Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:8837

2026-08-28 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11735259 CV EXPL 25-8022
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-28
Publicatiedatum
2026-09-02
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11735259 CV EXPL 25-8022
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

contractuele medehuurder o.g.v. artikel 7:267 lid 7 BW en recente rechtspraak niet aansprakelijk voor huurachterstand die is ontstaan nadat zij de woning heeft verlaten en aan verhuurder heeft verzocht haar van het contract te halen terwijl de andere medehuurder in de woning is achtergebleven.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.796 tekens)
vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM


Afdeling privaatrecht



Zaaknummer hoofdzaak: 11735259 CV EXPL 25-8022
Zaaknummer vrijwaring: 11973929 CV EXPL 25-16173



vonnis van de kantonrechter van 28 augustus 2026



in de hoofdzaak



de vennootschap naar buitenlands recht PEC Terracotta Sarl

gevestigd te Luxemburg
eiseres
nader te noemen: PEC
gemachtigde: Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders



t e g e n


1. [gedaagde 1]

wonende te [woonplaats 1]
gedaagde
nader te noemen: [gedaagde 1]
niet verschenen

2. [gedaagde 2]

wonende te [woonplaats 2]
gedaagde
nader te noemen: [gedaagde 2]
gemachtigde: mr. E. Doornbos




en in vrijwaring




[gedaagde 2]


wonende te [woonplaats 2]
gedaagde
nader te noemen: [gedaagde 2]
gemachtigde: mr. E. Doornbos



t e g e n



[gedaagde 1]


wonende te [woonplaats 1]
gedaagde
nader te noemen: [gedaagde 1]
niet verschenen


VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE IN DE HOOFDZAAK EN VRIJWARING


Op 20 maart 2026 is een tussenvonnis gewezen waarin de vorderingen van PEC jegens [gedaagde 1], afgezien van een proceskostenveroordeling, zijn toegewezen en de zaak jegens [gedaagde 2] is voortgezet en daartoe is verwezen naar de rol. Hierna zijn nog ingediend:




de akte van PEC, met een productie;


de antwoordakte van [gedaagde 2] tevens houdende een bewijsaanbod, met producties;


de akte uitlaten producties van PEC, waarna vonnis bepaald.



De vrijwaringszaak is aangehouden.



GRONDEN VAN DE BESLISSING



Verdere beoordeling in de hoofdzaak



In de hoofdzaak draait het ten aanzien van [gedaagde 2] nog slechts om de vraag of zij, als contractueel medehuurder, hoofdelijk aansprakelijk is voor de huurachterstand die is ontstaan nadat zij de woning aan de [adres] naar eigen zeggen omstreeks februari/maart 2023 heeft verlaten waarna zij op 7 juli 2023 aan de beheerder van het gehuurde heeft verzocht haar van het huurcontract te halen.



[gedaagde 2] baseert haar standpunt op artikel 7: 267 lid 7 BW op grond waarvan een (mede)huurder kan vorderen dat de rechter bepaalt wie de huur zal voortzetten. In de rechtspraak is uitgemaakt dat deze beslissing, hoewel deze niet betrokken wordt in een dergelijke procedure, ook werkt tegenover de verhuurder en tevens van toepassing is op contractuele medehuur (ECLI:NL:HR:2021:1964). A-G Snijders heeft in zijn conclusie bij dit arrest daaraan nog toegevoegd dat het voor de hand ligt dat hetzelfde geldt voor een afspraak tussen de (mede)huurders over wie van hen de huur zal voortzetten nu een gang naar de rechter in dat geval toch zal uitmonden in de door hen gewenste uitkomst. De kantonrechter te Den Haag heeft dit standpunt in zijn uitspraak van 12 april 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:7185) overgenomen.



3. In onderhavig geval is niet gebleken van een gezamenlijk verzoek van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] aan (de rechtsvoorganger van) PEC om de huur ten aanzien van [gedaagde 2] te laten eindigen. [gedaagde 1] heeft immers niet gereageerd op het verzoek van de gemachtigde van [gedaagde 2] om hieraan zijn medewerking te verlenen, noch is gebleken dat [gedaagde 1] PEC hierover zelf heeft benaderd. Waar echter wel van uit dient te worden gegaan is dat [gedaagde 1] in het gehuurde is blijven wonen en dat (de rechtsvoorganger van) PEC in ieder geval vanaf 7 juli 2023 ermee bekend was dat [gedaagde 2] de huur niet langer wenste voor te zetten. Dit acht de kantonrechter voldoende voor het aannemen van een ook voor (de rechtsvoorganger van) PEC kenbare feitelijke afspraak tussen [gedaagde 2] en [gedaagde 1] dat [gedaagde 1] de huur met uitsluiting van [gedaagde 2] zou voortzetten, welke afspraak PEC heeft te dulden.

4. Namens [gedaagde 2] is geen termijn genoemd waartegen zij de huurovereenkomst heeft willen opzeggen. Gelet evenwel op de voor huurders geldende wettelijke opzegtermijn van een minimaal een maand, wordt ervan uitgegaan dat de huurovereenkomst met betrekking tot [gedaagde 2] met ingang van 1 september 2023 dan ook is geëindigd. Op dat moment was nog geen sprake van enige huurachterstand, zodat de vordering van PEC tot betaling van de huurachterstand jegens [gedaagde 2] wordt afgewezen.

5. Gelet op deze uitkomst wordt PEC in de proceskosten zijdens [gedaagde 2] veroordeeld, inclusief de kosten van de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring tot op heden begroot op (€ 432,- x 3,5 =) € 1.512,- aan salaris van de gemachtigde en € 144,- aan nasalaris, in totaal € 1.656,-.

6. [gedaagde 1] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeelt in de proceskosten aan de zijde van PEC begroot op € 145,45 aan explootkosten, € 1.461,- aan griffierecht, € 432,- aan salaris gemachtigde en € 144,- aan nasalaris, in totaal € 2.182,45.



Verdere beoordeling in vrijwaring

7. Nu de vorderingen jegens [gedaagde 2] in de hoofdzaak zijn afgewezen, ontbreekt een grond voor een veroordeling van [gedaagde 1] in de vrijwaringsprocedure en wordt deze vordering daarom afgewezen.
8. [gedaagde 2] wordt als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten belast, aan de zijde van [gedaagde 1] begroot op nihil.



BESLISSING



De kantonrechter:



In de hoofdzaak (CV 25-8022)



ten aanzien van [gedaagde 1]




veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van PEC tot op heden begroot op € 2.182,45;


verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;



wijst het meer of anders gevorderde af;


ten aanzien van [gedaagde 2]





wijst de vorderingen van PEC af;


veroordeelt PEC in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 2] tot op heden begroot op € 1.656,-


verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;




In de vrijwaring (CV 25-16173)


wijst het gevorderde af;


veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 1] begroot op nihil.


Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.