Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:8841
2026-08-18
Strafrecht; Strafprocesrecht
026893-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het hoger beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris op een vordering tot machtiging bevel verwijderen personen en goederen (artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering). Bruikleenovereenkomst of huurovereenkomst? Belangenafweging. Eerlijk proces? Beroep ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2011:BQ9880 Hoge Raad 28-10-2011
- ECLI:NL:HR:2013:1748 Hoge Raad 10-12-2013
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (35.017 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
raadkamernummers: 026893-25
026898-25
datum zitting: 4 augustus 2026
datum beslissing: 18 augustus 2026
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het hoger beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris op een vordering tot machtiging bevel verwijderen personen en goederen (artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering) van
[appellant 1]
, geboren op [geboortedag 1] 1954, en
[appellant 2]
, geboren op [geboortedag 2] 1965,
woonplaats kiezend op het kantoor van hun advocaat mr. M. Rafik, [adres raadsman] , die op de zitting van 9 december 2025 en 4 augustus 2026 werd waargenomen door mr. D.N. Ebinum,
hierna: de appellanten.
1Procesgang
1.1.
De rechtbank stelt op grond van de stukken waaruit de procesgang blijkt het volgende vast.
1.2.
De gemeente Amsterdam vangt sinds het uitbreken van de oorlog in Oekraïne in 2022 Oekraïners op in het kader van de tijdelijke ‘Richtlijn Tijdelijke Bescherming Oekraïne’. Een van de opvangplekken was voormalig woonzorgcentum ‘ [naam voormalig woonzorgcentrum] ’, gelegen aan de [adres voormalig woonzorgcentrum] in Amsterdam.
1.3.
Op 26 oktober 2023 heeft [appellant 1] een ‘Tijdelijke bruikleenovereenkomst verblijfsruimovereenkomst’ gesloten met leegstandbeheerder [naam leegstandbeheerder] (hierna ook: [naam leegstandbeheerder] ) om te kunnen verblijven in kamer [nummer] in de [naam voormalig woonzorgcentrum] .
1.4.
Op 22 april 2025 heeft de gemeente Amsterdam de appellanten een brief geschreven over (de reden van) de verhuizing naar de opvanglocatie aan de [adres opvanglocatie] in Amsterdam.
1.5.
Op 2 juni 2025 heeft [naam leegstandbeheerder] de bruikleenovereenkomst schriftelijk opgezegd omdat de eigenaar van de [naam voormalig woonzorgcentrum] het pand wilde gaan renoveren en voor andere doeleinden gebruiken. [naam leegstandbeheerder] heeft de appellanten vriendelijk verzocht om hun verblijfsruimte in de [naam voormalig woonzorgcentrum] op 30 juni 2025 uiterlijk om 9.00 uur leeg op te leveren.
1.6.
Op 28 juli 2025 heeft [naam leegstandbeheerder] de appellanten uiteindelijk in gebreke gesteld en heeft de gemeente Amsterdam hen dringend verzocht om uiterlijk op 1 augustus 2025 voor 09.30 uur de [naam voormalig woonzorgcentrum] te verlaten.
1.7.
Op 30 juli was [naam programmamanager] , werkzaam bij de gemeente Amsterdam als programmamanager Migratie, Asiel en Opvang, op de [naam voormalig woonzorgcentrum] aanwezig om vragen van bewoners te kunnen beantwoorden. Zij heeft toen alle bewoners gesproken. Er is nogmaals aangekaart dat de deadline van 1 augustus 2025 hard was en dat als men er niet aan zou voldoen, de politie in kennis gesteld zou worden.
1.8.
Op 1 augustus 2025 ’s ochtends vroeg bleek dat er nog vier gezinnen die moesten vertrekken, waaronder het gezin van de appellanten, in de [naam voormalig woonzorgcentrum] aanwezig waren. Kort na 09.30 uur is gevorderd om weg te gaan. De gemeente Amsterdam heeft gewaarschuwd dat als de appellanten het pand niet direct verlieten, zij genoodzaakt was de politie ter plaatse te laten komen en dat als de bewoners na een tweede ronde nog steeds niet vertrokken waren, er aangifte zou worden gedaan hetgeen [naam programmamanager] vervolgens ook heeft gedaan.
1.9.
De officier van justitie heeft op 4 augustus 2025 een vordering ‘machtiging bevel verwijdering personen/goederen’ ex artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ingediend, onder verwijzing naar het proces-verbaal van aangifte, met als doel om (een) opsporingsambtena(a)r(en) te kunnen bevelen alle personen die wederrechtelijk vertoeven in het pand gelegen aan de [adres voormalig woonzorgcentrum] in Amsterdam, kamer [nummer] , alsmede alle voorwerpen die daar ter plaatse worden aangetroffen, te verwijderen of te doen verwijderen.
1.10.
De rechter-commissaris heeft op 6 augustus 2025 de appellanten, hun advocaat, de officier van justitie en [naam programmamanager] gehoord en op 7 augustus 2025 de vordering toegewezen en een machtiging verleend per 8 augustus 2025 om 17.00 uur.
1.11.
De appellanten hebben op 8 augustus 2025 hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris.
1.12.
De rechtbank is op 9 december 2025 begonnen met het behandelen van het hoger beroep. Zij heeft de zaak toen aangehouden omdat de zitting was uitgelopen en zij zich onvoldoende voorgelicht achtte om een beslissing te nemen. Zij wenste nadere vragen te stellen met betrekking tot de fasering en de spoedeisendheid van de ontruiming. De rechtbank heeft de officier van justitie verzocht op de volgende zitting te reageren op het verweer van de advocaat.
1.13.
De officier van justitie heeft op 20 juli 2026 per e-mail haar standpunt kenbaar gemaakt.
1.14.
De advocaat van de appellanten heeft op 22 juli 2026 per e-mail haar standpunt kenbaar gemaakt.
1.15.
De officier van justitie heeft op 29 juli 2026 per e-mail een brief van [naam leegstandbeheerder] gericht aan de gemeente Amsterdam betreffende een conceptovereenkomst van lastgeving aan de rechtbank gestuurd waarin staat dat ‘de kosten voor het beheer door [naam leegstandbeheerder] volgens deze overeenkomst voor rekening van de gemeente [komen]’. Bij deze e-mail is een e-mail gevoegd van [naam programmamanager] waarin staat dat uit de conceptovereenkomst blijkt dat de gemeente heeft aangegeven dat het bedrag (€ 190,00) uit de bruikleenovereenkomst moet en [naam leegstandbeheerder] toezegt dat te doen (zie 5.2.8).
1.16.
De advocaat van de appellanten heeft op 3 augustus 2026 per e-mail gereageerd op het standpunt van de officier van justitie.
1.17.
De rechtbank heeft op 4 augustus 2026 de appellanten, hun advocaat, de officier van justitie en [naam programmamanager] in besloten raadkamer gehoord.
1.18.
De rechtbank merkt op dat de officier van justitie heeft laten weten dat vervolging van de appellanten ter zake van overtreding van artikel 138 (‘huisvredebreuk’), 138a (‘kraken’) of 139 (‘lokaalvredebreuk’) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) niet aan de orde is.
2Beslissing van de rechter-commissaris
De beslissing van de rechter-commissaris van 7 augustus 2025 om de vordering van de officier van justitie toe te wijzen met dien verstande dat de machtiging ingaat vanaf vrijdag 8 augustus 17.00 uur, houdt voor zover van belang het volgende in:
‘2. Beoordeling
2.1.
De rechter-commissaris heeft op 6 augustus 2025 - na hen de cautie te hebben gegeven - gehoord [appellant 1] en [appellant 2] voornoemd, bijgestaan door [naam] , tolk Oekraïens. en mr. M. Rafik (advocaat te Amsterdam), die zich ter zitting heeft gesteld als advocaat van de verdachten. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. Tevens waren aanwezig de officier van justitie en [naam programmamanager] , werkzaam bij de gemeente Amsterdam als programmamanager opvang vluchtelingen, die vragen van de rechter-commissaris hebben beantwoord.
2.2.
Aan mr. Rafik is ter zitting door de rechtbank een procesdossier ter beschikking gesteld en lees- en voorbereidingstijd gegeven.
2.4.
Aan de eis dat de verdachten door de rechter-commissaris moeten worden gehoord is voldaan. Zij zijn opgeroepen te verschijnen voor het verhoor op 6 augustus 2025 om 15.00 uur. De hierboven vermelde personen zijn verschenen. Mr. Rafik, die pas kort voor het verhoor door verdachten was benaderd voor bijstand, heeft ter zitting toestemming gekregen van de rechter-commissaris om stukken na te zenden. De rechtbank heeft van hem die avond om 19:35 uur per mail stukken ontvangen.
2.5.
Uit het dossier volgt dat de verdachten in ieder geval sinds vrijdag 1 augustus 2025, 9:30 uur, zonder toestemming van de eigenaar in het pand verblijven. Namens de Gemeente Amsterdam, die de opvang van ontheemde Oekraïners in onder meer het pand verzorgt, heeft [naam programmamanager] voornoemd op 1 augustus 2025 aangifte gedaan bij de politie. De strafbaarstelling heeft ten doel bescherming van het recht van de eigenaar van het pand en bescherming van de openbare orde.
2.6.
Mr. Rafik heeft tijdens het verhoor allereerst verzocht de zaak aan te houden omdat hij pas kort voor de zitting door verdachten is benaderd en geen stukken heeft.
2.7.
De officier van justitie heeft bezwaar gemaakt tegen de aanhouding. Daartoe stelde zij onder meer dat de zaak geen uitstel duldt omdat:
- de gebruikersovereenkomst met verdachten is geëindigd en zij dus onrechtmatig in het pand verblijven,
- omdat de [naam voormalig woonzorgcentrum] stopt als opvanglocatie en gefaseerd ontruimd moet worden ten behoeve van de verbouwing van het gebouw (tot verzorgingstehuis met voorzieningen en huurwoningen voor senioren) en
- omdat na a.s. vrijdag de beschikbaarheid voor verdachten van de opvangplekken op de nieuwe locatie ( [adres opvanglocatie] ) niet kan worden gegarandeerd.
De Gemeente biedt de bewoners van de [naam voormalig woonzorgcentrum] andere opvang aan, zij moeten in fases verhuizen naar een andere locatie, een groep is al verhuisd, verdachten maken deel uit van een groep die nu moet verhuizen. Het beleid van de Gemeente is dat alleen medische noodzaak en kinderen in de basisschoolleeftijd reden kunnen zijn om wat langer in de [naam voormalig woonzorgcentrum] te mogen blijven (maar uiteindelijk moet iedereen voor het eind van dit jaar de [naam voormalig woonzorgcentrum] hebben verlaten). De nieuwe locatie voldoet aan de minimumeisen volgens de regels, ook al heeft niet elk gezin eigen sanitair zoals op de [naam voormalig woonzorgcentrum] . De officier van justitie vraagt zich af of verdachten wel beseffen dat als zij het aanbod afwijzen er voor hen geen opvangplek meer in Amsterdam is. [naam programmamanager] heeft nog toegelicht: we hebben gekeken wie eigen sanitair moet hebben en die mogen blijven tot einde jaar. Voor wie dat niet geldt: die zijn gevraagd naar de andere locatie te gaan. De noodzaak om voor verdachten een uitzondering zoals hiervoor bedoeld te maken is de Gemeente, nadat zij hun zaak heeft bekeken, niet gebleken.
2.8.
De rechter-commissaris heeft na overleg met partijen de zitting tot 16:00 uur (daarna op verzoek van mr. Rafik nog verlengd met een kwartier) geschorst voor een leespauze en het verzoek om aanhouding afgewezen.
2.9.
Na de schorsing heeft Mr. Rafik, samengevat, het volgende bepleit. De vordering dient te worden afgewezen. Er is geen spoedeisend belang bij de vordering. Uit de brief van de Gemeente van 22 april 2025 blijkt een ander belang (dan door de officier van justitie genoemd) om te ontruimen: dat andere ontheemden ook aan de beurt moeten komen. Dat blijkt uit de zin: “Your move will enable us to help other displaced people from Ukraine.”. Daarnaast heeft een andere bewoonster (Anastasia) vernomen dat een beveiliger € 3.000,00 aan steekpenningen heeft aangenomen om mensen in de [naam voormalig woonzorgcentrum] te plaatsen. Anastasia stelt daarover een geluidsopname van een bericht van haar aan de heer Sabri te hebben. Daarnaast heeft [appellant 1] een herseninfarct (beroerte) gehad en moet hij dus om medische redenen, namelijk in verband met zijn herstel, voorlopig in de [naam voormalig woonzorgcentrum] blijven.
2.10.
De rechter-commissaris overweegt het volgende. De verdachten hebben op grond van artikel 8 EVRM een huisrecht. Ontruiming maakt een ernstige inbreuk op dit recht. Het in artikel 8 lid 2 EVRM besloten proportionaliteitsvereiste brengt mee dat de rechtercommissaris moet toetsen of de in abstracto door de wetgever gegeven voorrang aan het belang van de openbare orde en de rechten van de eigenaren in de concrete omstandigheden van het geval proportioneel is. Dit vraagt om een afweging van de betrokken concrete belangen. Alleen als de verdachten uitzonderlijke omstandigheden aannemelijk maken kan hun huisrecht voorrang krijgen boven het concrete belang bij de ontruimingsvordering. Ontruiming mag echter niet leiden tot ongerechtvaardigde leegstand.
2.11.
Uit het dossier en de behandeling ter zitting is het volgende gebleken:
- De Gemeente Amsterdam vangt sinds 2022 Oekraïners op in het kader van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (2001/55 EG), die Oekraïners in Nederland recht geeft op opvang, medische zorg, onderwijs voor minderjarige kinderen en de mogelijkheid om te werken. De richtlijn is verlengd tot 4 maart 2027.
- In het kader van die opvang heeft [naam leegstandbeheerder] als lasthebber van de eigenaar/beheerder van het pand in 2023 een ‘Tijdelijke bruikleenovereenkomst verblijfsruimte’ gesloten met verdachten betreffende (hun kamer in) het pand, een voormalig woonzorgcentrum, tegen een maandelijkse gebruiksvergoeding van € 190,00, met een opzegtermijn van 28 dagen.
- Vanaf december 2024, althans 29 april 2025, hebben de Gemeente, [naam leegstandbeheerder] en [naam instantie] de bewoners geïnformeerd dat zij moeten verhuizen naar de opvanglocatie [adres opvanglocatie] , omdat de opvang [naam voormalig woonzorgcentrum] definitief sluit en langer verblijf niet mogelijk is;
- op hun verzoek hebben verdachten vanwege de gezondheid van [appellant 1] (hij is herstellende van een beroerte in mei 2025) een aantal keer uitstel gekregen voor de verhuizing. Zij zijn echter niet vertrokken.
- de bruikleenovereenkomst is opgezegd en verdachten zijn bij brief van 28 juli 2025 gesommeerd om te ontruimen voor l augustus 2025, 9:30 uur.
- dinsdag 29 juli 2025 hebben alle bewoners die nog vragen hadden over de verhuizing per e-mail antwoord ontvangen van de Gemeente.
- Onder de door mr. Rafik nagezonden stukken bevindt zich een medische verklaring van [naam arts] , arts. Daarin staat dat [appellant 1] in mei 2025 een herseninfarct (beroerte) heeft gehad en: “Het op korte termijn moeten verhuizen zal bij dhr en diens partner veel stress veroorzaken en zal de medische aandoening en het herstel na een beroerte mogelijk belemmeren”.
2.12.
De rechter-commissaris is in het licht van dit alles van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de eigenaar een concreet en gerechtvaardigd belang heeft bij spoedige ontruiming van het pand. Het is begrijpelijk dat het voor de verdachten moeilijk is dat zij naar een kleinere kamer, met gedeeld sanitair, moeten verhuizen. Dit maakt echter niet dat de belangenafweging in hun voordeel uitpakt. Vanaf de aanvang wisten verdachten dat zij niet onbeperkt in de [naam voormalig woonzorgcentrum] konden blijven en dat hun bruikleenovereenkomst tijdelijk was. Na afronding van de verbouwing komt er een nieuw woonzorgcentrum, hetgeen ook een zwaarwegend belang is. Daarbij heeft de Gemeente verdachten ruim tevoren ingelicht en hen verhuisservice, taxivervoer naar de nieuwe locatie en hulp op die locatie aangeboden. Van belang is verder dat er in Amsterdam grote woningnood is en een krapte aan opvanglocaties en dat veel tijdelijke opvanglocaties op korte termijn sluiten, zodat de Gemeente weinig speelruimte heeft. Desalniettemin heeft de Gemeente een nieuwe opvanglocatie, [adres opvanglocatie] , aan verdachten aangeboden. Zij komen niet op straat te staan als zij de aangeboden alternatieve opvang aanvaarden. Voldoende aannemelijk is dat deze voldoet aan de minimumeisen volgens de geldende regels. De Gemeente heeft uitvoerig met verdachten gecorrespondeerd over hun specifieke situatie en al rekening gehouden met de medische situatie van [appellant 1] door uitstel te verlenen van het vertrek uit de [naam voormalig woonzorgcentrum] . Ook uit de door mr. Rafik nagezonden stukken blijkt niet dat dringende medische redenen zich (nu nog) verzetten tegen verhuizing naar de aangeboden locatie. Het -ernstige- verwijt met betrekking tot de steekpenningen is niet onderbouwd terwijl dit wel op de weg van verdachten lag, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.’
3Standpunt appellanten
3.1.
De advocaat van de appellanten heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de officier van justitie had moeten worden afgewezen en dat de ontruiming onrechtmatig was. De advocaat heeft primair aangevoerd dat de appellanten niet wederrechtelijk in hun woning in de [naam voormalig woonzorgcentrum] verbleven omdat zij die woning niet ‘om niet’ maar tegen een maandelijkse vergoeding van € 190,00 huurden en aldus tussen [naam leegstandbeheerder] en appellanten geen sprake was van een bruikleenovereenkomst, maar van een (niet rechtsgeldig opgezegde) huurovereenkomst.
3.2.
Subsidiair heeft de advocaat aangevoerd dat de rechter-commissaris bij de belangenafweging tot een verkeerde uitkomst is gekomen, zodat met de ontruiming van de woning een ongeoorloofde inbreuk is gemaakt op het recht van de appellanten op privéleven en huisrecht ex artikel 8 EVRM.
3.3.
Meer subsidiair heeft de advocaat zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechter-commissaris een ongeoorloofde inbreuk heeft gemaakt op het recht op een eerlijk proces ex artikel 6 EVRM, omdat de advocaat van de appellanten een zeer beperkte voorbereidingstijd is geboden.
4Standpunt Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep ongegrond is.
5Oordeel van de rechtbank
5.1.
De rechtbank moet beoordelen of de rechter-commissaris de officier van justitie terecht heeft gemachtigd om het bevel te geven de kamer van de appellanten in de [naam voormalig woonzorgcentrum] te ontruimen. De rechtbank oordeelt op basis van de situatie zoals die bestond ten tijde van de beslissing van de rechter-commissaris, een zogeheten ex tunc-toets. Dit betekent dat informatie die bekend is geworden nadat de rechter-commissaris heeft beslist buiten beschouwing moet blijven.
5.2.
Bruikleenovereenkomst of huurovereenkomst?
5.2.1.
De advocaat heeft aangevoerd dat de appellanten vanwege de overeengekomen vergoeding een huurovereenkomst met [naam leegstandbeheerder] hadden en niet een bruikleenovereenkomst en de appellanten daarom niet wederrechtelijk in de [naam voormalig woonzorgcentrum] verbleven.
5.2.2.
Uit de beslissing van de rechter-commissaris blijkt niet dat dit punt bij de behandeling van de vordering van de officier van justitie aan de orde is gesteld. De rechter-commissaris heeft onder 2.11 geoordeeld dat uit het dossier is gebleken dat [naam leegstandbeheerder] een ‘Tijdelijke bruikleenovereenkomst verblijfsruimte’ heeft gesloten met de appellanten betreffende (hun kamer in) het pand, een voormalig woonzorgcentrum, tegen een maandelijkse gebruiksvergoeding van € 190,00, met een opzegtermijn van 28 dagen. De rechtbank leidt hieruit af dat de rechter-commissaris kennelijk geen aanleiding heeft gezien om ambtshalve de aard van de overeenkomst aan de orde te stellen en ervan is uitgegaan dat sprake was van een bruikleenovereenkomst die tijdig is opgezegd.
5.2.3.
Huur is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie (artikel 7:201 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). Bruikleen is de overeenkomst waarbij de ene partij aan de andere een zaak om niet in gebruik geeft, onder voorwaarde dat degene die de zaak ontvangt, deze, na daarvan te hebben gebruikgemaakt of na een bepaalde tijd, zal teruggeven (artikel 7A:1777 BW).
5.2.4.
[appellant 1] heeft op 23 oktober 2023 een ‘Tijdelijke bruikleenovereenkomst verblijfsruimte’ met [naam leegstandbeheerder] gesloten.
5.2.5.
In de considerans van de overeenkomst staat dat [appellant 1] (bruiklener) ‘zich heeft gewend tot [naam leegstandbeheerder] en dat bruiklener aan [naam leegstandbeheerder] een vergoeding verschuldigd is die strekt ter dekking van de bedrijfskosten van [naam leegstandbeheerder] , inclusief een marktconforme opslag wegens winst en risico, en derhalve niet aan de eigenaar/beheerder van het object ten goede komt, en dan ook niet aan huur in de zin van het Burgerlijk Wetboek kan worden gelijkgesteld. De werking van de redelijkheid en billijkheid en de goede trouw verzetten zich bovendien tegen een eventueel beroep op de wettelijke bepalingen aangaande huurovereenkomsten. Een dergelijk beroep (uit welken hoofde dan ook) is in strijd met de bedoeling van partijen bij het aangaan van de overeenkomst.’
5.2.6.
In artikel 1 van de overeenkomst staat het volgende:
‘ [naam leegstandbeheerder] geeft vanaf 26-10-2023 voor beperkte duur, tot wederopzegging, en tegen na te noemen vergoeding, aan Bruiklener in gebruik het na te noemen gedeelte van het object, teneinde daarin daadwerkelijk haar verblijf te houden Deze overeenkomst kan te allen tijde met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste achtentwintig kalenderdagen, zoals bepaald in artikel 28 van deze overeenkomst, worden opgezegd. [naam leegstandbeheerder] heeft genoemd object waar mogelijk enigszins geschikt gemaakt voor het beoogde gebruik.
Nadere omschrijving van het (gedeelte van het) object: [adres voormalig woonzorgcentrum] , unit [nummer] gelegen op de 2 etage, bestaande uit Kamer [nummer] .
Vergoeding per maand: € 190,00’
5.2.7.
In het addendum bij de overeenkomst staat onder meer dat de kosten van nutsvoorzieningen, zoals gas, water en elektra bij het gebruik alsmede de kosten van gemeentelijke belastingen en overige heffingen bij het gebruik zijn inbegrepen.
5.2.8.
[naam programmamanager] heeft in haar – door de appellanten niet weersproken – e-mail van 28 juli 2025 het volgende geschreven:
‘Uit de overeenkomst tussen de Gemeente en [naam leegstandbeheerder] volgt dat de Gemeente optrad als vervangende betaler voor de Bewoners. De Gemeente betaalde aan [naam leegstandbeheerder] maandelijks een kostenvergoeding per ingevulde eenheid. Ook volgt daaruit dat de kosten voor onder andere gas, water en elektra, voor onderhoud van installaties en alle belastingen door de Gemeente voor de Bewoners werden voldaan. De Bewoners betaalden zelf geen vergoeding om gebruik te mogen maken van de [naam voormalig woonzorgcentrum] . Dit wordt ook bevestigd door opmerking nummer 9 (Document [naam leegstandbeheerder] ). Daarin staat expliciet “géén kosten in rekening brengen bij de bruikleners van de units”, gevolgd door de bevestiging van [naam leegstandbeheerder] “deze tekst zal ik aanpassen naar de huidige situatie”. Ondanks dat dat laatste vervolgens niet is gebeurd, is er wel op die door partijen bedoelde manier uitvoering gegeven aan de overeenkomst en heeft de Gemeente alle kosten op zich genomen en zijn er geen kosten in rekening gebracht bij de Bewoners. Verder volgt uit dat document ook dat de opdracht aan [naam leegstandbeheerder] was: “om, in dit geval ter tijdelijke huisvesting van een specifieke voorgedragen groep (…) op basis van onze Tijdelijke Bruikleenovereenkomst teneinde aldaar tijdelijk verblijf te houden.” Deze zaken kleuren de bijzondere (spoedeisende) situatie die zich voordeed.’
5.2.9.
De rechtbank is van oordeel dat de maandelijkse ‘vergoeding’ van € 190,00 niet als tegenprestatie als bedoeld in artikel 7:201 BW kwalificeert. Het betrof een – bij leegstandbeheer niet ongebruikelijke – tegemoetkoming voor de dekking van de bedrijfskosten van de leegstandbeheerder inclusief een marktconforme opslag wegens winst en risico, die in dit geval kennelijk abusievelijk in de overeenkomst is opgenomen en bovendien niet door de appellanten maar door de gemeente Amsterdam is voldaan. Dit brengt mee dat de overeenkomst een bruikleenovereenkomst als bedoeld in artikel 7:1777 BW is. De rechtbank merkt ten slotte op dat in de gegeven omstandigheden de overeenkomst, gelet op haar inhoud en strekking en de situatie waarvoor partijen een regeling hebben willen treffen, in haar geheel beschouwd ook als bruikleenovereenkomst moet worden aangemerkt.
5.2.10.
Aangezien de overeenkomst tussen [naam leegstandbeheerder] en [appellant 1] rechtsgeldig is opgezegd en het gebruik van de [naam voormalig woonzorgcentrum] door de rechthebbende was beëindigd, is gelet op de overige feiten en omstandigheden de verdenking gerechtvaardigd dat de appellanten in elk geval na 1 augustus 2025 wederrechtelijk in de [naam voormalig woonzorgcentrum] vertoefden en zich schuldig maakten aan het misdrijf als bedoeld in artikel 138a Sr. De rechtbank merkt hierbij op dat het niet relevant is of [naam programmamanager] gemachtigd was om namens de gemeente aangifte te doen omdat de officier van justitie ook ambtshalve had mogen vervolgen.
5.2.11.
Het verweer van de advocaat slaagt dus niet.
5.3.
Spoedeisend belang - belangenafweging
5.3.1.
Artikel 551a Sv biedt een wettelijke grondslag voor een ontruiming in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in de artikelen 138, 138a en 139 Sr (de ‘strafrechtelijke’ ontruiming).
5.3.2.
Zoals de rechter-commissaris in zijn beslissing onder 2.10 heeft overwogen, moet – in de woorden van de Hoge Raad – worden getoetst of de in abstracto door de wetgever gegeven voorrang aan het belang van de openbare orde, het beëindigen van strafbare feiten en de bescherming van de rechten van derden boven het huisrecht van de kraker, in het concrete geval de proportionaliteitstoets kan doorstaan. Die belangenafweging kan alleen plaatsvinden als de kraker feiten of omstandigheden aanvoert en aannemelijk maakt die in het concrete geval tot een andere dan door de wetgever gemaakte afweging nopen, waarbij als uitgangspunt zal hebben te gelden dat een eigenaar het recht heeft om over zijn pand te beschikken zoals hij wil.
5.3.3.
De rechtbank is – met de rechter-commissaris van oordeel – dat voldoende is komen vast te staan dat er een concreet en gerechtvaardigd belang was bij spoedige ontruiming van (de kamer/woning van de appellanten in) de [naam voormalig woonzorgcentrum] . Er lagen immers concrete plannen om het pand te verbouwen tot verzorgingstehuis met voorzieningen en huurwoningen voor senioren. Het was van meet af aan duidelijk dat de opvang in de [naam voormalig woonzorgcentrum] tijdelijk zou zijn en begin 2025 is duidelijk geworden dat de [naam voormalig woonzorgcentrum] definitief zou sluiten en daarom (gefaseerd) moest worden ontruimd. Daar kwam bij dat de gemeente Amsterdam, die de eigenaar noch de beheerder van het pand was en dus afhankelijk was van wat de eigenaar met het pand wilde, de plicht had (en heeft) om de appellanten op te vangen en er op dat moment voor hen een plek beschikbaar was op de [adres opvanglocatie] . Dat er door [naam leegstandbeheerder] op 18 december 2025 nog een opzegging aan appelanten is gezonden met ingang van 26 januari 2026 maakt dit niet anders, omdat deze informatie niet bekend was toen de rechter-commissaris zijn beslissing moest nemen op 7 augustus 2025.
5.3.4.
De rechtbank is voorts van oordeel dat de rechter-commissaris de belangen op juiste wijze heeft afgewogen. Uitgangspunt is dat de eigenaar van de [naam voormalig woonzorgcentrum] het recht heeft om over zijn pand te beschikken zoals hij wil. De appellanten hebben weliswaar aannemelijk gemaakt dat een verhuizing naar een kleinere kamer op de locatie [adres opvanglocatie] , met gedeeld sanitair, problematisch was en hun nog meer zorgen zou baren, maar zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat hun persoonlijke omstandigheden en hun medische situatie van dien aard waren dat de rechter-commissaris hun belangen zwaarder had moeten laten wegen dan het belang van de eigenaar om de [naam voormalig woonzorgcentrum] te kunnen gaan verbouwen. Hetzelfde geldt overigens voor het uitstellen van de verhuizing tot eind 2025 wanneer de laatste bewoners het pand moesten verlaten. Hetgeen de appellanten hebben aangevoerd is daarvoor onvoldoende. Naar het oordeel van de rechtbank is er concluderend niet gebleken dat sprake was van uitzonderlijke omstandigheden die tot een andere afweging hadden moeten leiden.
5.4.
Artikel 6 EVRM – recht op eerlijk proces
5.4.1.
De advocaat van de appellanten heeft aangevoerd dat sprake is van een inbeuk op het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM van de appellanten vanwege de geringe voorbereidingstijd die hun advocaat had voor de behandeling van de vordering bij de rechter-commissaris en omdat de rechter-commissaris het verzoek van de advocaat om de zaak aan te houden, heeft afgewezen.
5.4.2.
Het recht op een eerlijk proces houdt onder meer in het recht op gelijke proceskansen, ook wel ‘equality of arms’ genoemd, en het recht op hoor en wederhoor. De vraag is of de appellanten hebben kunnen beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig waren voor de voorbereiding van hun verdediging en er daarmee dus sprake was van gelijke proceskansen en een afdoende invulling van het recht op hoor en wederhoor.
5.4.3.
Artikel 551a, derde lid Sv schrijft voor dat de rechter-commissaris binnen tweeënzeventig uur na de indiening van de vordering van de officier van justitie beslist.
5.4.4.
Uit de beslissing van de rechter-commissaris blijkt dat de appellanten zijn opgeroepen om te verschijnen voor het verhoor op 6 augustus 2025 om 15.00 uur en aldaar zijn verschenen. Hun advocaat heeft tijdens het verhoor allereerst verzocht de zaak aan te houden omdat hij pas kort voor de zitting door appellanten is benaderd en hij geen stukken had. De rechter-commissaris heeft de zitting tot 16.15 uur geschorst en het verzoek om aanhouding afgewezen. De advocaat van de appellanten heeft toestemming gekregen om stukken na te zenden.
5.4.5.
De appellanten wisten van meet af aan dat hun verblijf in de [naam voormalig woonzorgcentrum] tijdelijk zou zijn en zij waren daarnaast al geruime tijd ervan op de hoogte dat en wanneer zij hun woning in de [naam voormalig woonzorgcentrum] zouden moeten verlaten. Op 30 juli 2025 en 1 augustus 2025 is aan hen te verstaan gegeven dat er aangifte zou worden gedaan en mogelijk de politie zou worden ingeschakeld als zij niet op tijd zouden zijn vertrokken. Het dossier dat de officier van justitie aan de rechter-commissaris heeft overgelegd, is niet complex of omvangrijk en bestaat grotendeels uit stukken (de bruikleenovereenkomst en correspondentie met de gemeente Amsterdam) die de appellanten al kenden. De rechter-commissaris heeft op 6 augustus 2025 de appellanten, die werden bijgestaan door een tolk Oekraïens, en hun advocaat gehoord. De appellanten hebben hun persoonlijke omstandigheden kunnen toelichten en zijn in de gelegenheid gesteld om na de zitting stukken over te leggen en hebben daarvan ook gebruikgemaakt. De advocaat heeft verweer kunnen voeren. De rechtbank oordeelt dat het proces eerlijk is verlopen; de voorbereidingstijd is niet zo kort geweest dat de appellanten zodanig in hun belangen zijn geschaad dat daaraan consequenties moeten worden verbonden. De advocaat heeft in raadkamer overigens niet aangevoerd wat de appellanten nog meer naar voren hadden willen brengen en wat de rechter-commissaris ook had moeten meewegen als zij destijds meer voorbereidingstijd zouden hebben gehad.
5.4.6.
Het verweer van de advocaat slaagt dus niet.
5.5.
Conclusie
De rechtbank komt tot de conclusie dat de rechter-commissaris heeft kunnen aannemen dat jegens de appellanten sprake was van een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 138, 138a of 139 Sr omdat de bruikleenovereenkomst die de appellanten hadden gesloten om in de [naam voormalig woonzorgcentrum] te mogen verblijven (rechtsgeldig) was opgezegd, zij daar niet zijn weggegaan toen dat moest of werd gevorderd en zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat in dit geval aan hun belangen meer gewicht zou moeten worden toegekend dan aan het belang van de openbare orde, het beëindigen van een strafbare feit en de bescherming van de rechten van derden boven hun huisrecht. Het beroep wordt dan ook afgewezen.
6Beslissing
De rechtbank verklaart het hoger beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 18 augustus 2026 door:mr. I. Timmermans, voorzitter,
mr. H.E. Hoogendijk en mr. L.F. Bögemann, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier.
Deze beslissing is wegens ontstentenis van de
voorzitter door de oudste rechter ondertekend.
Hoge Raad 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9880 en Hoge Raad 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1748.
Strafrecht
raadkamernummers: 026893-25
026898-25
datum zitting: 4 augustus 2026
datum beslissing: 18 augustus 2026
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het hoger beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris op een vordering tot machtiging bevel verwijderen personen en goederen (artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering) van
[appellant 1]
, geboren op [geboortedag 1] 1954, en
[appellant 2]
, geboren op [geboortedag 2] 1965,
woonplaats kiezend op het kantoor van hun advocaat mr. M. Rafik, [adres raadsman] , die op de zitting van 9 december 2025 en 4 augustus 2026 werd waargenomen door mr. D.N. Ebinum,
hierna: de appellanten.
1Procesgang
1.1.
De rechtbank stelt op grond van de stukken waaruit de procesgang blijkt het volgende vast.
1.2.
De gemeente Amsterdam vangt sinds het uitbreken van de oorlog in Oekraïne in 2022 Oekraïners op in het kader van de tijdelijke ‘Richtlijn Tijdelijke Bescherming Oekraïne’. Een van de opvangplekken was voormalig woonzorgcentum ‘ [naam voormalig woonzorgcentrum] ’, gelegen aan de [adres voormalig woonzorgcentrum] in Amsterdam.
1.3.
Op 26 oktober 2023 heeft [appellant 1] een ‘Tijdelijke bruikleenovereenkomst verblijfsruimovereenkomst’ gesloten met leegstandbeheerder [naam leegstandbeheerder] (hierna ook: [naam leegstandbeheerder] ) om te kunnen verblijven in kamer [nummer] in de [naam voormalig woonzorgcentrum] .
1.4.
Op 22 april 2025 heeft de gemeente Amsterdam de appellanten een brief geschreven over (de reden van) de verhuizing naar de opvanglocatie aan de [adres opvanglocatie] in Amsterdam.
1.5.
Op 2 juni 2025 heeft [naam leegstandbeheerder] de bruikleenovereenkomst schriftelijk opgezegd omdat de eigenaar van de [naam voormalig woonzorgcentrum] het pand wilde gaan renoveren en voor andere doeleinden gebruiken. [naam leegstandbeheerder] heeft de appellanten vriendelijk verzocht om hun verblijfsruimte in de [naam voormalig woonzorgcentrum] op 30 juni 2025 uiterlijk om 9.00 uur leeg op te leveren.
1.6.
Op 28 juli 2025 heeft [naam leegstandbeheerder] de appellanten uiteindelijk in gebreke gesteld en heeft de gemeente Amsterdam hen dringend verzocht om uiterlijk op 1 augustus 2025 voor 09.30 uur de [naam voormalig woonzorgcentrum] te verlaten.
1.7.
Op 30 juli was [naam programmamanager] , werkzaam bij de gemeente Amsterdam als programmamanager Migratie, Asiel en Opvang, op de [naam voormalig woonzorgcentrum] aanwezig om vragen van bewoners te kunnen beantwoorden. Zij heeft toen alle bewoners gesproken. Er is nogmaals aangekaart dat de deadline van 1 augustus 2025 hard was en dat als men er niet aan zou voldoen, de politie in kennis gesteld zou worden.
1.8.
Op 1 augustus 2025 ’s ochtends vroeg bleek dat er nog vier gezinnen die moesten vertrekken, waaronder het gezin van de appellanten, in de [naam voormalig woonzorgcentrum] aanwezig waren. Kort na 09.30 uur is gevorderd om weg te gaan. De gemeente Amsterdam heeft gewaarschuwd dat als de appellanten het pand niet direct verlieten, zij genoodzaakt was de politie ter plaatse te laten komen en dat als de bewoners na een tweede ronde nog steeds niet vertrokken waren, er aangifte zou worden gedaan hetgeen [naam programmamanager] vervolgens ook heeft gedaan.
1.9.
De officier van justitie heeft op 4 augustus 2025 een vordering ‘machtiging bevel verwijdering personen/goederen’ ex artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ingediend, onder verwijzing naar het proces-verbaal van aangifte, met als doel om (een) opsporingsambtena(a)r(en) te kunnen bevelen alle personen die wederrechtelijk vertoeven in het pand gelegen aan de [adres voormalig woonzorgcentrum] in Amsterdam, kamer [nummer] , alsmede alle voorwerpen die daar ter plaatse worden aangetroffen, te verwijderen of te doen verwijderen.
1.10.
De rechter-commissaris heeft op 6 augustus 2025 de appellanten, hun advocaat, de officier van justitie en [naam programmamanager] gehoord en op 7 augustus 2025 de vordering toegewezen en een machtiging verleend per 8 augustus 2025 om 17.00 uur.
1.11.
De appellanten hebben op 8 augustus 2025 hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris.
1.12.
De rechtbank is op 9 december 2025 begonnen met het behandelen van het hoger beroep. Zij heeft de zaak toen aangehouden omdat de zitting was uitgelopen en zij zich onvoldoende voorgelicht achtte om een beslissing te nemen. Zij wenste nadere vragen te stellen met betrekking tot de fasering en de spoedeisendheid van de ontruiming. De rechtbank heeft de officier van justitie verzocht op de volgende zitting te reageren op het verweer van de advocaat.
1.13.
De officier van justitie heeft op 20 juli 2026 per e-mail haar standpunt kenbaar gemaakt.
1.14.
De advocaat van de appellanten heeft op 22 juli 2026 per e-mail haar standpunt kenbaar gemaakt.
1.15.
De officier van justitie heeft op 29 juli 2026 per e-mail een brief van [naam leegstandbeheerder] gericht aan de gemeente Amsterdam betreffende een conceptovereenkomst van lastgeving aan de rechtbank gestuurd waarin staat dat ‘de kosten voor het beheer door [naam leegstandbeheerder] volgens deze overeenkomst voor rekening van de gemeente [komen]’. Bij deze e-mail is een e-mail gevoegd van [naam programmamanager] waarin staat dat uit de conceptovereenkomst blijkt dat de gemeente heeft aangegeven dat het bedrag (€ 190,00) uit de bruikleenovereenkomst moet en [naam leegstandbeheerder] toezegt dat te doen (zie 5.2.8).
1.16.
De advocaat van de appellanten heeft op 3 augustus 2026 per e-mail gereageerd op het standpunt van de officier van justitie.
1.17.
De rechtbank heeft op 4 augustus 2026 de appellanten, hun advocaat, de officier van justitie en [naam programmamanager] in besloten raadkamer gehoord.
1.18.
De rechtbank merkt op dat de officier van justitie heeft laten weten dat vervolging van de appellanten ter zake van overtreding van artikel 138 (‘huisvredebreuk’), 138a (‘kraken’) of 139 (‘lokaalvredebreuk’) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) niet aan de orde is.
2Beslissing van de rechter-commissaris
De beslissing van de rechter-commissaris van 7 augustus 2025 om de vordering van de officier van justitie toe te wijzen met dien verstande dat de machtiging ingaat vanaf vrijdag 8 augustus 17.00 uur, houdt voor zover van belang het volgende in:
‘2. Beoordeling
2.1.
De rechter-commissaris heeft op 6 augustus 2025 - na hen de cautie te hebben gegeven - gehoord [appellant 1] en [appellant 2] voornoemd, bijgestaan door [naam] , tolk Oekraïens. en mr. M. Rafik (advocaat te Amsterdam), die zich ter zitting heeft gesteld als advocaat van de verdachten. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. Tevens waren aanwezig de officier van justitie en [naam programmamanager] , werkzaam bij de gemeente Amsterdam als programmamanager opvang vluchtelingen, die vragen van de rechter-commissaris hebben beantwoord.
2.2.
Aan mr. Rafik is ter zitting door de rechtbank een procesdossier ter beschikking gesteld en lees- en voorbereidingstijd gegeven.
2.4.
Aan de eis dat de verdachten door de rechter-commissaris moeten worden gehoord is voldaan. Zij zijn opgeroepen te verschijnen voor het verhoor op 6 augustus 2025 om 15.00 uur. De hierboven vermelde personen zijn verschenen. Mr. Rafik, die pas kort voor het verhoor door verdachten was benaderd voor bijstand, heeft ter zitting toestemming gekregen van de rechter-commissaris om stukken na te zenden. De rechtbank heeft van hem die avond om 19:35 uur per mail stukken ontvangen.
2.5.
Uit het dossier volgt dat de verdachten in ieder geval sinds vrijdag 1 augustus 2025, 9:30 uur, zonder toestemming van de eigenaar in het pand verblijven. Namens de Gemeente Amsterdam, die de opvang van ontheemde Oekraïners in onder meer het pand verzorgt, heeft [naam programmamanager] voornoemd op 1 augustus 2025 aangifte gedaan bij de politie. De strafbaarstelling heeft ten doel bescherming van het recht van de eigenaar van het pand en bescherming van de openbare orde.
2.6.
Mr. Rafik heeft tijdens het verhoor allereerst verzocht de zaak aan te houden omdat hij pas kort voor de zitting door verdachten is benaderd en geen stukken heeft.
2.7.
De officier van justitie heeft bezwaar gemaakt tegen de aanhouding. Daartoe stelde zij onder meer dat de zaak geen uitstel duldt omdat:
- de gebruikersovereenkomst met verdachten is geëindigd en zij dus onrechtmatig in het pand verblijven,
- omdat de [naam voormalig woonzorgcentrum] stopt als opvanglocatie en gefaseerd ontruimd moet worden ten behoeve van de verbouwing van het gebouw (tot verzorgingstehuis met voorzieningen en huurwoningen voor senioren) en
- omdat na a.s. vrijdag de beschikbaarheid voor verdachten van de opvangplekken op de nieuwe locatie ( [adres opvanglocatie] ) niet kan worden gegarandeerd.
De Gemeente biedt de bewoners van de [naam voormalig woonzorgcentrum] andere opvang aan, zij moeten in fases verhuizen naar een andere locatie, een groep is al verhuisd, verdachten maken deel uit van een groep die nu moet verhuizen. Het beleid van de Gemeente is dat alleen medische noodzaak en kinderen in de basisschoolleeftijd reden kunnen zijn om wat langer in de [naam voormalig woonzorgcentrum] te mogen blijven (maar uiteindelijk moet iedereen voor het eind van dit jaar de [naam voormalig woonzorgcentrum] hebben verlaten). De nieuwe locatie voldoet aan de minimumeisen volgens de regels, ook al heeft niet elk gezin eigen sanitair zoals op de [naam voormalig woonzorgcentrum] . De officier van justitie vraagt zich af of verdachten wel beseffen dat als zij het aanbod afwijzen er voor hen geen opvangplek meer in Amsterdam is. [naam programmamanager] heeft nog toegelicht: we hebben gekeken wie eigen sanitair moet hebben en die mogen blijven tot einde jaar. Voor wie dat niet geldt: die zijn gevraagd naar de andere locatie te gaan. De noodzaak om voor verdachten een uitzondering zoals hiervoor bedoeld te maken is de Gemeente, nadat zij hun zaak heeft bekeken, niet gebleken.
2.8.
De rechter-commissaris heeft na overleg met partijen de zitting tot 16:00 uur (daarna op verzoek van mr. Rafik nog verlengd met een kwartier) geschorst voor een leespauze en het verzoek om aanhouding afgewezen.
2.9.
Na de schorsing heeft Mr. Rafik, samengevat, het volgende bepleit. De vordering dient te worden afgewezen. Er is geen spoedeisend belang bij de vordering. Uit de brief van de Gemeente van 22 april 2025 blijkt een ander belang (dan door de officier van justitie genoemd) om te ontruimen: dat andere ontheemden ook aan de beurt moeten komen. Dat blijkt uit de zin: “Your move will enable us to help other displaced people from Ukraine.”. Daarnaast heeft een andere bewoonster (Anastasia) vernomen dat een beveiliger € 3.000,00 aan steekpenningen heeft aangenomen om mensen in de [naam voormalig woonzorgcentrum] te plaatsen. Anastasia stelt daarover een geluidsopname van een bericht van haar aan de heer Sabri te hebben. Daarnaast heeft [appellant 1] een herseninfarct (beroerte) gehad en moet hij dus om medische redenen, namelijk in verband met zijn herstel, voorlopig in de [naam voormalig woonzorgcentrum] blijven.
2.10.
De rechter-commissaris overweegt het volgende. De verdachten hebben op grond van artikel 8 EVRM een huisrecht. Ontruiming maakt een ernstige inbreuk op dit recht. Het in artikel 8 lid 2 EVRM besloten proportionaliteitsvereiste brengt mee dat de rechtercommissaris moet toetsen of de in abstracto door de wetgever gegeven voorrang aan het belang van de openbare orde en de rechten van de eigenaren in de concrete omstandigheden van het geval proportioneel is. Dit vraagt om een afweging van de betrokken concrete belangen. Alleen als de verdachten uitzonderlijke omstandigheden aannemelijk maken kan hun huisrecht voorrang krijgen boven het concrete belang bij de ontruimingsvordering. Ontruiming mag echter niet leiden tot ongerechtvaardigde leegstand.
2.11.
Uit het dossier en de behandeling ter zitting is het volgende gebleken:
- De Gemeente Amsterdam vangt sinds 2022 Oekraïners op in het kader van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (2001/55 EG), die Oekraïners in Nederland recht geeft op opvang, medische zorg, onderwijs voor minderjarige kinderen en de mogelijkheid om te werken. De richtlijn is verlengd tot 4 maart 2027.
- In het kader van die opvang heeft [naam leegstandbeheerder] als lasthebber van de eigenaar/beheerder van het pand in 2023 een ‘Tijdelijke bruikleenovereenkomst verblijfsruimte’ gesloten met verdachten betreffende (hun kamer in) het pand, een voormalig woonzorgcentrum, tegen een maandelijkse gebruiksvergoeding van € 190,00, met een opzegtermijn van 28 dagen.
- Vanaf december 2024, althans 29 april 2025, hebben de Gemeente, [naam leegstandbeheerder] en [naam instantie] de bewoners geïnformeerd dat zij moeten verhuizen naar de opvanglocatie [adres opvanglocatie] , omdat de opvang [naam voormalig woonzorgcentrum] definitief sluit en langer verblijf niet mogelijk is;
- op hun verzoek hebben verdachten vanwege de gezondheid van [appellant 1] (hij is herstellende van een beroerte in mei 2025) een aantal keer uitstel gekregen voor de verhuizing. Zij zijn echter niet vertrokken.
- de bruikleenovereenkomst is opgezegd en verdachten zijn bij brief van 28 juli 2025 gesommeerd om te ontruimen voor l augustus 2025, 9:30 uur.
- dinsdag 29 juli 2025 hebben alle bewoners die nog vragen hadden over de verhuizing per e-mail antwoord ontvangen van de Gemeente.
- Onder de door mr. Rafik nagezonden stukken bevindt zich een medische verklaring van [naam arts] , arts. Daarin staat dat [appellant 1] in mei 2025 een herseninfarct (beroerte) heeft gehad en: “Het op korte termijn moeten verhuizen zal bij dhr en diens partner veel stress veroorzaken en zal de medische aandoening en het herstel na een beroerte mogelijk belemmeren”.
2.12.
De rechter-commissaris is in het licht van dit alles van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de eigenaar een concreet en gerechtvaardigd belang heeft bij spoedige ontruiming van het pand. Het is begrijpelijk dat het voor de verdachten moeilijk is dat zij naar een kleinere kamer, met gedeeld sanitair, moeten verhuizen. Dit maakt echter niet dat de belangenafweging in hun voordeel uitpakt. Vanaf de aanvang wisten verdachten dat zij niet onbeperkt in de [naam voormalig woonzorgcentrum] konden blijven en dat hun bruikleenovereenkomst tijdelijk was. Na afronding van de verbouwing komt er een nieuw woonzorgcentrum, hetgeen ook een zwaarwegend belang is. Daarbij heeft de Gemeente verdachten ruim tevoren ingelicht en hen verhuisservice, taxivervoer naar de nieuwe locatie en hulp op die locatie aangeboden. Van belang is verder dat er in Amsterdam grote woningnood is en een krapte aan opvanglocaties en dat veel tijdelijke opvanglocaties op korte termijn sluiten, zodat de Gemeente weinig speelruimte heeft. Desalniettemin heeft de Gemeente een nieuwe opvanglocatie, [adres opvanglocatie] , aan verdachten aangeboden. Zij komen niet op straat te staan als zij de aangeboden alternatieve opvang aanvaarden. Voldoende aannemelijk is dat deze voldoet aan de minimumeisen volgens de geldende regels. De Gemeente heeft uitvoerig met verdachten gecorrespondeerd over hun specifieke situatie en al rekening gehouden met de medische situatie van [appellant 1] door uitstel te verlenen van het vertrek uit de [naam voormalig woonzorgcentrum] . Ook uit de door mr. Rafik nagezonden stukken blijkt niet dat dringende medische redenen zich (nu nog) verzetten tegen verhuizing naar de aangeboden locatie. Het -ernstige- verwijt met betrekking tot de steekpenningen is niet onderbouwd terwijl dit wel op de weg van verdachten lag, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.’
3Standpunt appellanten
3.1.
De advocaat van de appellanten heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de officier van justitie had moeten worden afgewezen en dat de ontruiming onrechtmatig was. De advocaat heeft primair aangevoerd dat de appellanten niet wederrechtelijk in hun woning in de [naam voormalig woonzorgcentrum] verbleven omdat zij die woning niet ‘om niet’ maar tegen een maandelijkse vergoeding van € 190,00 huurden en aldus tussen [naam leegstandbeheerder] en appellanten geen sprake was van een bruikleenovereenkomst, maar van een (niet rechtsgeldig opgezegde) huurovereenkomst.
3.2.
Subsidiair heeft de advocaat aangevoerd dat de rechter-commissaris bij de belangenafweging tot een verkeerde uitkomst is gekomen, zodat met de ontruiming van de woning een ongeoorloofde inbreuk is gemaakt op het recht van de appellanten op privéleven en huisrecht ex artikel 8 EVRM.
3.3.
Meer subsidiair heeft de advocaat zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechter-commissaris een ongeoorloofde inbreuk heeft gemaakt op het recht op een eerlijk proces ex artikel 6 EVRM, omdat de advocaat van de appellanten een zeer beperkte voorbereidingstijd is geboden.
4Standpunt Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep ongegrond is.
5Oordeel van de rechtbank
5.1.
De rechtbank moet beoordelen of de rechter-commissaris de officier van justitie terecht heeft gemachtigd om het bevel te geven de kamer van de appellanten in de [naam voormalig woonzorgcentrum] te ontruimen. De rechtbank oordeelt op basis van de situatie zoals die bestond ten tijde van de beslissing van de rechter-commissaris, een zogeheten ex tunc-toets. Dit betekent dat informatie die bekend is geworden nadat de rechter-commissaris heeft beslist buiten beschouwing moet blijven.
5.2.
Bruikleenovereenkomst of huurovereenkomst?
5.2.1.
De advocaat heeft aangevoerd dat de appellanten vanwege de overeengekomen vergoeding een huurovereenkomst met [naam leegstandbeheerder] hadden en niet een bruikleenovereenkomst en de appellanten daarom niet wederrechtelijk in de [naam voormalig woonzorgcentrum] verbleven.
5.2.2.
Uit de beslissing van de rechter-commissaris blijkt niet dat dit punt bij de behandeling van de vordering van de officier van justitie aan de orde is gesteld. De rechter-commissaris heeft onder 2.11 geoordeeld dat uit het dossier is gebleken dat [naam leegstandbeheerder] een ‘Tijdelijke bruikleenovereenkomst verblijfsruimte’ heeft gesloten met de appellanten betreffende (hun kamer in) het pand, een voormalig woonzorgcentrum, tegen een maandelijkse gebruiksvergoeding van € 190,00, met een opzegtermijn van 28 dagen. De rechtbank leidt hieruit af dat de rechter-commissaris kennelijk geen aanleiding heeft gezien om ambtshalve de aard van de overeenkomst aan de orde te stellen en ervan is uitgegaan dat sprake was van een bruikleenovereenkomst die tijdig is opgezegd.
5.2.3.
Huur is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie (artikel 7:201 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). Bruikleen is de overeenkomst waarbij de ene partij aan de andere een zaak om niet in gebruik geeft, onder voorwaarde dat degene die de zaak ontvangt, deze, na daarvan te hebben gebruikgemaakt of na een bepaalde tijd, zal teruggeven (artikel 7A:1777 BW).
5.2.4.
[appellant 1] heeft op 23 oktober 2023 een ‘Tijdelijke bruikleenovereenkomst verblijfsruimte’ met [naam leegstandbeheerder] gesloten.
5.2.5.
In de considerans van de overeenkomst staat dat [appellant 1] (bruiklener) ‘zich heeft gewend tot [naam leegstandbeheerder] en dat bruiklener aan [naam leegstandbeheerder] een vergoeding verschuldigd is die strekt ter dekking van de bedrijfskosten van [naam leegstandbeheerder] , inclusief een marktconforme opslag wegens winst en risico, en derhalve niet aan de eigenaar/beheerder van het object ten goede komt, en dan ook niet aan huur in de zin van het Burgerlijk Wetboek kan worden gelijkgesteld. De werking van de redelijkheid en billijkheid en de goede trouw verzetten zich bovendien tegen een eventueel beroep op de wettelijke bepalingen aangaande huurovereenkomsten. Een dergelijk beroep (uit welken hoofde dan ook) is in strijd met de bedoeling van partijen bij het aangaan van de overeenkomst.’
5.2.6.
In artikel 1 van de overeenkomst staat het volgende:
‘ [naam leegstandbeheerder] geeft vanaf 26-10-2023 voor beperkte duur, tot wederopzegging, en tegen na te noemen vergoeding, aan Bruiklener in gebruik het na te noemen gedeelte van het object, teneinde daarin daadwerkelijk haar verblijf te houden Deze overeenkomst kan te allen tijde met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste achtentwintig kalenderdagen, zoals bepaald in artikel 28 van deze overeenkomst, worden opgezegd. [naam leegstandbeheerder] heeft genoemd object waar mogelijk enigszins geschikt gemaakt voor het beoogde gebruik.
Nadere omschrijving van het (gedeelte van het) object: [adres voormalig woonzorgcentrum] , unit [nummer] gelegen op de 2 etage, bestaande uit Kamer [nummer] .
Vergoeding per maand: € 190,00’
5.2.7.
In het addendum bij de overeenkomst staat onder meer dat de kosten van nutsvoorzieningen, zoals gas, water en elektra bij het gebruik alsmede de kosten van gemeentelijke belastingen en overige heffingen bij het gebruik zijn inbegrepen.
5.2.8.
[naam programmamanager] heeft in haar – door de appellanten niet weersproken – e-mail van 28 juli 2025 het volgende geschreven:
‘Uit de overeenkomst tussen de Gemeente en [naam leegstandbeheerder] volgt dat de Gemeente optrad als vervangende betaler voor de Bewoners. De Gemeente betaalde aan [naam leegstandbeheerder] maandelijks een kostenvergoeding per ingevulde eenheid. Ook volgt daaruit dat de kosten voor onder andere gas, water en elektra, voor onderhoud van installaties en alle belastingen door de Gemeente voor de Bewoners werden voldaan. De Bewoners betaalden zelf geen vergoeding om gebruik te mogen maken van de [naam voormalig woonzorgcentrum] . Dit wordt ook bevestigd door opmerking nummer 9 (Document [naam leegstandbeheerder] ). Daarin staat expliciet “géén kosten in rekening brengen bij de bruikleners van de units”, gevolgd door de bevestiging van [naam leegstandbeheerder] “deze tekst zal ik aanpassen naar de huidige situatie”. Ondanks dat dat laatste vervolgens niet is gebeurd, is er wel op die door partijen bedoelde manier uitvoering gegeven aan de overeenkomst en heeft de Gemeente alle kosten op zich genomen en zijn er geen kosten in rekening gebracht bij de Bewoners. Verder volgt uit dat document ook dat de opdracht aan [naam leegstandbeheerder] was: “om, in dit geval ter tijdelijke huisvesting van een specifieke voorgedragen groep (…) op basis van onze Tijdelijke Bruikleenovereenkomst teneinde aldaar tijdelijk verblijf te houden.” Deze zaken kleuren de bijzondere (spoedeisende) situatie die zich voordeed.’
5.2.9.
De rechtbank is van oordeel dat de maandelijkse ‘vergoeding’ van € 190,00 niet als tegenprestatie als bedoeld in artikel 7:201 BW kwalificeert. Het betrof een – bij leegstandbeheer niet ongebruikelijke – tegemoetkoming voor de dekking van de bedrijfskosten van de leegstandbeheerder inclusief een marktconforme opslag wegens winst en risico, die in dit geval kennelijk abusievelijk in de overeenkomst is opgenomen en bovendien niet door de appellanten maar door de gemeente Amsterdam is voldaan. Dit brengt mee dat de overeenkomst een bruikleenovereenkomst als bedoeld in artikel 7:1777 BW is. De rechtbank merkt ten slotte op dat in de gegeven omstandigheden de overeenkomst, gelet op haar inhoud en strekking en de situatie waarvoor partijen een regeling hebben willen treffen, in haar geheel beschouwd ook als bruikleenovereenkomst moet worden aangemerkt.
5.2.10.
Aangezien de overeenkomst tussen [naam leegstandbeheerder] en [appellant 1] rechtsgeldig is opgezegd en het gebruik van de [naam voormalig woonzorgcentrum] door de rechthebbende was beëindigd, is gelet op de overige feiten en omstandigheden de verdenking gerechtvaardigd dat de appellanten in elk geval na 1 augustus 2025 wederrechtelijk in de [naam voormalig woonzorgcentrum] vertoefden en zich schuldig maakten aan het misdrijf als bedoeld in artikel 138a Sr. De rechtbank merkt hierbij op dat het niet relevant is of [naam programmamanager] gemachtigd was om namens de gemeente aangifte te doen omdat de officier van justitie ook ambtshalve had mogen vervolgen.
5.2.11.
Het verweer van de advocaat slaagt dus niet.
5.3.
Spoedeisend belang - belangenafweging
5.3.1.
Artikel 551a Sv biedt een wettelijke grondslag voor een ontruiming in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in de artikelen 138, 138a en 139 Sr (de ‘strafrechtelijke’ ontruiming).
5.3.2.
Zoals de rechter-commissaris in zijn beslissing onder 2.10 heeft overwogen, moet – in de woorden van de Hoge Raad – worden getoetst of de in abstracto door de wetgever gegeven voorrang aan het belang van de openbare orde, het beëindigen van strafbare feiten en de bescherming van de rechten van derden boven het huisrecht van de kraker, in het concrete geval de proportionaliteitstoets kan doorstaan. Die belangenafweging kan alleen plaatsvinden als de kraker feiten of omstandigheden aanvoert en aannemelijk maakt die in het concrete geval tot een andere dan door de wetgever gemaakte afweging nopen, waarbij als uitgangspunt zal hebben te gelden dat een eigenaar het recht heeft om over zijn pand te beschikken zoals hij wil.
5.3.3.
De rechtbank is – met de rechter-commissaris van oordeel – dat voldoende is komen vast te staan dat er een concreet en gerechtvaardigd belang was bij spoedige ontruiming van (de kamer/woning van de appellanten in) de [naam voormalig woonzorgcentrum] . Er lagen immers concrete plannen om het pand te verbouwen tot verzorgingstehuis met voorzieningen en huurwoningen voor senioren. Het was van meet af aan duidelijk dat de opvang in de [naam voormalig woonzorgcentrum] tijdelijk zou zijn en begin 2025 is duidelijk geworden dat de [naam voormalig woonzorgcentrum] definitief zou sluiten en daarom (gefaseerd) moest worden ontruimd. Daar kwam bij dat de gemeente Amsterdam, die de eigenaar noch de beheerder van het pand was en dus afhankelijk was van wat de eigenaar met het pand wilde, de plicht had (en heeft) om de appellanten op te vangen en er op dat moment voor hen een plek beschikbaar was op de [adres opvanglocatie] . Dat er door [naam leegstandbeheerder] op 18 december 2025 nog een opzegging aan appelanten is gezonden met ingang van 26 januari 2026 maakt dit niet anders, omdat deze informatie niet bekend was toen de rechter-commissaris zijn beslissing moest nemen op 7 augustus 2025.
5.3.4.
De rechtbank is voorts van oordeel dat de rechter-commissaris de belangen op juiste wijze heeft afgewogen. Uitgangspunt is dat de eigenaar van de [naam voormalig woonzorgcentrum] het recht heeft om over zijn pand te beschikken zoals hij wil. De appellanten hebben weliswaar aannemelijk gemaakt dat een verhuizing naar een kleinere kamer op de locatie [adres opvanglocatie] , met gedeeld sanitair, problematisch was en hun nog meer zorgen zou baren, maar zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat hun persoonlijke omstandigheden en hun medische situatie van dien aard waren dat de rechter-commissaris hun belangen zwaarder had moeten laten wegen dan het belang van de eigenaar om de [naam voormalig woonzorgcentrum] te kunnen gaan verbouwen. Hetzelfde geldt overigens voor het uitstellen van de verhuizing tot eind 2025 wanneer de laatste bewoners het pand moesten verlaten. Hetgeen de appellanten hebben aangevoerd is daarvoor onvoldoende. Naar het oordeel van de rechtbank is er concluderend niet gebleken dat sprake was van uitzonderlijke omstandigheden die tot een andere afweging hadden moeten leiden.
5.4.
Artikel 6 EVRM – recht op eerlijk proces
5.4.1.
De advocaat van de appellanten heeft aangevoerd dat sprake is van een inbeuk op het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM van de appellanten vanwege de geringe voorbereidingstijd die hun advocaat had voor de behandeling van de vordering bij de rechter-commissaris en omdat de rechter-commissaris het verzoek van de advocaat om de zaak aan te houden, heeft afgewezen.
5.4.2.
Het recht op een eerlijk proces houdt onder meer in het recht op gelijke proceskansen, ook wel ‘equality of arms’ genoemd, en het recht op hoor en wederhoor. De vraag is of de appellanten hebben kunnen beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig waren voor de voorbereiding van hun verdediging en er daarmee dus sprake was van gelijke proceskansen en een afdoende invulling van het recht op hoor en wederhoor.
5.4.3.
Artikel 551a, derde lid Sv schrijft voor dat de rechter-commissaris binnen tweeënzeventig uur na de indiening van de vordering van de officier van justitie beslist.
5.4.4.
Uit de beslissing van de rechter-commissaris blijkt dat de appellanten zijn opgeroepen om te verschijnen voor het verhoor op 6 augustus 2025 om 15.00 uur en aldaar zijn verschenen. Hun advocaat heeft tijdens het verhoor allereerst verzocht de zaak aan te houden omdat hij pas kort voor de zitting door appellanten is benaderd en hij geen stukken had. De rechter-commissaris heeft de zitting tot 16.15 uur geschorst en het verzoek om aanhouding afgewezen. De advocaat van de appellanten heeft toestemming gekregen om stukken na te zenden.
5.4.5.
De appellanten wisten van meet af aan dat hun verblijf in de [naam voormalig woonzorgcentrum] tijdelijk zou zijn en zij waren daarnaast al geruime tijd ervan op de hoogte dat en wanneer zij hun woning in de [naam voormalig woonzorgcentrum] zouden moeten verlaten. Op 30 juli 2025 en 1 augustus 2025 is aan hen te verstaan gegeven dat er aangifte zou worden gedaan en mogelijk de politie zou worden ingeschakeld als zij niet op tijd zouden zijn vertrokken. Het dossier dat de officier van justitie aan de rechter-commissaris heeft overgelegd, is niet complex of omvangrijk en bestaat grotendeels uit stukken (de bruikleenovereenkomst en correspondentie met de gemeente Amsterdam) die de appellanten al kenden. De rechter-commissaris heeft op 6 augustus 2025 de appellanten, die werden bijgestaan door een tolk Oekraïens, en hun advocaat gehoord. De appellanten hebben hun persoonlijke omstandigheden kunnen toelichten en zijn in de gelegenheid gesteld om na de zitting stukken over te leggen en hebben daarvan ook gebruikgemaakt. De advocaat heeft verweer kunnen voeren. De rechtbank oordeelt dat het proces eerlijk is verlopen; de voorbereidingstijd is niet zo kort geweest dat de appellanten zodanig in hun belangen zijn geschaad dat daaraan consequenties moeten worden verbonden. De advocaat heeft in raadkamer overigens niet aangevoerd wat de appellanten nog meer naar voren hadden willen brengen en wat de rechter-commissaris ook had moeten meewegen als zij destijds meer voorbereidingstijd zouden hebben gehad.
5.4.6.
Het verweer van de advocaat slaagt dus niet.
5.5.
Conclusie
De rechtbank komt tot de conclusie dat de rechter-commissaris heeft kunnen aannemen dat jegens de appellanten sprake was van een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 138, 138a of 139 Sr omdat de bruikleenovereenkomst die de appellanten hadden gesloten om in de [naam voormalig woonzorgcentrum] te mogen verblijven (rechtsgeldig) was opgezegd, zij daar niet zijn weggegaan toen dat moest of werd gevorderd en zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat in dit geval aan hun belangen meer gewicht zou moeten worden toegekend dan aan het belang van de openbare orde, het beëindigen van een strafbare feit en de bescherming van de rechten van derden boven hun huisrecht. Het beroep wordt dan ook afgewezen.
6Beslissing
De rechtbank verklaart het hoger beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 18 augustus 2026 door:mr. I. Timmermans, voorzitter,
mr. H.E. Hoogendijk en mr. L.F. Bögemann, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier.
Deze beslissing is wegens ontstentenis van de
voorzitter door de oudste rechter ondertekend.
Hoge Raad 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9880 en Hoge Raad 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1748.