Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:9237
2026-08-26
Strafrecht
13/273067-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige en herhaaldelijke bedreigingen van zijn oom, moeder en zus. Aan verdachte is opgelegd een TBS-maatregel met voorwaarden (ongemaximeerd). Deze maatregel is dadelijk uitvoerbaar verklaard. Daarnaast oplegging GVM-maatregel.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2024:1729 Hoge Raad 26-11-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (40.702 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 13/273067-25
Parketnummers vorderingen tul: 13/046976-22 en 13/237079-19
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie personen:
[adres] ,
gedetineerd in [detentieadres] .
1Onderzoek op de zitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 12 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.R.F. Esbir Wildeman, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A. Catbas naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat verdachte en mr. T. de Wit, namens mr. L.M.A. Schwartz, over de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13/046976-22 naar voren hebben gebracht.
2Beschuldiging
Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij op 13 oktober 2025 (feit 1) en op 23 september 2025 (feit 2) in [plaats] zijn familieleden heeft bedreigd.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3Waardering van het bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat het tenlastegelegde kan worden bewezen.
3.2.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen verweer gevoerd tegen een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van zijn familieleden, te weten zijn oom, moeder en zus. De rechtbank baseert haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden in de hierna genoemde bewijsmiddelen. Omdat verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Partiële vrijspraak
Voor een veroordeling voor bedreiging is onder meer vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging. In dat kader merkt de rechtbank het volgende op.
Verdachte heeft één van de onder 1 tenlastegelegde bedreigingen, inhoudende “Als je wilt schiet ik ze door hun kop heen”, tegenover agenten in de bus naar het cellencomplex geuit. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat deze bedreiging de oom, moeder of zus van verdachte daadwerkelijk heeft bereikt, zodat verdachte hiervan wordt vrijgesproken.
Datzelfde geldt voor de onder 2 tenlastegelegde bedreigingen die zien op de moeder en oom van verdachte. Voor zover de rechtbank kan vaststellen zijn deze bedreigingen geuit tegen de zus van verdachte en waren de moeder en oom van verdachte hier niet bij aanwezig. De moeder en oom van verdachte hebben daarnaast geen aangifte gedaan van deze specifieke bedreigingen. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat deze bedreigingen de moeder en oom van verdachte daadwerkelijk hebben bereikt. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van de onder 2 tenlastegelegde bedreigingen gericht tegen zijn moeder en oom.
Bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn - ook in hun onderdelen - telkens slechts gebruikt voor het bewijs van dat feit of die feiten waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.
Ten aanzien van feit 1 en feit 2:
1. De bekennende verklaring die verdachte op de zitting van 12 augustus 2026 heeft afgelegd.
2. Een proces-verbaal van aangifte van [persoon 1] met nummer PL1300-2025258239-17 van 14 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , doorgenummerde pagina’s 10 t/m 13.
3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025258239-21 van 15 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , doorgenummerde pagina’s 32 t/m 34.
4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025258239-27 van 9 december 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , ongenummerde pagina’s.
Ten aanzien van feit 1:
5. Een proces-verbaal van aangifte van [persoon 2] met nummer 251013-2314-517 van 13 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] , doorgenummerde pagina’s 6 t/m 7.
6. Een proces-verbaal van aangifte van [persoon 3] met nummer 251013-2270-587 van 13 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 3] , doorgenummerde pagina’s 8 t/m 9.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1.
op 13 oktober 2025 te [plaats] [persoon 3] en [persoon 1] en [persoon 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [persoon 3] en/of [persoon 1] en/of [persoon 2] dreigend de woorden toe te voegen:
- “ Ik ga je/jullie vermoorden”,
- “ Je gaat dood”,
- “ Dit zijn je laatste dagen”,
- “ Ik ga je ingewanden eruit halen”,
- “ Ik ga je van drie hoog naar beneden gooien”,
- “ Iedereen gaat dood vandaag”,
- “ Je gaat dood naar de hell, wollah je gaat naar de hell, ik ga je persoonlijk sturen, wollah ik stuur je persoonlijk”,
- “ Oprotten, anders steek ik je neer”,
- “ Ik ga steken”;
2.
op 23 september 2025 in Nederland, [persoon 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [persoon 1] dreigend de woorden toe te voegen:
- " Ik ga je gewoon laten pitten”,
- ” En als jij ook dood wilt moetje kechba di mek ook,
- ” Jij gaat dood”
.
5Strafbaarheid van de feiten
De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7Motivering van de maatregelen
7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden verklaard, gelet op de bevindingen in het Pro Justitia rapport van 8 mei 2026.
Hij heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 120 dagen met aftrek van voorarrest en dat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden wordt opgelegd. Bij verdachte bestaat een hoog risico op gewelddadig gedrag. Eerdere hulpverlening heeft niet tot gedragsverandering geleid. Andere kaders dan de tbs-maatregel bieden daarom onvoldoende waarborgen om het recidivegevaar te beheersen.
De tbs-maatregel en de voorwaarden dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard. De officier van justitie heeft de rechtbank daarnaast verzocht, in het geval zij over zou gaan tot het opleggen van een tbs-maatregel voorwaarden, rekening te houden met de tijd die nodig is om een overbruggingskliniek voor verdachte te vinden en daar haar beslissing in het kader van de voorlopige hechtenis op af te stemmen.
Daarnaast dient aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (hierna: GVM) te worden opgelegd.
7.2.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte geen tbs-maatregel moet worden opgelegd, omdat deze maatregel in het onderhavige geval te zwaar is. Hij verzoekt de rechtbank te volstaan met een voorwaardelijke straf en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden te verbinden.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de zitting is gebleken.
7.3.1.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige en herhaaldelijke bedreigingen van zijn oom, moeder en zus. De bedreigingen zijn onder andere geuit in en rondom het ouderlijk huis waar verdachte met zijn moeder en zus woonde. Dit is bij uitstek de plek waar zijn familie zich veilig zou moeten voelen. Dat verdachte hen juist daar met de dood heeft bedreigd en daarnaast iemand heeft gebeld om mogelijk een wapen te regelen en eerder in het bezit geweest is van een kalasjnikov, maakt dat dit voor hen bijzonder beangstigend moet zijn geweest. De rechtbank acht het zeer kwalijk dat verdachte door zijn handelen zijn familie angst en een gevoel van onveiligheid in hun eigen huis heeft bezorgd.
7.3.2.
Persoon van verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 30 april 2026. Daaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor bezit van een wapen (de rechtbank begrijpt uit de inhoud van het Pro Justitia rapport dat dit de genoemde kalasjnikov betreft) en bedreiging en afpersing. De rechtbank weegt dit mee bij het bepalen of een tbs-maatregel noodzakelijk is.
Pro Justitia rapport
De rechtbank heeft ook gekeken naar het Pro Justitia rapport van 8 mei 2026, opgesteld naar aanleiding van het psychiatrisch en psychologisch onderzoek naar verdachte en opgemaakt door [psychiater] , psychiater, en [psycholoog] , psycholoog. Uit dit rapport blijkt, kort gezegd, het volgende.
Bij verdachte, een 27-jarige man, is vanaf de basisschool sprake van emotie- en agressieregulatieproblemen. De periode waarin zijn vader blijvende hersenschade heeft opgelopen, lijkt voor verdachte erg traumatisch te zijn geweest. Hij voelt zich als oudste zoon verantwoordelijk voor het gezin en moeder is daarbij waarschijnlijk emotioneel en fysiek weinig beschikbaar geweest. Zijn gedragsproblemen lijken na het ziekbed van vader te verergeren en hij komt in contact met politie en justitie, waarna meerdere reclasseringstoezichten niet vlekkeloos verlopen. Bijvoorbeeld door het niet nakomen van afspraken en positieve urinecontroles op cannabis. In 2022 wordt hij ervan verdacht zijn moeder en zus met een Kalasjnikov te hebben bedreigd. In 2023, na zijn invrijheidstelling, komt hij begeleid te wonen bij [woonvoorziening] . De behandelbereidheid en samenwerking met Inforsa nemen af als hij vrij komt. Verdachte weigert mee te werken aan diagnostiek en gaat pas mee werken aan de delictanalyse als dit als voorwaarde wordt gesteld om uit te stromen naar een zelfstandige woning. Hij blijft echter weigeren belangrijke vragen over zijn binnenwereld te beantwoorden en komt vaker niet dan wel op afspraken.
Het verblijf in het [woonvoorziening] verliep ook niet zonder problemen. Verdachte is meermaals dreigend en geladen aanwezig, betrokken bij conflicten met personeel of medebewoners en komt afspraken veelvuldig niet na. Op enig moment krijgt hij een time-out vanwege agressie naar zijn vriendin waarbij hij haar slaat en over de grond sleurt. Eind juli 2025 vindt er een incident plaats waarbij verdachte probeert een regenboogvlag die op het [woonvoorziening] hangt in brand te steken. Een herstelgesprek verloopt niet naar behoren en het woontraject wordt daarop stopgezet, alsook het behandeltraject. Inforsa ziet geen mogelijkheden meer tot effectieve ambulante behandeling de komende aantal jaar en beschouwt dit zelfs als contraproductief. Er is daarna geen zicht meer op het doen en laten van verdachte en de reclassering ziet geen mogelijkheden om binnen het huidige kader gedragsverandering te bewerkstelligen en het recidiverisico te doen verminderen. Geadviseerd wordt daarom het toezicht voortijdig negatief te beëindigen.
Verdachte verblijft nadien bij zijn moeder thuis, waar regelmatig spanningen en conflicten zijn met haar en met zijn jongere zusje. Zij doen samen met een oom aangifte van bedreigingen, hetgeen de tenlasteleggingen in onderhavige zaak betreft.
De rapporteurs stellen dat er sprake is van zwakbegaafdheid, een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en borderline trekken en een stoornis in het cannabisgebruik, welke in remissie is tijdens detentie. Gebruik van cannabis voorafgaand aan het tenlastegelegde wordt (wisselend) ontkend en is daarom niet objectief vast te stellen. De persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid waren sowieso aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en hebben op de volgende manier doorgewerkt.
De opbouw van zijn persoonlijkheidsstructuur en daarmee de aanwezige ernstige persoonlijkheidspathologie kenmerkt zich door “ik-zwakte”. Betrokkene is psychisch niet stevig, oftewel snel ontdaan, geraakt en daarmee ontregeld. Zijn emotionele reactiviteit is hoog en hij beschikt over weinig passende controlemechanismen om dat wat er van binnen aangeraakt wordt, in passende banen te leiden. Het gebruik van cannabis (waarvan niet objectief vastgesteld kan worden dat hij ook daadwerkelijk gebruikt heeft ten tijde van het tenlastegelegde) kan het initiële wantrouwen in zijn denken over de wereld en de ander luxeren, wat het affect, voelen en de emoties aanzwengelt en uitvergroot. Ook de geclassificeerde zwakbegaafdheid die bijdraagt aan het minder snel kunnen verwerken van dat wat er om hem heen gebeurt, dan wel wat er bij hem van binnen gebeurt, luxeert dit initiële wantrouwen in hem. Tezamen leidt dit tot in ieder geval ernstige dreiging met gewelddadig delictgedrag en het doen van (rand)-psychotische uitspraken die middels grootsheid en almacht gekleurd zijn. Bij oplopende innerlijke druk lijkt de holding van de persoonlijkheidsstructuur het als het ware te begeven en balanceert verdachte op het randje van een verstoorde realiteitstoetsing, of zogezegd, valt hij er net overheen.
De rapporteurs adviseren het tenlastegelegde verminderd aan verdachte toe te rekenen.
De rapporteurs schatten het risico op herhaling van gewelddadig gedrag hoog. Dit wordt met name veroorzaakt door de persoonlijkheidsproblematiek met antisociale, narcistische en borderline kenmerken met psychotische overschrijdingen, zijn eerdere gewelddadigheden en antisociaal gedrag, het gegeven dat hij niet of nauwelijks reageert op behandeling of toezicht en dat hij niet over adequate probleemoplossende vaardigheden beschikt, hetgeen verder ondermijnd wordt door zijn zwakbegaafd functioneren en trage verwerkingssnelheid. Verdachte kan zichzelf maatschappelijk nauwelijks staande houden en is in grote mate afhankelijk van ondersteuning van derden. Ondersteuning die er nagenoeg niet is. Wanneer verdachte uit detentie gaat, zullen zijn omstandigheden zeer stressvol zijn. Een reëel scenario is dat hij ofwel dakloos raakt, ofwel bij familie moet verblijven, alwaar oplopende stress door krenking, hevige emotionaliteit en gebrek aan alternatieven kan leiden tot hoogoplopende conflicten, psychotische overschrijdingen en nieuwe bedreigingen. De rapporteurs menen dat daarbij een risico op verdere geweldsescalatie bestaat: blijkens zijn eerdere veroordelingen schuwt verdachte geweld niet en is hij tweemaal veroordeeld voor verboden wapenbezit. Daarnaast is gezien dat hij fysiek geweld naar zijn vriendin heeft getoond en heeft begeleiding van het [woonvoorziening] meermaals de-escalerend moeten optreden. Tijdens eerdere detenties is hij meermaals op een isoleercel geplaatst, onder andere wegens verzet en ook staat er een vechtpartij op de afdeling genoteerd.
De geclassificeerde persoonlijkheidspathologie is niet te “genezen”, de nadruk binnen behandeling zal dan ook moeten liggen op het managen/beheersen van het risico op geweld en/of de dreiging hiermee, en het optimaliseren van de verantwoordelijkheid die verdachte hiervoor zelf kan gaan nemen. Middels bijzondere voorwaarden is dit reeds menigmaal ambulant en langdurig gepoogd zonder noemenswaardige resultaten. Het laatst ingezette traject voor begeleid wonen inclusief een ambulant behandeltraject bij Inforsa is gestopt vanwege de zeer gebrekkige compliance vanuit verdachte. Er was eigenlijk via deze route geen grip te krijgen op verdachte en deze route is gestrand vanwege het in brand willen steken van een regenboogvlag waar uiteindelijk met verdachte, wederom, nauwelijks tot niet over te praten viel.
De narcistische component van de persoonlijkheidsstructuur en de antisociale tendensen zullen een behandelprognose bemoeilijken. Behandeling heeft dus een hogere kans van slagen wanneer verdachte hiervoor langer durend en daarmee dus ook klinisch behandeld zal worden in een kliniek met een hoog beveiligingsniveau zoals een FPK. Eerder aan hem opgelegde bijzondere voorwaarden met een ambulante behandel-insteek zijn mislukt. Dit kader is te vrijblijvend geweest voor verdachte en biedt onvoldoende mogelijkheden de complexe persoonlijkheidspathologie te bewerken. Verdachte behoeft behandeling met een forensische insteek, hetgeen een zorgmachtiging onvoldoende biedt.
De rapporteurs zien geen andere mogelijkheid om het recidive risico voldoende in te perken dan binnen het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden. Dit geeft de mogelijkheid om verdachte (langere) tijd klinisch te behandelen, hetgeen niet eerder geprobeerd is maar wel noodzakelijk wordt geacht. Een dergelijk dwingend en intensief kader van voldoende lange duur is nodig om de complexe persoonlijkheidspathologie indringend te behandelen en daadwerkelijk tot gedragsverandering te komen. De verwachting is dat verdachte in een minder stringent kader opnieuw ongrijpbaar zal zijn voor behandelaren en zich letterlijk en figuurlijk onvoldoende zal laten zien, waardoor hij onderbehandeld blijft en het hoge recidiverisico onvoldoende zal dalen. Hoewel verdachte eerder meermaals heeft laten zien dat hij zich niet aan voorwaarden hield, menen de rapporteurs dat er een gerede kans is dat hij dat binnen het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden wel zal doen. Een dreigende tbs-maatregel met dwangverpleging indien hij zich niet aan de voorwaarden houdt, zal naar verwachting een sterke externe motivator voor hem zijn.
Reclasseringsrapport
Ten slotte heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 8 juni 2026 over verdachte, opgemaakt door [reclasseringswerker] , werkzaam als reclasseringswerker bij verslavingsreclassering GGZ. Uit dit rapport blijkt, kort gezegd, het volgende.
Bij verdachte is vanaf zijn jeugd sprake van emotie- en agressieregulatieproblemen hetgeen, ondanks interventies vanuit hulpverlening en reclassering, herhaaldelijk heeft geleid tot contact met politie en justitie. Vanaf 2014 zijn er vrijwel aaneensluitende perioden van reclasseringstoezicht geweest die werden afgewisseld met perioden van detentie. Er is in de loop der jaren vanuit de (jeugd)reclassering de nodig zorg, begeleiding en behandeling ingezet. Toch is het verdachte niet gelukt om een stabiele basis op te bouwen. Op dit moment heeft verdachte geen werk, inkomen of perspectief op een passende woonplek.
Ten tijde van de tenlastegelegde feiten liep verdachte in een reclasseringstoezicht bij Inforsa reclassering. In augustus 2025 is geadviseerd om het toezicht voortijdig negatief te beëindigen. Verdachte hield zich onvoldoende aan opgelegde voorwaarden en de afspraken met zijn behandelaar en de reclassering. Het recidiverisico wordt, zonder verdere interventies, ingeschat als hoog. Het risico op letselschade wordt ook ingeschat als hoog. Verdachte is vooral bekend met dreigend gedrag en verbaal geweld, maar de reclassering ziet ook meerdere veroordelingen voor vuurwapenbezit en fysiek geweld waardoor de kans op letselschade zeker niet kan worden uitgesloten.
De reclassering adviseert voorzichtig positief over de tbs-maatregel met voorwaarden. De tbs-maatregel met voorwaarden biedt een sterker juridisch kader dan reclasseringstoezicht in het kader van een voorwaardelijke straf. Bij signalen van een verhoogd recidiverisico kan sneller worden opgeschaald onder meer door een time-out in te zetten. Bovendien kan behandeling en toezicht dwingender worden vormgegeven, omdat verdachte zich realiseert dat anders een omzetting tot dwangverpleging kan volgen. Verdachte toont zich nu bereid om mee te werken aan voorwaarden waardoor er een, zij het minimale, basis wordt gezien voor verdere samenwerking. Verder neemt de reclassering mee dat er, op basis van gedragsdeskundig onderzoek, mogelijkheden worden gezien om verdachte te behandelen.
De reclassering constateert echter ook dat verdachte nauwelijks blijk geeft van probleembesef en ziekte inzicht waardoor een intrinsieke motivatie voor gedragsverandering en behandeling grotendeels ontbreekt. Verder stellen zij vast dat langdurig reclasseringstoezicht waarin diverse interventies zijn ingezet, niet heeft geleid tot gedragsverandering. Hierdoor wordt een verhoogd afbreukrisico gezien en is het niet ondenkbaar dat er extra inzet nodig zal zijn om verdachte binnen de kaders te laten meewerken aan klinische behandeling. Het probleembesef van verdachte zal zich verder moeten ontwikkelen en er dient enige motivatie voor behandeling te zijn. Ook zal verdachte langdurig controle moeten verdragen. Indien de mate van responsiviteit onvoldoende toereikend blijft, is er op enig moment de kans dat een omzetting tot dwangverpleging aan de orde komt.
De reclassering adviseert dat onderstaande voorwaarden aan de tbs-maatregel moeten worden verbonden:
Geen strafbaar feit plegen
Meewerken aan reclasseringstoezicht
Meewerken aan time-out
Niet naar het buitenland
Opneming in een zorginstelling
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Verbod verdovende middelen
Dagbesteding
Gelet op het hoge recidiverisico wordt schorsing van de voorlopige hechtenis onder dezelfde voorwaarden als hiervoor genoemd en de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs-maatregel geadviseerd.
Tot slot blijkt uit het Pro Justitia rapport dat er bij verdachte sprake is van chronische persoonlijkheidsproblematiek die verdachte bij oplopende spanning kwetsbaar maakt voor impulsdoorbraken en kortdurende psychotische overschrijdingen. Door het gebruik van cannabis kan deze kwetsbaarheid meer op de voorgrond komen te staan waardoor de kans op verdere ontregeling en delictgedrag toeneemt. De kans dat verdachte hierbij letsel toebrengt, kan niet worden uitgesloten. De reclassering meent dat er, ook na afloop van intensieve behandeling, opnieuw een situatie kan ontstaan die ontregeling in de hand werkt. Gelet hierop adviseert de reclassering om aan verdachte een GVM op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de tbs-maatregel.
Oplegging tbs-maatregel met voorwaarden
De rechtbank neemt de bevindingen, conclusies en adviezen van de deskundigen over en maakt deze tot de hare. Zij is van oordeel dat het handelen van verdachte deels werd gedreven door een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en borderline trekken, in combinatie met zijn cognitieve beperkingen. De rechtbank neemt ook de conclusies van de deskundigen, dat het bewezenverklaarde de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend, over. De rechtbank concludeert dat het noodzakelijk is dat verdachte ter beschikking gesteld wordt met voorwaarden en overweegt daartoe als volgt.
Aan de formele voorwaarden voor oplegging van de tbs-maatregel is voldaan. De rechtbank stelt op basis van voornoemde rapportages vast dat tijdens het begaan van de feiten bij verdachte een ziekelijke stoornis van de geestesvermogen bestond. Daarnaast zijn de bewezen verklaarde feiten misdrijven die worden genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 2, Sr en eist de veiligheid van anderen, mede gelet op het risico op herhaling van gewelddadig gedrag, het opleggen van de maatregel.
Op grond van de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte, en de hardnekkigheid daarvan, zoals deze uit de rapportages van de gedragsdeskundigen naar voren komt, komt de rechtbank tot de conclusie dat uitsluitend de tbs-maatregel met voorwaarden een passend kader vormt voor de behandeling van verdachte. Het alternatief van een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden acht de rechtbank onvoldoende om het recidiverisico te beperken. Uit bovengenoemde rapporten volgt namelijk dat eerdere reclasseringstoezichten om uiteenlopende redenen – bijvoorbeeld omdat verdachte afspraken niet na kwam en agressief gedrag vertoonde – niet van de grond zijn gekomen. Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank onvoldoende vertrouwen dat behandeling binnen een minder dwingend kader dit keer wel succesvol zal zijn. Tegelijkertijd acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte, zich bewust van het feit dat het niet houden aan de voorwaarden kan leiden tot omzetting naar tbs met dwangverpleging, gemotiveerd blijft om aan de behandeling mee te werken.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden noodzakelijk en proportioneel en zij zal daarbij de voorwaarden opleggen zoals door de reclassering geadviseerd. Verdachte heeft zich op de zitting van 12 augustus 2026 bereid verklaard om deze voorwaarden na te leven.
Ongemaximeerde tbs
De bewezen verklaarde bedreiging is niet zonder meer aan te merken als een geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 38e Sr. Onder omstandigheden kan echter ook bij bewezenverklaring van bedreiging een ongemaximeerde tbs-maatregel worden opgelegd. Gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, de vaststelling met betrekking tot de uitlating van verdachte en het feit dat verdachte eerder in het ouderlijk huis in het bezit was van een Kalasjnikov, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaarde bedreiging is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Daarmee is bij de bedreigingen sprake van een geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 38e Sr. De totale duur van de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege is daarom niet beperkt tot de duur van vier jaren.
Dadelijke uitvoerbaarheid tbs-maatregel met voorwaarden
Conform de vordering van de officier van justitie zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 38, eerste lid, Sr te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Dit omdat er rekening mee moet worden gehouden dat verdachte, indien hij niet behandeld wordt, wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Voorlopige hechtenis
Voor de periode dat dit vonnis nog niet onherroepelijk is geworden, zal de rechtbank bevelen dat de voorlopige hechtenis van verdachte wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop de verdachte wordt opgenomen in de beoogde kliniek of een overbruggingskliniek. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zal de rechtbank dezelfde voorwaarden verbinden als die aan de tbs-maatregel worden verbonden. Als de verdachte dan de in het kader van de tbs-maatregel te stellen voorwaarden (en daarmee de schorsingsvoorwaarden) niet naleeft terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, kan de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden bevolen. Op die manier kunnen ook in die situaties de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen worden gewaarborgd. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden.
GVM
Op basis van het Pro Justitia rapport, het reclasseringsrapport en het strafblad is er naar het oordeel van de rechtbank een gegronde vrees voor herhaling. De rapporteurs spreken over de noodzaak van een intensieve en langdurige behandeling van verdachte. De rechtbank acht het daarom van belang dat er een mogelijkheid bestaat om na de tbs-maatregel langdurig toezicht op verdachte te kunnen houden en hem eventueel te behandelen en te begeleiden, ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, mocht daartoe een noodzaak blijken. De rechtbank constateert verder dat aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van een GVM is voldaan. De rechtbank zal daarom, naast de tbs-maatregel met voorwaarden, in navolging van het advies van de reclassering, ook de GVM als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen.
Straf
De rechtbank ziet geen aanleiding om naast bovengenoemde maatregelen nog een (gevangenis)straf op te leggen.
8Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
De vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 13/237079-19 betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 17 januari 2020 van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden met aftrek van voorarrest waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft op de zitting gevorderd dat hij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, omdat verdachte dit deel reeds heeft uitgezeten. De rechtbank zal de officier van justitie daarom ten aanzien van deze zaak niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.
De vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 13/046976-22 betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 13 oktober 2022 van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden met aftrek van voorarrest waarvan twee maanden voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaren. De officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte hebben zich op het standpunt gesteld dat de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf moet worden omgezet in een taakstraf van 120 uren. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte in het kader van een zinvolle dagbesteding graag een taakstraf wil uitvoeren. De rechtbank zal dit volgen en zal daarom de tenuitvoerlegging gelasten en de gevangenisstraf omzetten in een taakstraf van 120 uren, te vervangen door twee maanden hechtenis.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 38, 38a, 38z, 57 en 285 Sr.
10Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:
- bedreiging, meermalen gepleegd
Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:
- bedreiging
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:
1. Geen strafbaar feit plegen
Veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
2. Meewerken aan reclasseringstoezicht
Veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
Veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
Veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen.
Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden.
Veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn/haar gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.
Veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken.
Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
Veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
Veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht.
3. Meewerken aan time-out
Als de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, kan veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
4. Niet naar het buitenland
Veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
5. Opneming in een zorginstelling
Veroordeelde laat zich, zolang de reclassering dat nodig vindt, opnemen en behandelen in een
forensische zorginstelling, nader te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het vergroten van de agressie- en emotieregulatie, het verwerken van ingrijpende levensgebeurtenissen en verdere eventuele verdere aanknopingspunten op basis van observatie en procesdiagnostiek tijdens de opname. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
6. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Veroordeelde verblijft voor zolang de reclassering dat nodig vindt in een nader te bepalen instelling voor begeleid dan wel beschermd wonen of maatschappelijke opvang. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
7. Verbod verdovende middelen
Veroordeelde gebruikt geen verdovende middelen in de vorm van soft- of harddrugs. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
8. Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding met een vaste structuur.
Geeft opdracht aan Reclassering Nederland de terbeschikkinggestelde bij de naleving van die voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Beveelt dat de op grond van artikel 38 lid 1 Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 38 lid 2 Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Legt aan verdachte op de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr.
Schorst de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het moment dat verdachte in het kader van de klinische behandeling zoals omschreven in voorwaarde 5 zal worden opgenomen in de kliniek, dan wel op een overbruggingsplek in afwachting van plaatsing in de kliniek. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis worden de hiervoor onder 1 tot en met 8 genoemde voorwaarden verbonden.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is.
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/237079-19.
Gelast – in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf opgelegd in de zaak met parketnummer 13/046976-22 te geven – dat veroordeelde een taakstraf van 120 uren moet verrichten. Beveelt, voor het geval dat de veroordeelde deze taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van twee maanden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mrs. L.F. Bögemann en M.E. Kleinherenbrink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 augustus 2026.
[…]
Vgl. Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729.
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 13/273067-25
Parketnummers vorderingen tul: 13/046976-22 en 13/237079-19
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie personen:
[adres] ,
gedetineerd in [detentieadres] .
1Onderzoek op de zitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 12 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.R.F. Esbir Wildeman, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A. Catbas naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat verdachte en mr. T. de Wit, namens mr. L.M.A. Schwartz, over de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13/046976-22 naar voren hebben gebracht.
2Beschuldiging
Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij op 13 oktober 2025 (feit 1) en op 23 september 2025 (feit 2) in [plaats] zijn familieleden heeft bedreigd.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3Waardering van het bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat het tenlastegelegde kan worden bewezen.
3.2.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen verweer gevoerd tegen een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van zijn familieleden, te weten zijn oom, moeder en zus. De rechtbank baseert haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden in de hierna genoemde bewijsmiddelen. Omdat verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Partiële vrijspraak
Voor een veroordeling voor bedreiging is onder meer vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging. In dat kader merkt de rechtbank het volgende op.
Verdachte heeft één van de onder 1 tenlastegelegde bedreigingen, inhoudende “Als je wilt schiet ik ze door hun kop heen”, tegenover agenten in de bus naar het cellencomplex geuit. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat deze bedreiging de oom, moeder of zus van verdachte daadwerkelijk heeft bereikt, zodat verdachte hiervan wordt vrijgesproken.
Datzelfde geldt voor de onder 2 tenlastegelegde bedreigingen die zien op de moeder en oom van verdachte. Voor zover de rechtbank kan vaststellen zijn deze bedreigingen geuit tegen de zus van verdachte en waren de moeder en oom van verdachte hier niet bij aanwezig. De moeder en oom van verdachte hebben daarnaast geen aangifte gedaan van deze specifieke bedreigingen. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat deze bedreigingen de moeder en oom van verdachte daadwerkelijk hebben bereikt. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van de onder 2 tenlastegelegde bedreigingen gericht tegen zijn moeder en oom.
Bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn - ook in hun onderdelen - telkens slechts gebruikt voor het bewijs van dat feit of die feiten waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.
Ten aanzien van feit 1 en feit 2:
1. De bekennende verklaring die verdachte op de zitting van 12 augustus 2026 heeft afgelegd.
2. Een proces-verbaal van aangifte van [persoon 1] met nummer PL1300-2025258239-17 van 14 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , doorgenummerde pagina’s 10 t/m 13.
3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025258239-21 van 15 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , doorgenummerde pagina’s 32 t/m 34.
4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025258239-27 van 9 december 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , ongenummerde pagina’s.
Ten aanzien van feit 1:
5. Een proces-verbaal van aangifte van [persoon 2] met nummer 251013-2314-517 van 13 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] , doorgenummerde pagina’s 6 t/m 7.
6. Een proces-verbaal van aangifte van [persoon 3] met nummer 251013-2270-587 van 13 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 3] , doorgenummerde pagina’s 8 t/m 9.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1.
op 13 oktober 2025 te [plaats] [persoon 3] en [persoon 1] en [persoon 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [persoon 3] en/of [persoon 1] en/of [persoon 2] dreigend de woorden toe te voegen:
- “ Ik ga je/jullie vermoorden”,
- “ Je gaat dood”,
- “ Dit zijn je laatste dagen”,
- “ Ik ga je ingewanden eruit halen”,
- “ Ik ga je van drie hoog naar beneden gooien”,
- “ Iedereen gaat dood vandaag”,
- “ Je gaat dood naar de hell, wollah je gaat naar de hell, ik ga je persoonlijk sturen, wollah ik stuur je persoonlijk”,
- “ Oprotten, anders steek ik je neer”,
- “ Ik ga steken”;
2.
op 23 september 2025 in Nederland, [persoon 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [persoon 1] dreigend de woorden toe te voegen:
- " Ik ga je gewoon laten pitten”,
- ” En als jij ook dood wilt moetje kechba di mek ook,
- ” Jij gaat dood”
.
5Strafbaarheid van de feiten
De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7Motivering van de maatregelen
7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden verklaard, gelet op de bevindingen in het Pro Justitia rapport van 8 mei 2026.
Hij heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 120 dagen met aftrek van voorarrest en dat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden wordt opgelegd. Bij verdachte bestaat een hoog risico op gewelddadig gedrag. Eerdere hulpverlening heeft niet tot gedragsverandering geleid. Andere kaders dan de tbs-maatregel bieden daarom onvoldoende waarborgen om het recidivegevaar te beheersen.
De tbs-maatregel en de voorwaarden dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard. De officier van justitie heeft de rechtbank daarnaast verzocht, in het geval zij over zou gaan tot het opleggen van een tbs-maatregel voorwaarden, rekening te houden met de tijd die nodig is om een overbruggingskliniek voor verdachte te vinden en daar haar beslissing in het kader van de voorlopige hechtenis op af te stemmen.
Daarnaast dient aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (hierna: GVM) te worden opgelegd.
7.2.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte geen tbs-maatregel moet worden opgelegd, omdat deze maatregel in het onderhavige geval te zwaar is. Hij verzoekt de rechtbank te volstaan met een voorwaardelijke straf en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden te verbinden.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de zitting is gebleken.
7.3.1.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige en herhaaldelijke bedreigingen van zijn oom, moeder en zus. De bedreigingen zijn onder andere geuit in en rondom het ouderlijk huis waar verdachte met zijn moeder en zus woonde. Dit is bij uitstek de plek waar zijn familie zich veilig zou moeten voelen. Dat verdachte hen juist daar met de dood heeft bedreigd en daarnaast iemand heeft gebeld om mogelijk een wapen te regelen en eerder in het bezit geweest is van een kalasjnikov, maakt dat dit voor hen bijzonder beangstigend moet zijn geweest. De rechtbank acht het zeer kwalijk dat verdachte door zijn handelen zijn familie angst en een gevoel van onveiligheid in hun eigen huis heeft bezorgd.
7.3.2.
Persoon van verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 30 april 2026. Daaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor bezit van een wapen (de rechtbank begrijpt uit de inhoud van het Pro Justitia rapport dat dit de genoemde kalasjnikov betreft) en bedreiging en afpersing. De rechtbank weegt dit mee bij het bepalen of een tbs-maatregel noodzakelijk is.
Pro Justitia rapport
De rechtbank heeft ook gekeken naar het Pro Justitia rapport van 8 mei 2026, opgesteld naar aanleiding van het psychiatrisch en psychologisch onderzoek naar verdachte en opgemaakt door [psychiater] , psychiater, en [psycholoog] , psycholoog. Uit dit rapport blijkt, kort gezegd, het volgende.
Bij verdachte, een 27-jarige man, is vanaf de basisschool sprake van emotie- en agressieregulatieproblemen. De periode waarin zijn vader blijvende hersenschade heeft opgelopen, lijkt voor verdachte erg traumatisch te zijn geweest. Hij voelt zich als oudste zoon verantwoordelijk voor het gezin en moeder is daarbij waarschijnlijk emotioneel en fysiek weinig beschikbaar geweest. Zijn gedragsproblemen lijken na het ziekbed van vader te verergeren en hij komt in contact met politie en justitie, waarna meerdere reclasseringstoezichten niet vlekkeloos verlopen. Bijvoorbeeld door het niet nakomen van afspraken en positieve urinecontroles op cannabis. In 2022 wordt hij ervan verdacht zijn moeder en zus met een Kalasjnikov te hebben bedreigd. In 2023, na zijn invrijheidstelling, komt hij begeleid te wonen bij [woonvoorziening] . De behandelbereidheid en samenwerking met Inforsa nemen af als hij vrij komt. Verdachte weigert mee te werken aan diagnostiek en gaat pas mee werken aan de delictanalyse als dit als voorwaarde wordt gesteld om uit te stromen naar een zelfstandige woning. Hij blijft echter weigeren belangrijke vragen over zijn binnenwereld te beantwoorden en komt vaker niet dan wel op afspraken.
Het verblijf in het [woonvoorziening] verliep ook niet zonder problemen. Verdachte is meermaals dreigend en geladen aanwezig, betrokken bij conflicten met personeel of medebewoners en komt afspraken veelvuldig niet na. Op enig moment krijgt hij een time-out vanwege agressie naar zijn vriendin waarbij hij haar slaat en over de grond sleurt. Eind juli 2025 vindt er een incident plaats waarbij verdachte probeert een regenboogvlag die op het [woonvoorziening] hangt in brand te steken. Een herstelgesprek verloopt niet naar behoren en het woontraject wordt daarop stopgezet, alsook het behandeltraject. Inforsa ziet geen mogelijkheden meer tot effectieve ambulante behandeling de komende aantal jaar en beschouwt dit zelfs als contraproductief. Er is daarna geen zicht meer op het doen en laten van verdachte en de reclassering ziet geen mogelijkheden om binnen het huidige kader gedragsverandering te bewerkstelligen en het recidiverisico te doen verminderen. Geadviseerd wordt daarom het toezicht voortijdig negatief te beëindigen.
Verdachte verblijft nadien bij zijn moeder thuis, waar regelmatig spanningen en conflicten zijn met haar en met zijn jongere zusje. Zij doen samen met een oom aangifte van bedreigingen, hetgeen de tenlasteleggingen in onderhavige zaak betreft.
De rapporteurs stellen dat er sprake is van zwakbegaafdheid, een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en borderline trekken en een stoornis in het cannabisgebruik, welke in remissie is tijdens detentie. Gebruik van cannabis voorafgaand aan het tenlastegelegde wordt (wisselend) ontkend en is daarom niet objectief vast te stellen. De persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid waren sowieso aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en hebben op de volgende manier doorgewerkt.
De opbouw van zijn persoonlijkheidsstructuur en daarmee de aanwezige ernstige persoonlijkheidspathologie kenmerkt zich door “ik-zwakte”. Betrokkene is psychisch niet stevig, oftewel snel ontdaan, geraakt en daarmee ontregeld. Zijn emotionele reactiviteit is hoog en hij beschikt over weinig passende controlemechanismen om dat wat er van binnen aangeraakt wordt, in passende banen te leiden. Het gebruik van cannabis (waarvan niet objectief vastgesteld kan worden dat hij ook daadwerkelijk gebruikt heeft ten tijde van het tenlastegelegde) kan het initiële wantrouwen in zijn denken over de wereld en de ander luxeren, wat het affect, voelen en de emoties aanzwengelt en uitvergroot. Ook de geclassificeerde zwakbegaafdheid die bijdraagt aan het minder snel kunnen verwerken van dat wat er om hem heen gebeurt, dan wel wat er bij hem van binnen gebeurt, luxeert dit initiële wantrouwen in hem. Tezamen leidt dit tot in ieder geval ernstige dreiging met gewelddadig delictgedrag en het doen van (rand)-psychotische uitspraken die middels grootsheid en almacht gekleurd zijn. Bij oplopende innerlijke druk lijkt de holding van de persoonlijkheidsstructuur het als het ware te begeven en balanceert verdachte op het randje van een verstoorde realiteitstoetsing, of zogezegd, valt hij er net overheen.
De rapporteurs adviseren het tenlastegelegde verminderd aan verdachte toe te rekenen.
De rapporteurs schatten het risico op herhaling van gewelddadig gedrag hoog. Dit wordt met name veroorzaakt door de persoonlijkheidsproblematiek met antisociale, narcistische en borderline kenmerken met psychotische overschrijdingen, zijn eerdere gewelddadigheden en antisociaal gedrag, het gegeven dat hij niet of nauwelijks reageert op behandeling of toezicht en dat hij niet over adequate probleemoplossende vaardigheden beschikt, hetgeen verder ondermijnd wordt door zijn zwakbegaafd functioneren en trage verwerkingssnelheid. Verdachte kan zichzelf maatschappelijk nauwelijks staande houden en is in grote mate afhankelijk van ondersteuning van derden. Ondersteuning die er nagenoeg niet is. Wanneer verdachte uit detentie gaat, zullen zijn omstandigheden zeer stressvol zijn. Een reëel scenario is dat hij ofwel dakloos raakt, ofwel bij familie moet verblijven, alwaar oplopende stress door krenking, hevige emotionaliteit en gebrek aan alternatieven kan leiden tot hoogoplopende conflicten, psychotische overschrijdingen en nieuwe bedreigingen. De rapporteurs menen dat daarbij een risico op verdere geweldsescalatie bestaat: blijkens zijn eerdere veroordelingen schuwt verdachte geweld niet en is hij tweemaal veroordeeld voor verboden wapenbezit. Daarnaast is gezien dat hij fysiek geweld naar zijn vriendin heeft getoond en heeft begeleiding van het [woonvoorziening] meermaals de-escalerend moeten optreden. Tijdens eerdere detenties is hij meermaals op een isoleercel geplaatst, onder andere wegens verzet en ook staat er een vechtpartij op de afdeling genoteerd.
De geclassificeerde persoonlijkheidspathologie is niet te “genezen”, de nadruk binnen behandeling zal dan ook moeten liggen op het managen/beheersen van het risico op geweld en/of de dreiging hiermee, en het optimaliseren van de verantwoordelijkheid die verdachte hiervoor zelf kan gaan nemen. Middels bijzondere voorwaarden is dit reeds menigmaal ambulant en langdurig gepoogd zonder noemenswaardige resultaten. Het laatst ingezette traject voor begeleid wonen inclusief een ambulant behandeltraject bij Inforsa is gestopt vanwege de zeer gebrekkige compliance vanuit verdachte. Er was eigenlijk via deze route geen grip te krijgen op verdachte en deze route is gestrand vanwege het in brand willen steken van een regenboogvlag waar uiteindelijk met verdachte, wederom, nauwelijks tot niet over te praten viel.
De narcistische component van de persoonlijkheidsstructuur en de antisociale tendensen zullen een behandelprognose bemoeilijken. Behandeling heeft dus een hogere kans van slagen wanneer verdachte hiervoor langer durend en daarmee dus ook klinisch behandeld zal worden in een kliniek met een hoog beveiligingsniveau zoals een FPK. Eerder aan hem opgelegde bijzondere voorwaarden met een ambulante behandel-insteek zijn mislukt. Dit kader is te vrijblijvend geweest voor verdachte en biedt onvoldoende mogelijkheden de complexe persoonlijkheidspathologie te bewerken. Verdachte behoeft behandeling met een forensische insteek, hetgeen een zorgmachtiging onvoldoende biedt.
De rapporteurs zien geen andere mogelijkheid om het recidive risico voldoende in te perken dan binnen het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden. Dit geeft de mogelijkheid om verdachte (langere) tijd klinisch te behandelen, hetgeen niet eerder geprobeerd is maar wel noodzakelijk wordt geacht. Een dergelijk dwingend en intensief kader van voldoende lange duur is nodig om de complexe persoonlijkheidspathologie indringend te behandelen en daadwerkelijk tot gedragsverandering te komen. De verwachting is dat verdachte in een minder stringent kader opnieuw ongrijpbaar zal zijn voor behandelaren en zich letterlijk en figuurlijk onvoldoende zal laten zien, waardoor hij onderbehandeld blijft en het hoge recidiverisico onvoldoende zal dalen. Hoewel verdachte eerder meermaals heeft laten zien dat hij zich niet aan voorwaarden hield, menen de rapporteurs dat er een gerede kans is dat hij dat binnen het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden wel zal doen. Een dreigende tbs-maatregel met dwangverpleging indien hij zich niet aan de voorwaarden houdt, zal naar verwachting een sterke externe motivator voor hem zijn.
Reclasseringsrapport
Ten slotte heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 8 juni 2026 over verdachte, opgemaakt door [reclasseringswerker] , werkzaam als reclasseringswerker bij verslavingsreclassering GGZ. Uit dit rapport blijkt, kort gezegd, het volgende.
Bij verdachte is vanaf zijn jeugd sprake van emotie- en agressieregulatieproblemen hetgeen, ondanks interventies vanuit hulpverlening en reclassering, herhaaldelijk heeft geleid tot contact met politie en justitie. Vanaf 2014 zijn er vrijwel aaneensluitende perioden van reclasseringstoezicht geweest die werden afgewisseld met perioden van detentie. Er is in de loop der jaren vanuit de (jeugd)reclassering de nodig zorg, begeleiding en behandeling ingezet. Toch is het verdachte niet gelukt om een stabiele basis op te bouwen. Op dit moment heeft verdachte geen werk, inkomen of perspectief op een passende woonplek.
Ten tijde van de tenlastegelegde feiten liep verdachte in een reclasseringstoezicht bij Inforsa reclassering. In augustus 2025 is geadviseerd om het toezicht voortijdig negatief te beëindigen. Verdachte hield zich onvoldoende aan opgelegde voorwaarden en de afspraken met zijn behandelaar en de reclassering. Het recidiverisico wordt, zonder verdere interventies, ingeschat als hoog. Het risico op letselschade wordt ook ingeschat als hoog. Verdachte is vooral bekend met dreigend gedrag en verbaal geweld, maar de reclassering ziet ook meerdere veroordelingen voor vuurwapenbezit en fysiek geweld waardoor de kans op letselschade zeker niet kan worden uitgesloten.
De reclassering adviseert voorzichtig positief over de tbs-maatregel met voorwaarden. De tbs-maatregel met voorwaarden biedt een sterker juridisch kader dan reclasseringstoezicht in het kader van een voorwaardelijke straf. Bij signalen van een verhoogd recidiverisico kan sneller worden opgeschaald onder meer door een time-out in te zetten. Bovendien kan behandeling en toezicht dwingender worden vormgegeven, omdat verdachte zich realiseert dat anders een omzetting tot dwangverpleging kan volgen. Verdachte toont zich nu bereid om mee te werken aan voorwaarden waardoor er een, zij het minimale, basis wordt gezien voor verdere samenwerking. Verder neemt de reclassering mee dat er, op basis van gedragsdeskundig onderzoek, mogelijkheden worden gezien om verdachte te behandelen.
De reclassering constateert echter ook dat verdachte nauwelijks blijk geeft van probleembesef en ziekte inzicht waardoor een intrinsieke motivatie voor gedragsverandering en behandeling grotendeels ontbreekt. Verder stellen zij vast dat langdurig reclasseringstoezicht waarin diverse interventies zijn ingezet, niet heeft geleid tot gedragsverandering. Hierdoor wordt een verhoogd afbreukrisico gezien en is het niet ondenkbaar dat er extra inzet nodig zal zijn om verdachte binnen de kaders te laten meewerken aan klinische behandeling. Het probleembesef van verdachte zal zich verder moeten ontwikkelen en er dient enige motivatie voor behandeling te zijn. Ook zal verdachte langdurig controle moeten verdragen. Indien de mate van responsiviteit onvoldoende toereikend blijft, is er op enig moment de kans dat een omzetting tot dwangverpleging aan de orde komt.
De reclassering adviseert dat onderstaande voorwaarden aan de tbs-maatregel moeten worden verbonden:
Geen strafbaar feit plegen
Meewerken aan reclasseringstoezicht
Meewerken aan time-out
Niet naar het buitenland
Opneming in een zorginstelling
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Verbod verdovende middelen
Dagbesteding
Gelet op het hoge recidiverisico wordt schorsing van de voorlopige hechtenis onder dezelfde voorwaarden als hiervoor genoemd en de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs-maatregel geadviseerd.
Tot slot blijkt uit het Pro Justitia rapport dat er bij verdachte sprake is van chronische persoonlijkheidsproblematiek die verdachte bij oplopende spanning kwetsbaar maakt voor impulsdoorbraken en kortdurende psychotische overschrijdingen. Door het gebruik van cannabis kan deze kwetsbaarheid meer op de voorgrond komen te staan waardoor de kans op verdere ontregeling en delictgedrag toeneemt. De kans dat verdachte hierbij letsel toebrengt, kan niet worden uitgesloten. De reclassering meent dat er, ook na afloop van intensieve behandeling, opnieuw een situatie kan ontstaan die ontregeling in de hand werkt. Gelet hierop adviseert de reclassering om aan verdachte een GVM op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de tbs-maatregel.
Oplegging tbs-maatregel met voorwaarden
De rechtbank neemt de bevindingen, conclusies en adviezen van de deskundigen over en maakt deze tot de hare. Zij is van oordeel dat het handelen van verdachte deels werd gedreven door een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en borderline trekken, in combinatie met zijn cognitieve beperkingen. De rechtbank neemt ook de conclusies van de deskundigen, dat het bewezenverklaarde de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend, over. De rechtbank concludeert dat het noodzakelijk is dat verdachte ter beschikking gesteld wordt met voorwaarden en overweegt daartoe als volgt.
Aan de formele voorwaarden voor oplegging van de tbs-maatregel is voldaan. De rechtbank stelt op basis van voornoemde rapportages vast dat tijdens het begaan van de feiten bij verdachte een ziekelijke stoornis van de geestesvermogen bestond. Daarnaast zijn de bewezen verklaarde feiten misdrijven die worden genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 2, Sr en eist de veiligheid van anderen, mede gelet op het risico op herhaling van gewelddadig gedrag, het opleggen van de maatregel.
Op grond van de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte, en de hardnekkigheid daarvan, zoals deze uit de rapportages van de gedragsdeskundigen naar voren komt, komt de rechtbank tot de conclusie dat uitsluitend de tbs-maatregel met voorwaarden een passend kader vormt voor de behandeling van verdachte. Het alternatief van een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden acht de rechtbank onvoldoende om het recidiverisico te beperken. Uit bovengenoemde rapporten volgt namelijk dat eerdere reclasseringstoezichten om uiteenlopende redenen – bijvoorbeeld omdat verdachte afspraken niet na kwam en agressief gedrag vertoonde – niet van de grond zijn gekomen. Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank onvoldoende vertrouwen dat behandeling binnen een minder dwingend kader dit keer wel succesvol zal zijn. Tegelijkertijd acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte, zich bewust van het feit dat het niet houden aan de voorwaarden kan leiden tot omzetting naar tbs met dwangverpleging, gemotiveerd blijft om aan de behandeling mee te werken.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden noodzakelijk en proportioneel en zij zal daarbij de voorwaarden opleggen zoals door de reclassering geadviseerd. Verdachte heeft zich op de zitting van 12 augustus 2026 bereid verklaard om deze voorwaarden na te leven.
Ongemaximeerde tbs
De bewezen verklaarde bedreiging is niet zonder meer aan te merken als een geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 38e Sr. Onder omstandigheden kan echter ook bij bewezenverklaring van bedreiging een ongemaximeerde tbs-maatregel worden opgelegd. Gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, de vaststelling met betrekking tot de uitlating van verdachte en het feit dat verdachte eerder in het ouderlijk huis in het bezit was van een Kalasjnikov, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaarde bedreiging is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Daarmee is bij de bedreigingen sprake van een geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 38e Sr. De totale duur van de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege is daarom niet beperkt tot de duur van vier jaren.
Dadelijke uitvoerbaarheid tbs-maatregel met voorwaarden
Conform de vordering van de officier van justitie zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 38, eerste lid, Sr te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Dit omdat er rekening mee moet worden gehouden dat verdachte, indien hij niet behandeld wordt, wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Voorlopige hechtenis
Voor de periode dat dit vonnis nog niet onherroepelijk is geworden, zal de rechtbank bevelen dat de voorlopige hechtenis van verdachte wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop de verdachte wordt opgenomen in de beoogde kliniek of een overbruggingskliniek. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zal de rechtbank dezelfde voorwaarden verbinden als die aan de tbs-maatregel worden verbonden. Als de verdachte dan de in het kader van de tbs-maatregel te stellen voorwaarden (en daarmee de schorsingsvoorwaarden) niet naleeft terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, kan de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden bevolen. Op die manier kunnen ook in die situaties de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen worden gewaarborgd. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden.
GVM
Op basis van het Pro Justitia rapport, het reclasseringsrapport en het strafblad is er naar het oordeel van de rechtbank een gegronde vrees voor herhaling. De rapporteurs spreken over de noodzaak van een intensieve en langdurige behandeling van verdachte. De rechtbank acht het daarom van belang dat er een mogelijkheid bestaat om na de tbs-maatregel langdurig toezicht op verdachte te kunnen houden en hem eventueel te behandelen en te begeleiden, ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, mocht daartoe een noodzaak blijken. De rechtbank constateert verder dat aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van een GVM is voldaan. De rechtbank zal daarom, naast de tbs-maatregel met voorwaarden, in navolging van het advies van de reclassering, ook de GVM als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen.
Straf
De rechtbank ziet geen aanleiding om naast bovengenoemde maatregelen nog een (gevangenis)straf op te leggen.
8Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
De vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 13/237079-19 betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 17 januari 2020 van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden met aftrek van voorarrest waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft op de zitting gevorderd dat hij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, omdat verdachte dit deel reeds heeft uitgezeten. De rechtbank zal de officier van justitie daarom ten aanzien van deze zaak niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.
De vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 13/046976-22 betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 13 oktober 2022 van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden met aftrek van voorarrest waarvan twee maanden voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaren. De officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte hebben zich op het standpunt gesteld dat de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf moet worden omgezet in een taakstraf van 120 uren. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte in het kader van een zinvolle dagbesteding graag een taakstraf wil uitvoeren. De rechtbank zal dit volgen en zal daarom de tenuitvoerlegging gelasten en de gevangenisstraf omzetten in een taakstraf van 120 uren, te vervangen door twee maanden hechtenis.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 38, 38a, 38z, 57 en 285 Sr.
10Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:
- bedreiging, meermalen gepleegd
Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:
- bedreiging
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:
1. Geen strafbaar feit plegen
Veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
2. Meewerken aan reclasseringstoezicht
Veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
Veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
Veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen.
Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden.
Veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn/haar gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.
Veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken.
Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
Veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
Veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht.
3. Meewerken aan time-out
Als de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, kan veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
4. Niet naar het buitenland
Veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
5. Opneming in een zorginstelling
Veroordeelde laat zich, zolang de reclassering dat nodig vindt, opnemen en behandelen in een
forensische zorginstelling, nader te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het vergroten van de agressie- en emotieregulatie, het verwerken van ingrijpende levensgebeurtenissen en verdere eventuele verdere aanknopingspunten op basis van observatie en procesdiagnostiek tijdens de opname. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
6. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Veroordeelde verblijft voor zolang de reclassering dat nodig vindt in een nader te bepalen instelling voor begeleid dan wel beschermd wonen of maatschappelijke opvang. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
7. Verbod verdovende middelen
Veroordeelde gebruikt geen verdovende middelen in de vorm van soft- of harddrugs. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
8. Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding met een vaste structuur.
Geeft opdracht aan Reclassering Nederland de terbeschikkinggestelde bij de naleving van die voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Beveelt dat de op grond van artikel 38 lid 1 Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 38 lid 2 Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Legt aan verdachte op de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr.
Schorst de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het moment dat verdachte in het kader van de klinische behandeling zoals omschreven in voorwaarde 5 zal worden opgenomen in de kliniek, dan wel op een overbruggingsplek in afwachting van plaatsing in de kliniek. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis worden de hiervoor onder 1 tot en met 8 genoemde voorwaarden verbonden.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is.
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/237079-19.
Gelast – in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf opgelegd in de zaak met parketnummer 13/046976-22 te geven – dat veroordeelde een taakstraf van 120 uren moet verrichten. Beveelt, voor het geval dat de veroordeelde deze taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van twee maanden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mrs. L.F. Bögemann en M.E. Kleinherenbrink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 augustus 2026.
[…]
Vgl. Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729.