Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:9115

2026-08-06 Civiel recht; Personen- en familierecht C/13/790344
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-06
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/13/790344
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot ondertoezichtstelling. Sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, maar voldoende vertrouwen in hulpverlening in het vrijwillige kader.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.841 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Familie- en Jeugdrecht



Zaaknummer: C/13/790344 / JE RK 26-558
Datum uitspraak: 6 augustus 2026




Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling




in de zaak van




de Raad voor de Kinderbescherming,
Amsterdam,
hierna te noemen de Raad,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 1],





[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2021 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 2].



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. S.J. Daniels uit Utrecht,





[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2].



De kinderrechter merkt als informant aan:



de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam, hierna te noemen de GI.





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 juni 2026;


de schriftelijke reactie van de moeder op het Raadsrapport, ontvangen op 6 juli 2026.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder bijgestaan door haar advocaat;
- mevrouw [naam 1] namens de Raad;
- mevrouw [naam 2] namens de GI.





2De feiten


2.1.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn (na 1 januari 2023) erkend door de vader.



2.2.
De vader en de moeder zijn van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].



2.3.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen afwisselend bij hun vader en moeder.





3Het verzoek


3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.
Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], omdat het tot op heden niet is gelukt om noodzakelijk geachte hulpverlening voor met name [minderjarige 1] van de grond te krijgen. Het OKT heeft hier meerdere pogingen toe gedaan, maar de hulpverlening blijft stagneren. Een ander punt van zorg is dat het de Raad niet is gelukt om in het huidige onderzoek voldoende zicht te krijgen op de kinderen omdat moeder geen toestemming heeft gegeven voor het spreken van hen. Ook heeft de Raad zorgen over de wisselende houding van de moeder, haar suïcidale uitspraken, de invloed van het huiselijk geweld in het verleden op de kinderen en de (emotionele) draagkracht van de moeder. De ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op dit moment onvoldoende bereid en/of in staat onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Niet is gebleken dat zij tot op heden akkoord zijn gegaan met de aangeboden hulpverlening. Daarnaast hebben ouders mogelijk onvoldoende aandacht voor wat de gebeurtenissen in het leven van de kinderen met hen kan doen. Regie vanuit de GI is daarom noodzakelijk, zodat zij er op kunnen toezien dat de kinderen niet worden belast door moeders op momenten tekortschietende draagkracht en de stress die zij ervaart. De Raad verzoekt om een ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar. De Raad vindt dit een passende termijn, gezien de zorgen die er zijn en de tijd die nodig is om hulp in te zetten en hier ook het effect van te zien. Door de zorgen die aanwezig zijn is de Raad van mening dat er nog veel onderzocht moet worden en hier vervolgens passende hulpverlening op ingezet moet worden.



4.2.

Door en namens de moeder is het volgende naar voren gebracht. De moeder is het niet eens met het verzoek. Primair verzoekt de moeder het verzoek van de Raad af te wijzen, subsidiair de beslissing op het verzoek aan te houden voor de duur van zes maanden. De moeder staat open voor hulp, werkt overal aan mee en heeft veel contact met het OKT. De moeder zoekt al jaren naar passende hulp voor [minderjarige 1]. Inmiddels staat hij op een wachtlijst voor diagnostisch onderzoek en was met dat onderzoek al een begin gemaakt als onderhavig verzoek niet was ingediend. Een en ander is als gevolg daarvan stil komen te liggen. Als er geen ondertoezichtstelling wordt uitgesproken staat [minderjarige 1] weer op plek één op de wachtlijst.
De moeder is het niet eens met de zorgen zoals benoemd door de Raad. Zo heeft moeder nooit suïcidale uitspraken gedaan. Ze heeft alleen een keer gezegd dat ze “moe” was. Het is uit zijn verband getrokken. Over de ontwikkeling van [minderjarige 2] heeft de moeder geen zorgen. De moeder heeft een ondersteunend netwerk en de vader staat altijd klaar voor de kinderen. Het contact tussen de moeder en de vader verloopt goed.




4.3.
De vader heeft het volgende naar voren gebracht. De vader is het niet eens met het verzoek. Vaders woorden zijn verdraaid weergegeven in het rapport van de Raad. Hij heeft aangegeven dat de moeder mogelijk financiële hulp kan gebruiken, maar hulp in de opvoeding is niet nodig. De vader erkent dat [minderjarige 1] hulp nodig heeft, maar die hulp is door de moeder zelf al aangevraagd.





5De beoordeling


5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat niet aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.



5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd. [minderjarige 1] kampt met kind eigen problematiek waarvoor de juiste hulpverlening nog niet van de grond is gekomen. Hij heeft een bovengemiddelde opvoedvraag en de situatie waarin het gezin verkeert vraagt veel van de moeder. Zowel school, Veilig Thuis als de Raad hebben zorgen geuit over de draagkracht van de moeder door de verzwaarde opvoedlast die zij draagt, haar eigen belaste verleden en haar wisselende houding ten aanzien van de hulpverlening in het verleden. De stress die de moeder op momenten ervaart heeft invloed op de ontwikkeling van zowel [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Daarbij zijn de kinderen in het verleden getuige geweest van huiselijk geweld tussen de ouders. Positief is dat ouders op dit moment het ouderschap gezamenlijk zonder conflicten kunnen vormgeven. Desondanks heeft het verleden zijn weerslag op de ontwikkeling van de kinderen.



5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging voldoende kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De hulpverlening voor [minderjarige 1] staat in de startblokken. De moeder heeft getracht de juiste hulp voor hem op te zetten en onderhoudt contact met school en het OKT. Hoewel in het verleden de hulp niet altijd van de grond is gekomen, vertrouwt de kinderrechter er op dat ouders deze hulp volledig zullen benutten in het belang van [minderjarige 1]. De kinderrechter merkt op dat het van belang is dat ouders open blijven staan voor overleg en in samenspraak met de professionals passende hulp voor [minderjarige 1], en waar nodig voor [minderjarige 2], zullen inzetten.



5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval niet nodig. De kinderrechter wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling af.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
wijst het verzoek af.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026 door mr. J.W.B. Snijders Blok, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.F.J. Kortekaas als griffier, en op schrift gesteld op 12 augustus 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:255 BW.