Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:8477
2026-09-02
Civiel recht; Ondernemingsrecht
C/13/777859
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bestuurdersaansprakelijkheid vanwege betalingsonwil en frustreren verhaal door turbo-liquidatie. Overige gedaagden zijn aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad in groepsverband.
Citeert (5)
- ECLI:NL:HR:2013:BX9762 Hoge Raad 11-01-2013
- ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 Hoge Raad 08-12-2006
- ECLI:NL:HR:1992:ZC0564 Hoge Raad 03-04-1992
- ECLI:NL:GHDHA:2018:641 Gerechtshof Den Haag 27-03-2018
- ECLI:NL:GHAMS:2009:BL2787 Gerechtshof Amsterdam 17-11-2009
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (33.293 tekens)
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/777756 / HA ZA 25-1641
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. D.A. Evertsz,
tegen
de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
1. [gedaagde 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
niet verschenen,
de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
2. [gedaagde 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
niet verschenen,
3. [gedaagde 3],
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. I.P. van Rossen,
4. [gedaagde 4],
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. I.P. van Rossen,
gedaagden,
hierna afzonderlijk te noemen [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] , en samen (in mannelijk enkelvoud) [gedaagde]
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 9 oktober 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord,
- het tussenvonnis van 4 februari 2026, waarin de mondelinge behandeling is bepaald, en
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 juni 2026 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.
2De feiten
2.1.
[eiser] verbouwt en handelt in aardappelen. Bestuurders en aandeelhouders zijn [naam 3] (hierna: [naam 3] ) en [naam 4] .
2.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren actief als groothandel in aardappelen. [gedaagde 3] was enig bestuurder en (indirect) enig aandeelhouder van [gedaagde 1] . [gedaagde 4] is enig bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde 2] .
2.3.
[eiser] leverde vanaf januari 2020 partijen aardappelen aan [bedrijf] B.V., waarvan [gedaagde 3] enig bestuurder was. Na het faillissement van die vennootschap eind 2020, is [eiser] de aardappelen gaan verkopen aan [gedaagde 1] .
2.4.
De communicatie met [eiser] verliep aan de kant van [gedaagde 1] via [naam 1] , de echtgenote van [gedaagde 3] en de moeder van [gedaagde 4] .
2.5.
Vanaf augustus 2024 ontstonden er betaalachterstanden, waarover partijen meermaals contact hebben gehad.
2.6.
Partijen hebben op enig moment op het kantoor van [eiser] besproken hoe [gedaagde 1] de betaalachterstanden zou kunnen inlopen. Aan de kant van [gedaagde 1] waren [naam 1] en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) aanwezig, die als adviseur optrad. [naam 1] heeft tijdens dit gesprek benoemd dat zij de onderneming graag met haar zoon wilde voortzetten en ook verder wilde gaan met de aardappelen van [eiser] .
2.7.
Op 4 november 2024 schrijft [naam 3] onder meer het volgende in zijn e-mail aan [naam 1] :
“Verder, wij horen geen reactie op jullie plannen om openstaande posten in te lopen en hoe jullie de toekomst (met jullie zoon) in gaan vullen. Tijdens jullie bezoek is afgesproken dat jullie met een voorstel/plan terug zouden reageren”
2.8.
[eiser] is hierna doorgegaan met de leveringen van nieuwe aardappelen, maar is [gedaagde 1] blijven aanschrijven over een betaalregeling.
2.9.
Op 11 maart 2025 heeft [naam 1] geklaagd over de kwaliteit van de laatste twee leveringen:
“We gooien op dit moment op 1000 KG zo’n 90KG weg. Dat is veel te veel! Graag een vergoeding voor van de afgelopen twee leveringen”
2.10.
Partijen zijn hierna overeengekomen dat [eiser] een korting van € 13.598,27 zal verlenen op de laatste twee facturen.
2.11.
In de periode hierna, heeft [eiser] meerdere e-mails gestuurd aan [gedaagde 1] over de oplopende betaalachterstand en het uitblijven van een betaalschema. Zo stuurt [naam 3] op 22 april 2025 de volgende e-mail aan [naam 1] :
“Zeer teleurstellend, geen betaling, geen bestelling en ook geen contact is blijkbaar moeilijk (…) We hebben jullie altijd het vertrouwen gegeven, jammer genoeg is dit niet wederzijds”
2.12.
[eiser] heeft hierna een advocaat ingeschakeld om [gedaagde 1] te sommeren tot de betaling van het openstaande bedrag van € 109.270,17 (hierna: de openstaande facturen).
2.13.
In reactie op deze brief, ontvangt [eiser] een e-mail van [naam 2] waarin hij verzoekt om incassomaatregelen op te schorten en een voorstel voor een regeling af te wachten. Onder de e-mail van [naam 2] is (per abuis) een e-mail meegestuurd die [naam 1] daarvoor aan [naam 2] heeft verzonden:
“(…) wil je nog dat ik op deze brief reageer of je dat de BV’s nog liquideren deze week (…)”
2.14.
Namens [eiser] is vervolgens op 10 juni 2025 een brief gestuurd aan [gedaagde 3] . Samengevat, staat in deze brief dat zij uit de jaarrekeningen van [gedaagde 1] heeft kunnen opmaken dat alle eerder aanwezige activa op nihil zijn gesteld, dat zij om die reden en vanwege de doorgestuurde e-mail van [naam 1] het idee heeft dat er naar een turbo-liquidatie wordt toegewerkt en dat zij hem als bestuurder aansprakelijk houdt als het toegezegde betalingsvoorstel uitblijft en/of de vennootschap wordt ontbonden zonder betaling aan [eiser] .
2.15.
In zijn e-mail van 10 juni 2025 schrijft [naam 2] onder meer:
“Sinds augustus 2024 worden aardappelen geleverd (en betaald) door [gedaagde 2] B.V. Daarvan is uw opdrachtgever op de hoogte en dit is ook zo besproken. Van de door u geschetste situatie is dan ook geen sprake”
2.16.
In reactie schrijft de advocaat van [eiser] onder meer het volgende:
“Cliënte verzoekt u ertoe te leiden dat het door u toegezegde betalingsvoorstel uiterlijk aanstaande vrijdag wordt gedaan. Voor de goede orde stelt cliënte vast dat de activiteiten van [gedaagde 3] zijn gestaakt en inmiddels worden voortgezet door [gedaagde 2] B.V.”
2.17.
Namens [gedaagde 1] is op 14 juni 2025 hierop geantwoord:
“(…) Aangezien ik nog steeds wacht op de opgaaf incourantie vraag ik u nog om even geduld te betrachten. Reeds sinds begin vorig jaar is uw cliënt op de hoogte van de voortgezette activiteiten (…)”
2.18.
In haar brief 5 september 2025 heeft [eiser] ieder van [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor het bedrag van de openstaande facturen.
2.19.
[eiser] heeft diezelfde maand beslag laten leggen op bankrekeningen van [gedaagde 1] .
2.20.
Op 15 december 2025 is zowel door de (uiteindelijk) aandeelhouder van [gedaagde 1] , [gedaagde 3] , als door de aandeelhouder van [gedaagde 2] , [gedaagde 4] , een ontbindingsbesluit genomen.
2.21.
Op 23 januari 2026 is aan het handelsregister van de Kamer van Koophandel opgegeven dat [gedaagde 2] per 15 december 2025 is opgehouden te bestaan, omdat met ingang van die datum geen bekende baten meer aanwezig waren.
2.22.
Op 30 januari 2026 is ook ten aanzien van [gedaagde 1] opgegeven dat deze vennootschap per 15 december 2025 is opgehouden te bestaan, omdat met ingang van die datum geen bekende baten meer aanwezig waren.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
[gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van € 99.999,-
[gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hoofdelijk veroordeelt tot de betaling van ditzelfde bedrag,
voor recht verklaart dat [eiser] het samenstel van rechtshandelingen ter zake de overdracht van activa en activiteiten van [gedaagde 1] aan [gedaagde 2] buitenrechtelijk heeft vernietigd bij brief van 5 september, althans dat samenstel van rechtshandeling alsnog vernietigt,
[gedaagde] hoofdelijk veroordeelt in de beslagkosten van € 1.589,14 en de kosten van deze procedure.
3.2.
[eiser] stelt dat de openstaande facturen ieder betrekking hebben op koopovereenkomsten, waaronder [gedaagde 1] steeds producten heeft gekocht en bij [eiser] heeft opgehaald. Zij moet de facturen daarom voldoen. Om proceseconomische redenen, de verschuldigde griffierechten, heeft [eiser] haar vordering verlaagd tot het gevorderde bedrag. Omdat [gedaagde 1] niet tot betaling is overgegaan en dit inmiddels niet meer kan, heeft zij ook [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] aangesproken voor dit bedrag. [gedaagde 1] 2024 is volgens [eiser] door haar bestuurder [gedaagde 3] ontdaan van al haar activa in 2024, terwijl [gedaagde 2] de bedrijfsactiviteiten met deze zelfde activa en zonder betaling van een koopprijs heeft voortgezet. [gedaagde 3] heeft vervolgens gebruikt gemaakt van de mogelijkheid tot een turbo-liquidatie om [eiser] onbetaald en zonder verhaalsmogelijkheden achter te laten. Dit levert volgens [eiser] een grond op voor bestuurdersaansprakelijkheid, omdat [gedaagde 3] wist dat deze handelingen tot gevolg zouden hebben dat [gedaagde 1] haar betaalverplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de schade. Omdat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] , als bestuurder van [gedaagde 2] , ieder een bijdrage hebben geleverd aan dit samenstel van handelingen, worden zij aangesproken op grond van een onrechtmatige daad in groepsverband.
3.3.
[gedaagde 4] en [gedaagde 3] voeren verweer. Zij concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten met rente.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.
4De beoordeling
De vorderingen tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
4.1.
De rechtbank gaat eerst in op de vorderingen tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , die niet in deze procedure zijn verschenen. [eiser] heeft uittreksels uit het handelsregister overgelegd, waaruit blijkt dat zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] per 15 december 2025 zijn ontbonden. Beide rechtspersoon zijn op die datum ook opgehouden te bestaan, omdat op dat moment geen bekende baten meer aanwezig waren.
4.2.
[eiser] heeft er terecht op gewezen dat haar dagvaardingen aan deze beide vennootschappen voor de datum van ontbinding zijn uitgebracht. Omdat deze procedure daarmee is aangevangen voor de ontbinding en de de vereffening van beide vermogens, kan de procedure tegen beide rechtspersonen worden voortgezet.
4.3.
De tegen [gedaagde 1] ingestelde vordering tot betaling van de openstaande facturen, komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Deze is toewijsbaar.
4.4.
De tegen [gedaagde 2] ingestelde vordering tot betaling van hetzelfde bedrag is gegrond op een onrechtmatige daad in groepsverband, waaraan ook [gedaagde 4] (als bestuurder van [gedaagde 2] ) en [gedaagde 3] (als bestuurder van [gedaagde 1] ) zouden hebben deelgenomen. Zij zijn wel verschenen en hebben verweer gevoerd. Omdat verder niet is gesteld is dat de specifiek aan [gedaagde 2] verweten handelingen een zelfstandige onrechtmatige daad opleveren en zij enkel in groepsverband wordt aangesproken, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een rechtsverhouding waarbij het noodzakelijk is dat de beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen. Dat betekent de rechtbank hierna eerst de verweren van [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zal bespreken, voordat zij op de vorderingen tegen [gedaagde 2] beslist.
De vorderingen tegen [gedaagde 3]
4.5.
De tegen [gedaagde 3] ingestelde vorderingen zijn gegrond op bestuurdersaansprakelijkheid. Naar de rechtbank begrijpt, berust die aansprakelijkheid volgens [eiser] op het volgende. Hij zou als bestuurder alle activa van [gedaagde 1] hebben overgedragen aan [gedaagde 2] , zonder dat hier betaling tegenover stond en daarmee hebben gefaciliteerd dat de onderneming met die vennootschap kon worden voortgezet, terwijl [eiser] als schuldeiser van een lege huls achterbleef. Voor zover die overdracht niet komt vast te staan, heeft hij in ieder geval alle activa van [gedaagde 1] weggemaakt. In beide gevallen is hij vervolgens tot een zogeheten turbo-liquidatie overgegaan: zodat [eiser] onbetaald en zonder verhaalsmogelijkheden achterbleef.
4.6.
De rechtbank overweegt als volgt. Als uitgangspunt geldt dat alleen een rechtspersoon zelf aansprakelijk is voor haar schulden. Voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder naast de rechtspersoon kan echter aanleiding bestaan, als de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de rechtspersoon zijn wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt en daardoor aan de wederpartij schade berokkent, terwijl dit handelen of nalaten ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de rechtspersoon tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Van een dergelijk persoonlijk ernstig verwijt zal in het algemeen geen sprake zijn als sprake is van betalingsonmacht van de rechtspersoon. Dit zal echter wel het geval zijn wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden die wijzen op betalingsonwil aan de zijde van de bestuurder.
4.7.
De rechtbank constateert dat [gedaagde 3] enig bestuurder en ook (indirect) enig aandeelhouder was van [gedaagde 1] , zodat hij volledige zeggenschap over deze rechtspersoon had. Gelet op de gemotiveerde stellingen van [eiser] mag daarom van hem worden verlangd dat hij aannemelijk maakt dat [gedaagde 1] niet in staat was [eiser] te betalen – en dat het dus niet ging om betalingsonwil. Dat heeft hij niet gedaan. [gedaagde 3] heeft pas op de zitting aangevoerd dat het niet goed ging met het bedrijf en dat dit vooral lag aan de slechte kwaliteit van de door [eiser] geleverde producten, haar enige leverancier. Dat standpunt heeft hij niet met verdere (financiële) stukken onderbouwd, terwijl hij wel geacht wordt hierover te beschikken. De rechtbank is met [eiser] eens dat in ieder geval niet uit de correspondentie tussen partijen volgt dat de door [eiser] geleverde producten niet voldeden. Daaruit blijkt dat slechts over de laatste twee leveringen klachten waren (zie onder 2.9), waarvoor toen een regeling is getroffen. Bij die stand van zaken houdt de rechtbank het ervoor dat sprake is geweest van betalingsonwil aan de zijde van [gedaagde 3] , wat betekent dat hij als bestuurder ervoor heeft gezorgd dat [gedaagde 1] haar verplichtingen niet nakwam.
4.8.
Uit het vervolg van zijn handelen, maakt de rechtbank op dat hij er als bestuurder voor heeft gezorgd dat [gedaagde 1] geen verhaal bood voor de hierdoor ontstane schade. [gedaagde 3] heeft na het uitbrengen van de dagvaarding (als (indirect) aandeelhouder van [gedaagde 1] ) besloten tot de ontbinding van de vennootschap. Gevraagd naar de reden hiervoor, heeft [gedaagde 3] tijdens de zitting verklaard dat hij vanwege de financiële toestand van de vennootschap geen andere optie meer zag dan tot ontbinding over te gaan. De vennootschap beschikte niet meer over activa en had alleen nog schulden. [gedaagde 3] heeft daarom als bestuurder aan de Kamer van Koophandel opgegeven dat er op dat moment geen baten meer waren, zodat de vennootschap op grond van artikel 2:19 lid 4 BW vanaf de ontbinding is opgehouden te bestaan. Dat betekent dat er een zogeheten turbo-liquidatie van de vennootschap heeft plaatsgevonden. [eiser] heeft vraagtekens geplaatst bij deze gang van zaken. Zij heeft erop gewezen dat de jaarrekening van de vennootschap in 2023 nog € 100.451,- aan activa omschreef en dat al deze activa verdwenen zijn op de jaarrekening over 2024. [eiser] stelt dat deze activa met het oog op het mogelijk maken van een turbo-liquidatie zijn weggemaakt en naar [gedaagde 2] zijn overgegaan. Dit alles om ervoor te zorgen dat [eiser] niet betaald zou worden en geen verhaalsmogelijkheden zou hebben voor de hierdoor ontstane schade. Zij wijst in dit verband op een e-mail, waaruit volgt dat blijkbaar ten tijde van de gesprekken over een betalingsregeling al het plan bestond om de vennootschap te ontbinden en vereffenen (zie 2.13). Zij wijst er verder op dat de adviseur van [gedaagde 1] in diezelfde periode heeft medegedeeld dat de activiteiten van [gedaagde 1] door [gedaagde 2] zijn voortgezet (zie 2.15), dat op de jaarrekening van [gedaagde 2] in dezelfde periode activa van ongeveer dezelfde waarde verschijnen en dat verder niet in geschil is dat [gedaagde 2] de laatste facturen van [gedaagde 1] heeft voldaan. Gevraagd naar een reactie op dit alles, heeft [gedaagde 3] toegelicht dat de enige activa van de vennootschap een machine betrof die volledig afgeschreven was in 2024. Die verklaring heeft hij niet gestaafd met stukken. Op vragen van de rechtbank wat de post met vlottende activa ter waarde van € 69.796 in dat geval dan inhoudt, heeft hij verklaard dat dit ging om een onverkoopbare voorraad van door [eiser] geleverde producten.
[gedaagde 3] is aansprakelijk als bestuurder
4.9.
De rechtbank oordeelt op grond van het voorgaande dat [gedaagde 3] onvoldoende heeft kunnen ophelderen waarom de activa van de vennootschap voorafgaand aan de turbo-liquidatie zijn verdwenen of in ieder geval niets waard waren. Als het om de stelling van de onbruikbare voorraad aan producten gaat, wijst de rechtbank op haar oordeel hierover in 4.7 hiervoor. Dat de overige activa een inmiddels volledig afgeschreven machine betrof, is niet nader onderbouwd met stukken. In het verlengde van wat de rechtbank in 4.7 hiervoor heeft overwogen over de op [gedaagde 3] rustende (verzwaarde) motiveringsplicht als bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde 1] , had dit wel op zijn weg gelegen. Daar komt nog bij dat op [gedaagde 3] als bestuurder bovendien de wettelijke plicht rustte om de in artikel 2:19b BW genoemde gegevens te deponeren na de turbo-liquidatie. Het gaat onder meer om een balans en een staat van baten en lasten met betrekking tot het boekjaar waarin de rechtspersoon is ontbonden en het voorgaande boekjaar als er op het moment van ontbinding over dat jaar nog geen jaarrekening openbaar is gemaakt, een beschrijving van de oorzaak van het ontbreken van baten op het tijdstip van de ontbinding en – voor zover aan de orde – de wijze waarop de baten van de rechtspersoon te gelde zijn gemaakt en de opbrengsten zijn verdeeld, als ook de redenen waarom een schuldeiser of schuldeisers geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven. [gedaagde 3] heeft daarmee ook verzaakt om na deponering hiervan schriftelijke mededeling aan de schuldeisers van de vennootschap te doen, in dit geval aan [eiser] (zie artikel 2:19b lid 2 BW). [gedaagde 3] heeft desgevraagd niet toegelicht waarom hij hier niet aan heeft voldaan en waarom deze stukken niet alsnog in het geding zijn gebracht. Dit rekent de rechtbank hem aan, omdat deze wettelijke plichten nu juist gelden om misbruik van de mogelijkheid tot turbo-liquidatie te voorkomen en om bestuurders op deze wijze verantwoording af te laten leggen tegenover hun schuldeisers die onbetaald achter blijven. Het volstaat niet om enkel te constateren dat er geen actief meer was op het moment van ontbinding, de achterliggende reden moet kenbaar worden gemaakt. Dit geeft een nadere invulling aan voornoemde verzwaarde motiveringsplicht. Hij heeft hier niet aan voldaan, omdat hij enkel kale stellingen heeft ingenomen tijdens de zitting. De rechtbank houdt het er daarom voor dat sprake is geweest van betalingsonwil, dat [eiser] moet worden gevolgd in haar stelling dat [gedaagde 3] als bestuurder eerst de activa heeft weggemaakt en vervolgens de mogelijkheid van een turbo-liquidatie heeft misbruikt: om ervoor te zorgen dat [gedaagde 1] haar schulden aan [eiser] niet kon voldoen en ook geen verhaal zou bieden voor de hierdoor ontstane schade. Van dit alles kan [gedaagde 3] persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Dit levert dan ook een onrechtmatige daad op tegen [eiser] , zodat hij de hierdoor ontstane schade moet vergoeden.
Ook [gedaagde 2] en [gedaagde 4] zijn aansprakelijk
4.10.
De rechtbank volgt [eiser] ook in haar betoog dat het ervoor moet worden gehouden dat de activa van [gedaagde 1] voorafgaand aan die turbo-liquidatie zijn overgegaan naar [gedaagde 2] , zonder dat hier een betaling tegenover stond. Zoals hiervoor is geoordeeld, is niet duidelijk geworden wat met de activa van [gedaagde 1] is gebeurd. Omdat [gedaagde 2] voor [gedaagde 1] betalingen is gaan verrichten na de bewuste e-mail waarin namens [gedaagde 1] met zoveel woorden is medegedeeld dat [gedaagde 2] haar activiteiten heeft overgenomen (zie 2.15) en de activa van [gedaagde 2] onbetwist rondom de wegmaking of nihilstelling van de activa van [gedaagde 1] in haar boeken zijn verschenen, heeft [eiser] terecht betoogd dat het op de weg van [gedaagde 2] , althans haar bestuurder, [gedaagde 4] had gelegen om hier nadere toelichting over te geven. In ieder geval over de activa van [gedaagde 2] en de herkomst hiervan. [gedaagde 4] heeft op de zitting verklaard dat hij zelfstandig een vennootschap heeft opgezet en dat verder geen sprake is geweest van een overdracht van activa van [gedaagde 1] . Op vragen over de (herkomst van de) activa waarover [gedaagde 2] beschikt(te), heeft hij niet kunnen antwoorden. [gedaagde 4] heeft eerst verklaard dat [gedaagde 2] geen activa nodig heeft, omdat het om een handelsbedrijf gaat dat alleen partijen aardappelen doorverkoopt. Op vragen van de rechtbank waarop de € 109.680,- aan vaste activa en € 36.666,- aan vlottende activa dan betrekking hebben, heeft [gedaagde 4] geantwoord dat het “misschien” gaat om een bedrijfsauto. De opheldering is daarmee uitgebleven, terwijl de rechtbank verder wel van de door [eiser] gestelde en niet gemotiveerd betwiste omstandigheden rondom de voortzetting van het bedrijf door [gedaagde 2] moet uitgaan. Zij oordeelt daarom dat het ervoor moet worden gehouden dat de activa zonder vergoeding zijn overgegaan naar [gedaagde 2] en dat deze vennootschap de onderneming van [gedaagde 1] heeft voortgezet, terwijl de bestuurders van beide vennootschapen onweersproken wisten en hiermee hebben bewerkstelligd dat [eiser] onbetaald als schuldeiser van een vennootschap zonder activa achterbleef. Uit dit alles volgt dat [gedaagde 3] (als enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 1] ), [gedaagde 4] (als enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 2] ), [gedaagde 2] en [gedaagde 1] ieder in groepsverband hebben gehandeld om de betaling aan [eiser] te frustreren en haar verhaal voor de schade onmogelijk te maken. Ieder van hen heeft immers een bijdrage geleverd aan het samenstel van handelingen dat hiertoe heeft geleid. De rechtbank gaat daarbij uit van een bewust gezamenlijk optreden, omdat ieder van hen onweersproken ervan op de hoogte was en eraan heeft bijgedragen dat de betaling van [eiser] door deze in samenhang verrichte handelingen werd gefrustreerd. De deelneming aan dit alles in groepsverband is onrechtmatig, omdat het tot doel had om de betaling van een schuldeiser te frustreren en deze op oneigenlijke gronden verhaalsmogelijkheden te ontnemen. Daarmee is ook gegeven dat ieder van hen wist dat hun handelen hiertoe zou leiden en valt dit ook aan ieder van hen toe te rekenen. Ten aanzien van [gedaagde 3] en [gedaagde 4] geldt dat ieder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van hun handelen als bestuurder bij dit alles, zodat ook aan de verzwaarde norm voor hun aansprakelijkheid is voldaan. Dit betekent dat [eiser] wordt gevolgd in haar standpunt dat [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 2] aansprakelijk zijn vanwege een onrechtmatige daad in groepsverband tegen [eiser] . Zij moeten de hierdoor ontstane schade vergoeden.
Vernietiging rechtshandelingen overdracht
4.11.
Gelet op het voorgaande is ook de verklaring voor recht toewijsbaar dat [eiser] het samenstel van rechtshandelingen ter zake de overdracht van activa en activiteiten van [gedaagde 1] aan [gedaagde 2] buitenrechtelijk heeft vernietigd, welke vordering de rechtbank – gelet op het tegen hen verleende verstek – overigens ook niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
De omvang van de schade
4.12.
[gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 2] hebben onrechtmatig gehandeld tegen [eiser] en zijn aansprakelijk voor de schade die zij daardoor heeft geleden. Om deze schade vast te stellen, moet een vergelijking worden gemaakt met de hypothetische situatie waarin [eiser] zou hebben verkeerd wanneer de onrechtmatige gedragingen niet hadden plaatsgevonden.
4.13.
[eiser] stelt dat zij in dat geval volledige betaling van de openstaande facturen, althans het door haar gevorderde bedrag, had verkregen of hiervoor in ieder geval verhaal had kunnen halen. Ter onderbouwing wijst zij op de laatste jaarrekening van [gedaagde 1] voor de onrechtmatige gedragingen, waaruit € 100.451 aan activa blijkt. Dit bedrag overstijgt haar vordering en door [gedaagde 3] is tijdens de zitting verklaard dat [eiser] haar enige leverancier was. Van andere schuldeisers is niet gebleken. [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hebben aangevoerd dat geen volledige betaling zou hebben plaatsgevonden, omdat een groot deel van de geleverde producten non-conform was en de vennootschap daarom niet tot betaling was gehouden. Zij hebben dat standpunt verder niet onderbouwd. De rechtbank heeft onder 4.7 hiervoor al geoordeeld van welke feiten zij uitgaat als het gaat om de stelling dat de geleverde producten niet zouden voldoen. Gelet op het gebrek aan onderbouwing van deze stelling, is dat bij dit beslispunt niet anders. Verder geldt dat in ieder geval [gedaagde 3] beschikt over de financiële gegevens van [gedaagde 1] , zodat ook ten aanzien van dit onderdeel een verzwaarde motiveringsplicht rust bij het weerspreken van de stellingen van [eiser] dat haar vorderingen volledig voldaan zouden zijn. Zij hebben hier niet aan voldaan, zodat de rechtbank de stellingen van [eiser] volgt en de schade conform eis begroot op € 99.999,-.
Conclusie
4.14.
De vordering tot betaling van € 99.999,- door [gedaagde 1] wordt toegewezen. [gedaagde 3] is zowel zelfstandig (op grond van bestuurdersaansprakelijkheid) als met [gedaagde 4] en [gedaagde 2] (op grond van een onrechtmatige daad in groepsverband) aansprakelijk voor de betaling van een schadevergoeding voor hetzelfde bedrag. Omdat [eiser] niet tweemaal aanspraak kan maken op hetzelfde bedrag, begrijpt de rechtbank het zo dat [eiser] de vorderingen tegen [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 2] voorwaardelijk aan het uitblijven van betaling door [gedaagde 1] heeft willen instellen. De rechtbank zal een termijn van veertien dagen verbinden aan de betalingsveroordeling van [gedaagde 1] . De rechtbank overweegt dat dit niet afdoet aan haar vaststelling dat [eiser] als schuldeiser onbetaald en zonder verhaalsmogelijkheden is achtergebleven (zie onder meer 4.8 en 4.10), omdat [gedaagde 1] vooralsnog bij gebrek aan baten is opgehouden te bestaan. Omdat [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 2] ieder aansprakelijk zijn voor dezelfde schade wordt de betalingsveroordeling, zoals gevorderd, hoofdelijk toegewezen.
4.15.
De gevorderde verklaring voor recht wordt ook toegewezen, zoals hierna vermeld.
proceskosten
4.16.
[gedaagde] zijn in het ongelijk gesteld. Ten aanzien van ieder van hen zijn vorderingen toegewezen, zodat zij conform gevorderd hoofdelijk zullen worden veroordeeld in de proceskosten van [eiser] . De proceskostenveroordelingen worden begroot op:
- kosten van de dagvaardingen
€
476,56
- griffierecht
€
2.281,00
- salaris advocaat
€
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
7.048,56
4.17.
[eiser] vordert ook de hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] in de gemaakte beslagkosten van € 1.589,14. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om binnen 14 dagen vanaf heden aan [eiser] te betalen een bedrag van € 99.999,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 99.999, indien en voor zover [gedaagde 1] niet aan voornoemde veroordeling heeft voldaan,
5.3.
verklaart voor recht dat dat [eiser] het samenstel van rechtshandelingen ter zake de overdracht van activa en activiteiten van [gedaagde 1] aan [gedaagde 2] buitenrechtelijk heeft vernietigd met haar brief van 5 september 2025,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] hoofdelijk in de proceskosten van € 7.048,56, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] hoofdelijk tot betaling aan [eiser] van € 1.589,14 aan beslagkosten te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.6.
verklaart de betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.F. de Groot, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
Zie HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9762
Zie HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758
Zie onder meer HR 3 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0564 en Hof Den Haag 27 maart 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:641
Zie Kamerstukken II 2021/22, 36172, 3, p. 1
Zie ook hier Kamerstukken II 2021/22, 36172, 3, p. 21
Zie Gerechtshof Amsterdam 17 november 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BL2787
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/777756 / HA ZA 25-1641
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. D.A. Evertsz,
tegen
de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
1. [gedaagde 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
niet verschenen,
de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
2. [gedaagde 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
niet verschenen,
3. [gedaagde 3],
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. I.P. van Rossen,
4. [gedaagde 4],
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. I.P. van Rossen,
gedaagden,
hierna afzonderlijk te noemen [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] , en samen (in mannelijk enkelvoud) [gedaagde]
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 9 oktober 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord,
- het tussenvonnis van 4 februari 2026, waarin de mondelinge behandeling is bepaald, en
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 juni 2026 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.
2De feiten
2.1.
[eiser] verbouwt en handelt in aardappelen. Bestuurders en aandeelhouders zijn [naam 3] (hierna: [naam 3] ) en [naam 4] .
2.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren actief als groothandel in aardappelen. [gedaagde 3] was enig bestuurder en (indirect) enig aandeelhouder van [gedaagde 1] . [gedaagde 4] is enig bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde 2] .
2.3.
[eiser] leverde vanaf januari 2020 partijen aardappelen aan [bedrijf] B.V., waarvan [gedaagde 3] enig bestuurder was. Na het faillissement van die vennootschap eind 2020, is [eiser] de aardappelen gaan verkopen aan [gedaagde 1] .
2.4.
De communicatie met [eiser] verliep aan de kant van [gedaagde 1] via [naam 1] , de echtgenote van [gedaagde 3] en de moeder van [gedaagde 4] .
2.5.
Vanaf augustus 2024 ontstonden er betaalachterstanden, waarover partijen meermaals contact hebben gehad.
2.6.
Partijen hebben op enig moment op het kantoor van [eiser] besproken hoe [gedaagde 1] de betaalachterstanden zou kunnen inlopen. Aan de kant van [gedaagde 1] waren [naam 1] en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) aanwezig, die als adviseur optrad. [naam 1] heeft tijdens dit gesprek benoemd dat zij de onderneming graag met haar zoon wilde voortzetten en ook verder wilde gaan met de aardappelen van [eiser] .
2.7.
Op 4 november 2024 schrijft [naam 3] onder meer het volgende in zijn e-mail aan [naam 1] :
“Verder, wij horen geen reactie op jullie plannen om openstaande posten in te lopen en hoe jullie de toekomst (met jullie zoon) in gaan vullen. Tijdens jullie bezoek is afgesproken dat jullie met een voorstel/plan terug zouden reageren”
2.8.
[eiser] is hierna doorgegaan met de leveringen van nieuwe aardappelen, maar is [gedaagde 1] blijven aanschrijven over een betaalregeling.
2.9.
Op 11 maart 2025 heeft [naam 1] geklaagd over de kwaliteit van de laatste twee leveringen:
“We gooien op dit moment op 1000 KG zo’n 90KG weg. Dat is veel te veel! Graag een vergoeding voor van de afgelopen twee leveringen”
2.10.
Partijen zijn hierna overeengekomen dat [eiser] een korting van € 13.598,27 zal verlenen op de laatste twee facturen.
2.11.
In de periode hierna, heeft [eiser] meerdere e-mails gestuurd aan [gedaagde 1] over de oplopende betaalachterstand en het uitblijven van een betaalschema. Zo stuurt [naam 3] op 22 april 2025 de volgende e-mail aan [naam 1] :
“Zeer teleurstellend, geen betaling, geen bestelling en ook geen contact is blijkbaar moeilijk (…) We hebben jullie altijd het vertrouwen gegeven, jammer genoeg is dit niet wederzijds”
2.12.
[eiser] heeft hierna een advocaat ingeschakeld om [gedaagde 1] te sommeren tot de betaling van het openstaande bedrag van € 109.270,17 (hierna: de openstaande facturen).
2.13.
In reactie op deze brief, ontvangt [eiser] een e-mail van [naam 2] waarin hij verzoekt om incassomaatregelen op te schorten en een voorstel voor een regeling af te wachten. Onder de e-mail van [naam 2] is (per abuis) een e-mail meegestuurd die [naam 1] daarvoor aan [naam 2] heeft verzonden:
“(…) wil je nog dat ik op deze brief reageer of je dat de BV’s nog liquideren deze week (…)”
2.14.
Namens [eiser] is vervolgens op 10 juni 2025 een brief gestuurd aan [gedaagde 3] . Samengevat, staat in deze brief dat zij uit de jaarrekeningen van [gedaagde 1] heeft kunnen opmaken dat alle eerder aanwezige activa op nihil zijn gesteld, dat zij om die reden en vanwege de doorgestuurde e-mail van [naam 1] het idee heeft dat er naar een turbo-liquidatie wordt toegewerkt en dat zij hem als bestuurder aansprakelijk houdt als het toegezegde betalingsvoorstel uitblijft en/of de vennootschap wordt ontbonden zonder betaling aan [eiser] .
2.15.
In zijn e-mail van 10 juni 2025 schrijft [naam 2] onder meer:
“Sinds augustus 2024 worden aardappelen geleverd (en betaald) door [gedaagde 2] B.V. Daarvan is uw opdrachtgever op de hoogte en dit is ook zo besproken. Van de door u geschetste situatie is dan ook geen sprake”
2.16.
In reactie schrijft de advocaat van [eiser] onder meer het volgende:
“Cliënte verzoekt u ertoe te leiden dat het door u toegezegde betalingsvoorstel uiterlijk aanstaande vrijdag wordt gedaan. Voor de goede orde stelt cliënte vast dat de activiteiten van [gedaagde 3] zijn gestaakt en inmiddels worden voortgezet door [gedaagde 2] B.V.”
2.17.
Namens [gedaagde 1] is op 14 juni 2025 hierop geantwoord:
“(…) Aangezien ik nog steeds wacht op de opgaaf incourantie vraag ik u nog om even geduld te betrachten. Reeds sinds begin vorig jaar is uw cliënt op de hoogte van de voortgezette activiteiten (…)”
2.18.
In haar brief 5 september 2025 heeft [eiser] ieder van [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor het bedrag van de openstaande facturen.
2.19.
[eiser] heeft diezelfde maand beslag laten leggen op bankrekeningen van [gedaagde 1] .
2.20.
Op 15 december 2025 is zowel door de (uiteindelijk) aandeelhouder van [gedaagde 1] , [gedaagde 3] , als door de aandeelhouder van [gedaagde 2] , [gedaagde 4] , een ontbindingsbesluit genomen.
2.21.
Op 23 januari 2026 is aan het handelsregister van de Kamer van Koophandel opgegeven dat [gedaagde 2] per 15 december 2025 is opgehouden te bestaan, omdat met ingang van die datum geen bekende baten meer aanwezig waren.
2.22.
Op 30 januari 2026 is ook ten aanzien van [gedaagde 1] opgegeven dat deze vennootschap per 15 december 2025 is opgehouden te bestaan, omdat met ingang van die datum geen bekende baten meer aanwezig waren.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
[gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van € 99.999,-
[gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hoofdelijk veroordeelt tot de betaling van ditzelfde bedrag,
voor recht verklaart dat [eiser] het samenstel van rechtshandelingen ter zake de overdracht van activa en activiteiten van [gedaagde 1] aan [gedaagde 2] buitenrechtelijk heeft vernietigd bij brief van 5 september, althans dat samenstel van rechtshandeling alsnog vernietigt,
[gedaagde] hoofdelijk veroordeelt in de beslagkosten van € 1.589,14 en de kosten van deze procedure.
3.2.
[eiser] stelt dat de openstaande facturen ieder betrekking hebben op koopovereenkomsten, waaronder [gedaagde 1] steeds producten heeft gekocht en bij [eiser] heeft opgehaald. Zij moet de facturen daarom voldoen. Om proceseconomische redenen, de verschuldigde griffierechten, heeft [eiser] haar vordering verlaagd tot het gevorderde bedrag. Omdat [gedaagde 1] niet tot betaling is overgegaan en dit inmiddels niet meer kan, heeft zij ook [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] aangesproken voor dit bedrag. [gedaagde 1] 2024 is volgens [eiser] door haar bestuurder [gedaagde 3] ontdaan van al haar activa in 2024, terwijl [gedaagde 2] de bedrijfsactiviteiten met deze zelfde activa en zonder betaling van een koopprijs heeft voortgezet. [gedaagde 3] heeft vervolgens gebruikt gemaakt van de mogelijkheid tot een turbo-liquidatie om [eiser] onbetaald en zonder verhaalsmogelijkheden achter te laten. Dit levert volgens [eiser] een grond op voor bestuurdersaansprakelijkheid, omdat [gedaagde 3] wist dat deze handelingen tot gevolg zouden hebben dat [gedaagde 1] haar betaalverplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de schade. Omdat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] , als bestuurder van [gedaagde 2] , ieder een bijdrage hebben geleverd aan dit samenstel van handelingen, worden zij aangesproken op grond van een onrechtmatige daad in groepsverband.
3.3.
[gedaagde 4] en [gedaagde 3] voeren verweer. Zij concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten met rente.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.
4De beoordeling
De vorderingen tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
4.1.
De rechtbank gaat eerst in op de vorderingen tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , die niet in deze procedure zijn verschenen. [eiser] heeft uittreksels uit het handelsregister overgelegd, waaruit blijkt dat zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] per 15 december 2025 zijn ontbonden. Beide rechtspersoon zijn op die datum ook opgehouden te bestaan, omdat op dat moment geen bekende baten meer aanwezig waren.
4.2.
[eiser] heeft er terecht op gewezen dat haar dagvaardingen aan deze beide vennootschappen voor de datum van ontbinding zijn uitgebracht. Omdat deze procedure daarmee is aangevangen voor de ontbinding en de de vereffening van beide vermogens, kan de procedure tegen beide rechtspersonen worden voortgezet.
4.3.
De tegen [gedaagde 1] ingestelde vordering tot betaling van de openstaande facturen, komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Deze is toewijsbaar.
4.4.
De tegen [gedaagde 2] ingestelde vordering tot betaling van hetzelfde bedrag is gegrond op een onrechtmatige daad in groepsverband, waaraan ook [gedaagde 4] (als bestuurder van [gedaagde 2] ) en [gedaagde 3] (als bestuurder van [gedaagde 1] ) zouden hebben deelgenomen. Zij zijn wel verschenen en hebben verweer gevoerd. Omdat verder niet is gesteld is dat de specifiek aan [gedaagde 2] verweten handelingen een zelfstandige onrechtmatige daad opleveren en zij enkel in groepsverband wordt aangesproken, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een rechtsverhouding waarbij het noodzakelijk is dat de beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen. Dat betekent de rechtbank hierna eerst de verweren van [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zal bespreken, voordat zij op de vorderingen tegen [gedaagde 2] beslist.
De vorderingen tegen [gedaagde 3]
4.5.
De tegen [gedaagde 3] ingestelde vorderingen zijn gegrond op bestuurdersaansprakelijkheid. Naar de rechtbank begrijpt, berust die aansprakelijkheid volgens [eiser] op het volgende. Hij zou als bestuurder alle activa van [gedaagde 1] hebben overgedragen aan [gedaagde 2] , zonder dat hier betaling tegenover stond en daarmee hebben gefaciliteerd dat de onderneming met die vennootschap kon worden voortgezet, terwijl [eiser] als schuldeiser van een lege huls achterbleef. Voor zover die overdracht niet komt vast te staan, heeft hij in ieder geval alle activa van [gedaagde 1] weggemaakt. In beide gevallen is hij vervolgens tot een zogeheten turbo-liquidatie overgegaan: zodat [eiser] onbetaald en zonder verhaalsmogelijkheden achterbleef.
4.6.
De rechtbank overweegt als volgt. Als uitgangspunt geldt dat alleen een rechtspersoon zelf aansprakelijk is voor haar schulden. Voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder naast de rechtspersoon kan echter aanleiding bestaan, als de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de rechtspersoon zijn wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt en daardoor aan de wederpartij schade berokkent, terwijl dit handelen of nalaten ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de rechtspersoon tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Van een dergelijk persoonlijk ernstig verwijt zal in het algemeen geen sprake zijn als sprake is van betalingsonmacht van de rechtspersoon. Dit zal echter wel het geval zijn wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden die wijzen op betalingsonwil aan de zijde van de bestuurder.
4.7.
De rechtbank constateert dat [gedaagde 3] enig bestuurder en ook (indirect) enig aandeelhouder was van [gedaagde 1] , zodat hij volledige zeggenschap over deze rechtspersoon had. Gelet op de gemotiveerde stellingen van [eiser] mag daarom van hem worden verlangd dat hij aannemelijk maakt dat [gedaagde 1] niet in staat was [eiser] te betalen – en dat het dus niet ging om betalingsonwil. Dat heeft hij niet gedaan. [gedaagde 3] heeft pas op de zitting aangevoerd dat het niet goed ging met het bedrijf en dat dit vooral lag aan de slechte kwaliteit van de door [eiser] geleverde producten, haar enige leverancier. Dat standpunt heeft hij niet met verdere (financiële) stukken onderbouwd, terwijl hij wel geacht wordt hierover te beschikken. De rechtbank is met [eiser] eens dat in ieder geval niet uit de correspondentie tussen partijen volgt dat de door [eiser] geleverde producten niet voldeden. Daaruit blijkt dat slechts over de laatste twee leveringen klachten waren (zie onder 2.9), waarvoor toen een regeling is getroffen. Bij die stand van zaken houdt de rechtbank het ervoor dat sprake is geweest van betalingsonwil aan de zijde van [gedaagde 3] , wat betekent dat hij als bestuurder ervoor heeft gezorgd dat [gedaagde 1] haar verplichtingen niet nakwam.
4.8.
Uit het vervolg van zijn handelen, maakt de rechtbank op dat hij er als bestuurder voor heeft gezorgd dat [gedaagde 1] geen verhaal bood voor de hierdoor ontstane schade. [gedaagde 3] heeft na het uitbrengen van de dagvaarding (als (indirect) aandeelhouder van [gedaagde 1] ) besloten tot de ontbinding van de vennootschap. Gevraagd naar de reden hiervoor, heeft [gedaagde 3] tijdens de zitting verklaard dat hij vanwege de financiële toestand van de vennootschap geen andere optie meer zag dan tot ontbinding over te gaan. De vennootschap beschikte niet meer over activa en had alleen nog schulden. [gedaagde 3] heeft daarom als bestuurder aan de Kamer van Koophandel opgegeven dat er op dat moment geen baten meer waren, zodat de vennootschap op grond van artikel 2:19 lid 4 BW vanaf de ontbinding is opgehouden te bestaan. Dat betekent dat er een zogeheten turbo-liquidatie van de vennootschap heeft plaatsgevonden. [eiser] heeft vraagtekens geplaatst bij deze gang van zaken. Zij heeft erop gewezen dat de jaarrekening van de vennootschap in 2023 nog € 100.451,- aan activa omschreef en dat al deze activa verdwenen zijn op de jaarrekening over 2024. [eiser] stelt dat deze activa met het oog op het mogelijk maken van een turbo-liquidatie zijn weggemaakt en naar [gedaagde 2] zijn overgegaan. Dit alles om ervoor te zorgen dat [eiser] niet betaald zou worden en geen verhaalsmogelijkheden zou hebben voor de hierdoor ontstane schade. Zij wijst in dit verband op een e-mail, waaruit volgt dat blijkbaar ten tijde van de gesprekken over een betalingsregeling al het plan bestond om de vennootschap te ontbinden en vereffenen (zie 2.13). Zij wijst er verder op dat de adviseur van [gedaagde 1] in diezelfde periode heeft medegedeeld dat de activiteiten van [gedaagde 1] door [gedaagde 2] zijn voortgezet (zie 2.15), dat op de jaarrekening van [gedaagde 2] in dezelfde periode activa van ongeveer dezelfde waarde verschijnen en dat verder niet in geschil is dat [gedaagde 2] de laatste facturen van [gedaagde 1] heeft voldaan. Gevraagd naar een reactie op dit alles, heeft [gedaagde 3] toegelicht dat de enige activa van de vennootschap een machine betrof die volledig afgeschreven was in 2024. Die verklaring heeft hij niet gestaafd met stukken. Op vragen van de rechtbank wat de post met vlottende activa ter waarde van € 69.796 in dat geval dan inhoudt, heeft hij verklaard dat dit ging om een onverkoopbare voorraad van door [eiser] geleverde producten.
[gedaagde 3] is aansprakelijk als bestuurder
4.9.
De rechtbank oordeelt op grond van het voorgaande dat [gedaagde 3] onvoldoende heeft kunnen ophelderen waarom de activa van de vennootschap voorafgaand aan de turbo-liquidatie zijn verdwenen of in ieder geval niets waard waren. Als het om de stelling van de onbruikbare voorraad aan producten gaat, wijst de rechtbank op haar oordeel hierover in 4.7 hiervoor. Dat de overige activa een inmiddels volledig afgeschreven machine betrof, is niet nader onderbouwd met stukken. In het verlengde van wat de rechtbank in 4.7 hiervoor heeft overwogen over de op [gedaagde 3] rustende (verzwaarde) motiveringsplicht als bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde 1] , had dit wel op zijn weg gelegen. Daar komt nog bij dat op [gedaagde 3] als bestuurder bovendien de wettelijke plicht rustte om de in artikel 2:19b BW genoemde gegevens te deponeren na de turbo-liquidatie. Het gaat onder meer om een balans en een staat van baten en lasten met betrekking tot het boekjaar waarin de rechtspersoon is ontbonden en het voorgaande boekjaar als er op het moment van ontbinding over dat jaar nog geen jaarrekening openbaar is gemaakt, een beschrijving van de oorzaak van het ontbreken van baten op het tijdstip van de ontbinding en – voor zover aan de orde – de wijze waarop de baten van de rechtspersoon te gelde zijn gemaakt en de opbrengsten zijn verdeeld, als ook de redenen waarom een schuldeiser of schuldeisers geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven. [gedaagde 3] heeft daarmee ook verzaakt om na deponering hiervan schriftelijke mededeling aan de schuldeisers van de vennootschap te doen, in dit geval aan [eiser] (zie artikel 2:19b lid 2 BW). [gedaagde 3] heeft desgevraagd niet toegelicht waarom hij hier niet aan heeft voldaan en waarom deze stukken niet alsnog in het geding zijn gebracht. Dit rekent de rechtbank hem aan, omdat deze wettelijke plichten nu juist gelden om misbruik van de mogelijkheid tot turbo-liquidatie te voorkomen en om bestuurders op deze wijze verantwoording af te laten leggen tegenover hun schuldeisers die onbetaald achter blijven. Het volstaat niet om enkel te constateren dat er geen actief meer was op het moment van ontbinding, de achterliggende reden moet kenbaar worden gemaakt. Dit geeft een nadere invulling aan voornoemde verzwaarde motiveringsplicht. Hij heeft hier niet aan voldaan, omdat hij enkel kale stellingen heeft ingenomen tijdens de zitting. De rechtbank houdt het er daarom voor dat sprake is geweest van betalingsonwil, dat [eiser] moet worden gevolgd in haar stelling dat [gedaagde 3] als bestuurder eerst de activa heeft weggemaakt en vervolgens de mogelijkheid van een turbo-liquidatie heeft misbruikt: om ervoor te zorgen dat [gedaagde 1] haar schulden aan [eiser] niet kon voldoen en ook geen verhaal zou bieden voor de hierdoor ontstane schade. Van dit alles kan [gedaagde 3] persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Dit levert dan ook een onrechtmatige daad op tegen [eiser] , zodat hij de hierdoor ontstane schade moet vergoeden.
Ook [gedaagde 2] en [gedaagde 4] zijn aansprakelijk
4.10.
De rechtbank volgt [eiser] ook in haar betoog dat het ervoor moet worden gehouden dat de activa van [gedaagde 1] voorafgaand aan die turbo-liquidatie zijn overgegaan naar [gedaagde 2] , zonder dat hier een betaling tegenover stond. Zoals hiervoor is geoordeeld, is niet duidelijk geworden wat met de activa van [gedaagde 1] is gebeurd. Omdat [gedaagde 2] voor [gedaagde 1] betalingen is gaan verrichten na de bewuste e-mail waarin namens [gedaagde 1] met zoveel woorden is medegedeeld dat [gedaagde 2] haar activiteiten heeft overgenomen (zie 2.15) en de activa van [gedaagde 2] onbetwist rondom de wegmaking of nihilstelling van de activa van [gedaagde 1] in haar boeken zijn verschenen, heeft [eiser] terecht betoogd dat het op de weg van [gedaagde 2] , althans haar bestuurder, [gedaagde 4] had gelegen om hier nadere toelichting over te geven. In ieder geval over de activa van [gedaagde 2] en de herkomst hiervan. [gedaagde 4] heeft op de zitting verklaard dat hij zelfstandig een vennootschap heeft opgezet en dat verder geen sprake is geweest van een overdracht van activa van [gedaagde 1] . Op vragen over de (herkomst van de) activa waarover [gedaagde 2] beschikt(te), heeft hij niet kunnen antwoorden. [gedaagde 4] heeft eerst verklaard dat [gedaagde 2] geen activa nodig heeft, omdat het om een handelsbedrijf gaat dat alleen partijen aardappelen doorverkoopt. Op vragen van de rechtbank waarop de € 109.680,- aan vaste activa en € 36.666,- aan vlottende activa dan betrekking hebben, heeft [gedaagde 4] geantwoord dat het “misschien” gaat om een bedrijfsauto. De opheldering is daarmee uitgebleven, terwijl de rechtbank verder wel van de door [eiser] gestelde en niet gemotiveerd betwiste omstandigheden rondom de voortzetting van het bedrijf door [gedaagde 2] moet uitgaan. Zij oordeelt daarom dat het ervoor moet worden gehouden dat de activa zonder vergoeding zijn overgegaan naar [gedaagde 2] en dat deze vennootschap de onderneming van [gedaagde 1] heeft voortgezet, terwijl de bestuurders van beide vennootschapen onweersproken wisten en hiermee hebben bewerkstelligd dat [eiser] onbetaald als schuldeiser van een vennootschap zonder activa achterbleef. Uit dit alles volgt dat [gedaagde 3] (als enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 1] ), [gedaagde 4] (als enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 2] ), [gedaagde 2] en [gedaagde 1] ieder in groepsverband hebben gehandeld om de betaling aan [eiser] te frustreren en haar verhaal voor de schade onmogelijk te maken. Ieder van hen heeft immers een bijdrage geleverd aan het samenstel van handelingen dat hiertoe heeft geleid. De rechtbank gaat daarbij uit van een bewust gezamenlijk optreden, omdat ieder van hen onweersproken ervan op de hoogte was en eraan heeft bijgedragen dat de betaling van [eiser] door deze in samenhang verrichte handelingen werd gefrustreerd. De deelneming aan dit alles in groepsverband is onrechtmatig, omdat het tot doel had om de betaling van een schuldeiser te frustreren en deze op oneigenlijke gronden verhaalsmogelijkheden te ontnemen. Daarmee is ook gegeven dat ieder van hen wist dat hun handelen hiertoe zou leiden en valt dit ook aan ieder van hen toe te rekenen. Ten aanzien van [gedaagde 3] en [gedaagde 4] geldt dat ieder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van hun handelen als bestuurder bij dit alles, zodat ook aan de verzwaarde norm voor hun aansprakelijkheid is voldaan. Dit betekent dat [eiser] wordt gevolgd in haar standpunt dat [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 2] aansprakelijk zijn vanwege een onrechtmatige daad in groepsverband tegen [eiser] . Zij moeten de hierdoor ontstane schade vergoeden.
Vernietiging rechtshandelingen overdracht
4.11.
Gelet op het voorgaande is ook de verklaring voor recht toewijsbaar dat [eiser] het samenstel van rechtshandelingen ter zake de overdracht van activa en activiteiten van [gedaagde 1] aan [gedaagde 2] buitenrechtelijk heeft vernietigd, welke vordering de rechtbank – gelet op het tegen hen verleende verstek – overigens ook niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
De omvang van de schade
4.12.
[gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 2] hebben onrechtmatig gehandeld tegen [eiser] en zijn aansprakelijk voor de schade die zij daardoor heeft geleden. Om deze schade vast te stellen, moet een vergelijking worden gemaakt met de hypothetische situatie waarin [eiser] zou hebben verkeerd wanneer de onrechtmatige gedragingen niet hadden plaatsgevonden.
4.13.
[eiser] stelt dat zij in dat geval volledige betaling van de openstaande facturen, althans het door haar gevorderde bedrag, had verkregen of hiervoor in ieder geval verhaal had kunnen halen. Ter onderbouwing wijst zij op de laatste jaarrekening van [gedaagde 1] voor de onrechtmatige gedragingen, waaruit € 100.451 aan activa blijkt. Dit bedrag overstijgt haar vordering en door [gedaagde 3] is tijdens de zitting verklaard dat [eiser] haar enige leverancier was. Van andere schuldeisers is niet gebleken. [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hebben aangevoerd dat geen volledige betaling zou hebben plaatsgevonden, omdat een groot deel van de geleverde producten non-conform was en de vennootschap daarom niet tot betaling was gehouden. Zij hebben dat standpunt verder niet onderbouwd. De rechtbank heeft onder 4.7 hiervoor al geoordeeld van welke feiten zij uitgaat als het gaat om de stelling dat de geleverde producten niet zouden voldoen. Gelet op het gebrek aan onderbouwing van deze stelling, is dat bij dit beslispunt niet anders. Verder geldt dat in ieder geval [gedaagde 3] beschikt over de financiële gegevens van [gedaagde 1] , zodat ook ten aanzien van dit onderdeel een verzwaarde motiveringsplicht rust bij het weerspreken van de stellingen van [eiser] dat haar vorderingen volledig voldaan zouden zijn. Zij hebben hier niet aan voldaan, zodat de rechtbank de stellingen van [eiser] volgt en de schade conform eis begroot op € 99.999,-.
Conclusie
4.14.
De vordering tot betaling van € 99.999,- door [gedaagde 1] wordt toegewezen. [gedaagde 3] is zowel zelfstandig (op grond van bestuurdersaansprakelijkheid) als met [gedaagde 4] en [gedaagde 2] (op grond van een onrechtmatige daad in groepsverband) aansprakelijk voor de betaling van een schadevergoeding voor hetzelfde bedrag. Omdat [eiser] niet tweemaal aanspraak kan maken op hetzelfde bedrag, begrijpt de rechtbank het zo dat [eiser] de vorderingen tegen [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 2] voorwaardelijk aan het uitblijven van betaling door [gedaagde 1] heeft willen instellen. De rechtbank zal een termijn van veertien dagen verbinden aan de betalingsveroordeling van [gedaagde 1] . De rechtbank overweegt dat dit niet afdoet aan haar vaststelling dat [eiser] als schuldeiser onbetaald en zonder verhaalsmogelijkheden is achtergebleven (zie onder meer 4.8 en 4.10), omdat [gedaagde 1] vooralsnog bij gebrek aan baten is opgehouden te bestaan. Omdat [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 2] ieder aansprakelijk zijn voor dezelfde schade wordt de betalingsveroordeling, zoals gevorderd, hoofdelijk toegewezen.
4.15.
De gevorderde verklaring voor recht wordt ook toegewezen, zoals hierna vermeld.
proceskosten
4.16.
[gedaagde] zijn in het ongelijk gesteld. Ten aanzien van ieder van hen zijn vorderingen toegewezen, zodat zij conform gevorderd hoofdelijk zullen worden veroordeeld in de proceskosten van [eiser] . De proceskostenveroordelingen worden begroot op:
- kosten van de dagvaardingen
€
476,56
- griffierecht
€
2.281,00
- salaris advocaat
€
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
7.048,56
4.17.
[eiser] vordert ook de hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] in de gemaakte beslagkosten van € 1.589,14. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om binnen 14 dagen vanaf heden aan [eiser] te betalen een bedrag van € 99.999,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 99.999, indien en voor zover [gedaagde 1] niet aan voornoemde veroordeling heeft voldaan,
5.3.
verklaart voor recht dat dat [eiser] het samenstel van rechtshandelingen ter zake de overdracht van activa en activiteiten van [gedaagde 1] aan [gedaagde 2] buitenrechtelijk heeft vernietigd met haar brief van 5 september 2025,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] hoofdelijk in de proceskosten van € 7.048,56, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] hoofdelijk tot betaling aan [eiser] van € 1.589,14 aan beslagkosten te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.6.
verklaart de betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.F. de Groot, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
Zie HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9762
Zie HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758
Zie onder meer HR 3 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0564 en Hof Den Haag 27 maart 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:641
Zie Kamerstukken II 2021/22, 36172, 3, p. 1
Zie ook hier Kamerstukken II 2021/22, 36172, 3, p. 21
Zie Gerechtshof Amsterdam 17 november 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BL2787