Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:9117
2026-06-03
Civiel recht
C/13/786801 / KG ZA 26-322
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding vordering tot gehengen en gedogen funderingsherstel mandelige fundering en muur afgewezen omdat er eerst nader onderzoek moet worden gedaan naar de noodzaak tot funderingsherstel en de risico's daarvan, tegenvordering tot medewerking onafhankelijk onderzoek en staken werkzaamheden fundering daarom toegewezen. Maatstaf 3:170 BW deelgenoten.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (29.842 tekens)
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/786801 / KG ZA 26-322 EAM/EvK
Vonnis in kort geding van 3 juni 2026
in de zaak van
FYNIX CAPITAL B.V.,
te Heemstede,
eisende partij in conventie bij niet-betekende dagvaarding,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Fynix,
advocaat: mr. W.M. van Agt,
tegen
DE VERENIGING VAN EIGENAARS [gedaagde],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie, vrijwillig verschenen,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de VVE,
advocaat: mr. S.A.B. Boer en mr. F.S. Ahsman.
1De procedure
1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 20 mei 2026 heeft Fynix de dagvaarding toegelicht. De VVE heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord, en een tegenvordering (eis in reconventie) ingesteld. Fynix heeft de tegenvordering bestreden. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en Fynix ook een pleitnota.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
aan de zijde van Fynix: [naam 1] , [functie] , met mr. Van Agt,
aan de zijde van de VVE: [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , met mr. Boer en mr. Ashman.
1.3.
Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
Fynix is belegger en is sinds 30 december 2024 eigenaar van het pand aan de [adres 2] (hierna: [adres 2] ). Fynix heeft dit pand gekocht om het te renoveren en de bovenste verdiepingen te splitsen in meerdere appartementen.
2.2.
Voorafgaand aan de koop heeft Allnamics Geotechnical Experts B.V. (hierna: Allnamics) in opdracht van Fynix metingen verricht met betrekking tot de fundering van [adres 2] . Allnamics heeft op 25 oktober 2024 een e-mail gestuurd met haar bevindingen. Hierin staat, voor zover relevant:
“(…) Het pand is fors voorover gezakt, dit resulteert in rotaties van 1 : 97 tot 1: 115 ter plaatse van de bouwmuren. Deze rotaties worden respectievelijk beoordeeld als Groot en Matig. Rotaties groter dan 1 : 150 zijn in het kader van splitsen aanleiding om een inspectieput te graven. Bij [adres 1] en [adres 3] zijn 20 à 25 jaar putjes achter gegraven. De funderingen zagen er toen redelijk uit. Deze panden stonden ook voorover maar wel een stuk minder dan [adres 2] . Voor die panden kon destijds nog worden gesteld dat de funderingsinspecties aan de achterzijde voldoende representatief waren voor de gehele fundering. Gezien de forse voorstand kunnen we dat hier niet stellen. Verder zijn er ook wat lelijke scheuren waargenomen tijdens de meting.
Voorlopig komen wij uit op een code 3, die neigt naar een code 4. (…)”
Voor funderingsherstel wordt een code afgegeven, die aangeeft binnen welke termijn noodzakelijk herstel nodig is. Code 3 betekent dat noodzakelijk herstel binnen 5-15 jaar moet plaatsvinden en code 4 binnen 1-5 jaar.
2.3.
Op 4 november 2025 heeft Fynix een omgevingsvergunning verkregen voor het splitsen van de appartementen op de derde en vierde verdieping in vier zelfstandige woningen. In de voorwaarde van de omgevingsvergunning staat dat de fundering (minstens) een code 2 beoordeling moet hebben.
2.4.
Het naastgelegen pand aan de [adres 1] (hierna: [adres 1] ) is gesplitst in twee appartementsrechten, die zijn verenigd in de VVE, die belast is met het beheer van [adres 1] .
2.5.
In maart 2025 is Fynix begonnen met het leeghalen van [adres 2] en is zij gestart met de sloopwerkzaamheden. Eind oktober 2025 is Fynix begonnen met de voorbereidende werkzaamheden voor het funderingsherstel.
2.6.
In december 2025 heeft de VVE een bezwaarschrift ingediend tegen de verleende omgevingsvergunning van 4 november 2025 (zie 2.3). Fynix kwam hier in januari 2026 achter en heeft vervolgens contact gezocht met de VVE. De VVE heeft laten weten geen toestemming te hebben gegeven voor werkzaamheden aan de mandelige muur voor het funderingsherstel. In de periode januari-maart 2026 hebben Fynix en de VVE veelvuldig gecorrespondeerd over hun verschillende standpunten ten aanzien van het funderingsherstel en mogelijke oplossingsrichtingen. Fynix heeft gemeld dat zij alle kosten van het funderingsherstel van de mandelige muur zal dragen. De VVE heeft Fynix meerdere keren verzocht om toezending van de stukken ter onderbouwing van de noodzaak tot funderingsherstel.
2.7.
Op 17 maart 2026 heeft Fynix de VVE stukken toegestuurd (meetrapport van 24 oktober 2024, conclusies van Allnamics aan de hand van dat meetrapport, informatie over de aannemer en de CAR-verzekering, de beoogde werkzaamheden en plannen ter zake de fundering, een geotechnisch advies en de statische berekening). In deze brief heeft Fynix de VVE een voorstel gedaan om het geschil over het funderingsherstel op te lossen. Dat voorstel bestond uit het verlenen van toestemming door de VVE aan het funderingsherstel en intrekking van haar bezwaarschrift, waarbij Fynix nu en in de toekomst zou afzien van haar aanspraak op meebetalen aan de werkzaamheden, het uitvoeren van een nulmeting door een onafhankelijk expert, de toezegging van Fynix eventuele schade op haar kosten en naar tevredenheid van de VVE te laten herstellen en het desgewenst vastleggen van deze afspraken in een vaststellingsovereenkomst. De VVE heeft op 31 maart 2026 gereageerd dat uit de onderbouwing van Fynix niet de noodzaak van het funderingsherstel blijkt. De VVE heeft daarom voorgesteld om destructief onderzoek te doen om de noodzaak van het funderingsherstel vast te stellen.
2.8.
Pieters Bouwtechniek Amsterdam B.V. (hierna: Pieters) heeft in opdracht van de VVE onderzoek gedaan naar de constructieve gevolgen van de voorgenomen funderingswerkzaamheden van Fynix. In haar memo van 20 april 2026 staat, voor zover relevant:
“(…) INSPECTIE
Op meerdere plekken in de woning is scheurvorming opgetreden. Relatief grote scheurvorming zit in de woonkamer in de woningscheidende wand met [adres 2] . De scheuren zijn ontstaan nadat aan de zijde van [adres 2] een schoorsteen was weggehakt. Aan de kant van [adres 1] zat in het verleden eenzelfde schoorsteen maar die is al eerder weggehaald.
(…)
FUNDERING
In aanvulling op het eerdere archiefonderzoek zijn ook archiefstukken opgevraagd van het buurpand [adres 3] . Bij dit pand is in 2005 funderingsonderzoek geweest als onderdeel van een splitsingsaanvraag. De fundering van nr. [adres 3] was in goede staat. Er waren geen aanwijzingen voor een gebrek aan de fundering en er heeft geen funderingsherstel plaatsgevonden. Het pand heeft wel een zakkingsverschil van 120 mm tussen de voor- en achtergevel. Dit laat ook weer zien dat een zakkingsverschil alleen niet voldoende is als bewijs voor een slechte fundering. Het is hooguit een aanwijzing, maar voor een definitieve conclusie is echt een inspectieput nodig.
(…)
AANBEVELINGEN
(…)
Om de noodzaak van funderingsherstel voor deze mandelige muur aan te tonen en toestemming te verkrijgen kan hij op eigen kosten vanuit zijn eigen pand een funderingsput laten graven om de toestand van de fundering te laten onderzoeken. Alleen een scheefstandmeting is hiervoor niet voldoende. (…)”
In het rapport van Pieters van 12 mei 2026 staat verder:
“(…) 6. Conclusies
(…)
Zettingen zoals deze zijn een veel voorkomend verschijnsel in de hele oude binnenstad van [plaats] (al verschilt de mate wel per locatie) en zijn geen reden tot zorg zolang ze min of meer gelijkmatig optreden. Dat is hier het geval.
De funderingsonderzoeken van Fugro (2001) en IFCO (2006) laten geen ernstige funderingsproblemen zien. In theorie is het mogelijk dat de toestand van het funderingshout in de afgelopen 25 jaar verslechterd is, maar de recente metingen en waarnemingen wijzen daar niet op. De werkzaamheden bij [adres 2] geven wel de mogelijkheid om relatief eenvoudig nieuw funderingsonderzoek te doen, ook aan de straatzijde van binnenuit.
Door het aanbrengen van nieuwe, extra funderingspalen onder [adres 2] neemt het draagvermogen lokaal toe wat de zakkingssnelheid van dit pand flink zal reduceren ten opzichte van de andere panden in het blok. Dit wordt nog verergerd doordat de nieuwe palen een grotere inheidiepte krijgen dan de bestaande houten heipalen (…). De nieuwe palen staan immers in een andere, diepere zandlaag. De panden nr. [adres 4] en [adres 1] zullen scharnierpanden worden, doordat de zettingsverschillen in deze panden worden geabsorbeerd. Dit zal niet meteen zichtbaar zijn, maar op termijn zal dit leiden tot scheurvorming in met name de voor- en achtergevel en tot schade aan de kozijnen.
Mogelijke oplossingsrichtingen zijn:
Het funderingsherstel plus aanbrengen kelder bij [adres 2] niet uitvoeren;
Ook funderingsherstel uitvoeren bij nrs. [adres 4] en [adres 1] . Hierdoor schuift het probleem echter op naar de daarnaast gelegen panden;
Het afkopen van de terugkerende herstelkosten van de gevelschade. De scheurvorming zal naar verwachting niet leiden tot een gevaarlijke situatie en is vooral een bouwkundig probleem.
Voor het maken van een keuze hierin is het nodig om een nader funderingsonderzoek uit te voeren waarbij de actuele staat van de palen en het funderingshout aan de voorzijde opnieuw beoordeeld wordt. Dan kan ook het aanlegniveau van de fundering worden ingemeten. Tevens kan een geotechnisch adviseur gevraagd worden om een zakkingsprognose te maken van de kelderbak.”
3Het geschil
in conventie
3.1.
Fynix vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. de VVE te veroordelen om het funderingsherstel aan de mandelige muur en/of fundering te gehengen en gedogen en daaraan waar nodig hun medewerking te verlenen, op straffe van een dwangsom;
II. de VVE te veroordelen om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis volledige medewerking te verlenen aan een nulmeting (door Bopex), op straffe van een dwangsom;
III. de VVE te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
Fynix legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Er is een noodzaak om nu tot funderingsherstel over te gaan. Allnamics heeft in oktober 2024 gemeld dat de fundering code 3 heeft, die neigt naar code 4. De fundering is sindsdien niet verbeterd en verder onderzoek dient dan ook geen doel. Omdat Fynix nu al bezig is met verbouwingswerkzaamheden kan van haar niet worden verlangd om over 1-15 jaar wederom werkzaamheden te moeten verrichten aan de fundering. De bewoners/gebruikers die op dat moment in het pand zitten moeten er dan weer uit, met alle kosten van dien. Daarom is in de gegeven omstandigheden sprake van een noodzaak om op korte termijn funderingswerkzaamheden te verrichten. Bovendien is het noodzakelijkheidsvereiste hier eigenlijk niet aan de orde omdat Fynix bereid is alle kosten van funderingsherstel van de mandelige muur te betalen en zij dus geen bijdrage vraagt aan de VVE. Alleen in het kader van de bijdrageplicht (van artikel 5:65 Burgerlijk Wetboek (BW)) geldt dat er een objectieve noodzaak voor funderingsherstel moet zijn.
3.3.
De VVE voert verweer. De VVE dient toestemming te verlenen voor funderingsherstel aan de mandelige muur. De VVE heeft deze toestemming niet verleend. De VVE betwist namelijk de objectieve noodzaak voor funderingsherstel – die ook is vereist als Fynix geen bijdrage vraagt aan de VVE – en vindt dat daar in ieder geval meer onderzoek naar moet worden gedaan, ook voor de risico’s voor de VVE. Verder ontbreekt het volledig aan overleg. De VVE staat niet onwelwillend tegenover funderingsherstel maar heeft meer informatie nodig om een gedegen afweging te kunnen maken voordat zij toestemming verleent voor werkzaamheden aan het pand die onomkeerbaar zijn.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
De VVE vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. Fynix te veroordelen alle werkzaamheden aan de mandelige fundering en de mandelige muur tussen de panden [adres 2] en [adres 1] te staken en gestaakt te houden totdat door een gezamenlijk te benoemen onafhankelijk deskundige nader funderingsonderzoek is verricht en partijen op basis daarvan overeenstemming hebben bereikt over de wijze van uitvoering van de werkzaamheden, dan wel een rechter in een bodemprocedure hierover heeft beslist, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
II. Fynix te veroordelen haar medewerking te verlenen aan een onafhankelijk funderingsonderzoek waarbij de actuele staat van de palen en het funderingshout van de mandelige fundering tussen de panden [adres 2] en [adres 1] wordt beoordeeld, zulks door een in overleg tussen partijen te benoemen onafhankelijk deskundige, op straffe van een dwangsom.
3.6.
De VVE legt aan de vordering het volgende ten grondslag. In samenhang met haar verweer in conventie stelt de VVE dat de noodzaak tot funderingsherstel (nog) niet vaststaat. Daarom moet hier onafhankelijk onderzoek naar worden gedaan en moeten partijen vervolgens overeenstemming bereiken over de wijze van uitvoering van de werkzaamheden. Tot die tijd moet Fynix de werkzaamheden aan de mandelige muur staken.
3.7.
Fynix voert verweer. Voor het instellen van de vorderingen is een vergaderbesluit van de VVE vereist. Die is niet overgelegd en daarom moet de VVE niet-ontvankelijk worden verklaard. Daarnaast liggen de werkzaamheden aan de mandelige muur nu al helemaal stil, daarom bestaat er geen grondslag voor de vorderingen en heeft de VVE hier ook geen belang bij. Daarnaast heeft de VVE geen (spoedeisend) belang bij een onafhankelijk funderingsonderzoek omdat zij immers niet zelf werkzaamheden aan de fundering wil uitvoeren.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie en in reconventie
4.1.
De vraag die voorligt in conventie is of de VVE heeft te gehengen en te gedogen dat Fynix werkzaamheden uitvoert aan de mandelige fundering en muur (zonder dat de VVE in de kosten hiervan hoeft bij te dragen). De VVE vordert in reconventie het spiegelbeeldige; dat Fynix de werkzaamheden aan de mandelige fundering en muur moet staken en eerst moet meewerken aan een onafhankelijk funderingsonderzoek. Vanwege de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie worden deze gezamenlijk behandeld.
Juridisch kader
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de muur die [adres 2] en [adres 1] scheidt mandelig (gemeenschappelijk eigendom) is en dat de fundering onder die muur daar deel van uitmaakt. Daarom zijn partijen deelgenoten in de zin van de titel Gemeenschap van boek 3 BW.
4.3.
In artikel 3:170 BW is geregeld wie van de deelgenoten handelingen mag verrichten met betrekking tot gemeenschappelijke goederen. Vernieuwing van de fundering onder een mandelige muur valt onder artikel 3:170 lid 3 BW, dat betrekking heeft op andere handelingen dan de in lid 1 en lid 2 vermelde handelingen. Vernieuwing is immers geen beheersdaad als bedoeld in artikel 3:170 lid 2, aangezien vernieuwen verder gaat dan beheren.
4.4.
Artikel 3:170 lid 3 BW bepaalt dat deelgenoten uitsluitend gezamenlijk bevoegd zijn. Het uitgangspunt is dus dat vernieuwing van de fundering onder een mandelige muur alleen met wederzijdse instemming kan plaatsvinden. Dat betekent niet dat het deelgenoten steeds vrij staat een verzoek te weigeren van de andere deelgenoot om mee te werken aan zo’n vernieuwing. Deelgenoten zijn op grond van artikel 3:166 lid 3 in samenhang met artikel 6:2 BW verplicht om zich tegenover elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid en zij moeten op zorgvuldige wijze met de wederzijdse belangen omgaan. Daaruit vloeit voort dat onder bepaalde omstandigheden een mede-eigenaar van een mandelige muur gehouden kan zijn medewerking te verlenen aan vernieuwing van de fundering. In de kern komt het neer op een belangenafweging.
Standpunten/belangen partijen
4.5.
Het belang van Fynix is gelegen in de financiële haalbaarheid van haar commerciële project: het renoveren, splitsen, uitbreiden en verkopen van [adres 2] . Zij heeft het pand aangekocht om het te renoveren en de bovenste verdiepingen te splitsen in meerdere appartementen en die te verhuren, om de renovatie te kunnen bekostigen. Omdat Fynix nu al bezig is met de verbouwingswerkzaamheden om een complete renovatie van het pand uit te voeren, kan van haar niet worden verlangd om over 1 tot 15 jaar wederom werkzaamheden te moeten verrichten aan de fundering. Daardoor zullen immers ook extra kosten ontstaan doordat de begane grond verdieping onbruikbaar wordt gemaakt, de gebruikers eruit moeten en zelfs de gebruikers van de bovenste verdiepingen waarschijnlijk tijdelijk hun woningen moeten verlaten. Onder die omstandigheden is sprake van een objectieve noodzaak voor Fynix om nu, op korte termijn, de funderingswerkzaamheden te verrichten. Bovendien is voldoende gebleken dat sprake is van een fundering die hersteld moet worden, blijkens de bevindingen van Allnamics, die heeft geoordeeld dat sprake is van een code 3, die neigt naar code 4. De vrees van scharnierwerking waar de VVE bang voor is, is onvoldoende onderbouwd.
Verder is in de op 3 februari 2026 aan Fynix verleende woningvormingsvergunning bepaald dat binnen 6 maanden gebruik gemaakt moet worden van de vergunning en ook feitelijke ingebruikname moet worden gemeld. Van die periode is inmiddels bijna de helft van de tijd verstreken, en dat komt met name doordat de VVE het proces onredelijk vertraagt en telkens nieuwe eisen stelt.
4.6.
Het belang van de VVE om op dit moment (nog) geen toestemming te verlenen is erin gelegen dat zij wenst te voorkomen dat haar pand na de werkzaamheden, die een van haar buitenmuren zou fixeren, een scharnierpand wordt, en dat zij de aan eventueel eigen funderingsherstel verbonden kosten en overlast zo lang mogelijk wil uitstellen.
De vrees om een scharnierpand te worden is volgens de VVE geen speculatieve vrees maar een door een onafhankelijke deskundige (Pieters) onderschreven reëel risico. Uit het onderzoek blijkt dat de fundering van de VVE nog goed is, maar daarin schuilt juist het probleem; als Fynix de mandelige muur van nrs. [adres 2] - [adres 1] zal verbeteren, zal de zakking aan die kant ophouden, maar zal de fundering aan de andere zijde tussen nrs. [adres 1] - [adres 3] blijven zakken. Dit leidt op lange termijn tot scheurvorming en schade aan de kozijnen. Op die manier moet de VVE dan eerder overgaan tot funderingsherstel aan haar andere zijde, terwijl in de situatie dat Fynix (nog) niet overgaat tot funderingsherstel dit waarschijnlijk nog lange tijd niet nodig is omdat slechts sprake is van een ‘normale’ zakking. De VVE heeft daarom belang bij informatie over de staat van de huidige fundering en de risico’s als Fynix overgaat tot funderingsherstel zodat zij een gedegen afweging kan maken.
Nader onderzoek nodig
4.7.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van de VVE zwaarder weegt. Hiertoe is het volgende relevant.
4.8.
Het is begrijpelijk dat Fynix een spoedeisend en financieel/commercieel belang heeft bij een zo snel mogelijk funderingsherstel. Dat betekent echter niet dat zij geen waarde hoeft te hechten aan het belang van de VVE. Fynix dient de VVE voldoende comfort te bieden door haar meer informatie te verschaffen over de huidige staat van de fundering, wat er gebeurt als er wel funderingsherstel plaatsvindt aan de zijde van nrs. [adres 2] - [adres 1] en niet aan de zijde van nrs. [adres 1] - [adres 3] , en welke risico’s dat mogelijk in de toekomst met zich meebrengt. Dat vloeit voort uit hoe zij overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid op zorgvuldige wijze met elkaars belangen moeten omgaan.
Hoewel Fynix de kosten voor het funderingsherstel wil dragen, betekent dat niet dat zij geen rekening hoeft te houden met het (zwaarwegend) belang van de VVE dat zij wil weten of er een objectieve noodzaak is voor het funderingsherstel.
4.9.
Over die noodzaak van funderingsherstel bestaan nu twee verschillende (tegenover elkaar staande) rapporten: de bevindingen van de door Fynix ingeschakelde expert Allnamics en de memo en het rapport van de door de VVE ingeschakelde expert Pieters.
Volgens Allnamics worden de rotaties beoordeeld als groot en matig, is sprake van forse voorstand (scheefstand tussen voor en achter) en zijn er ook lelijke scheuren waargenomen. Daarom is volgens Allnamics de staat van de fundering al dusdanig dat binnen 5 tot 15 jaar (code 3) of 1 tot 5 jaar (code 4) herstel nodig is.
Pieters heeft betoogd dat enkel een scheefstandmeting niet voldoende is om de staat van de fundering te onderzoeken. Dat heeft zij toegelicht aan de hand van [adres 3] , waarbij dat pand ook een zakkingsverschil had tussen de voor- en achtergevel maar de fundering in goede staat bleek. Volgens Pieters is een inspectieput/funderingsput nodig om de toestand van de fundering te laten onderzoeken. Daarnaast heeft Pieters toegelicht dat door funderingsherstel bij [adres 2] , nr. [adres 4] en [adres 1] scharnierpanden zullen worden, maar dat dit verschil niet meteen zichtbaar zal zijn, maar op termijn zal leiden tot scheurvorming. Ook voor dit probleem en de keuze hoe dat op te vangen/op te lossen is volgens Pieters nader funderingsonderzoek nodig zodat een zakkingsprognose kan worden gemaakt.
4.10.
Uit deze -uiteenlopende- informatie kan nu niet voldoende worden afgeleid of de noodzaak tot funderingsherstel op dit moment of op korte termijn bestaat en wat de gevolgen zijn van het worden van een scharnierpand voor [adres 1] en de (eventuele) risico’s op schade. Omdat hierover geen duidelijkheid bestaat, is er nader onderzoek nodig. Het belang van de VVE om hier duidelijkheid over te krijgen alvorens zij toestemming geeft voor het funderingsherstel weegt zwaarder dan het belang van Fynix, dat zij verplicht is, vanwege haar persoonlijke wens/keus tot splitsing, nu over te gaan tot funderingsherstel omdat op grond van de verleende splitsingsvergunning een code 2 vereist is.
4.11.
Daarom is het noodzakelijk dat eerst nader onderzoek naar de staat van de fundering wordt verricht voordat Fynix tot funderingsherstel over gaat. Daarop zijn ook de tegenvorderingen van de VVE gericht. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan het verweer van Fynix over het ontbreken van een vergaderbesluit tot het instellen van deze vorderingen, omdat ter zitting drie van de zes leden van de (indirecte) VVE aanwezig waren en de advocaten hebben gezegd er voor in te staan dat de vorderingen conform de wens van de VVE is. Dat er geen belang of grondslag zou zijn bij de vorderingen zoals betoogd door Fynix, wordt niet ingezien. De verwachting is dat met een onafhankelijk funderingszaak meer duidelijkheid ontstaat over de noodzaak van herstel en de mogelijke risico’s en de daarin te maken afwegingen. Dat is -mede- in het belang van de VVE. Daarom zal de tegenvordering van de VVE worden toegewezen. Fynix moet meewerken aan een onafhankelijk funderingsonderzoek waarbij de actuele staat van de palen en het funderingshout van de mandelige fundering tussen [adres 2] en [adres 1] wordt beoordeeld. Totdat dit onderzoek is verricht en partijen vervolgens overeenstemming hebben bereikt over de wijze van uitvoering van de werkzaamheden mag Fynix geen werkzaamheden verrichten aan de mandelige fundering en mandelige muur. Aan deze veroordeling voor Fynix zal een dwangsom worden verbonden zoals door de VVE gevorderd.
De voorzieningenrechter merkt hierbij nog wel op dat de VVE ter zitting heeft toegezegd dat als uit het rapport blijkt dat de noodzaak voor funderingsherstel er is, zij mee zal werken. De voorzieningenrechter gaat er dan ook van uit dat de VVE dat zal doen, en niet nieuwe eisen zal opwerpen.
4.12.
Spiegelbeeldig worden de vorderingen van Fynix in conventie, dat de VVE nu funderingsherstel moet gehengen en gedogen, gelet op het voorgaande afgewezen.
Proceskosten
4.13.
Fynix is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de VVE worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.15.
Fynix is ook in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de VVE in reconventie worden gelet op de samenhang met de vorderingen in conventie tot op heden begroot op nihil.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt Fynix in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Fynix niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt Fynix tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.5.
veroordeelt Fynix alle werkzaamheden aan de mandelige fundering en de mandelige muur tussen de panden [adres 2] en [adres 1] te staken en gestaakt te houden totdat door een gezamenlijk te benoemen onafhankelijk deskundige nader funderingsonderzoek is verricht en partijen op basis daarvan overeenstemming hebben bereikt over de wijze van uitvoering van de werkzaamheden,
5.6.
veroordeelt Fynix haar medewerking te verlenen aan een onafhankelijk funderingsonderzoek waarbij de actuele staat van de palen en het funderingshout van de mandelige fundering tussen de panden [adres 2] en [adres 1] wordt beoordeeld, zulks door een in overleg tussen partijen te benoemen onafhankelijk deskundige,
5.7.
veroordeelt Fynix om aan de VVE een dwangsom te betalen van € 1.250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 5.5 en/of 5.6 voldoet, tot een maximum van € 125.000,00 is bereikt,
5.8.
veroordeelt Fynix in de proceskosten van de VVE, tot op heden begroot op nihil,
5.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
type: EvK
coll: KH
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/786801 / KG ZA 26-322 EAM/EvK
Vonnis in kort geding van 3 juni 2026
in de zaak van
FYNIX CAPITAL B.V.,
te Heemstede,
eisende partij in conventie bij niet-betekende dagvaarding,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Fynix,
advocaat: mr. W.M. van Agt,
tegen
DE VERENIGING VAN EIGENAARS [gedaagde],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie, vrijwillig verschenen,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de VVE,
advocaat: mr. S.A.B. Boer en mr. F.S. Ahsman.
1De procedure
1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 20 mei 2026 heeft Fynix de dagvaarding toegelicht. De VVE heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord, en een tegenvordering (eis in reconventie) ingesteld. Fynix heeft de tegenvordering bestreden. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en Fynix ook een pleitnota.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
aan de zijde van Fynix: [naam 1] , [functie] , met mr. Van Agt,
aan de zijde van de VVE: [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , met mr. Boer en mr. Ashman.
1.3.
Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
Fynix is belegger en is sinds 30 december 2024 eigenaar van het pand aan de [adres 2] (hierna: [adres 2] ). Fynix heeft dit pand gekocht om het te renoveren en de bovenste verdiepingen te splitsen in meerdere appartementen.
2.2.
Voorafgaand aan de koop heeft Allnamics Geotechnical Experts B.V. (hierna: Allnamics) in opdracht van Fynix metingen verricht met betrekking tot de fundering van [adres 2] . Allnamics heeft op 25 oktober 2024 een e-mail gestuurd met haar bevindingen. Hierin staat, voor zover relevant:
“(…) Het pand is fors voorover gezakt, dit resulteert in rotaties van 1 : 97 tot 1: 115 ter plaatse van de bouwmuren. Deze rotaties worden respectievelijk beoordeeld als Groot en Matig. Rotaties groter dan 1 : 150 zijn in het kader van splitsen aanleiding om een inspectieput te graven. Bij [adres 1] en [adres 3] zijn 20 à 25 jaar putjes achter gegraven. De funderingen zagen er toen redelijk uit. Deze panden stonden ook voorover maar wel een stuk minder dan [adres 2] . Voor die panden kon destijds nog worden gesteld dat de funderingsinspecties aan de achterzijde voldoende representatief waren voor de gehele fundering. Gezien de forse voorstand kunnen we dat hier niet stellen. Verder zijn er ook wat lelijke scheuren waargenomen tijdens de meting.
Voorlopig komen wij uit op een code 3, die neigt naar een code 4. (…)”
Voor funderingsherstel wordt een code afgegeven, die aangeeft binnen welke termijn noodzakelijk herstel nodig is. Code 3 betekent dat noodzakelijk herstel binnen 5-15 jaar moet plaatsvinden en code 4 binnen 1-5 jaar.
2.3.
Op 4 november 2025 heeft Fynix een omgevingsvergunning verkregen voor het splitsen van de appartementen op de derde en vierde verdieping in vier zelfstandige woningen. In de voorwaarde van de omgevingsvergunning staat dat de fundering (minstens) een code 2 beoordeling moet hebben.
2.4.
Het naastgelegen pand aan de [adres 1] (hierna: [adres 1] ) is gesplitst in twee appartementsrechten, die zijn verenigd in de VVE, die belast is met het beheer van [adres 1] .
2.5.
In maart 2025 is Fynix begonnen met het leeghalen van [adres 2] en is zij gestart met de sloopwerkzaamheden. Eind oktober 2025 is Fynix begonnen met de voorbereidende werkzaamheden voor het funderingsherstel.
2.6.
In december 2025 heeft de VVE een bezwaarschrift ingediend tegen de verleende omgevingsvergunning van 4 november 2025 (zie 2.3). Fynix kwam hier in januari 2026 achter en heeft vervolgens contact gezocht met de VVE. De VVE heeft laten weten geen toestemming te hebben gegeven voor werkzaamheden aan de mandelige muur voor het funderingsherstel. In de periode januari-maart 2026 hebben Fynix en de VVE veelvuldig gecorrespondeerd over hun verschillende standpunten ten aanzien van het funderingsherstel en mogelijke oplossingsrichtingen. Fynix heeft gemeld dat zij alle kosten van het funderingsherstel van de mandelige muur zal dragen. De VVE heeft Fynix meerdere keren verzocht om toezending van de stukken ter onderbouwing van de noodzaak tot funderingsherstel.
2.7.
Op 17 maart 2026 heeft Fynix de VVE stukken toegestuurd (meetrapport van 24 oktober 2024, conclusies van Allnamics aan de hand van dat meetrapport, informatie over de aannemer en de CAR-verzekering, de beoogde werkzaamheden en plannen ter zake de fundering, een geotechnisch advies en de statische berekening). In deze brief heeft Fynix de VVE een voorstel gedaan om het geschil over het funderingsherstel op te lossen. Dat voorstel bestond uit het verlenen van toestemming door de VVE aan het funderingsherstel en intrekking van haar bezwaarschrift, waarbij Fynix nu en in de toekomst zou afzien van haar aanspraak op meebetalen aan de werkzaamheden, het uitvoeren van een nulmeting door een onafhankelijk expert, de toezegging van Fynix eventuele schade op haar kosten en naar tevredenheid van de VVE te laten herstellen en het desgewenst vastleggen van deze afspraken in een vaststellingsovereenkomst. De VVE heeft op 31 maart 2026 gereageerd dat uit de onderbouwing van Fynix niet de noodzaak van het funderingsherstel blijkt. De VVE heeft daarom voorgesteld om destructief onderzoek te doen om de noodzaak van het funderingsherstel vast te stellen.
2.8.
Pieters Bouwtechniek Amsterdam B.V. (hierna: Pieters) heeft in opdracht van de VVE onderzoek gedaan naar de constructieve gevolgen van de voorgenomen funderingswerkzaamheden van Fynix. In haar memo van 20 april 2026 staat, voor zover relevant:
“(…) INSPECTIE
Op meerdere plekken in de woning is scheurvorming opgetreden. Relatief grote scheurvorming zit in de woonkamer in de woningscheidende wand met [adres 2] . De scheuren zijn ontstaan nadat aan de zijde van [adres 2] een schoorsteen was weggehakt. Aan de kant van [adres 1] zat in het verleden eenzelfde schoorsteen maar die is al eerder weggehaald.
(…)
FUNDERING
In aanvulling op het eerdere archiefonderzoek zijn ook archiefstukken opgevraagd van het buurpand [adres 3] . Bij dit pand is in 2005 funderingsonderzoek geweest als onderdeel van een splitsingsaanvraag. De fundering van nr. [adres 3] was in goede staat. Er waren geen aanwijzingen voor een gebrek aan de fundering en er heeft geen funderingsherstel plaatsgevonden. Het pand heeft wel een zakkingsverschil van 120 mm tussen de voor- en achtergevel. Dit laat ook weer zien dat een zakkingsverschil alleen niet voldoende is als bewijs voor een slechte fundering. Het is hooguit een aanwijzing, maar voor een definitieve conclusie is echt een inspectieput nodig.
(…)
AANBEVELINGEN
(…)
Om de noodzaak van funderingsherstel voor deze mandelige muur aan te tonen en toestemming te verkrijgen kan hij op eigen kosten vanuit zijn eigen pand een funderingsput laten graven om de toestand van de fundering te laten onderzoeken. Alleen een scheefstandmeting is hiervoor niet voldoende. (…)”
In het rapport van Pieters van 12 mei 2026 staat verder:
“(…) 6. Conclusies
(…)
Zettingen zoals deze zijn een veel voorkomend verschijnsel in de hele oude binnenstad van [plaats] (al verschilt de mate wel per locatie) en zijn geen reden tot zorg zolang ze min of meer gelijkmatig optreden. Dat is hier het geval.
De funderingsonderzoeken van Fugro (2001) en IFCO (2006) laten geen ernstige funderingsproblemen zien. In theorie is het mogelijk dat de toestand van het funderingshout in de afgelopen 25 jaar verslechterd is, maar de recente metingen en waarnemingen wijzen daar niet op. De werkzaamheden bij [adres 2] geven wel de mogelijkheid om relatief eenvoudig nieuw funderingsonderzoek te doen, ook aan de straatzijde van binnenuit.
Door het aanbrengen van nieuwe, extra funderingspalen onder [adres 2] neemt het draagvermogen lokaal toe wat de zakkingssnelheid van dit pand flink zal reduceren ten opzichte van de andere panden in het blok. Dit wordt nog verergerd doordat de nieuwe palen een grotere inheidiepte krijgen dan de bestaande houten heipalen (…). De nieuwe palen staan immers in een andere, diepere zandlaag. De panden nr. [adres 4] en [adres 1] zullen scharnierpanden worden, doordat de zettingsverschillen in deze panden worden geabsorbeerd. Dit zal niet meteen zichtbaar zijn, maar op termijn zal dit leiden tot scheurvorming in met name de voor- en achtergevel en tot schade aan de kozijnen.
Mogelijke oplossingsrichtingen zijn:
Het funderingsherstel plus aanbrengen kelder bij [adres 2] niet uitvoeren;
Ook funderingsherstel uitvoeren bij nrs. [adres 4] en [adres 1] . Hierdoor schuift het probleem echter op naar de daarnaast gelegen panden;
Het afkopen van de terugkerende herstelkosten van de gevelschade. De scheurvorming zal naar verwachting niet leiden tot een gevaarlijke situatie en is vooral een bouwkundig probleem.
Voor het maken van een keuze hierin is het nodig om een nader funderingsonderzoek uit te voeren waarbij de actuele staat van de palen en het funderingshout aan de voorzijde opnieuw beoordeeld wordt. Dan kan ook het aanlegniveau van de fundering worden ingemeten. Tevens kan een geotechnisch adviseur gevraagd worden om een zakkingsprognose te maken van de kelderbak.”
3Het geschil
in conventie
3.1.
Fynix vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. de VVE te veroordelen om het funderingsherstel aan de mandelige muur en/of fundering te gehengen en gedogen en daaraan waar nodig hun medewerking te verlenen, op straffe van een dwangsom;
II. de VVE te veroordelen om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis volledige medewerking te verlenen aan een nulmeting (door Bopex), op straffe van een dwangsom;
III. de VVE te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
Fynix legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Er is een noodzaak om nu tot funderingsherstel over te gaan. Allnamics heeft in oktober 2024 gemeld dat de fundering code 3 heeft, die neigt naar code 4. De fundering is sindsdien niet verbeterd en verder onderzoek dient dan ook geen doel. Omdat Fynix nu al bezig is met verbouwingswerkzaamheden kan van haar niet worden verlangd om over 1-15 jaar wederom werkzaamheden te moeten verrichten aan de fundering. De bewoners/gebruikers die op dat moment in het pand zitten moeten er dan weer uit, met alle kosten van dien. Daarom is in de gegeven omstandigheden sprake van een noodzaak om op korte termijn funderingswerkzaamheden te verrichten. Bovendien is het noodzakelijkheidsvereiste hier eigenlijk niet aan de orde omdat Fynix bereid is alle kosten van funderingsherstel van de mandelige muur te betalen en zij dus geen bijdrage vraagt aan de VVE. Alleen in het kader van de bijdrageplicht (van artikel 5:65 Burgerlijk Wetboek (BW)) geldt dat er een objectieve noodzaak voor funderingsherstel moet zijn.
3.3.
De VVE voert verweer. De VVE dient toestemming te verlenen voor funderingsherstel aan de mandelige muur. De VVE heeft deze toestemming niet verleend. De VVE betwist namelijk de objectieve noodzaak voor funderingsherstel – die ook is vereist als Fynix geen bijdrage vraagt aan de VVE – en vindt dat daar in ieder geval meer onderzoek naar moet worden gedaan, ook voor de risico’s voor de VVE. Verder ontbreekt het volledig aan overleg. De VVE staat niet onwelwillend tegenover funderingsherstel maar heeft meer informatie nodig om een gedegen afweging te kunnen maken voordat zij toestemming verleent voor werkzaamheden aan het pand die onomkeerbaar zijn.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
De VVE vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. Fynix te veroordelen alle werkzaamheden aan de mandelige fundering en de mandelige muur tussen de panden [adres 2] en [adres 1] te staken en gestaakt te houden totdat door een gezamenlijk te benoemen onafhankelijk deskundige nader funderingsonderzoek is verricht en partijen op basis daarvan overeenstemming hebben bereikt over de wijze van uitvoering van de werkzaamheden, dan wel een rechter in een bodemprocedure hierover heeft beslist, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
II. Fynix te veroordelen haar medewerking te verlenen aan een onafhankelijk funderingsonderzoek waarbij de actuele staat van de palen en het funderingshout van de mandelige fundering tussen de panden [adres 2] en [adres 1] wordt beoordeeld, zulks door een in overleg tussen partijen te benoemen onafhankelijk deskundige, op straffe van een dwangsom.
3.6.
De VVE legt aan de vordering het volgende ten grondslag. In samenhang met haar verweer in conventie stelt de VVE dat de noodzaak tot funderingsherstel (nog) niet vaststaat. Daarom moet hier onafhankelijk onderzoek naar worden gedaan en moeten partijen vervolgens overeenstemming bereiken over de wijze van uitvoering van de werkzaamheden. Tot die tijd moet Fynix de werkzaamheden aan de mandelige muur staken.
3.7.
Fynix voert verweer. Voor het instellen van de vorderingen is een vergaderbesluit van de VVE vereist. Die is niet overgelegd en daarom moet de VVE niet-ontvankelijk worden verklaard. Daarnaast liggen de werkzaamheden aan de mandelige muur nu al helemaal stil, daarom bestaat er geen grondslag voor de vorderingen en heeft de VVE hier ook geen belang bij. Daarnaast heeft de VVE geen (spoedeisend) belang bij een onafhankelijk funderingsonderzoek omdat zij immers niet zelf werkzaamheden aan de fundering wil uitvoeren.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie en in reconventie
4.1.
De vraag die voorligt in conventie is of de VVE heeft te gehengen en te gedogen dat Fynix werkzaamheden uitvoert aan de mandelige fundering en muur (zonder dat de VVE in de kosten hiervan hoeft bij te dragen). De VVE vordert in reconventie het spiegelbeeldige; dat Fynix de werkzaamheden aan de mandelige fundering en muur moet staken en eerst moet meewerken aan een onafhankelijk funderingsonderzoek. Vanwege de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie worden deze gezamenlijk behandeld.
Juridisch kader
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de muur die [adres 2] en [adres 1] scheidt mandelig (gemeenschappelijk eigendom) is en dat de fundering onder die muur daar deel van uitmaakt. Daarom zijn partijen deelgenoten in de zin van de titel Gemeenschap van boek 3 BW.
4.3.
In artikel 3:170 BW is geregeld wie van de deelgenoten handelingen mag verrichten met betrekking tot gemeenschappelijke goederen. Vernieuwing van de fundering onder een mandelige muur valt onder artikel 3:170 lid 3 BW, dat betrekking heeft op andere handelingen dan de in lid 1 en lid 2 vermelde handelingen. Vernieuwing is immers geen beheersdaad als bedoeld in artikel 3:170 lid 2, aangezien vernieuwen verder gaat dan beheren.
4.4.
Artikel 3:170 lid 3 BW bepaalt dat deelgenoten uitsluitend gezamenlijk bevoegd zijn. Het uitgangspunt is dus dat vernieuwing van de fundering onder een mandelige muur alleen met wederzijdse instemming kan plaatsvinden. Dat betekent niet dat het deelgenoten steeds vrij staat een verzoek te weigeren van de andere deelgenoot om mee te werken aan zo’n vernieuwing. Deelgenoten zijn op grond van artikel 3:166 lid 3 in samenhang met artikel 6:2 BW verplicht om zich tegenover elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid en zij moeten op zorgvuldige wijze met de wederzijdse belangen omgaan. Daaruit vloeit voort dat onder bepaalde omstandigheden een mede-eigenaar van een mandelige muur gehouden kan zijn medewerking te verlenen aan vernieuwing van de fundering. In de kern komt het neer op een belangenafweging.
Standpunten/belangen partijen
4.5.
Het belang van Fynix is gelegen in de financiële haalbaarheid van haar commerciële project: het renoveren, splitsen, uitbreiden en verkopen van [adres 2] . Zij heeft het pand aangekocht om het te renoveren en de bovenste verdiepingen te splitsen in meerdere appartementen en die te verhuren, om de renovatie te kunnen bekostigen. Omdat Fynix nu al bezig is met de verbouwingswerkzaamheden om een complete renovatie van het pand uit te voeren, kan van haar niet worden verlangd om over 1 tot 15 jaar wederom werkzaamheden te moeten verrichten aan de fundering. Daardoor zullen immers ook extra kosten ontstaan doordat de begane grond verdieping onbruikbaar wordt gemaakt, de gebruikers eruit moeten en zelfs de gebruikers van de bovenste verdiepingen waarschijnlijk tijdelijk hun woningen moeten verlaten. Onder die omstandigheden is sprake van een objectieve noodzaak voor Fynix om nu, op korte termijn, de funderingswerkzaamheden te verrichten. Bovendien is voldoende gebleken dat sprake is van een fundering die hersteld moet worden, blijkens de bevindingen van Allnamics, die heeft geoordeeld dat sprake is van een code 3, die neigt naar code 4. De vrees van scharnierwerking waar de VVE bang voor is, is onvoldoende onderbouwd.
Verder is in de op 3 februari 2026 aan Fynix verleende woningvormingsvergunning bepaald dat binnen 6 maanden gebruik gemaakt moet worden van de vergunning en ook feitelijke ingebruikname moet worden gemeld. Van die periode is inmiddels bijna de helft van de tijd verstreken, en dat komt met name doordat de VVE het proces onredelijk vertraagt en telkens nieuwe eisen stelt.
4.6.
Het belang van de VVE om op dit moment (nog) geen toestemming te verlenen is erin gelegen dat zij wenst te voorkomen dat haar pand na de werkzaamheden, die een van haar buitenmuren zou fixeren, een scharnierpand wordt, en dat zij de aan eventueel eigen funderingsherstel verbonden kosten en overlast zo lang mogelijk wil uitstellen.
De vrees om een scharnierpand te worden is volgens de VVE geen speculatieve vrees maar een door een onafhankelijke deskundige (Pieters) onderschreven reëel risico. Uit het onderzoek blijkt dat de fundering van de VVE nog goed is, maar daarin schuilt juist het probleem; als Fynix de mandelige muur van nrs. [adres 2] - [adres 1] zal verbeteren, zal de zakking aan die kant ophouden, maar zal de fundering aan de andere zijde tussen nrs. [adres 1] - [adres 3] blijven zakken. Dit leidt op lange termijn tot scheurvorming en schade aan de kozijnen. Op die manier moet de VVE dan eerder overgaan tot funderingsherstel aan haar andere zijde, terwijl in de situatie dat Fynix (nog) niet overgaat tot funderingsherstel dit waarschijnlijk nog lange tijd niet nodig is omdat slechts sprake is van een ‘normale’ zakking. De VVE heeft daarom belang bij informatie over de staat van de huidige fundering en de risico’s als Fynix overgaat tot funderingsherstel zodat zij een gedegen afweging kan maken.
Nader onderzoek nodig
4.7.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van de VVE zwaarder weegt. Hiertoe is het volgende relevant.
4.8.
Het is begrijpelijk dat Fynix een spoedeisend en financieel/commercieel belang heeft bij een zo snel mogelijk funderingsherstel. Dat betekent echter niet dat zij geen waarde hoeft te hechten aan het belang van de VVE. Fynix dient de VVE voldoende comfort te bieden door haar meer informatie te verschaffen over de huidige staat van de fundering, wat er gebeurt als er wel funderingsherstel plaatsvindt aan de zijde van nrs. [adres 2] - [adres 1] en niet aan de zijde van nrs. [adres 1] - [adres 3] , en welke risico’s dat mogelijk in de toekomst met zich meebrengt. Dat vloeit voort uit hoe zij overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid op zorgvuldige wijze met elkaars belangen moeten omgaan.
Hoewel Fynix de kosten voor het funderingsherstel wil dragen, betekent dat niet dat zij geen rekening hoeft te houden met het (zwaarwegend) belang van de VVE dat zij wil weten of er een objectieve noodzaak is voor het funderingsherstel.
4.9.
Over die noodzaak van funderingsherstel bestaan nu twee verschillende (tegenover elkaar staande) rapporten: de bevindingen van de door Fynix ingeschakelde expert Allnamics en de memo en het rapport van de door de VVE ingeschakelde expert Pieters.
Volgens Allnamics worden de rotaties beoordeeld als groot en matig, is sprake van forse voorstand (scheefstand tussen voor en achter) en zijn er ook lelijke scheuren waargenomen. Daarom is volgens Allnamics de staat van de fundering al dusdanig dat binnen 5 tot 15 jaar (code 3) of 1 tot 5 jaar (code 4) herstel nodig is.
Pieters heeft betoogd dat enkel een scheefstandmeting niet voldoende is om de staat van de fundering te onderzoeken. Dat heeft zij toegelicht aan de hand van [adres 3] , waarbij dat pand ook een zakkingsverschil had tussen de voor- en achtergevel maar de fundering in goede staat bleek. Volgens Pieters is een inspectieput/funderingsput nodig om de toestand van de fundering te laten onderzoeken. Daarnaast heeft Pieters toegelicht dat door funderingsherstel bij [adres 2] , nr. [adres 4] en [adres 1] scharnierpanden zullen worden, maar dat dit verschil niet meteen zichtbaar zal zijn, maar op termijn zal leiden tot scheurvorming. Ook voor dit probleem en de keuze hoe dat op te vangen/op te lossen is volgens Pieters nader funderingsonderzoek nodig zodat een zakkingsprognose kan worden gemaakt.
4.10.
Uit deze -uiteenlopende- informatie kan nu niet voldoende worden afgeleid of de noodzaak tot funderingsherstel op dit moment of op korte termijn bestaat en wat de gevolgen zijn van het worden van een scharnierpand voor [adres 1] en de (eventuele) risico’s op schade. Omdat hierover geen duidelijkheid bestaat, is er nader onderzoek nodig. Het belang van de VVE om hier duidelijkheid over te krijgen alvorens zij toestemming geeft voor het funderingsherstel weegt zwaarder dan het belang van Fynix, dat zij verplicht is, vanwege haar persoonlijke wens/keus tot splitsing, nu over te gaan tot funderingsherstel omdat op grond van de verleende splitsingsvergunning een code 2 vereist is.
4.11.
Daarom is het noodzakelijk dat eerst nader onderzoek naar de staat van de fundering wordt verricht voordat Fynix tot funderingsherstel over gaat. Daarop zijn ook de tegenvorderingen van de VVE gericht. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan het verweer van Fynix over het ontbreken van een vergaderbesluit tot het instellen van deze vorderingen, omdat ter zitting drie van de zes leden van de (indirecte) VVE aanwezig waren en de advocaten hebben gezegd er voor in te staan dat de vorderingen conform de wens van de VVE is. Dat er geen belang of grondslag zou zijn bij de vorderingen zoals betoogd door Fynix, wordt niet ingezien. De verwachting is dat met een onafhankelijk funderingszaak meer duidelijkheid ontstaat over de noodzaak van herstel en de mogelijke risico’s en de daarin te maken afwegingen. Dat is -mede- in het belang van de VVE. Daarom zal de tegenvordering van de VVE worden toegewezen. Fynix moet meewerken aan een onafhankelijk funderingsonderzoek waarbij de actuele staat van de palen en het funderingshout van de mandelige fundering tussen [adres 2] en [adres 1] wordt beoordeeld. Totdat dit onderzoek is verricht en partijen vervolgens overeenstemming hebben bereikt over de wijze van uitvoering van de werkzaamheden mag Fynix geen werkzaamheden verrichten aan de mandelige fundering en mandelige muur. Aan deze veroordeling voor Fynix zal een dwangsom worden verbonden zoals door de VVE gevorderd.
De voorzieningenrechter merkt hierbij nog wel op dat de VVE ter zitting heeft toegezegd dat als uit het rapport blijkt dat de noodzaak voor funderingsherstel er is, zij mee zal werken. De voorzieningenrechter gaat er dan ook van uit dat de VVE dat zal doen, en niet nieuwe eisen zal opwerpen.
4.12.
Spiegelbeeldig worden de vorderingen van Fynix in conventie, dat de VVE nu funderingsherstel moet gehengen en gedogen, gelet op het voorgaande afgewezen.
Proceskosten
4.13.
Fynix is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de VVE worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.15.
Fynix is ook in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de VVE in reconventie worden gelet op de samenhang met de vorderingen in conventie tot op heden begroot op nihil.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt Fynix in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Fynix niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt Fynix tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.5.
veroordeelt Fynix alle werkzaamheden aan de mandelige fundering en de mandelige muur tussen de panden [adres 2] en [adres 1] te staken en gestaakt te houden totdat door een gezamenlijk te benoemen onafhankelijk deskundige nader funderingsonderzoek is verricht en partijen op basis daarvan overeenstemming hebben bereikt over de wijze van uitvoering van de werkzaamheden,
5.6.
veroordeelt Fynix haar medewerking te verlenen aan een onafhankelijk funderingsonderzoek waarbij de actuele staat van de palen en het funderingshout van de mandelige fundering tussen de panden [adres 2] en [adres 1] wordt beoordeeld, zulks door een in overleg tussen partijen te benoemen onafhankelijk deskundige,
5.7.
veroordeelt Fynix om aan de VVE een dwangsom te betalen van € 1.250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 5.5 en/of 5.6 voldoet, tot een maximum van € 125.000,00 is bereikt,
5.8.
veroordeelt Fynix in de proceskosten van de VVE, tot op heden begroot op nihil,
5.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
type: EvK
coll: KH