek van [naam 3] procedurele kanttekeningen zijn te zetten, zoals ook verwoord door [naam 4] . Zo heeft [verweerder] erop gewezen dat [naam 3] deel is gaan uitmaken van de zorgadministratie van [verzoeker] , zodat vraagtekens kunnen worden gezet bij haar onafhankelijkheid. Ook het feit dat de advocaten van [verzoeker] sturing gaven aan de wijze waarop hoor- en wederhoor plaatsvond (zij bepaalden onder meer de reactietermijn en dat geen advocaat aanwezig mocht zijn bij een gesprek met [naam 3] ) en met name het feit dat het gesprek met de RvC plaatsvond tijdens het onderzoek van [naam 3] en daarvan formeel onderdeel uitmaakte wijst op mogelijke beïnvloeding van het onderzoek. Verder is bijvoorbeeld ook niet weersproken dat aan [verweerder] niet vooraf het toetsingskader is medegedeeld en dat aanvankelijk een onderzoeksprotocol ontbrak.
5.15.
De rechtbank acht de door [verweerder] / [naam 4] genoemde procedurele bezwaren echter niet van een zodanige aard dat die er al toe zouden moeten leiden dat ook het rapport van [naam 3] als geheel ondeugdelijk zou moeten worden gekwalificeerd. Anders dan [bedrijf 5] , heeft [naam 3] zelf onderzoek gedaan naar de feitelijke registratie van zorgactiviteiten in 763 dossiers. Daarbij is toegelicht welke bevindingen zijn gedaan en waarom bepaalde registraties volgens [naam 3] onjuist of onrechtmatig zijn bevonden. [naam 3] heeft haar voorlopige bevindingen met [verweerder] gedeeld, waarna [verweerder] meerdere malen is gehoord en hij zijn voorlopige en definitieve zienswijze heeft kunnen geven. Hoewel de termijnen daarvoor soms kort waren, heeft dit er niet aan in de weg gestaan dat zijn schriftelijke zienswijzen zeer uitgebreid zijn geweest, hij daarin heeft kunnen ingaan op verschillende categorieën van de gestelde registratiefouten en hij die zienswijzen heeft kunnen voorzien van een juridische onderbouwing (het memo van AKD). Verder is van belang dat het visiedocument van [naam 4] is opgesteld op een moment waarop het onderzoek van [naam 3] nog niet was afgerond (het rapport van [naam 4] dateert van 15 oktober 2025, terwijl pas op 12 januari 2026 het definitieve rapport van [naam 3] opgeleverd). In het definitieve rapport is uitgebreid ingegaan op de zienswijze van [verweerder] . Daarbij is steeds toegelicht waarom de zienswijze van [verweerder] wel of niet is gevolgd.
5.16.
De procedurele bezwaren tegen het onderzoek zijn dus niet onoverkomelijk. Toch biedt het rapport van [naam 3] , mede gelet op de gemotiveerde inhoudelijk betwisting daarvan door [verweerder] , onvoldoende grondslag voor de conclusie dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld zoals door [verzoeker] gesteld. Dit wordt hierna verder toegelicht.
Het structureel onjuist registreren van zorgactiviteiten
5.17.
[naam 3] concludeert in haar rapport dat verschillende registraties van zorgactiviteiten niet terecht zijn, maar [verweerder] heeft dit gemotiveerd betwist met een beroep op de rapporten van AKD en Van Doorne. Volgens AKD en Van Doorne hanteert [naam 3] een onjuist toetsingskader bij de beoordeling van de vraag of de wijze van registratie van zorgactiviteiten juist is. Van Doorne heeft dit als volgt verwoord:
‘(..)
2.3
Een registratie van een (dermatologische) zorgactiviteit is alleen onjuist wanneer de feitelijk uitgevoerde zorg niet past in de omschrijving van de zorgactiviteit zoals opgenomen in de landelijke zorgactiviteitentabel (ZAT) dan wel anderszins niet voldoet aan de Regeling MSZ. Een onjuiste registratie levert vervolgens een niet rechtmatige declaratie op als op basis daarvan een tarief in rekening wordt gebracht dat in strijd is met artikel 35 Wmg.
2.4
Ten aanzien van de omschrijvingen in de ZAT heeft AKD terecht opgemerkt dat deze vaak ruim en niet eenduidig zijn geformuleerd, waardoor meerdere interpretaties mogelijk zijn. De omschrijvingen omvatten diverse begrippen die niet door de NZa zijn gedefinieerd. Dit wordt ook onderschreven door de beroepsgroep. De Federatie Medisch Specialisten (FMS) merkt hierover het volgende op:
“De Federatie Medisch Specialisten vindt de huidige registratiesystematiek en bijbehorende registratieregels zeer complex. De registratieregels kunnen ruimte geven voor verschillende interpretaties. Ook het wijzigen van de registratieregels kon leiden tot onduidelijkheid.”
“(..).”
2.5
Als gevolg van de interpretatieruimte kunnen verschillende interpretaties van de omschrijvingen in de ZAT binnen de regels vallen. Hierdoor ontstaat een zekere bandbreedte van rechtmatigheid: een registratie van een zorgactiviteit is pas onjuist als de feitelijk uitgevoerde zorg in het geheel niet past binnen de omschrijving van de zorgactiviteit.
2.6
Ook [naam rapport] erkent dat er in de regelgeving van de NZa en de omschrijvingen in de ZAT ruimte is voor interpretatie. [naam rapport] negeert die interpretatieruimte echter door één ̶ eigen ̶ interpretatie van de ZAT-omschrijvingen als norm te hanteren bij de beoordeling van de (on)juistheid van de registraties van zorgactiviteiten. [naam rapport] baseert de interpretatie op richtlijnen van de betrokken wetenschappelijke vereniging (de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie
(NVDV)), één andere dermatoloog of ‘persoonlijke communicatie’ met de NZa. De interpretatie die volgens [naam rapport] op basis van deze bronnen het meest juist is, wordt door [naam rapport] aangemerkt als de enige interpretatiewijze die gehanteerd had mogen worden. Op basis daarvan concludeert [naam rapport] dat een registratie die uitgaat van een andere interpretatie van de ZAT-omschrijvingen, onjuist en niet rechtmatig is.
2.7
Die conclusie kan niet standhouden. Daartoe bestaat immers geen rechtsgeldige grondslag: de registratie van een zorgactiviteit is alleen onjuist als de daadwerkelijk geleverde zorg op geen enkele interpretatiewijze past binnen de ZAT-omschrijving dan wel anderszins niet voldoet aan de regels die in de Regeling MSZ aan de zorgactiviteit zijn gesteld. Bij een deel van de categorieën toetst [naam rapport] wel aan dossier en verslaglegging. Bij de categorieën die de kern vormen van de
discussiepunten ̶ de interpretatie van de ZAT-omschrijvingen van specifieke dermatologische zorgactiviteiten ̶ leunt [naam rapport] echter zwaar op de interpretatie van NVDV, niet-verifieerbare correspondentie met de NZa en één andere dermatoloog. Zij maakt daarbij niet inzichtelijk hoe die duiding is terugvertaald naar de letterlijke ZAT-omschrijving en de feitelijke handeling zoals die in het dossier is vastgelegd. Daardoor is de stap van ‘andere interpretatie’ naar ‘onjuist en niet rechtmatig’ niet transparant en niet navolgbaar.
2.7.1
De NVDV-documenten waarop [naam rapport] steunt zijn opgesteld met het doel een uniforme wijze van registratie binnen de beroepsgroep te bevorderen. Het gaat om praktische richtlijnen die nodig zijn omdat er interpretatieruimte bestaat. De door de NVDV aanbevolen interpretatie sluit andere interpretaties binnen de reikwijdte van de ZAT-omschrijving niet uit. De NVDV-documenten hebben bovendien geen juridisch bindende status. Zij zijn niet vastgesteld door de NZa en vormen geen regelgeving in de zin van de Wmg. De juridische norm voor de beoordeling van de rechtmatigheid van registraties en declaraties blijft uitsluitend de NZa-regelgeving. [naam rapport] maakt dit onderscheid onvoldoende. Zij hanteert de NVDV-documenten ten onrechte als normatief sluitstuk: als grondslag voor de conclusie dat elke andere interpretatie dan die de NVDV aanbeveelt, per definitie onjuist en niet rechtmatig is.
2.7.2
Wat betreft de ‘persoonlijke communicatie’ met de NZa geldt dat [naam rapport] noch de exacte vraagstelling noch de volledige correspondentie in het rapport heeft opgenomen. Daardoor is niet controleerbaar welke feiten en aannames aan de NZa zijn voorgelegd en hoe de NZa het voorgelegde scenario heeft geduid. Een dergelijke niet-verifieerbare communicatie kan niet volstaan als juridische grondslag voor de kwalificatie van rechtmatigheid.
2.7.3
[naam rapport] hanteert daarnaast een methodologisch inconsistente bewijsmaatstaf ten aanzien van deskundigenoordelen. Enerzijds leunt [naam rapport] inhoudelijk zwaar op de second opinions van de door haarzelf ingeschakelde dermatologen en gebruikt zij het oordeel van één van hen (‘Dermatoloog BBC’) als dragend fundament voor haar conclusies over de (on)juistheid van registraties. Anderzijds schuift [naam rapport] de deskundigenoordelen waar [verweerder] in zijn schriftelijke zienswijze van 8 oktober 2025 naar heeft verwezen ̶ waaronder een van de door [naam rapport] zelf ingeschakelde dermatologen ̶ terzijde met de redenering dat ‘wanneer een dermatoloog gelooft dat bepaalde registratie juist of legitiem is, dit niet direct betekent dat de desbetreffende registratie conform wet- en regelgeving is’. Dat is op zichzelf genomen juist; het geldt echter in gelijke mate voor het oordeel van Dermatoloog BBC. [naam rapport] maakt niet inzichtelijk welke maatstaf zij hanteert om het ene deskundigenoordeel wél en het andere niet als objectieve toetsing aan wet- en regelgeving’ aan te merken. Bij gebreke van een dergelijk transparant en consistent criterium kan de deskundigenweging van [naam rapport] niet als betrouwbaar fundament voor de kwalificatie van rechtmatigheid dienen.
2.7.4
Hetzelfde patroon doet zich voor bij de beoordeling van de onafhankelijkheid van de door [naam rapport] betrokken dermatologen. [naam rapport] heeft in het kader van het onderzoek drie dermatologen als onafhankelijke deskundigen aangemerkt. Twee van de drie door [naam rapport] betrokken dermatologen zijn echter verbonden aan de opdrachtgever van het onderzoek en kunnen op voorhand daarom al niet als volledig onafhankelijk worden aangemerkt. Daarnaast is een van deze dermatologen ̶ die op sommige punten ook het standpunt van [verweerder] ondersteunde ̶ door [naam rapport] achteraf als onvoldoende onafhankelijk weggezet. De maatstaf van [naam rapport] ̶ voor zover die er überhaupt is ̶ lijkt aldus mee te bewegen met de (gewenste) uitkomst, in plaats van objectief te worden toegepast.
2.7.5
Eenzelfde gebrek aan transparantie kenmerkt de wijze waarop [naam rapport] de hiervoor beschreven bandbreedte van rechtmatigheid in de praktijk toepast. [naam rapport] hanteert in de registratiebeoordelingen weliswaar een ‘grijs gebied’-categorie en gaat daarbij bij twijfel uit van de juistheid van de registratie, maar maakt niet inzichtelijk op welke gronden bepaalde gevallen wél als ‘onjuist’ zijn gekwalificeerd en daarmee buiten die bandbreedte vallen. De onderbouwing van die kwalificatie ontbreekt in het rapport, waardoor de grens tussen ‘grijs gebied’ en ‘onjuist’ niet navolgbaar is.
2.8
Als gevolg van de hiervoor beschreven tekortkomingen kan de rechtmatigheidsanalyse van [naam rapport] op wezenlijke onderdelen niet worden gedragen door de gehanteerde methode en berust zij op een juridisch ontoereikende grondslag.’
5.18.
Verder stelt Van Doorne dat, als een interpretatie achteraf fout blijkt, daarmee nog niet gezegd is dat de interpretatie op voorhand onverdedigbaar was.
5.19.
[verzoeker] stelt hiertegenover dat de verwijtbaarheid van het handelen van [verweerder] er in de kern in is gelegen dat het niet gaat om een enkele onjuiste registratie waarover verschillend kan worden gedacht, maar in het feit dat er sprake was van een structureel patroon van afwijkende registraties die leidden tot hogere declaratiewaarden, waarvoor [verweerder] verantwoordelijk was. [verzoeker] wijst erop dat [naam 3] een afwijkingspercentage van 8,6 of 8,7% heeft vastgesteld, terwijl volgens [naam 3] binnen de sector een bandbreedte van ongeveer 1 tot 1,5% gebruikelijk is. Volgens [verzoeker] sluiten de omvang en de duur van de afwijkingen uit dat sprake kan zijn van administratieve fouten of interpretatieverschillen en wijzen deze op structureel falend bestuur en of taakvervulling.
5.20.
Dit standpunt wordt niet gevolgd. Deze argumentatie doet immers niet af aan de kritiek van [verweerder] /AKD/Van Doorne op het gehanteerde toetsingskader, te weten dat [naam 3] één bepaalde interpretatie als de juiste heeft geïnterpreteerd zoals die van de NVDV, terwijl die interpretatie niet maatgevend is.
5.21.
Dit blijkt ook uit het feit dat de drie door [naam 3] in het kader van een second opinion geraadpleegde gynaecologen niet altijd hetzelfde opvatting over de (on)juistheid van een registratie hadden.
5.22.
Ook als er – op basis van de enge interpretatie van [naam 3] – meer afwijkingen zijn geconstateerd dan volgens [naam 3] binnen de sector gebruikelijk is, kan daaruit niet de conclusie worden getrokken dat er sprake is geweest van verwijtbaar handelen. Immers, vanuit de gedachte dat de wijze van registratie wèl correct was, is het logisch dat dit steeds op dezelfde manier gebeurde bij gelijksoortige zorgactiviteiten. Verder volgt uit het rapport van [naam 3] dat er zowel registraties met een positieve als met een negatieve financiële impact waren en de gestelde onjuiste registraties dus niet alleen maar tot een hogere declaratiewaarde leiden.
5.23.
[verzoeker] heeft verder nog aangevoerd dat er al in maart 2022 door een aantal dermatologen vragen zijn gesteld bij de wijze van registratie binnen [bedrijf 2] . [verweerder] heeft daar echter tegen ingebracht dat hij hierover daarna een powerpointpresentatie heeft gegeven om de gehanteerde werkwijze toe te lichten, waarna dit door die dermatologen is begrepen en geaccepteerd. Verder heeft hij verklaard dat het declaratieproces het binnen de organisatie altijd een gezamenlijke verantwoordelijkheid is geweest van de zorgverleners die aan de bron registreerden en van de zorgadministratie, die daarna nog een inhoudelijke controle deed of juist en volledig was geregistreerd en dat dit ook bekend was binnen de organisatie. Dit strookt met de e-mail die [verweerder] in januari 2025 heeft gestuurd aan de dermatoloog die stelde het niet met alle registraties eens te zijn.
5.24.
[verweerder] maakte ook deel uit van de zorgadministratie, zodat het logisch is dat een groter deel van de gestelde onjuiste registraties op zijn naam staat. Van belang is dat [verweerder] erop heeft gewezen, zoals ook door [naam 3] is onderkend, dat in het registratiesysteem geen logging was van wijzigingen zodat niet is vast te stellen dat hij achteraf registraties heeft gewijzigd, maar alleen dat hij registraties heeft opgevoerd, wat strookt met de controle op de volledigheid van dossiers.
5.25.
De conclusie is dat in het licht van de gemotiveerde betwisting van [verweerder] onvoldoende is komen vast te staan dat er door toedoen van [verweerder] sprake was van een structurele onjuiste registratie- en declaratiepraktijk.
Ontbreken van functiescheiding is niet verwijtbaar
5.26.
[verzoeker] verwijt [verweerder] verder dat hij heeft nagelaten te zorgen voor een functiescheiding en interne controle binnen [bedrijf 2] , en zelf als bestuurder en indirect financieel belanghebbende bij de zorgadministratie betrokken was, waardoor effectieve interne controle ontbrak.
5.27.
Ook dit vormt geen reden voor ontslag op grond van artikel 7:669 lid 3 onder e BW. Niet betwist is namelijk dat de wijze waarop de taken en rollen binnen [bedrijf 2] waren belegd, inclusief de rol van [verweerder] bij de zorgadministratie, al bij de overname bij alle stakeholders van de [bedrijf 1] bekend waren en zij daar nooit enig bezwaar tegen hebben geuit. Integendeel, contractueel was juist vastgelegd dat in de zorgadministratie geen wijzigingen mochten worden doorgevoerd. Dit kan [verweerder] dus niet worden verweten.
Het beweerdelijk doorschuiven van zorgactiviteiten in verband met omzetplafonds is niet vast te stellen
5.28.
[verzoeker] heeft ten slotte gesteld dat [verweerder] ook verwijtbaar heeft gehandeld, omdat hij een werkwijze heeft laten bestaan, waarbij zorgactiviteiten werden doorgeschoven naar een volgend kalenderjaar wanneer omzetplafonds waren bereikt, met financiële gevolgen voor zorgverzekeraars en patiënten.
5.29.
Dit verwijt is alleen gebaseerd op het onderzoek van [bedrijf 5] . Dit volgt niet uit het rapport van [naam 3] . Omdat het rapport van [bedrijf 5] buiten beschouwing blijft, kan niet worden vastgesteld dat [verweerder] in dit verband een verwijt valt te maken.
Conclusie geen voldragen e-grond
5.30.
De conclusie is dat op basis van het dossier niet is vast te stellen dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld. Er is dus geen voldragen e-grond die tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan leiden.
Ontbinding wegens verstoorde arbeidsverhouding (g-grond)
5.31.
Subsidiair verzoekt [verzoeker] om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden wegens een verstoorde arbeidsverhouding, de g-grond van artikel 7:669 lid 3. Tussen partijen is sprake van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, waardoor van [verzoeker] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De verhouding tussen [verweerder] en [verzoeker] is in de kern gebaseerd op vertrouwen in zijn functioneren als ceo en als statutair bestuurder. Dit vertrouwen is weggevallen en daarmee ook de noodzakelijke basis voor samenwerking.
5.32.
[verweerder] onderschrijft dat er sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Wel vindt [verweerder] dat [verzoeker] onvoldoende heeft gedaan om de arbeidsovereenkomst te herstellen, bijvoorbeeld door mediation. Volgens [verweerder] is er dan ook geen sprake van een voldragen g-grond. De verstoring van de arbeidsrelatie moet volgens hem worden geacht doelbewust door [verzoeker] te zijn veroorzaakt. [verweerder] verzet zich niet tegen het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar verzoekt om toekenning van een billijke vergoeding ten laste van [verzoeker] .
5.33.
De rechtbank zal het verzoek toewijzen op de g-grond, omdat beide partijen het erover eens zijn dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam is verstoord en herplaatsing van [verweerder] binnen de organisatie niet in de rede ligt. Niet alleen zien beide partijen niet in hoe dat zou kunnen werken binnen de organisatie, ook eerder al waren partijen overeengekomen dat [verweerder] – zoals hij onweersproken stelt vanwege cultuurverschillen – de organisatie zou verlaten en waren er in dat verband reeds concept beëindigingsovereenkomsten voorbereid.
5.34.
De conclusie is de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Op de opzegtermijn en de datum van ontbinding wordt hierna onder 5.38 ingegaan.
Geen billijke vergoeding voor [verweerder]
5.35.
De door [verweerder] gevorderde billijke vergoeding wordt afgewezen. Een billijke vergoeding kan slechts worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is geweest van ‘ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever’. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen van een werkgever kan worden aangenomen wanneer de werkgever een verstoring in de arbeidsrelatie heeft uitgelokt of laakbaar heeft gehandeld met als gevolg een verstoorde arbeidsverhouding.
5.36.
Allereerst is van belang dat partijen al van plan waren om hun relatie te beëindigen vanwege cultuurverschillen. In dat kader lagen in maart 2025 al verschillende beëindigingsovereenkomsten gereed. Er zijn geen aanwijzingen dat die overeenkomsten niet zouden zijn getekend zonder de meldingen van eind 2024/begin 2025 en het naar aanleiding daarvan verrichte onderzoek naar de registratie van zorgactiviteiten. De aanleiding voor het onderzoek was niet het vinden van een manier om ‘goedkoper’ van [verweerder] af te komen, maar de meldingen over de mogelijk onjuiste registratie van zorgactiviteiten. Het is begrijpelijk dat [verzoeker] die meldingen serieus heeft genomen. Als er inderdaad van onrechtmatige registraties sprake zou zijn, zou dat immers grote financiële gevolgen voor haar kunnen hebben. Terecht stelt [verzoeker] dat zij eenvoudigweg verplicht was om te onderzoeken of die meldingen een feitelijke grondslag hadden.
5.37.
Het feit dat [verweerder] tijdens de onderzoeksperiode is geschorst is gelet op de meldingen en de eerste bevindingen van [naam 3] eveneens begrijpelijk. Dat het onderzoek langer heeft geduurd dan aanvankelijk verwacht, is vanzelfsprekend als zwaar ervaren door [verweerder] , maar valt [verzoeker] evenmin aan te rekenen. Ook [verweerder] heeft daarin een rol gespeeld. Hoewel het onderzoek van [bedrijf 5] als ondeugdelijk is beoordeeld en ook bij het onderzoek van [naam 3] procedurele kanttekeningen zijn te plaatsen, kan niet worden gezegd dat het gehele onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat [verzoeker] doelbewust de arbeidsverstoring heeft veroorzaakt. Er was zoals gezegd een goede reden om onderzoek te doen naar de wijze van registreren en declareren van zorgactiviteiten. Ook als [naam 3] , die met haar huidige werkzaamheden nauw verbonden is met [verzoeker] , mogelijk niet geheel onafhankelijk was, zoals [verweerder] heeft aangevoerd, doet dit er niet aan af dat zij afwijkende registraties heeft vastgesteld. Dat die er waren, is ook niet betwist. Weliswaar is hiervoor overwogen dat niet is vast te stellen dat [verweerder] op onrechtmatige wijze DBC-registraties heeft aangepast/aangevuld, maar het is niet vreemd dat de geconstateerde afwijkingen vragen opriepen en tot een vertrouwensbreuk hebben geleid. Dat kan [verzoeker] niet worden verweten, temeer omdat de discussie over de wijze van registraties juist vanuit een arts is gekomen en daarover vervolgens onrust is ontstaan bij het personeel.
Opzegtermijn
5.38.
De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden per 1 april 2027. De rechtbank houdt rekening met de overeengekomen opzegtermijn van twaalf maanden, omdat niet is komen vast te staan dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld. De proceduretijd komt wèl op de opzegtermijn in mindering, omdat hiervoor is overwogen dat ook niet kan worden gezegd dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] .
Voorwaarde voor voorwaardelijk ontbindingsverzoek niet vervuld
5.39.
De voorwaarde waaronder het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van [verweerder] is ingesteld is niet vervuld. Dit verzoek hoeft dus niet meer beoordeeld te worden.
Transitievergoeding
5.40.
Zoals hiervoor is overwogen, wordt de arbeidsovereenkomst niet ontbonden wegens verwijtbaar handelen van [verweerder] , maar wegens een verstoorde arbeidsverhouding. De door [verweerder] verzochte transitievergoeding wordt daarom toegewezen. Omdat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op de g-grond, wordt niet toegekomen aan het verzoek om bij ontbinding op de i-grond een aanvullende vergoeding toe te kennen op basis van artikel 7:671b lid 8 BW. De transitievergoeding wordt – uitgaande van de hiervoor vastgestelde einddatum van het dienstverband – vastgesteld op € 22.222,23 bruto, te betalen binnen twee weken na het einde van de arbeidsovereenkomst.
Salaris, vakantiegeld en saldo niet-genoten vakantiedagen (financiële afwikkeling arbeidsovereenkomst)
5.41.
[verzoeker] zal ook, zoals door [verweerder] is verzocht, worden veroordeeld om aan [verweerder] binnen een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst te betalen wat hem uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en/of de beëindiging daarvan toekomt aan salaris en vakantiegeld en het per einde dienstverband openstaande saldo aan niet genoten vakantiedagen. [verzoeker] heeft deze vordering ook niet betwist. Hetzelfde geldt voor het verzoek van [verweerder] om hem binnen een maand een correcte specificatie hiervan te verstrekken. Dat verzoek zal eveneens worden toegewezen.
Geen vergoeding werkelijk gemaakte kosten juridische bijstand
5.42.
Het verzoek van [verweerder] om te bepalen dat [verzoeker] de werkelijke proceskosten aan hem vergoedt, wordt afgewezen. Een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten is volgens vaste jurisprudentie alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake in geval van een evident ongegronde vordering of verweer, zoals wanneer de vordering of het verweer wordt gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan een procespartij de onjuistheid kende of had behoren te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Deze lat wordt niet gehaald.
5.43.
Het beroep op artikel 7:611 BW in samenhang met artikel 6:96 BW gaat ook niet op. Uit het arrest New Hairstyle kan worden afgeleid dat kosten van andere, eerdere procedures daaronder zouden kunnen vallen. Dit ziet dus niet op de kosten van deze procedure of op de kosten die daaraan voorafgaand met het oog daarop zijn gemaakt. Daarnaast valt, gelet op het feit dat hiervoor is overwogen dat [verzoeker] niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, ook overigens niet in te zien dat er sprake is van een tekortkoming op grond van artikel 7:611 BW die in samenhang met artikel 6:96 BW tot vergoeding van werkelijke gemaakte kosten voor juridische bijstand zou moeten leiden.
Geen vergoeding overige kosten
5.44.
Dit laatste geldt ook voor de door [verweerder] gevorderde kosten die hij heeft gemaakt voor de adviezen van [naam 4] (€ 4.275,- vrijgesteld van btw), van AKD (€ 33.244,16 inclusief btw) en van Van Doorne (€ 67.029,17 inclusief btw). Ook die vordering wordt dus afgewezen. Het staat [verweerder] vrij verweer te voeren en zich daarbij van advies te voorzien, maar er is geen reden om die kosten door [verzoeker] te laten dragen.
Geen immateriële schadevergoeding
5.45.
De vordering tot vergoeding van immateriële schade wegens reputatieschade treft hetzelfde lot. Omdat niet kan worden gezegd dat [verzoeker] een verwijt valt te maken, is zij ook niet gehouden tot vergoeding van de gestelde immateriële schade.
Geen belang bij bevel over uitlatingen door [verzoeker]
5.46.
[verzoeker] heeft verder verzocht dat de rechtbank zal bepalen dat [verzoeker] zich zal onthouden van het doen van uitlatingen inhoudende dat [verweerder] zich schuldig heeft gemaakt aan fraude, onrechtmatigheden dan wel anderszins verwijtbaar handelen, zolang dat niet in een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk oordeel in rechte is vastgesteld. De rechtbank gaat ervan uit dat dit niet nodig is gelet op de uitkomst van deze procedure. Daarnaast is het verzoek te onbepaald geformuleerd en is het belang onvoldoende concreet onderbouwd. Het feit dat in interne communicatie is gesproken over de ‘geschorste bestuurder’ is daartoe onvoldoende.
Het concurrentie- en relatiebeding worden geheel vernietigd
5.47.
In de arbeidsovereenkomst met [verweerder] is een concurrentie- en een relatiebeding opgenomen, waaraan [verweerder] is gebonden gedurende achttien maanden na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dit zijn allebei bedingen als bedoeld in artikel 7:653 BW. Dat is niet in geschil. [verweerder] heeft verzocht om voor recht te verklaren dat [verzoeker] aan het concurrentie- en relatiebeding geen rechten meer kan ontlenen omdat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld (artikel 7:653 lid 4 BW), dan wel deze bedingen geheel of gedeeltelijk te vernietigen omdat [verweerder] door deze bedingen in verhouding tot het te beschermen belang van [verzoeker] onbillijk wordt benadeeld (artikel 7:653 lid 3 sub b BW)
5.48.
Het eindigen van de arbeidsovereenkomst is niet het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] . Daarom wordt de gevraagde verklaring voor recht afgewezen.
De rechtbank zal wel overgaan tot vernietiging van zowel het concurrentiebeding als van het relatiebeding. De belangen die [verzoeker] met beide bedingen beoogde te beschermen wegen niet meer op tegen de belangen van [verweerder] om niet te worden gehinderd in zijn arbeidsmogelijkheden. Daarbij is van belang dat hij al sinds 22 april 2025 is geschorst en de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden per 1 april 2027. Op dat moment is hij dus al bijna twee jaar weg uit de organisatie. Verder is van belang dat [verweerder] erop heeft gewezen dat hij op grond van de voor hem geldende BIG-regels jaarlijks een minimaal aantal uren als dermatoloog moet werken om zijn registratie te kunnen behouden. [verzoeker] heeft onvoldoende toegelicht welk belang bij handhaving van genoemde bedingen zij daartegenover heeft.
Wettelijke rente
5.49.
De gevorderde wettelijke rente over de toegewezen bedragen wordt als hierna te melden toegewezen over de transitievergoeding.
Proceskosten
5.50.
De rechtbank ziet in de uitkomst van deze procedure, waarin beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6De beslissing
De rechtbank
in het ontbindingsverzoek van [verzoeker] en in de tegenverzoeken van [verweerder]
6.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 1 april 2027,
6.2.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling aan [verweerder] van een transitievergoeding van € 22.222,23 bruto, te betalen binnen veertien dagen na 1 april 2027, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 april 2027,
6.3.
veroordeelt [verzoeker] om aan [verweerder] binnen een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst te betalen wat hem uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en/of de beëindiging daarvan toekomt aan salaris en vakantiegeld en hem het per einde dienstverband openstaande saldo aan niet genoten vakantiedagen vergoedt, en hem daarvan een correcte specificatie te verstrekken, een en ander binnen een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst,
6.4.
vernietigt het concurrentiebeding en het relatiebeding, zoals overeengekomen in de artikelen 11 en 12 van de tussen [verweerder] en [verzoeker] overeengekomen arbeidsovereenkomst,
6.5.
verklaart de beslissingen onder 6.2, 6.3 en 6.4 uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt,
6.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.P. Pompe, bijgestaan door mr. K.E. Beerlage, en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.
Nederlandse Zorgautoriteit.
Zie 2.19.
Zie artikel 7:671b lid 9 sub 1 BW.
Verordening EU nr. 1215/2012.
Zie 2.17.
Zie artikel 7:671b lid 6 sub a BW.
Zie 2.14.
Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie.
Zie 2.7.
Zie 2.9.
Zie artikel 7:671b lid 9 sub c BW.
Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34
Zie 2.20.
Het salaris bedraagt € 16.666,67 bruto per maand inclusief vakantietoeslag, zie 2.4. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 april 2027. Er zijn dan vier dienstjaren tot 1 april 2027, zodat de transitievergoeding 4 x 1/3e x € 16.666,67 bruto bedraagt.
Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516.
Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187.
Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/784867 / HA RK 26-88
Beschikking van
17
september 2026
in de zaak van
[verzoeker] BV,
te [vestigingsplaats 1] ,
verzoekende partij in het ontbindingsverzoek,
verwerende partij in het voorwaardelijk ontbindingsverzoek en in de zelfstandige tegenverzoeken
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. M.A. van Haelst,
tegen
[verweerder]
,
te [woonplaats] (Portugal),
verwerende partij in het ontbindingsverzoek,
vezoekende partij in het voorwaardelijk ontbindingsverzoek en in de zelfstandige tegenverzoeken,
hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat: mr. P.T. Sick.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 16 maart 2026, met producties 1 tot en met 18,
- het verweerschrift tevens houdende een voorwaardelijk ontbindingsverzoek tevens houdende een aantal zelfstandige tegenverzoeken, met producties 1 tot en met 44,
- de aanvullende producties 19 en 20 van [verzoeker] , - de aanvullende productie 45 van [verweerder] ,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 augustus 2026, waarbij door de advocaten spreekaantekeningen zijn overgelegd en door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De feiten
Relatie [verweerder] en [verzoeker] / [bedrijf 1]
2.1.
[verzoeker] , dat deel uitmaakt van de [bedrijf 1] , richt zich op specialistische dermatologische zorg, flebologie en esthetische chirurgie.
2.2.
[verweerder] , zelf dermatoloog, heeft in 2014 [bedrijf 2] opgericht. In april 2023 is [bedrijf 2] overgenomen door [verzoeker] en onderdeel gaan uitmaken van de [bedrijf 1] . Binnen Nederland vallen meerdere klinieken onder de [bedrijf 1] . Enig aandeelhouder van [verzoeker] is [bedrijf 3] B.V., van wie [bedrijf 4] GmbH enig aandeelhouder is. [bedrijf 3] B.V. heeft een Raad van Commissarissen (RvC) die toezicht houdt op het bestuur van [verzoeker] .
2.3.
Bij de overname van [bedrijf 2] heeft [verweerder] een belangrijk deel van de koopsom opnieuw geïnvesteerd in de [bedrijf 1] . Daarnaast zijn partijen een earn-out regeling overeengekomen die maakt dat [verweerder] onder bepaalde voorwaarden aanspraak heeft op betaling van een deel van de koopprijs dat hem nog niet is betaald. In geval van zogenaamde ‘bona fide claims’ van [verzoeker] mag [verzoeker] die betalingen opschorten. Bij de overname hebben partijen verder afspraken gemaakt over de financiële gevolgen voor [verweerder] van zijn vertrek bij [verzoeker] , afhankelijk van de vraag of dat vertrek binnen dan wel na drie jaar na de verkoop plaatsvindt en afhankelijk van de vraag [verweerder] als ‘good leaver’ dan wel als ‘bad leaver’ wordt aangemerkt.
2.4.
[verweerder] is na de overname benoemd tot statutair bestuurder van [verzoeker] . Met hem is ook een arbeidsovereenkomst gesloten op grond waarvan hij de functie van Chief Executive Officer (ceo) vervulde tegen een salaris van € 16.666,67 bruto per maand inclusief 8% vakantietoeslag. De opzegtermijn voor [verzoeker] bedraagt twaalf maanden. In de arbeidsovereenkomst zijn in de artikelen 11 en 12 een concurrentie- en relatiebeding opgenomen met een duur van 18 maanden vanaf de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In artikel 16 is een daaraan gekoppeld boetebeding opgenomen van € 100.000,- per overtreding en € 5.000,- per dag dat de overtreding voortduurt.
2.5.
[verweerder] is aanvankelijk ook aangesteld als statutair bestuurder van [bedrijf 3] B.V. Per 1 oktober 2024 is [verweerder] uit die functie teruggetreden en in zijn plaats is [naam 1] ( [naam 1] ) als bestuurder aangesteld. [naam 1] is per die datum ook benoemd tot bestuurder van [verzoeker] , naast [verweerder] . Mevrouw [naam 2] ( [naam 2] ) was binnen [bedrijf 2] werkzaam als kwaliteitsmedewerker en is – sinds april 2023 – werkzaam als operationeel directeur.
2.6.
Vanaf begin 2025 hebben partijen gesproken over de mogelijke algehele beëindiging van de relatie tussen [verweerder] en [verzoeker] . In maart 2025 zijn in dat kader al concepten van overeenkomsten gemaakt, met regelingen over de voorwaarden van beëindiging van de arbeidsovereenkomst en van de overige contractuele relaties (waaronder de earn-out). Van ondertekening is het niet gekomen.
Verwijten van niet correcte declaraties / registraties van zorg
a) de brief van maart 2022
2.7.
Op 14 maart 2022 heeft een aantal dermatologen, verbonden aan [bedrijf 2] , een brief aan [verweerder] gestuurd, waarin zij schrijven dat er met betrekking tot de zorgdeclaraties nog niet aan de overheidsregels wordt voldaan.
b) de meldingen van december 2024/januari 2025 en de e-mail van 25 maart 2025
2.8.
In vervolg op eerdere meldingen in december 2024, heeft één van de dermatologen binnen [bedrijf 2] op 6 januari 2025 aan [verweerder] een e-mail gestuurd waarin hij schrijft dat hij heeft geconstateerd dat zonder zijn toestemming aanpassingen zijn gedaan in de registratie van zorgactiviteiten binnen diagnose-behandelcombinaties (DBC’s) die op zijn naam stonden en die volgens hem niet overeenkwamen met de daadwerkelijk verleende zorg. Volgens hem waren daardoor te hoge kosten bij de verzekeraars in rekening gebracht. In dezelfde mail heeft de dermatoloog zich ziekgemeld.
2.9.
[verweerder] heeft in een schriftelijke reactie van 13 januari 2025 – met kopie aan [naam 1] en [naam 2] – aan de dermatoloog laten weten dat het registreren van zorgactiviteiten en DBC’s een gedeelde verantwoordelijkheid is, dat de zorgverleners aan de bron registreren en dat daarna nog een inhoudelijke controle plaatsvindt of juist en volledig is geregistreerd, omdat de registratie niet altijd juist is. Wat betreft de door de dermatoloog genoemde ‘onjuiste’ registraties heeft [verweerder] geschreven het daar niet mee eens te zijn en uitgelegd waarom de registraties in zijn ogen wel juist waren.
2.10.
Na de ziekmelding van de dermatoloog is een mediationtraject met hem gestart, waarbij hij een advocaat heeft ingeschakeld. De advocaat heeft in een e-mailbericht van 25 maart 2025 aan [naam 2] haar exitvoorstel van de hand gewezen. In dat verband heeft hij gewezen op de achtergrond van het geschil van zijn cliënt met [verweerder] en een aantal voorbeelden gegeven van wijzigingen in registraties door [verweerder] die niet zouden kloppen en zich op het standpunt gesteld dat er door [bedrijf 2] ‘spookzorg’ is gedeclareerd. [verzoeker] merkt deze brief aan als ‘klokkenluidersmelding’. Met de dermatoloog is uiteindelijk – buiten [verweerder] om – een beëindigingsregeling overeengekomen.
Onderzoek door [naam 3]
2.11.
Eind 2024 hebben [verweerder] en [naam 1] mevrouw [naam 3] ( [naam 3] ), gevraagd om als externe DBC-consultant te adviseren over de uniformering van de DBC-registratie binnen de [bedrijf 1] . Naar aanleiding van de meldingen van de dermatoloog heeft [naam 3] van (onder meer) de RvC opdracht gekregen om een in eerste instantie beperkt onderzoek te doen naar de vermeende foutieve zorgdeclaraties en onregelmatigheden binnen het declaratiegedrag/-proces. Begin maart heeft [naam 3] haar eerste bevindingen aan de Raad van Bestuur van [verzoeker] gepresenteerd.
2.12.
Daarna heeft de RvC aan [naam 3] opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de vraag of de geregistreerde en gedeclareerde zorg in 2023 en 2024 binnen [bedrijf 2] overeenkwam met de daadwerkelijk geleverde zorg en of de registratie conform de wet- en regelgeving is gedaan.
2.13.
[naam 3] heeft op 16 september 2025 een voorlopig onderzoeksrapport met [verweerder] gedeeld. Daarna hebben gesprekken met hem plaatsgevonden en heeft [verweerder] schriftelijk voorlopige en definitieve zienswijzen gegeven op de voorlopige bevindingen van [naam 3] , waarbij aan hem inzage is gegeven in 30 van de 763 door [naam 3] onderzochte dossiers. In zijn zienswijzen heeft [verweerder] zijn visie gegeven op het onderzoek en op de wijze van registreren. Bij zijn definitieve zienswijze van 8 oktober 2025 heeft [verweerder] als bijlage onder meer een memo van diezelfde datum van het advocatenkantoor AKD gevoegd. De conclusie van AKD in dat memo was dat de wijze van registreren binnen [bedrijf 2] , zoals weergegeven in het voorlopige rapport van [naam 3] , zich bevindt binnen de bandbreedte van rechtmatigheid. Volgens de analyse van AKD blijkt niet dat bij de door [naam 3] gesignaleerde onderwerpen sprake is geweest van onjuiste registraties.
2.14.
[verweerder] is bij brief van 11 december 2025 door de RvC uitgenodigd voor een afspraak om zijn zienswijze te geven ‘ten aanzien van de vermeende onjuiste administratie en declaratie van zorgprestaties’. In de brief staat dat de afspraak ‘een formeel onderdeel vormt van het onderzoek, dat op ons verzoek plaatsvindt en dat is gericht op feitenverzameling over administratie en declaratie van zorgprestaties.’ Vervolgens heeft op 19 december 2025 een gesprek van [verweerder] met de RvC plaatsgevonden.
2.15.
Op 12 januari 2026 heeft [naam 3] haar definitieve rapport afgerond (hierna ook wel het [naam rapport] genoemd, naar de organisatie waaraan [naam 3] kennelijk is verbonden). Uit het rapport volgt dat een steekproef van DBC’s is getrokken waarbij 763 dossiers van 90.369 zijn onderzocht. Na een initiële beoordeling heeft op onderdelen nog een second opinion plaatsgevonden waarbij drie gynaecologen is gevraagd naar de wijze van registreren. Daarna is nog een verdere analyse gedaan naar de herkomst van de registraties van zorgactiviteiten gericht op [verweerder] , waarbij opnieuw een steekproef is gedaan, waarna één van de drie dermatologen (‘dermatoloog BBC’) nog daarop is bevraagd. [naam 3] concludeert dat een deel van de registraties niet in overeenstemming is met de geldende regelgeving en dat [verweerder] verantwoordelijk is voor de hoogste financiële impact daarvan. De resultaten op basis van de steekproef zijn geëxtrapoleerd naar alle gefactureerde dossiers. Op basis hiervan stelt [naam 3] dat de onjuiste/onrechtmatige zorgregistraties hebben geleid tot te hoge declaraties bij zorgverzekeraars ter hoogte van € 2.132.544,03 over de jaren 2023 en 2024. Na correctie voor de met de zorgverzekeraars overeengekomen omzetplafonds resteert een bedrag van € 1.523.214,97 aan zorg die niet rechtmatig is gedeclareerd en waarvoor volgens [naam 3] correctie richting zorgverzekeraars nodig is.
2.16.
[naam 3] heeft inmiddels ook opdracht gekregen om onderzoek te doen naar de DBC-registraties van [bedrijf 2] in de jaren 2021 en 2022.
Onderzoek door [bedrijf 5]
2.17.
Naast [naam 3] heeft ook [bedrijf 5] B.V. ( [bedrijf 5] ) in opdracht van [verzoeker] onderzoek gedaan met als doel ‘vaststellen of de heer [verweerder] patiëntendossiers na behandeling van de arts frauduleus heeft gemuteerd.’ [bedrijf 5] heeft vanaf mei 2025 onderzoek gedaan. [naam 1] heeft [bedrijf 5] in dat verband op 20 mei 2025 een e-mailbericht gestuurd over de personen met wie [bedrijf 5] gesprekken zou moeten voeren en met wie (vooralsnog) niet. Op 18 augustus 2025 had [bedrijf 5] een tussenrapport gereed, waarna een gesprek met [verweerder] heeft plaatsgevonden. Op 24 november 2025 was een concept eindrapport gereed, waarop [verweerder] zijn zienswijze heeft mogen geven. Daarna heeft [bedrijf 5] op 22 december 2025 een definitief onderzoeksrapport uitgebracht.
Visiedocument [naam 4]
2.18.
Op 15 oktober 2025 heeft mr.dr. [naam 4] ( [naam 4] ) op verzoek van [verweerder] in een ‘Visiedocument inzake onderzoek naar de heer [verweerder] door [verzoeker] ’ een oordeel gegeven over de wijze waarop het onderzoek door [naam 3] en door [bedrijf 5] (tot dan toe) is uitgevoerd. [naam 4] komt tot de volgende conclusies:
‘ - [verweerder] is voorafgaande aan het onderzoek onvoldoende op de hoogte gebracht
van de wijze waarop het onderzoek is ingericht.
- [verweerder] is niet aan het begin van het onderzoek geïnformeerd over het toepasselijke c.q. te hanteren toetsingskader.
- [verweerder] is onvoldoende geïnformeerd over de werkwijze van de onderzoekers en de inrichting van het onderzoek.
- Er heeft op gemankeerde wijze hoor en wederhoor plaatsgevonden. [verweerder] heeft onvoldoende tijd gehad zich te beraden op zijn reactie en onvoldoende tijd gehad om die reactie ook daadwerkelijk te geven. Daarbij zijn cruciale gegevens niet met hem gedeeld en heeft hij zeer marginaal toegang gekregen tot het onderzoeksmateriaal.
- Garanties rondom de vertrouwelijkheid van het onderzoek heb ik niet aangetroffen. Er is onvoldoende oog geweest voor de bescherming van de privacy van [verweerder] .
- [verweerder] is onvoldoende geïnformeerd over het tijdsbeslag voor het onderzoek.
- De keuze voor de onderzoekers is niet toegelicht, noch hun deskundigheid en hun kwalificaties.
- Gezien de vergaande bemoeienis van [verzoeker] en haar advocaten met het onderzoek, betwijfel ik sterk of de onderzoekers een onafhankelijke positie hebben kunnen innemen ten opzichte van alle betrokkenen, inclusief [verweerder] .
- Het onderzoek is niet transparant uitgevoerd.
- Het onduidelijk hoe het eindrapport tot stand zal komen.
Dit alles leidt tot de slotconclusie, dat naar mijn professionele eindoordeel het onderzoek
niet voldoet aan de standaarden die daaraan volgens de huidige inzichten (ontleend aan
literatuur en rechtspraak) worden gesteld.’
Schorsing, kort geding, ziekmelding en ontslag [verweerder]
2.19.
Lopende het onderzoek van [naam 3] (en daarna ook [bedrijf 5] ) is [verweerder] met ingang van 22 april 2025 geschorst en op non-actief gesteld. De aankondiging daarvan ontving hij op Paasmaandag 21 april 2025 om 17.00 uur. In de brief van 21 april 2025 werd aangegeven dat de verwachting was dat de schorsing niet langer dan twee maanden zou duren, binnen welke termijn naar verwachting een beslissing zou kunnen worden genomen over opheffing dan wel verlenging van de schorsing of ontslag.
2.20.
In augustus 2025 is [verweerder] een kort geding gestart, waarin hij onder meer heeft verzocht [verzoeker] te veroordelen het schorsingsbesluit en het onderzoek naar hem te beëindigen. Deze en andere vorderingen zijn (na een aanhouding op verzoek van partijen) afgewezen bij vonnis van 24 oktober 2025. In dat vonnis heeft de voorzieningenrechter onder meer overwogen:
‘Dat er nog geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden ligt ook aan [verweerder] . Hij stelt zodanige eisen aan de wijze waarop het onderzoek in zijn visie dient te verlopen dat het lijkt alsof hij het onderzoek wil leiden en niet de deskundigen. Daarmee heeft hij voor vertraging gezorgd.’
2.21.
Op 1 oktober 2025 heeft [verweerder] zich ziekgemeld.
2.22.
De onderzoeksbevindingen van [naam 3] en van [bedrijf 5] en het oordeel van de RvC daarover hebben ertoe geleid dat [verweerder] op de aandeelhoudersvergadering van [verzoeker] van 4 februari 2026 als statutair bestuurder is ontslagen.
Second opinion Van Doorne
2.23.
Op verzoek van [verweerder] heeft het advocatenkantoor Van Doorne op 8 juni 2026 een ‘Second opinion bij memo AKD ‘kanttekeningen bij rapport [naam rapport] ’ uitgebracht. Van Doorne stelt daarin zelfstandig een juridisch oordeel te geven over de houdbaarheid van de conclusies uit het [naam rapport] , waarbij zij de bevindingen van AKD betrekt. Van Doorne onderschrijft in algemene zin de bevindingen van AKD en concludeert dat het [naam rapport] de conclusie omtrent niet-rechtmatige declaraties niet kan dragen. Voor zover moet worden geoordeeld dat bepaalde registraties niet binnen de bandbreedte van rechtmatigheid zijn gebleven, kan – aldus Van Doorne – daarmee niet zonder meer worden geoordeeld dat sprake is van opzettelijk handelen, omdat daar ook een interpretatie aan ten grondslag kan liggen met een oprechte intentie dat daarmee rechtmatig werd gedeclareerd.
3Het verzoek van [verzoeker] en het verweer van [verweerder]
3.1.
Het verzoekschrift van [verzoeker] strekt er – samengevat – toe dat de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, op de kortst mogelijke termijn de tussen [verzoeker] en [verweerder] bestaande arbeidsovereenkomst ontbindt op grond van artikel 7:671b lid 1 sub a Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 7:669 lid 1 en lid 3 BW:
primair wegens (ernstig) verwijtbaar handelen (de e-grond), zonder toekenning van een transitievergoeding, dan wel met een transitievergoeding als het handelen niet ernstig verwijtbaar is (artikel 7:673 lid 7 sub c BW);
subsidiair wegens een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond);
meer subsidiair op andere gronden (de h-grond);
uiterst subsidiair op grond van de cumulatiegrond (de i-grond), en daarbij voor recht verklaart dat [verzoeker] in dat geval aan [verweerder] geen hogere transitievergoeding (ex artikel 7:671b lid 8 BW) verschuldigd is;
en in alle gevallen [verweerder] veroordeelt in de proceskosten, waaronder de nakosten.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoeker] onder meer het volgende ten grondslag gelegd.
3.2.1.
Een arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is en herplaatsing niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Aan die voorwaarden is voldaan. Wat betreft de ontslaggrond geldt primair dat [verweerder] (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub e BW. Het handelen van [verweerder] is zodanig ernstig dat aan hem ook geen transitievergoeding moet worden toegekend. Ook moet de proceduretijd in mindering komen op de contractuele opzegtermijn van twaalf maanden.
3.2.2.
[verweerder] heeft als ceo en (voormalig) statutair bestuurder van [verzoeker] een centrale en sturende rol gespeeld binnen een onrechtmatige registratie- en declaratiepraktijk van [bedrijf 2] . [verweerder] heeft daarmee gehandeld in strijd met de toepasselijke NZa-regelgeving. Er was sprake van een stelselmatig patroon van handelen dat neerkomt op een grove schending van juist de kernverantwoordelijkheden van een zorgbestuurder. Uit het uitgevoerde onderzoek naar de zorgregistraties over 2023 en 2024 blijkt dat de afwijkingen in de registratie ongeveer 8,7% respectievelijk 8,6% bedroegen, terwijl binnen de sector een bandbreedte van 1-1,5% aan niet-rechtmatig gedeclareerde zorg als norm geldt. Dit is niet verklaarbaar uit incidentele vergissingen of systeemfouten. De onjuiste en onrechtmatige declaraties hebben een bruto financiële omvang van € 2.132.544,03. Na correctie van omzetplafonds resteert € 1.523.214,97 aan niet-rechtmatige gedeclareerde zorg waarvoor correctie richting zorgverzekeraars noodzakelijk is. [verzoeker] is daarmee blootgesteld aan aanzienlijke financiële schade, terugbetalingsverplichtingen en grove compliance schendingen. Uit het onderzoek is gebleken dat [verweerder] hier vanuit zijn bestuurdersrol direct bij betrokken was. Hij voerde de regie, gaf actief leiding en registreerde zelf herhaaldelijk onrechtmatige zorgactiviteiten. De onjuiste registratie onder de verantwoordelijkheid van [verweerder] raakt de kern van goed bestuur en is onverenigbaar met de zorgvuldigheid en integriteit die van een statutair bestuurder mogen worden verlangd.
3.2.3.
Subsidiair beroept [verzoeker] zich op de op de g-grond van artikel 7:669 lid 3 BW: een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, waardoor van [verzoeker] in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De verhouding tussen [verweerder] en [verzoeker] is in de kern gebaseerd op vertrouwen in zijn functioneren als ceo en statutair bestuurder. Dit vertrouwen is fundamenteel weggevallen. Herstel van de arbeidsrelatie ligt niet in de rede. [verweerder] is sinds april 2025 geschorst en verricht geen werkzaamheden meer binnen [verzoeker] . Terugkeer zou kunnen leiden tot onrust onder medewerkers, toezichthouders en zorgverzekeraars.
3.2.4.
Meer subsidiair doet [verzoeker] een beroep op de h-grond van artikel 7:669 lid 3 BW. Na het aandeelhoudersbesluit waarin [verweerder] is ontslagen als statutair bestuurder, ontbreekt een reële functie-invulling. Verder is er een fundamenteel verschil van inzicht over de invulling van zijn rol als ceo en statutair bestuurder, waarbij afstand tot operationele processen en onafhankelijke controle uitgangspunt zijn. Ten slotte zou terugkeer kunnen leiden tot onrust onder medewerkers, toezichthouders en zorgverzekeraars.
3.2.5.
Uiterst subsidiair verzoekt [verzoeker] ontbinding van de abeidsovereenkomst op de i-grond: een combinatie van omstandigheden, zodanig dat van de werkgever niet kan worden verwacht de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De samenhang tussen het ernstig tekortschieten in governance en compliance, de duurzame en onherstelbare verstoring van de arbeidsverhouding en het vervallen van de bestuurlijke functie en de gewijzigde governance-structuur, maakt dat voorzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet meer mogelijk is.
3.3.
[verweerder] voert als volgt verweer.
3.3.1.
Van een voldragen/redelijke ontslaggrond is geen sprake. Er is binnen [bedrijf 2] niet onjuist geregistreerd. De door [naam 3] geconstateerde afwijkingen vloeien voort uit interpretatieverschillen van de toepasselijke wet- en regelgeving. Dit wordt onderschreven in de rapporten van AKD en Van Doorne. Er valt hem ten aanzien van de wijze van registreren en declareren geen verwijt te maken, en ook niet anderszins. Voor zover er al sprake zou zijn geweest van interpretatiefouten, zijn deze fouten niet moedwillig of te kwader trouw gemaakt. Dat registraties achteraf werden gecontroleerd, was bekend. [verweerder] is daarover altijd transparant geweest.
3.3.2.
[verweerder] onderschrijft wel dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam is verstoord. Hij verzet zich dan ook niet tegen de ontbinding, maar omdat die verstoring het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] verzoekt hij om een billijke vergoeding (zie ook hierna). De wijze waarop het onderzoek van [naam 3] en van [bedrijf 5] heeft plaatsgevonden was heel onzorgvuldig. Er is gestuurd naar de door [verzoeker] gewenste conclusie, die daarbij een groot financieel belang heeft. Op basis van de door haar gestelde verwijten weigert [verzoeker] namelijk aan aanzienlijke financiële verplichtingen jegens [verweerder] te voldoen. Daarnaast is er geen oog geweest voor de visie en verweren van [verweerder] , noch is enige poging gedaan de arbeidsverhouding te herstellen, hem te laten re-integreren of hem te herplaatsen.
4. Het voorwaardelijk ontbindingsverzoek, de tegenverzoeken van [verweerder] en het verweer daartegen van [verzoeker]
4.1.
[verweerder] verzoekt – samengevat – dat de rechtbank, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
in het ontbindingsverzoek van [verzoeker] :
1. het ontbindingsverzoek toewijst met inachtneming van de contractuele opzegtermijn van twaalf maanden, zonder aftrek van de proceduretijd;
2. [verweerder] een billijke vergoeding toekent van € 200.000,- bruto, of een ander bedrag;
in het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van [verweerder] :
3. de arbeidsovereenkomst ontbindt als [verzoeker] haar ontbindingsverzoek intrekt, eveneens met inachtneming van de contractuele opzegtermijn van twaalf maanden en onder toekenning van een billijke vergoeding aan [verweerder] van € 200.000,- bruto;
zowel in het ontbindingsverzoek van [verzoeker] als in het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van [verweerder] , bij wijze van zelfstandige vorderingen:
4. [verzoeker] beveelt om het volledige eindrapport van [bedrijf 5] aan [verweerder] en aan de rechtbank te verstrekken, zonder weglakkingen en inclusief alle, complete ondertekende verklaringen en overige bijlagen, op straffe van een dwangsom; en
5. [verweerder] vier weken de tijd geeft om schriftelijk te reageren op het onder 4 genoemde rapport, alvorens te beslissen op de overige verzoeken van partijen;
en
[verzoeker] veroordeelt tot betaling aan [verweerder] van:
6. de transitievergoeding van € 24.037,50 bruto;
7. een aanvullende vergoeding van € 12.018,75 bruto bij ontbinding op de i-grond,
8. het salaris, het vakantiegeld en een vergoeding voor het saldo van niet-genoten vakantiedagen en tot verstrekking van een specificatie daarvan;
9. de werkelijke kosten voor juridische bijstand van [verweerder] , begroot op € 135.779,46,- inclusief btw;
10. zijn overige kosten, begroot op een bedrag van (i) € 4.275,- (vrijgesteld van btw), (ii) € 33.244,16 inclusief btw en (iii) € 67.029,17 inclusief btw;
11. een immateriële schadevergoeding van € 10.000,- netto;
en
12. voor recht verklaart dat [verzoeker] geen rechten kan ontlenen aan het overeengekomen concurrentie- en relatiebeding, of deze geheel of gedeeltelijk vernietigt;
13. bepaalt dat [verzoeker] zich zal onthouden van het doen van uitlatingen inhoudende dat [verweerder] zich schuldig heeft gemaakt aan fraude, onrechtmatigheden dan wel anderszins verwijtbaar handelen zolang dat niet in een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk oordeel in rechte is vastgesteld, op straffe van een dwangsom;14. [verzoeker] veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over alle genoemde bedragen;
15. [verzoeker] veroordeelt in de proceskosten, waaronder de nakosten, met rente.
4.2.
Aan zijn verzoeken heeft [verweerder] het volgende ten grondslag gelegd.
4.2.1.
Er is geen voldragen/redelijke grond voor ontslag. Zoals hiervoor onder 3.3.1 weergegeven is van verwijtbaar handelen geen sprake. De arbeidsverhouding is wel ernstig en duurzaam verstoord, maar omdat [verzoeker] geen enkele poging heeft ondernomen om de arbeidsovereenkomst te herstellen, kan niet worden gesproken van een voldragen ontslaggrond. Integendeel, de verstoring is doelbewust gecreëerd en verergerd door het handelen van [verzoeker] . Vanaf het moment van de schorsing is de manier waarop met [verweerder] is omgegaan hoogst onzorgvuldig. Zo werd bij het besluit tot schorsing al niet de oproepingstermijn van acht dagen in acht genomen, de schorsing heeft bijna tien maanden geduurd en elementaire uitgangspunten van zorgvuldig onderzoek zijn, zoals blijkt uit het visiedocument van [naam 4] , flagrant geschonden. Personen binnen [verzoeker] , haar advocaten en de RvC hebben zich vergaand bemoeid met het onderzoeksproces. Het heeft er alle schijn van dat het [verzoeker] erom te doen was de uitkomsten te verkrijgen die zij voor ogen had. Zij heeft niets willen doen met de reacties en verweren van [verweerder] en de onderzoeken zijn overduidelijk sturend naar de gewenste eindconclusie, waarbij de [bedrijf 1] een groot financieel belang heeft gelet op het financiële onderscheid bij zijn vertrek als ‘good leaver’ dan wel als ‘bad leaver’. De conclusies van zowel het onderzoek van [bedrijf 5] als van [naam 3] vinden bovendien geen grond in het ter zake aan te leggen normenkader.
4.2.2.
[verzoeker] heeft doelbewust aangestuurd op verstoring van de arbeidsverhouding en geen enkele poging gedaan de verstoorde arbeidsverhouding te herstellen en geen enkele opvolging gegeven aan de adviezen van de bedrijfsarts, die mediation adviseerde. Door het gevolgde proces heeft [verzoeker] feitelijk de terugkeer van [verweerder] onmogelijk gemaakt. [verzoeker] heeft ook niet onderzocht of [verweerder] als dermatoloog te herplaatsen is binnen haar organisatie, zodat ook om die reden niet kan worden gesproken van een voldragen ontslaggrond.
4.2.3.
[verweerder] ziet in dat de arbeidsverhouding niet meer kan worden hersteld en terugkeer bij [verzoeker] geen realistische mogelijkheid meer is. Hij verzet zich dan ook niet tegen de door [verzoeker] verzochte ontbinding, maar omdat [verzoeker] van de ontstane situatie een ernstig verwijt kan worden gemaakt verzoekt hij om een billijke vergoeding van € 200.000,- op grond van artikel 7:671b lid 9 sub c BW. [verweerder] moet worden gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] , waarbij die vergoeding ook een zekere afschrikwekkende werking moet hebben. Het verwijtbaar handelen weggedacht zouden de vaststellingsovereenkomsten die in maart 2025 ter ondertekening klaarlagen tot stand zijn gekomen. De schade die hij potentieel loopt, bedraagt potentieel miljoenen euro’s. Omdat die schade niet is te begroten verzoekt hij bij wijze van billijke vergoeding om een jaarsalaris. Dit bedrag is aangewezen in het licht van de aan te leggen norm en de gegeven omstandigheden, zoals onder meer het feit dat hij al enige tijd arbeidsongeschikt is, nog moet herstellen en tijd nodig zal hebben om een baan te vinden op een vergelijkbaar inkomensniveau.
4.2.4.
Mocht [verzoeker] het verzoek intrekken, verzoekt [verweerder] zelf om ontbinding. Vanwege het verwijtbare handelen van [verzoeker] moet met de volledige opzegtermijn van twaalf maanden rekening worden gehouden, zonder aftrek van de proceduretijd.
4.2.5.
[verweerder] verzoekt daarnaast de rechtbank [verzoeker] te bevelen het volledige rapport van [bedrijf 5] over te leggen, inclusief alle bijlagen, en hem daarop te laten reageren, voordat de rechtbank verdere beslissingen neemt. [verweerder] heeft namelijk alleen over versies van het rapport kunnen beschikken die grotendeels zwartgelakt waren en waarvan de bijlagen ontbreken, zodat hij zich niet naar behoren tegen het rapport heeft kunnen verdedigen. Zo is voor [verweerder] niet te verifiëren wat [bedrijf 5] in het rapport heeft opgenomen en of dat een volledig beeld geeft van de betreffende bijlagen.
4.2.6.
Verder verzoekt [verweerder] om [verzoeker] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding en tot betaling van het salaris, vakantiegeld en een vergoeding voor het saldo niet-genoten vakantiedagen wat hem uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en/of de beëindiging daarvan toekomt, en tot verstrekking van een specificatie daarvan. Omdat [verzoeker] haar verplichtingen als goed werkgever heeft geschonden, verzoekt [verweerder] dat de rechtbank bepaalt dat [verzoeker] aan [verweerder] de werkelijk gemaakte kosten voor juridische bijstand vergoedt evenals de kosten van de adviezen van AKD, van Van Doorne en van [naam 4] die nodig waren in het kader van zijn verweer. Verder verzoekt [verweerder] om immateriële schadevergoeding vanwege reputatieschade en om een verklaring voor recht omtrent de communicatie over zijn handelen. Ten slotte verzoekt hij om voor recht te verklaren dat aan het concurrentie- en relatiebeding geen rechten meer kunnen worden ontleend, dan wel dat de werking daarvan wordt beperkt. Dit vanwege de onredelijk lange duur van de bedingen (18 maanden), het feit dat hij al geschorst is sinds 22 april 2025 en dus al lang uit het arbeidsproces is, en omdat hij voor zijn registratie als dermatoloog een minimum aantal uren per jaar moet werken.
4.3.
[verzoeker] voert verweer tegen de verzoeken van [verweerder] . Voor toekenning van een billijke vergoeding is vereist dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . Daarvan is geen sprake. [verzoeker] kon gegeven de signalen niet anders handelen dan zij heeft gedaan. Integendeel, van [verzoeker] mocht verwacht worden dat zij ingreep, overging tot schorsing en onderzoek liet doen. Ook de omvang van de verzochte vergoeding is veel te hoog. Voor de verzochte immateriële schadevergoeding bestaat geen basis, omdat er geen aantasting in persoon is en ook geen verwijtbaar handelen van [verzoeker] . Er is ook geen basis voor de gevorderde werkelijke proceskosten.
5De beoordeling
Inleiding en kernbeslissingen
5.1.
In deze zaak verzoekt [verzoeker] om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] . De primaire grondslag is verwijtbaar handelen. Volgens [verzoeker] heeft [verweerder] verwijtbaar gehandeld bij (het aanpassen van) de registratie van zorgactiviteiten. [verzoeker] baseert zich op de rapporten van [naam 3] en [bedrijf 5] en stelt dat daaruit volgt dat er onder leiding van [verweerder] sprake was van structureel patroon van onjuiste (wijzigingen in) registraties, leidend tot hogere declaraties richting zorgverzekeraars. Volgens [verweerder] heeft juist [verzoeker] ernstig verwijtbaar gehandeld, omdat van meet af aan onzorgvuldig en met vooringenomenheid besluiten jegens hem zijn genomen, en onderzoek naar hem is gedaan. Er is toegewerkt naar een conclusie waarbij [verzoeker] belang had, zonder dat er oog was voor het feit dat bij de registratie van zorgactiviteiten interpretatieverschillen mogelijk zijn en voor het feit dat [verweerder] altijd oprecht en transparant heeft gehandeld. [verweerder] baseert zich op de rapporten van AKD en Van Doorne en op het visiedocument van [naam 4] .
5.2.
De rechtbank komt tot de conclusie dat zij op basis van de overgelegde stukken niet kan vaststellen dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld. Van een voldragen e-grond is dus geen sprake. De rechtbank ziet wel voldoende reden om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond). Maar anders dan [verweerder] betoogt, kan niet worden gezegd dat [verzoeker] van die verstoring een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Er zal daarom geen billijke vergoeding worden toegekend.
5.3.
Hierna worden deze beslissingen nader toegelicht en wordt een oordeel gegeven over de andere verzoeken. Eerst wordt nog ingegaan op de bevoegdheid van de rechtbank en het toepasselijke recht.
Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.4.
[verzoeker] is statutair gevestigd te [vestigingsplaats 2] . [verweerder] woont in Portugal. Het geschil ziet op een arbeidsverhouding, waarop Brussel I-bis van toepassing is. [verweerder] is verschenen en heeft daarbij ook tegenverzoeken ingesteld, zodat de rechtbank bevoegd is. In artikel 19.1 van de arbeidsovereenkomst is Nederlands recht van toepassing verklaard, zodat het geschil naar Nederlands recht zal worden beoordeeld.
Geen bevel tot afgifte volledig rapport [bedrijf 5]
5.5.
[verweerder] heeft de rechtbank verzocht [verzoeker] te bevelen het volledige eindrapport van [bedrijf 5] , zonder weglakkingen en inclusief alle, complete en door de betreffende personen voor akkoord ondertekende verklaringen en alle overige in het rapport genoemde bijlagen aan [verweerder] te verstrekken, onder gelijktijdige kopie daarvan aan de rechtbank. Verder heeft hij verzocht om daarop te mogen reageren alvorens wordt beslist op de overige door partijen in deze procedure ingestelde verzoeken.
5.6.
Deze verzoeken zullen worden afgewezen, omdat de rechtbank het rapport van [bedrijf 5] buiten beschouwing zal laten. [verweerder] heeft daarom onvoldoende belang bij toewijzing van deze verzoeken. Ter zitting heeft de raadsvrouw van [verweerder] desgevraagd ook verklaard dat de inzage kon worden overgeslagen als de rechtbank het rapport niet in de beoordeling zou betrekken. De reden dat de rechtbank het rapport niet bij haar beoordeling zal betrekken is dat het rapport niet voldoet aan de eisen waaraan een rapport als dit moet voldoen. Daarbij is van belang dat het hier gaat om een persoonsgericht onderzoek tegen [verweerder] , met een zware verdenking, te weten van fraude. Dat een dergelijk onderzoek zorgvuldig en met inachtneming van de vereiste procedurele waarborgen moet worden verricht spreekt voor zich.
5.7.
Zoals hiervoor al is verwoord, draait het deze zaak in de kern om de vraag of [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld bij de registratie van zorgactiviteiten. [bedrijf 5] heeft echter geen expertise op dit gebied en is ook niet medisch onderlegd. [bedrijf 5] heeft ook niet zelf enig digitaal dataonderzoek gedaan. Hoffman kan dus niet beoordelen of er al dan niet onjuiste registraties waren en ook niet of er (al dan niet ten onrechte) wijzigingen daarin hebben plaatsgevonden. Tegelijkertijd neemt [bedrijf 5] bij haar onderzoek het onderzoek van [naam 3] , waarin al vergaande conclusies over de handelwijze van [verweerder] zijn getrokken, tot uitgangspunt. Het enige dat [bedrijf 5] heeft gedaan is interviews houden, maar gelet op het voorgaande heeft [bedrijf 5] die interviews zelf niet op hun merites kunnen beoordelen. Bovendien valt uit het rapport niet op te maken hoe de (beperkte) selectie van medewerkers tot stand is gekomen en waarom welke vragen zijn gesteld. Uit een door [verweerder] overgelegde instructie aan [bedrijf 5] blijkt dat [naam 1] stuurde op wie er werd geïnterviewd. Niet is gebleken dat [bedrijf 5] zelfstandig een selectie van te interviewen personen heeft gemaakt. Dit roept de vraag op of mogelijk ontlastende visies van andere betrokkenen bewust niet zijn gehoord. Verder geldt dat van de personen die wel zijn gehoord, niet de volledige verklaringen zijn overgelegd en citaten dus niet op hun context kunnen worden getoetst. Ook heeft [verweerder] onweersproken aangevoerd dat een van de geïnterviewde personen, [naam 2] , haar verklaring niet heeft willen ondertekenen omdat zij vond dat de verklaring niet strookte met wat er besproken was.
5.8.
Het belangrijkste bezwaar tegen het rapport van [bedrijf 5] is dat niet op deugdelijke wijze hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. [verweerder] heeft in het kader van wederhoor alleen kunnen beschikken over het tussenrapport van 18 augustus 2025 (zonder bijlagen), dat bijna geheel was zwartgelakt, en over het eindrapport van 24 november 2025 (zonder bijlagen), dat ook grotendeels was zwartgelakt. Het eindrapport (waarin alleen nog namen zijn weggelakt) bevat daardoor citaten en verklaringen die niet eerder aan [verweerder] zijn voorgelegd, zodat hij daar niet op heeft kunnen reageren. Dit alleen al maakt dat aan het rapport van [bedrijf 5] geen waarde kan worden toegekend. Anders dan [verzoeker] betoogt, is het alsnog bij het verzoekschrift overleggen van een meer ongecensureerde versie van het rapport niet voldoende om dit verzuim te herstellen, temeer omdat – zoals hiervoor al genoemd – (nog steeds) de bijlagen bij het rapport ontbreken en verklaringen niet in hun geheel en citaten niet op hun context kunnen worden getoetst. Verder blijkt dat, voor zover [verweerder] wel een zienswijze heeft gegeven, daar niet kenbaar iets mee is gedaan. De zienswijze van [verweerder] op het voorlopige rapport van 24 november 2025 wordt niet in het eindrapport genoemd en is ook niet aan het eindrapport gehecht, terwijl dit wel van een deugdelijk rapport mag worden verwacht.
5.9.
Gelet op al het voorgaande kan het rapport van [bedrijf 5] geen rol spelen bij de vraag of er al dan niet sprake is geweest van onjuiste (wijzigingen van) registraties door [verweerder] . De conclusie is dus dat het rapport van [bedrijf 5] buiten beschouwing zal blijven en het verzoek van [verweerder] om dit rapport integraal te laten overleggen en daarop te mogen reageren, wegens gebrek aan belang zal worden afgewezen.
Ziekte staat niet aan het verzoek tot ontbinding in de weg
5.10.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een opzegverbod, omdat [verweerder] ongeschikt is tot het verrichten van arbeid wegens ziekte. Dit opzegverbod staat echter niet in de weg aan ontbinding, omdat het verzoek van [verzoeker] geen verband houdt met de ziekte van [verweerder] . De rechtbank zal daarom beoordelen of aan de voorwaarden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst is voldaan.
Geen verwijtbaar handelen werknemer (e-grond niet voldragen)
5.11.
[verzoeker] verzoekt primair om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden wegens verwijtbaar handelen. Zij verwijt [verweerder] dat hij als CEO en statutair bestuurder een centrale en sturende rol heeft vervuld binnen een structurele onrechtmatige registratie- en declaratiepraktijk en in dat kader onder meer:
a) een werkwijze heeft gehandhaafd waarbij gedurende meerdere jaren structureel zorgactiviteiten in strijd met de geldende regelgeving werden geregistreerd, hetgeen heeft geleid tot te hoge declaraties bij zorgverzekeraars, ondanks eerdere meldingen van artsen dat er binnen [bedrijf 2] een onjuiste registratie- en declaratiepraktijk werd gevoerd;
b) zelf achteraf DBC-registraties heeft gewijzigd zonder instemming van de behandelende artsen, terwijl uit het onderzoek van [naam 3] volgt dat 64% van de door hem geregistreerde zorgactiviteiten onjuist of onrechtmatig was;
c) heeft nagelaten een deugdelijke functiescheiding en interne controle in te richten, terwijl hij zelf betrokken was bij de zorgadministratie, zodat effectieve interne controle ontbrak;
d) een werkwijze heeft laten bestaan waarbij zorgactiviteiten werden doorgeschoven naar een volgend kalenderjaar wanneer omzetplafonds waren bereikt, met negatieve financiële gevolgen voor zorgverzekeraars en patiënten.
5.12.
Als ceo en statutair bestuurder droeg [verweerder] de eindverantwoordelijkheid. De omvang en duur van de afwijkingen sluiten volgens [verzoeker] uit dat er sprake kan zijn van administratieve fouten of interpretatieverschillen; zij wijzen op structureel falend bestuur en taakvervulling. De ernst van het handelen wordt volgens [verzoeker] in beslissende mate vergroot doordat uit het onderzoek blijkt dat [verweerder] zelf actief betrokken was bij het aanpassen van de DBC-declaraties op een wijze waarop de declaratiewaarde werd verhoogd, dat is vastgesteld dat dit gebeurde zonder toestemming van de behandelend artsen, terwijl artsen al in 2022 hadden gewaarschuwd dat deze werkwijze niet aanvaardbaar was.
5.13.
De verwijten van [verzoeker] zijn in belangrijke mate gebaseerd op de onderzoeksbevindingen van [naam 3] en [bedrijf 5] . Wat betreft het rapport van [bedrijf 5] is hiervoor onder 5.9 overwogen dat de rechtbank het onderzoeksrapport niet bij de beoordeling zal betrekken. Dit rapport kan dus geen grondslag vormen voor het gestelde verwijtbaar handelen van [verweerder] .
5.14.
[verweerder] heeft ook procedurele en inhoudelijke bezwaren opgeworpen tegen het onderzoeksproces en het onderzoeksrapport van [naam 3] . Eerst wordt ingegaan op de procedurele bezwaren. De rechtbank heeft er oog voor dat er bij het onderzoek van [naam 3] procedurele kanttekeningen zijn te zetten, zoals ook verwoord door [naam 4] . Zo heeft [verweerder] erop gewezen dat [naam 3] deel is gaan uitmaken van de zorgadministratie van [verzoeker] , zodat vraagtekens kunnen worden gezet bij haar onafhankelijkheid. Ook het feit dat de advocaten van [verzoeker] sturing gaven aan de wijze waarop hoor- en wederhoor plaatsvond (zij bepaalden onder meer de reactietermijn en dat geen advocaat aanwezig mocht zijn bij een gesprek met [naam 3] ) en met name het feit dat het gesprek met de RvC plaatsvond tijdens het onderzoek van [naam 3] en daarvan formeel onderdeel uitmaakte wijst op mogelijke beïnvloeding van het onderzoek. Verder is bijvoorbeeld ook niet weersproken dat aan [verweerder] niet vooraf het toetsingskader is medegedeeld en dat aanvankelijk een onderzoeksprotocol ontbrak.
5.15.
De rechtbank acht de door [verweerder] / [naam 4] genoemde procedurele bezwaren echter niet van een zodanige aard dat die er al toe zouden moeten leiden dat ook het rapport van [naam 3] als geheel ondeugdelijk zou moeten worden gekwalificeerd. Anders dan [bedrijf 5] , heeft [naam 3] zelf onderzoek gedaan naar de feitelijke registratie van zorgactiviteiten in 763 dossiers. Daarbij is toegelicht welke bevindingen zijn gedaan en waarom bepaalde registraties volgens [naam 3] onjuist of onrechtmatig zijn bevonden. [naam 3] heeft haar voorlopige bevindingen met [verweerder] gedeeld, waarna [verweerder] meerdere malen is gehoord en hij zijn voorlopige en definitieve zienswijze heeft kunnen geven. Hoewel de termijnen daarvoor soms kort waren, heeft dit er niet aan in de weg gestaan dat zijn schriftelijke zienswijzen zeer uitgebreid zijn geweest, hij daarin heeft kunnen ingaan op verschillende categorieën van de gestelde registratiefouten en hij die zienswijzen heeft kunnen voorzien van een juridische onderbouwing (het memo van AKD). Verder is van belang dat het visiedocument van [naam 4] is opgesteld op een moment waarop het onderzoek van [naam 3] nog niet was afgerond (het rapport van [naam 4] dateert van 15 oktober 2025, terwijl pas op 12 januari 2026 het definitieve rapport van [naam 3] opgeleverd). In het definitieve rapport is uitgebreid ingegaan op de zienswijze van [verweerder] . Daarbij is steeds toegelicht waarom de zienswijze van [verweerder] wel of niet is gevolgd.
5.16.
De procedurele bezwaren tegen het onderzoek zijn dus niet onoverkomelijk. Toch biedt het rapport van [naam 3] , mede gelet op de gemotiveerde inhoudelijk betwisting daarvan door [verweerder] , onvoldoende grondslag voor de conclusie dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld zoals door [verzoeker] gesteld. Dit wordt hierna verder toegelicht.
Het structureel onjuist registreren van zorgactiviteiten
5.17.
[naam 3] concludeert in haar rapport dat verschillende registraties van zorgactiviteiten niet terecht zijn, maar [verweerder] heeft dit gemotiveerd betwist met een beroep op de rapporten van AKD en Van Doorne. Volgens AKD en Van Doorne hanteert [naam 3] een onjuist toetsingskader bij de beoordeling van de vraag of de wijze van registratie van zorgactiviteiten juist is. Van Doorne heeft dit als volgt verwoord:
‘(..)
2.3
Een registratie van een (dermatologische) zorgactiviteit is alleen onjuist wanneer de feitelijk uitgevoerde zorg niet past in de omschrijving van de zorgactiviteit zoals opgenomen in de landelijke zorgactiviteitentabel (ZAT) dan wel anderszins niet voldoet aan de Regeling MSZ. Een onjuiste registratie levert vervolgens een niet rechtmatige declaratie op als op basis daarvan een tarief in rekening wordt gebracht dat in strijd is met artikel 35 Wmg.
2.4
Ten aanzien van de omschrijvingen in de ZAT heeft AKD terecht opgemerkt dat deze vaak ruim en niet eenduidig zijn geformuleerd, waardoor meerdere interpretaties mogelijk zijn. De omschrijvingen omvatten diverse begrippen die niet door de NZa zijn gedefinieerd. Dit wordt ook onderschreven door de beroepsgroep. De Federatie Medisch Specialisten (FMS) merkt hierover het volgende op:
“De Federatie Medisch Specialisten vindt de huidige registratiesystematiek en bijbehorende registratieregels zeer complex. De registratieregels kunnen ruimte geven voor verschillende interpretaties. Ook het wijzigen van de registratieregels kon leiden tot onduidelijkheid.”
“(..).”
2.5
Als gevolg van de interpretatieruimte kunnen verschillende interpretaties van de omschrijvingen in de ZAT binnen de regels vallen. Hierdoor ontstaat een zekere bandbreedte van rechtmatigheid: een registratie van een zorgactiviteit is pas onjuist als de feitelijk uitgevoerde zorg in het geheel niet past binnen de omschrijving van de zorgactiviteit.
2.6
Ook [naam rapport] erkent dat er in de regelgeving van de NZa en de omschrijvingen in de ZAT ruimte is voor interpretatie. [naam rapport] negeert die interpretatieruimte echter door één ̶ eigen ̶ interpretatie van de ZAT-omschrijvingen als norm te hanteren bij de beoordeling van de (on)juistheid van de registraties van zorgactiviteiten. [naam rapport] baseert de interpretatie op richtlijnen van de betrokken wetenschappelijke vereniging (de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie
(NVDV)), één andere dermatoloog of ‘persoonlijke communicatie’ met de NZa. De interpretatie die volgens [naam rapport] op basis van deze bronnen het meest juist is, wordt door [naam rapport] aangemerkt als de enige interpretatiewijze die gehanteerd had mogen worden. Op basis daarvan concludeert [naam rapport] dat een registratie die uitgaat van een andere interpretatie van de ZAT-omschrijvingen, onjuist en niet rechtmatig is.
2.7
Die conclusie kan niet standhouden. Daartoe bestaat immers geen rechtsgeldige grondslag: de registratie van een zorgactiviteit is alleen onjuist als de daadwerkelijk geleverde zorg op geen enkele interpretatiewijze past binnen de ZAT-omschrijving dan wel anderszins niet voldoet aan de regels die in de Regeling MSZ aan de zorgactiviteit zijn gesteld. Bij een deel van de categorieën toetst [naam rapport] wel aan dossier en verslaglegging. Bij de categorieën die de kern vormen van de
discussiepunten ̶ de interpretatie van de ZAT-omschrijvingen van specifieke dermatologische zorgactiviteiten ̶ leunt [naam rapport] echter zwaar op de interpretatie van NVDV, niet-verifieerbare correspondentie met de NZa en één andere dermatoloog. Zij maakt daarbij niet inzichtelijk hoe die duiding is terugvertaald naar de letterlijke ZAT-omschrijving en de feitelijke handeling zoals die in het dossier is vastgelegd. Daardoor is de stap van ‘andere interpretatie’ naar ‘onjuist en niet rechtmatig’ niet transparant en niet navolgbaar.
2.7.1
De NVDV-documenten waarop [naam rapport] steunt zijn opgesteld met het doel een uniforme wijze van registratie binnen de beroepsgroep te bevorderen. Het gaat om praktische richtlijnen die nodig zijn omdat er interpretatieruimte bestaat. De door de NVDV aanbevolen interpretatie sluit andere interpretaties binnen de reikwijdte van de ZAT-omschrijving niet uit. De NVDV-documenten hebben bovendien geen juridisch bindende status. Zij zijn niet vastgesteld door de NZa en vormen geen regelgeving in de zin van de Wmg. De juridische norm voor de beoordeling van de rechtmatigheid van registraties en declaraties blijft uitsluitend de NZa-regelgeving. [naam rapport] maakt dit onderscheid onvoldoende. Zij hanteert de NVDV-documenten ten onrechte als normatief sluitstuk: als grondslag voor de conclusie dat elke andere interpretatie dan die de NVDV aanbeveelt, per definitie onjuist en niet rechtmatig is.
2.7.2
Wat betreft de ‘persoonlijke communicatie’ met de NZa geldt dat [naam rapport] noch de exacte vraagstelling noch de volledige correspondentie in het rapport heeft opgenomen. Daardoor is niet controleerbaar welke feiten en aannames aan de NZa zijn voorgelegd en hoe de NZa het voorgelegde scenario heeft geduid. Een dergelijke niet-verifieerbare communicatie kan niet volstaan als juridische grondslag voor de kwalificatie van rechtmatigheid.
2.7.3
[naam rapport] hanteert daarnaast een methodologisch inconsistente bewijsmaatstaf ten aanzien van deskundigenoordelen. Enerzijds leunt [naam rapport] inhoudelijk zwaar op de second opinions van de door haarzelf ingeschakelde dermatologen en gebruikt zij het oordeel van één van hen (‘Dermatoloog BBC’) als dragend fundament voor haar conclusies over de (on)juistheid van registraties. Anderzijds schuift [naam rapport] de deskundigenoordelen waar [verweerder] in zijn schriftelijke zienswijze van 8 oktober 2025 naar heeft verwezen ̶ waaronder een van de door [naam rapport] zelf ingeschakelde dermatologen ̶ terzijde met de redenering dat ‘wanneer een dermatoloog gelooft dat bepaalde registratie juist of legitiem is, dit niet direct betekent dat de desbetreffende registratie conform wet- en regelgeving is’. Dat is op zichzelf genomen juist; het geldt echter in gelijke mate voor het oordeel van Dermatoloog BBC. [naam rapport] maakt niet inzichtelijk welke maatstaf zij hanteert om het ene deskundigenoordeel wél en het andere niet als objectieve toetsing aan wet- en regelgeving’ aan te merken. Bij gebreke van een dergelijk transparant en consistent criterium kan de deskundigenweging van [naam rapport] niet als betrouwbaar fundament voor de kwalificatie van rechtmatigheid dienen.
2.7.4
Hetzelfde patroon doet zich voor bij de beoordeling van de onafhankelijkheid van de door [naam rapport] betrokken dermatologen. [naam rapport] heeft in het kader van het onderzoek drie dermatologen als onafhankelijke deskundigen aangemerkt. Twee van de drie door [naam rapport] betrokken dermatologen zijn echter verbonden aan de opdrachtgever van het onderzoek en kunnen op voorhand daarom al niet als volledig onafhankelijk worden aangemerkt. Daarnaast is een van deze dermatologen ̶ die op sommige punten ook het standpunt van [verweerder] ondersteunde ̶ door [naam rapport] achteraf als onvoldoende onafhankelijk weggezet. De maatstaf van [naam rapport] ̶ voor zover die er überhaupt is ̶ lijkt aldus mee te bewegen met de (gewenste) uitkomst, in plaats van objectief te worden toegepast.
2.7.5
Eenzelfde gebrek aan transparantie kenmerkt de wijze waarop [naam rapport] de hiervoor beschreven bandbreedte van rechtmatigheid in de praktijk toepast. [naam rapport] hanteert in de registratiebeoordelingen weliswaar een ‘grijs gebied’-categorie en gaat daarbij bij twijfel uit van de juistheid van de registratie, maar maakt niet inzichtelijk op welke gronden bepaalde gevallen wél als ‘onjuist’ zijn gekwalificeerd en daarmee buiten die bandbreedte vallen. De onderbouwing van die kwalificatie ontbreekt in het rapport, waardoor de grens tussen ‘grijs gebied’ en ‘onjuist’ niet navolgbaar is.
2.8
Als gevolg van de hiervoor beschreven tekortkomingen kan de rechtmatigheidsanalyse van [naam rapport] op wezenlijke onderdelen niet worden gedragen door de gehanteerde methode en berust zij op een juridisch ontoereikende grondslag.’
5.18.
Verder stelt Van Doorne dat, als een interpretatie achteraf fout blijkt, daarmee nog niet gezegd is dat de interpretatie op voorhand onverdedigbaar was.
5.19.
[verzoeker] stelt hiertegenover dat de verwijtbaarheid van het handelen van [verweerder] er in de kern in is gelegen dat het niet gaat om een enkele onjuiste registratie waarover verschillend kan worden gedacht, maar in het feit dat er sprake was van een structureel patroon van afwijkende registraties die leidden tot hogere declaratiewaarden, waarvoor [verweerder] verantwoordelijk was. [verzoeker] wijst erop dat [naam 3] een afwijkingspercentage van 8,6 of 8,7% heeft vastgesteld, terwijl volgens [naam 3] binnen de sector een bandbreedte van ongeveer 1 tot 1,5% gebruikelijk is. Volgens [verzoeker] sluiten de omvang en de duur van de afwijkingen uit dat sprake kan zijn van administratieve fouten of interpretatieverschillen en wijzen deze op structureel falend bestuur en of taakvervulling.
5.20.
Dit standpunt wordt niet gevolgd. Deze argumentatie doet immers niet af aan de kritiek van [verweerder] /AKD/Van Doorne op het gehanteerde toetsingskader, te weten dat [naam 3] één bepaalde interpretatie als de juiste heeft geïnterpreteerd zoals die van de NVDV, terwijl die interpretatie niet maatgevend is.
5.21.
Dit blijkt ook uit het feit dat de drie door [naam 3] in het kader van een second opinion geraadpleegde gynaecologen niet altijd hetzelfde opvatting over de (on)juistheid van een registratie hadden.
5.22.
Ook als er – op basis van de enge interpretatie van [naam 3] – meer afwijkingen zijn geconstateerd dan volgens [naam 3] binnen de sector gebruikelijk is, kan daaruit niet de conclusie worden getrokken dat er sprake is geweest van verwijtbaar handelen. Immers, vanuit de gedachte dat de wijze van registratie wèl correct was, is het logisch dat dit steeds op dezelfde manier gebeurde bij gelijksoortige zorgactiviteiten. Verder volgt uit het rapport van [naam 3] dat er zowel registraties met een positieve als met een negatieve financiële impact waren en de gestelde onjuiste registraties dus niet alleen maar tot een hogere declaratiewaarde leiden.
5.23.
[verzoeker] heeft verder nog aangevoerd dat er al in maart 2022 door een aantal dermatologen vragen zijn gesteld bij de wijze van registratie binnen [bedrijf 2] . [verweerder] heeft daar echter tegen ingebracht dat hij hierover daarna een powerpointpresentatie heeft gegeven om de gehanteerde werkwijze toe te lichten, waarna dit door die dermatologen is begrepen en geaccepteerd. Verder heeft hij verklaard dat het declaratieproces het binnen de organisatie altijd een gezamenlijke verantwoordelijkheid is geweest van de zorgverleners die aan de bron registreerden en van de zorgadministratie, die daarna nog een inhoudelijke controle deed of juist en volledig was geregistreerd en dat dit ook bekend was binnen de organisatie. Dit strookt met de e-mail die [verweerder] in januari 2025 heeft gestuurd aan de dermatoloog die stelde het niet met alle registraties eens te zijn.
5.24.
[verweerder] maakte ook deel uit van de zorgadministratie, zodat het logisch is dat een groter deel van de gestelde onjuiste registraties op zijn naam staat. Van belang is dat [verweerder] erop heeft gewezen, zoals ook door [naam 3] is onderkend, dat in het registratiesysteem geen logging was van wijzigingen zodat niet is vast te stellen dat hij achteraf registraties heeft gewijzigd, maar alleen dat hij registraties heeft opgevoerd, wat strookt met de controle op de volledigheid van dossiers.
5.25.
De conclusie is dat in het licht van de gemotiveerde betwisting van [verweerder] onvoldoende is komen vast te staan dat er door toedoen van [verweerder] sprake was van een structurele onjuiste registratie- en declaratiepraktijk.
Ontbreken van functiescheiding is niet verwijtbaar
5.26.
[verzoeker] verwijt [verweerder] verder dat hij heeft nagelaten te zorgen voor een functiescheiding en interne controle binnen [bedrijf 2] , en zelf als bestuurder en indirect financieel belanghebbende bij de zorgadministratie betrokken was, waardoor effectieve interne controle ontbrak.
5.27.
Ook dit vormt geen reden voor ontslag op grond van artikel 7:669 lid 3 onder e BW. Niet betwist is namelijk dat de wijze waarop de taken en rollen binnen [bedrijf 2] waren belegd, inclusief de rol van [verweerder] bij de zorgadministratie, al bij de overname bij alle stakeholders van de [bedrijf 1] bekend waren en zij daar nooit enig bezwaar tegen hebben geuit. Integendeel, contractueel was juist vastgelegd dat in de zorgadministratie geen wijzigingen mochten worden doorgevoerd. Dit kan [verweerder] dus niet worden verweten.
Het beweerdelijk doorschuiven van zorgactiviteiten in verband met omzetplafonds is niet vast te stellen
5.28.
[verzoeker] heeft ten slotte gesteld dat [verweerder] ook verwijtbaar heeft gehandeld, omdat hij een werkwijze heeft laten bestaan, waarbij zorgactiviteiten werden doorgeschoven naar een volgend kalenderjaar wanneer omzetplafonds waren bereikt, met financiële gevolgen voor zorgverzekeraars en patiënten.
5.29.
Dit verwijt is alleen gebaseerd op het onderzoek van [bedrijf 5] . Dit volgt niet uit het rapport van [naam 3] . Omdat het rapport van [bedrijf 5] buiten beschouwing blijft, kan niet worden vastgesteld dat [verweerder] in dit verband een verwijt valt te maken.
Conclusie geen voldragen e-grond
5.30.
De conclusie is dat op basis van het dossier niet is vast te stellen dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld. Er is dus geen voldragen e-grond die tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan leiden.
Ontbinding wegens verstoorde arbeidsverhouding (g-grond)
5.31.
Subsidiair verzoekt [verzoeker] om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden wegens een verstoorde arbeidsverhouding, de g-grond van artikel 7:669 lid 3. Tussen partijen is sprake van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, waardoor van [verzoeker] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De verhouding tussen [verweerder] en [verzoeker] is in de kern gebaseerd op vertrouwen in zijn functioneren als ceo en als statutair bestuurder. Dit vertrouwen is weggevallen en daarmee ook de noodzakelijke basis voor samenwerking.
5.32.
[verweerder] onderschrijft dat er sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Wel vindt [verweerder] dat [verzoeker] onvoldoende heeft gedaan om de arbeidsovereenkomst te herstellen, bijvoorbeeld door mediation. Volgens [verweerder] is er dan ook geen sprake van een voldragen g-grond. De verstoring van de arbeidsrelatie moet volgens hem worden geacht doelbewust door [verzoeker] te zijn veroorzaakt. [verweerder] verzet zich niet tegen het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar verzoekt om toekenning van een billijke vergoeding ten laste van [verzoeker] .
5.33.
De rechtbank zal het verzoek toewijzen op de g-grond, omdat beide partijen het erover eens zijn dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam is verstoord en herplaatsing van [verweerder] binnen de organisatie niet in de rede ligt. Niet alleen zien beide partijen niet in hoe dat zou kunnen werken binnen de organisatie, ook eerder al waren partijen overeengekomen dat [verweerder] – zoals hij onweersproken stelt vanwege cultuurverschillen – de organisatie zou verlaten en waren er in dat verband reeds concept beëindigingsovereenkomsten voorbereid.
5.34.
De conclusie is de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Op de opzegtermijn en de datum van ontbinding wordt hierna onder 5.38 ingegaan.
Geen billijke vergoeding voor [verweerder]
5.35.
De door [verweerder] gevorderde billijke vergoeding wordt afgewezen. Een billijke vergoeding kan slechts worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is geweest van ‘ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever’. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen van een werkgever kan worden aangenomen wanneer de werkgever een verstoring in de arbeidsrelatie heeft uitgelokt of laakbaar heeft gehandeld met als gevolg een verstoorde arbeidsverhouding.
5.36.
Allereerst is van belang dat partijen al van plan waren om hun relatie te beëindigen vanwege cultuurverschillen. In dat kader lagen in maart 2025 al verschillende beëindigingsovereenkomsten gereed. Er zijn geen aanwijzingen dat die overeenkomsten niet zouden zijn getekend zonder de meldingen van eind 2024/begin 2025 en het naar aanleiding daarvan verrichte onderzoek naar de registratie van zorgactiviteiten. De aanleiding voor het onderzoek was niet het vinden van een manier om ‘goedkoper’ van [verweerder] af te komen, maar de meldingen over de mogelijk onjuiste registratie van zorgactiviteiten. Het is begrijpelijk dat [verzoeker] die meldingen serieus heeft genomen. Als er inderdaad van onrechtmatige registraties sprake zou zijn, zou dat immers grote financiële gevolgen voor haar kunnen hebben. Terecht stelt [verzoeker] dat zij eenvoudigweg verplicht was om te onderzoeken of die meldingen een feitelijke grondslag hadden.
5.37.
Het feit dat [verweerder] tijdens de onderzoeksperiode is geschorst is gelet op de meldingen en de eerste bevindingen van [naam 3] eveneens begrijpelijk. Dat het onderzoek langer heeft geduurd dan aanvankelijk verwacht, is vanzelfsprekend als zwaar ervaren door [verweerder] , maar valt [verzoeker] evenmin aan te rekenen. Ook [verweerder] heeft daarin een rol gespeeld. Hoewel het onderzoek van [bedrijf 5] als ondeugdelijk is beoordeeld en ook bij het onderzoek van [naam 3] procedurele kanttekeningen zijn te plaatsen, kan niet worden gezegd dat het gehele onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat [verzoeker] doelbewust de arbeidsverstoring heeft veroorzaakt. Er was zoals gezegd een goede reden om onderzoek te doen naar de wijze van registreren en declareren van zorgactiviteiten. Ook als [naam 3] , die met haar huidige werkzaamheden nauw verbonden is met [verzoeker] , mogelijk niet geheel onafhankelijk was, zoals [verweerder] heeft aangevoerd, doet dit er niet aan af dat zij afwijkende registraties heeft vastgesteld. Dat die er waren, is ook niet betwist. Weliswaar is hiervoor overwogen dat niet is vast te stellen dat [verweerder] op onrechtmatige wijze DBC-registraties heeft aangepast/aangevuld, maar het is niet vreemd dat de geconstateerde afwijkingen vragen opriepen en tot een vertrouwensbreuk hebben geleid. Dat kan [verzoeker] niet worden verweten, temeer omdat de discussie over de wijze van registraties juist vanuit een arts is gekomen en daarover vervolgens onrust is ontstaan bij het personeel.
Opzegtermijn
5.38.
De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden per 1 april 2027. De rechtbank houdt rekening met de overeengekomen opzegtermijn van twaalf maanden, omdat niet is komen vast te staan dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld. De proceduretijd komt wèl op de opzegtermijn in mindering, omdat hiervoor is overwogen dat ook niet kan worden gezegd dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] .
Voorwaarde voor voorwaardelijk ontbindingsverzoek niet vervuld
5.39.
De voorwaarde waaronder het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van [verweerder] is ingesteld is niet vervuld. Dit verzoek hoeft dus niet meer beoordeeld te worden.
Transitievergoeding
5.40.
Zoals hiervoor is overwogen, wordt de arbeidsovereenkomst niet ontbonden wegens verwijtbaar handelen van [verweerder] , maar wegens een verstoorde arbeidsverhouding. De door [verweerder] verzochte transitievergoeding wordt daarom toegewezen. Omdat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op de g-grond, wordt niet toegekomen aan het verzoek om bij ontbinding op de i-grond een aanvullende vergoeding toe te kennen op basis van artikel 7:671b lid 8 BW. De transitievergoeding wordt – uitgaande van de hiervoor vastgestelde einddatum van het dienstverband – vastgesteld op € 22.222,23 bruto, te betalen binnen twee weken na het einde van de arbeidsovereenkomst.
Salaris, vakantiegeld en saldo niet-genoten vakantiedagen (financiële afwikkeling arbeidsovereenkomst)
5.41.
[verzoeker] zal ook, zoals door [verweerder] is verzocht, worden veroordeeld om aan [verweerder] binnen een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst te betalen wat hem uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en/of de beëindiging daarvan toekomt aan salaris en vakantiegeld en het per einde dienstverband openstaande saldo aan niet genoten vakantiedagen. [verzoeker] heeft deze vordering ook niet betwist. Hetzelfde geldt voor het verzoek van [verweerder] om hem binnen een maand een correcte specificatie hiervan te verstrekken. Dat verzoek zal eveneens worden toegewezen.
Geen vergoeding werkelijk gemaakte kosten juridische bijstand
5.42.
Het verzoek van [verweerder] om te bepalen dat [verzoeker] de werkelijke proceskosten aan hem vergoedt, wordt afgewezen. Een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten is volgens vaste jurisprudentie alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake in geval van een evident ongegronde vordering of verweer, zoals wanneer de vordering of het verweer wordt gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan een procespartij de onjuistheid kende of had behoren te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Deze lat wordt niet gehaald.
5.43.
Het beroep op artikel 7:611 BW in samenhang met artikel 6:96 BW gaat ook niet op. Uit het arrest New Hairstyle kan worden afgeleid dat kosten van andere, eerdere procedures daaronder zouden kunnen vallen. Dit ziet dus niet op de kosten van deze procedure of op de kosten die daaraan voorafgaand met het oog daarop zijn gemaakt. Daarnaast valt, gelet op het feit dat hiervoor is overwogen dat [verzoeker] niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, ook overigens niet in te zien dat er sprake is van een tekortkoming op grond van artikel 7:611 BW die in samenhang met artikel 6:96 BW tot vergoeding van werkelijke gemaakte kosten voor juridische bijstand zou moeten leiden.
Geen vergoeding overige kosten
5.44.
Dit laatste geldt ook voor de door [verweerder] gevorderde kosten die hij heeft gemaakt voor de adviezen van [naam 4] (€ 4.275,- vrijgesteld van btw), van AKD (€ 33.244,16 inclusief btw) en van Van Doorne (€ 67.029,17 inclusief btw). Ook die vordering wordt dus afgewezen. Het staat [verweerder] vrij verweer te voeren en zich daarbij van advies te voorzien, maar er is geen reden om die kosten door [verzoeker] te laten dragen.
Geen immateriële schadevergoeding
5.45.
De vordering tot vergoeding van immateriële schade wegens reputatieschade treft hetzelfde lot. Omdat niet kan worden gezegd dat [verzoeker] een verwijt valt te maken, is zij ook niet gehouden tot vergoeding van de gestelde immateriële schade.
Geen belang bij bevel over uitlatingen door [verzoeker]
5.46.
[verzoeker] heeft verder verzocht dat de rechtbank zal bepalen dat [verzoeker] zich zal onthouden van het doen van uitlatingen inhoudende dat [verweerder] zich schuldig heeft gemaakt aan fraude, onrechtmatigheden dan wel anderszins verwijtbaar handelen, zolang dat niet in een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk oordeel in rechte is vastgesteld. De rechtbank gaat ervan uit dat dit niet nodig is gelet op de uitkomst van deze procedure. Daarnaast is het verzoek te onbepaald geformuleerd en is het belang onvoldoende concreet onderbouwd. Het feit dat in interne communicatie is gesproken over de ‘geschorste bestuurder’ is daartoe onvoldoende.
Het concurrentie- en relatiebeding worden geheel vernietigd
5.47.
In de arbeidsovereenkomst met [verweerder] is een concurrentie- en een relatiebeding opgenomen, waaraan [verweerder] is gebonden gedurende achttien maanden na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dit zijn allebei bedingen als bedoeld in artikel 7:653 BW. Dat is niet in geschil. [verweerder] heeft verzocht om voor recht te verklaren dat [verzoeker] aan het concurrentie- en relatiebeding geen rechten meer kan ontlenen omdat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld (artikel 7:653 lid 4 BW), dan wel deze bedingen geheel of gedeeltelijk te vernietigen omdat [verweerder] door deze bedingen in verhouding tot het te beschermen belang van [verzoeker] onbillijk wordt benadeeld (artikel 7:653 lid 3 sub b BW)
5.48.
Het eindigen van de arbeidsovereenkomst is niet het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] . Daarom wordt de gevraagde verklaring voor recht afgewezen.
De rechtbank zal wel overgaan tot vernietiging van zowel het concurrentiebeding als van het relatiebeding. De belangen die [verzoeker] met beide bedingen beoogde te beschermen wegen niet meer op tegen de belangen van [verweerder] om niet te worden gehinderd in zijn arbeidsmogelijkheden. Daarbij is van belang dat hij al sinds 22 april 2025 is geschorst en de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden per 1 april 2027. Op dat moment is hij dus al bijna twee jaar weg uit de organisatie. Verder is van belang dat [verweerder] erop heeft gewezen dat hij op grond van de voor hem geldende BIG-regels jaarlijks een minimaal aantal uren als dermatoloog moet werken om zijn registratie te kunnen behouden. [verzoeker] heeft onvoldoende toegelicht welk belang bij handhaving van genoemde bedingen zij daartegenover heeft.
Wettelijke rente
5.49.
De gevorderde wettelijke rente over de toegewezen bedragen wordt als hierna te melden toegewezen over de transitievergoeding.
Proceskosten
5.50.
De rechtbank ziet in de uitkomst van deze procedure, waarin beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6De beslissing
De rechtbank
in het ontbindingsverzoek van [verzoeker] en in de tegenverzoeken van [verweerder]
6.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 1 april 2027,
6.2.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling aan [verweerder] van een transitievergoeding van € 22.222,23 bruto, te betalen binnen veertien dagen na 1 april 2027, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 april 2027,
6.3.
veroordeelt [verzoeker] om aan [verweerder] binnen een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst te betalen wat hem uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en/of de beëindiging daarvan toekomt aan salaris en vakantiegeld en hem het per einde dienstverband openstaande saldo aan niet genoten vakantiedagen vergoedt, en hem daarvan een correcte specificatie te verstrekken, een en ander binnen een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst,
6.4.
vernietigt het concurrentiebeding en het relatiebeding, zoals overeengekomen in de artikelen 11 en 12 van de tussen [verweerder] en [verzoeker] overeengekomen arbeidsovereenkomst,
6.5.
verklaart de beslissingen onder 6.2, 6.3 en 6.4 uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt,
6.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.P. Pompe, bijgestaan door mr. K.E. Beerlage, en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.
Nederlandse Zorgautoriteit.
Zie 2.19.
Zie artikel 7:671b lid 9 sub 1 BW.
Verordening EU nr. 1215/2012.
Zie 2.17.
Zie artikel 7:671b lid 6 sub a BW.
Zie 2.14.
Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie.
Zie 2.7.
Zie 2.9.
Zie artikel 7:671b lid 9 sub c BW.
Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34
Zie 2.20.
Het salaris bedraagt € 16.666,67 bruto per maand inclusief vakantietoeslag, zie 2.4. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 april 2027. Er zijn dan vier dienstjaren tot 1 april 2027, zodat de transitievergoeding 4 x 1/3e x € 16.666,67 bruto bedraagt.
Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516.
Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187.