Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:9113

2026-07-30 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12214904 EA VERZ 26-531
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-30
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12214904 EA VERZ 26-531
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Artikel 7:267 lid 7 BW: op gezamenlijk verzoek van de contractuele (mede) huurders is bepaald dat een van de huurder bij uitsluiting van de ander de huurovereenkomst voortzet

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.710 tekens)
RECHTBANK
AMSTERDAM



Civiel recht
Kantonrechter



Zaaknummer: 12214904 \ EA VERZ 26-531




Vonnis van 30 juni 2026




in de zaak van





1 [verzoeker 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verzoeker 1] ,





2 [verzoeker 2] ,

wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verzoeker 2] ,
verzoekende partijen,
hierna samen te noemen: huurders,
procederend in persoon,






1De procedure


1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met producties, ter griffie ingekomen op 4 mei 2026. Huurders hebben op grond van artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een gezamenlijk verzoek ingediend.





2De feiten


2.1.
Huurders hebben met ingang van 1 april 2020 een huurovereenkomst gesloten met CBRE Global Investors (NL) B.V. (verder: de verhuurder) voor de woning aan het adres [adres] te [plaats] (verder: de woning).



2.2.

[verzoeker 1] heeft een eigen woning gekocht en heeft in december 2025 via de beheerder (MVGM Vastgoedmanagement B.V.) aan de verhuurder laten weten dat hij de woning zal verlaten, niet langer contractueel huurder wil zijn en dat [verzoeker 2] de huur wil voortzetten.



2.3.
Verhuurder heeft te kennen gegeven dat voor een aanpassing van de huurovereenkomst € 350,- betaald dient te worden en dat [verzoeker 2] moet aantonen dat hij een bruto jaarinkomen verdient van 36 keer de huurprijs.



2.4.
Hierna heeft [verzoeker 1] in januari 2026 bevestigd dat hij de woning zal verlaten. De verhuurder heeft hierop laten weten de eenzijdige huuropzegging niet te accepteren en dat [verzoeker 1] daarom aan de huurovereenkomst verbonden blijft.







3Het geschil


3.1.
Huurders verzoeken de kantonrechter bij vonnis te bepalen dat [verzoeker 1] de huurovereenkomst van de woning met ingang van 1 maart 2026 niet langer zal voortzetten en dat de huur vanaf die datum uitsluitend door [verzoeker 2] wordt voortgezet. Verder verzoeken zij voor recht te verklaren dat de uitspraak werking heeft tegenover de verhuurder en haar rechtsopvolgers. Voor het geval deze verzoeken niet worden toegewezen, verzoeken huurders om een tussen hen gesloten vaststellingsovereenkomst (waarin zij de afwikkeling van de huurovereenkomst onderling hebben afgestemd) te vernietigen. Tot slot vragen zij om [verzoeker 1] tot betaling te veroordelen van 50% van het griffierecht.



3.2.
Huurders hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat [verzoeker 1] een andere woning heeft en dat zij op grond van artikel 7:267 lid 7 Burgerlijk Wetboek (verder: BW) en de recente rechtspraak hierover van onder meer de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:1964) de kantonrechter kunnen verzoeken om de status van [verzoeker 1] als medehuurder te laten beëindigen. Een inkomenstoets zoals de verhuurder eist, is daarmee niet te verenigen.





4De beoordeling


4.1.
Op het verzoek van partijen zal worden beslist door middel van een vonnis. Artikel 96 Rv schrijft niet voor op welke wijze er wordt beslist. Nu een verzoek op grond van artikel 7:267 lid 7 BW normaal gesproken wordt ingeleid met een dagvaarding – waarop vervolgens beslist wordt met een vonnis – zal hierop aansluiting worden gezocht.



4.2.
Uit artikel 7:267 lid 7 BW volgt dat de huurder en/of wettelijke medehuurders kunnen vorderen dat de rechter bepaalt dat die huurder of wettelijke medehuurders de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet langer zullen voortzetten, indien dit naar billijkheid, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, geboden is. Volgens vaste rechtspraak is artikel 7:267 lid 7 BW van overeenkomstige toepassing in het geval gezamenlijke huurders uit elkaar gaan. Het gaat dan om gevallen waarin twee of meer personen gezamenlijk een huurovereenkomst met verhuurder hebben gesloten en zij – anders dan in de door artikel 7:266 BW en artikel 7:267 BW bedoelde gevallen – allen partij zijn bij die overeenkomst.



4.3.
De overeenkomstige toepassing van artikel 7:267 lid 7 BW op gezamenlijke huur strekt zich blijkens die rechtspraak ook uit tot de werking tegenover verhuurder. Als dat artikel wordt toegepast, eindigt de huurovereenkomst dus ten aanzien van de vertrekkende huurder(s) op de door de rechter bepaalde dag en wordt de huurovereenkomst ten aanzien van de achterblijvende huurder(s) voortgezet.



4.4.
Dit juridisch toetsingskader in overweging nemende, wordt bepaald dat [verzoeker 1] met ingang van 1 maart 2026 niet langer de huur voortzet. Uit het voorgaande volgt dat een dergelijke uitspraak ook werking heeft tegenover verhuurder. Eventueel andersluidende bepalingen in de huurovereenkomst of algemene voorwaarden kunnen hieraan niet in de weg staan gelet op het dwingendrechtelijk karakter van de regeling in artikel 7:267 lid 7 BW. Nu het verzoek door beide partijen is ingesteld, zullen de vorderingen als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen. Aan het voorwaardelijk ingestelde verzoek wordt niet toegekomen.




4.5.
Op verzoek van partijen zal [verzoeker 1] met de helft van het griffierecht worden belast.




5De beslissing


De kantonrechter



5.1.

bepaalt dat [verzoeker 1] de huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan de

[adres] te [plaats] met ingang van 1 maart 2026 niet langer voortzet en deze huurovereenkomst per diezelfde datum uitsluitend door [verzoeker 2] wordt voortgezet,




5.2.
verklaart voor recht dat de toewijzing van het huurrecht aan [verzoeker 2] werking heeft tegenover de verhuurder van de woonruimte, CBRE Global Investors (NL) B.V., vertegenwoordigd door MVGM Vastgoedmanagement B.V., en haar eventuele rechtsopvolgers,



5.3.
veroordeelt [verzoeker 1] tot betaling aan [verzoeker 2] van € 46,50 aan griffierecht,



5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.



Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026



534