Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:8390
2026-08-05
Strafrecht
13-110882-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan belaging. Hij heeft stelselmatig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en had ook het oogmerk om de slachtoffers te dwingen zijn contact te dulden. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan huisvredebreuk en seksuele intimidatie. De rechtbank legt voor de belagingen een ISD-maatregel op voor de duur van twee jaren zonder tussentijdse toetsing. Ook legt zij een 38v-maatregel op voor de duur van vier jaren. Toepassing van artikel 9a Sr voor de huisvredebreuk en de seksuele intimidatie.
Citeert (6)
- ECLI:NL:HR:2004:AO5710 Hoge Raad 29-06-2004
- ECLI:NL:HR:2014:3095 Hoge Raad 04-11-2014
- ECLI:NL:HR:2025:1557 Hoge Raad 14-10-2025
- ECLI:NL:HR:2006:AU7080 Hoge Raad 31-01-2006
- ECLI:NL:HR:2026:822 Hoge Raad 02-06-2026
- ECLI:NL:HR:2019:793 Hoge Raad 28-05-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (43.172 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Parketnummer: 13/110882-26 Parketnummers vorderingen tul: 13/187996-24 en 13/210612-23
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedag 1] 1980 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1],
nu gedetineerd in [detentieadres].
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de officier van justitie mr. S.W.M. van der Linde, en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J. Kleiman naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en van hetgeen mr. L. Appelman namens hen naar voren heeft gebracht. Ook is [reclasseringsmedewerker], reclasseringsmedewerker, als deskundige gehoord.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich telkens in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
Feit 1:
belaging van [benadeelde partij 1] in de periode van 15 oktober 2025 tot en met 15 februari 2026;
Feit 2:
belaging van [benadeelde partij 2] in periode van 21 november 2025 tot en met 5 januari 2026;
Feit 3:
Primair:
diefstal in vereniging van goederen van [benadeelde partij 3], waarbij hij zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak in de periode van 16 december 2025 tot en met 4 januari 2026;
Subsidiair:
medeplegen van huisvredebreuk in de woning gelegen aan [adres 2] in de periode van 16 december 2025 tot en met 4 januari 2026;
Feit 4:
seksuele intimidatie in het openbaar van [slachtoffer] op 6 februari 2026.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Waardering van het bewijs
3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde feiten en heeft – kort samengevat – het volgende aangevoerd.
Het eerste feit kan bewezen worden verklaard, omdat verdachte zich in een periode van vier maanden herhaaldelijk, wederrechtelijk en opzettelijk in de tuin en in de omgeving van [benadeelde partij 1] heeft opgehouden, contact met haar heeft gezocht en kusgeluiden naar haar heeft gemaakt. Ook het tweede feit kan bewezen worden verklaard, omdat verdachte zich ook herhaaldelijk in de tuin en omgeving van [benadeelde partij 2] heeft bevonden. Daarnaast heeft hij pakketjes door haar brievenbus gedaan.
Het primair tenlastegelegde onder feit 3 kan niet bewezen worden verklaard, omdat er onvoldoende bewijs is dat verdachte heeft ingebroken en de goederen heeft weggenomen. Verdachte bekent echter dat hij in de woning heeft verbleven, waardoor het subsidiair tenlastegelegde feit bewezen kan worden verklaard. Tot slot kan het vierde feit ook bewezen worden verklaard, omdat de gemaakte kusgeluiden richting [slachtoffer] als een indringende seksuele benadering kunnen worden aangemerkt.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de eerste twee feiten. Volgens hem is er geen sprake van een stelselmatige inbreuk en ontbreekt het oogmerk voor belaging. Verdachte zou slechts bezig zijn geweest met het verzamelen van statiegeldblikjes in de omgeving van aangeefsters. Ook heeft de raadsman vrijspraak bepleit voor het primair tenlastegelegde onder feit 3 wegens onvoldoende bewijs. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde onder feit 3 en feit 4 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Feit 1 en 2: belaging
Juridisch kader
De rechtbank stelt het volgende voorop. Van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), is sprake wanneer iemand wederrechtelijk een ander stelselmatig opzettelijk lastigvalt, waardoor diegene inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van de ander. Bij de beantwoording van de vraag of daarvan sprake is, komt betekenis toe aan de intensiteit, duur en/of frequentie van de verrichtte handelingen van de verdachte. Van belang zijn daarnaast de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder die gedragingen hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de ander. Het gaat daarbij niet zozeer om een weging van elke factor op zichzelf, maar om het totaalbeeld dat uit de verschillende gedragingen naar voren komt. Daarnaast dient de belager ook het oogmerk te hebben gehad om de ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de ander vrees aan te jagen. Het oogmerk om de ander te dwingen iets te dulden kan volgen uit de bewezenverklaarde handelingen waaruit kan worden afgeleid dat de ander geen keuze werd gelaten in het al dan niet aanvaarden van het contact met de belager.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Aangeefster [benadeelde partij 1] heeft in oktober 2025 een ontmoeting met verdachte gehad bij de voordeur van haar flat. Sinds deze ontmoeting heeft verdachte herhaaldelijk contact met haar gezocht. Op 22 december 2025 trof [benadeelde partij 1] verdachte om 02.45 uur ’s nachts in haar tuin bij haar slaapkamerraam en zag zij dat hij aan het harken was. De politie heeft verdachte uit haar tuin verwijderd en [benadeelde partij 1] hoorde verdachte zeggen dat hij voor haar aan het tuinieren was, omdat zij alleen maar aandacht voor haar honden had en niet voor hem. De politie hoorde verdachte zeggen dat hij aan het tuinieren was voor een vriendin. Verdachte heeft [benadeelde partij 1] in de periode daarna herhaaldelijk opgezocht, haar achternagelopen, kusgeluiden naar haar gemaakt, haar opgewacht bij haar voordeur of zich in de nabije omgeving van haar of haar woning bevonden.
Aangeefster [benadeelde partij 2] heeft in haar aangifte soortgelijk verklaard. Zij heeft verdachte op 21 november 2025 om 01.00 uur ’s nachts bij de hoofdingang van haar woning gezien en hem naar haar zien zwaaien. Vervolgens hebben zij en haar huisgenoot hem in de periode daarna twee keer bij hun woning zien staan en naar binnen zien kijken. Ook heeft [benadeelde partij 2] op 16 december 2025 om 04.00 uur ’s nachts verdachte zien en horen vegen in haar tuin bij haar slaapkamerraam. Op 17 december 2025 heeft hij twee keer ’s avonds met een bezem in haar tuin gestaan. [benadeelde partij 2] heeft daarnaast twee pakketjes van verdachte ontvangen, één keer een pakket met slaapspullen en één keer een kraslot met een nepdiamantje. De laatste keer heeft verdachte ook op het raam geklopt en daarbij gezegd dat hij haar wat wilde geven.
Beide aangeefsters hebben zich door verdachte angstig en onbehagelijk gevoeld en het gevoel gehad dat hij specifiek hun aandacht heeft gezocht. Zij hebben ook aan verdachte gevraagd om weg te gaan en aangegeven dat zij niet van het contact gediend zijn.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en overweegt het volgende.
Stelselmatige inbreuk
Gelet op de hiervoor vastgestelde gedragingen van verdachte is de rechtbank van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op de persoonlijke levens en de persoonlijke vrijheid van de slachtoffers zodanig is geweest, dat er sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefsters. De rechtbank verwijst hierbij in het bijzonder naar het feit dat verdachte op een groot aantal momenten en veelal in de avond (wanneer het donker was) contact heeft gezocht met de aangeefsters bij of rondom hun woningen, waaronder – bij beide slachtoffers – door hun niet voor het publiek toegankelijke tuinen te betreden. Ook heeft verdachte aangeefsters, soms meerdere keren op één dag, opgezocht, terwijl zij aangegeven hadden niet van het contact gediend te zijn.
Oogmerk
Ook heeft verdachte het oogmerk gehad om de aangeefsters te dwingen zijn contact te dulden. Hoewel ook de aangeefsters verklaren dat verdachte statiegeldblikjes verzamelt, blijkt uit het geheel van zijn gedragingen dat zijn handelen op meer dan het verzamelen van statiegeldblikjes gericht is geweest.
Met betrekking tot [benadeelde partij 1] hecht de rechtbank daarbij in het bijzonder waarde aan de verklaringen van verdachte bij de politie waarin hij zegt dat hij de tuin voor zijn vriendin aan het schoonmaken is en dat hij dat doet, omdat aangeefster alleen maar aandacht voor haar honden heeft. Daarnaast heeft - zoals hierna in rubriek 3.3.3. bij feit 4 aan de orde komt - [slachtoffer] ook verklaard dat verdachte kusgeluiden maakte en haar heeft achtervolgd. Haar verklaring ondersteunt die van [benadeelde partij 1] die ook verklaard heeft dat verdachte kusgeluiden maakte. Ook dat betreft contact dat gericht is geweest op [benadeelde partij 1] en wat zij moest dulden.
Met betrekking tot aangeefster [benadeelde partij 2] blijkt het oogmerk van verdachte onder andere uit het feit dat hij op haar woonkamerraam geklopt heeft, haar verteld heeft dat hij haar graag iets wil geven en – ondanks dat [benadeelde partij 2] het contact weigerde – een pakket door haar brievenbus heeft gedaan.
Uit het voorgaande komt naar voren dat verdachte op een indringende wijze heeft geprobeerd met de aangeefsters in contact te komen. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]. Het eerste en tweede feit worden daarom bewezen verklaard.
3.3.2.
Feit 3: huisvredebreuk
Primair tenlastegelegde
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte heeft ingebroken en de tenlastegelegde goederen heeft weggenomen. Verdachte bekent dat hij in de woning is geweest, maar ontkent dat hij de schuifpui heeft opengebroken en de goederen heeft meegenomen. Nu bewijsmiddelen voor de inbraak en de diefstal ontbreken, wordt verdachte vrijgesproken van dit feit.
Subsidiair tenlastegelegde
Verdachte heeft bekend dat hij naar binnen is gegaan in de woning gelegen aan [adres 2] in Amsterdam en dat hij daar heeft verbleven. Het is een feit van algemene bekendheid dat de woning van een ander niet betreden mag worden zonder dat daarvoor toestemming is verleend. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte zich aan huisvredebreuk schuldig heeft gemaakt. Niet is gebleken dat verdachte dit feit met een ander heeft gepleegd. Verdachte wordt daarom van dit deel van de tenlastelegging vrijgesproken.
3.3.3.
Feit 4: seksuele intimidatie
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte [slachtoffer] ’s nachts op straat heeft benaderd, hij op een korte afstand voor een aantal minuten om haar en haar buurman heen heeft gecirkeld, daarbij kusgeluiden richting haar heeft gemaakt en aangeefster daarna naar haar woning is gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze kusgeluiden – mede gelet op de context waarin deze zijn gemaakt – een indringende seksuele benadering geweest die is aan te merken als seksuele intimidatie. Het vierde tenlastegelegde wordt daarom bewezen verklaard.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Feit 1:
in de periode van 15 oktober 2025 tot en met 15 februari 2026 te Amsterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij 1], door
- zich meermalen in de tuin van het slachtoffer te begeven en
- meermalen in de tuin van het slachtoffer te harken en
- zich meermalen te begeven in de directe omgeving van de woning van het slachtoffer en
- zich op te houden bij de voordeur van de woning van het voornoemde slachtoffer en een gesprek met het slachtoffer aan te knopen en
-meermalen kusgeluiden te maken naar het slachtoffer
met het oogmerk die [benadeelde partij 1], te dwingen iets te dulden;
Feit 2:
in de periode van 21 november 2025 tot en met 5 januari 2026 te Amsterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij 2], door
- zich meermalen te begeven bij de hoofdingang van de woning van het slachtoffer en
- te zwaaien naar het slachtoffer en
- meermalen binnen in de woonkamer van het voornoemde slachtoffer te staren, en
- zich te bevinden in de directe omgeving en bij het hekje van de tuin van de woning van het slachtoffer en
- meermalen zich te begeven in de tuin van het slachtoffer en
- meermalen, te vegen in de tuin van het slachtoffer en
- meermalen, pakketten met slaapspullen of kraslot en een nepdiamantje door de brievenbus van het slachtoffer te stoppen en
- op het raam van de woning van het slachtoffer te kloppen
met het oogmerk die [benadeelde partij 2], te dwingen iets te dulden;
Feit 3 subsidiair:
in de periode van 16 december 2025 tot en met 4 januari 2026 te Amsterdam, in de woning, [adres 2] te Amsterdam, bij anderen dan bij verdachte in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen;
Feit 4:
op 6 februari 2026 te Amsterdam, in het openbaar een ander, te weten [slachtoffer] indringend seksueel heeft benaderd, door middel van geluiden op een wijze die vreesaanjagend was te achten, door
- [slachtoffer] te achtervolgen en
- om [slachtoffer] heen te cirkelen en
- kusgeluiden te maken in de richting van [slachtoffer].
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7Oplegging van maatregelen
7.1.
De eis van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft voor feiten 1, 2 en 3 subsidiair gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van twee jaar zonder aftrek van het voorarrest. Er is volgens haar geen alternatief voorhanden omdat eerdere behandelings- en begeleidingstrajecten ontoereikend zijn gebleken om het risico op recidive in te perken. Zij heeft gevorderd om aan verdachte voor feit 4 een voorwaardelijke geldboete van € 250,- op te leggen met een proeftijd van twee jaar.
Ook heeft zij gevorderd de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr op te leggen, inhoudende een contactverbod met slachtoffers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] (feiten 1 en 2) en een locatieverbod voor de straat [straatnaam] voor de duur van vier jaar met toepassing van vervangende hechtenis voor de duur van een week per overtreding. Zij heeft daarbij gevorderd deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat oplegging van een ISD-maatregel niet noodzakelijk is, omdat er alternatieven zijn. Verdachte staat hoog op de wachtlijst voor een woning bij het Leger des Heils, locatie [locatie] en externe partijen, zoals de gemeente, kunnen ook hulpverlening bieden wanneer verdachte een woning heeft. Indien de ISD-maatregel wordt opgelegd, heeft de raadsman verzocht om daaraan een tussentijdse beoordeling te verbinden, zodat verdachte niet onnodig lang een woning misloopt. Ten aanzien van de 38v-maatregel heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregelen gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de maatregelen en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van twee vrouwen. Hij heeft op een indringende manier contact gezocht met de slachtoffers door zich herhaaldelijk in de late avonduren rondom de woningen en in de tuinen van de slachtoffers te bevinden. Ook heeft hij geprobeerd om op verschillende manieren contact te zoeken, door onder andere te kloppen op het raam, kusgeluiden te maken en pakketten door de brievenbus te doen. De slachtoffers hebben verklaard zich door het handelen van verdachte niet meer veilig te voelen in hun eigen woningen. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Een woning is bij uitstek de plek waar iemand zich veilig zou moeten voelen. Tevens heeft verdachte door zijn handelen gevoelens van onrust bij buurtbewoners veroorzaakt.
Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan seksuele intimidatie. Door het slachtoffer in de late avonduren op straat te omcirkelen, kusgeluiden naar haar te maken en haar te achtervolgen, heeft hij het slachtoffer vrees aangejaagd. Hierdoor heeft verdachte bij het slachtoffer gevoelens van onveiligheid veroorzaakt.
Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan huisvredebreuk. Hij is in de woning gelegen aan [adres 2] in Amsterdam, zonder dat daartoe toestemming is verleend door de bewoners, binnengedrongen en is daar verbleven. Verdachte heeft hiermee laten zien dat hij geen respect heeft voor andermans eigendommen en heeft overlast veroorzaakt voor de bewoners van de woning.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het adviesrapport van GGZ Reclassering Inforsa van 15 juli 2026, opgesteld door reclasseringsmedewerker [reclasseringsmedewerker]. De reclassering heeft – kort en zakelijk weergegeven – onder meer het volgende gerapporteerd.
Bij verdachte is sprake van instabiliteit op alle leefgebieden. Verdachte is dakloos, heeft schuldenproblematiek en het ontbreekt hem aan zinvolle dagbesteding. Daarnaast is hij bekend met een lange geschiedenis van middelengebruik. Hij is hardnekkig verslaafd aan alcohol en cocaïne en gebruikt middelen om spanning en stress te reduceren. Verdachte heeft voor zijn middelengebruik meerdere klinische en ambulante behandeltrajecten doorlopen, maar deze hebben tot op heden niet tot abstinentie of structurele gedragsverandering geleid, omdat verdachte middelen blijft gebruiken en zijn afspraken met de hulpverleners niet nakomt. Daarbij lijkt verdachte zich te begeven in een netwerk van drugsgebruikers. De mogelijkheden voor behandeling van de verslavingsproblematiek binnen een ambulant kader worden als uitgeput beschouwd, vanwege de langdurige aard van de verslavingsproblematiek en de omvangrijke behandelgeschiedenis.
Het is noodzakelijk dat bij verdachte opnieuw uitgebreide diagnostiek wordt verricht, zodat een actueel beeld ontstaat van zijn psychosociaal functioneren en van de eventuele onderliggende problematiek.
De reclassering heeft geconcludeerd dat verdachte aan zowel de harde als de zachte ISD-criteria voldoet. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een ISD-maatregel voor de duur van twee jaar op te leggen. Indien op basis van nadere diagnostiek een klinische behandeling geïndiceerd is, vindt de reclassering het wenselijk om verdachte in een kliniek met een zo hoog mogelijk beveiligingsniveau te plaatsen, om hem te beschermen tegen zijn middelengebruik.
[reclasseringsmedewerker] is op de terechtzitting als deskundige gehoord en heeft voornoemd advies bevestigd. Zij heeft te kennen gegeven dat de reclassering een behandel- en begeleidingstraject in het kader van een ISD-maatregel noodzakelijk vindt, omdat eerdere hulpverleningstrajecten (in een vrijwillig kader) niet van de grond kwamen en niet tot inperking van het risico op recidive hebben geleid. De reclassering is van mening dat verdachte eerst een behandeling moet ondergaan, gericht op zijn middelengebruik en zijn (mogelijke) psychische problematiek, voordat kan worden toegewerkt naar het verkrijgen van een stabiele woonplek, zinvolle dagbesteding en schuldhulpverlening. De deskundige heeft daarnaast aangegeven dat een ISD-maatregel de kans op het verkrijgen van een woning niet zal doorkruisen, omdat de reclassering voornemens is de woonplek voor hem te reserveren. Ook heeft zij kenbaar gemaakt dat het meest efficiënte begeleidingskader door de reclassering kan worden geboden als de bijzondere voorwaarden die verbonden zijn aan de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13-187996-24, zouden blijven gelden na de ISD-maatregel. Zo zou verdachte na de ISD-maatregel nog een vangnet hebben met toezicht van de reclassering dat hem kan ondersteunen.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 15 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden meerdere keren onherroepelijk is veroordeeld voor gewelds- en vermogensdelicten. Daarnaast liep verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten in twee proeftijden.
ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m Sr aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is allereerst bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, te weten belaging.
Daarnaast volgt uit het strafblad van verdachte dat hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan 15 oktober 2025 ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het strafblad is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.
Verder eist de veiligheid van personen en goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de aard en ernst van en het aantal door verdachte begane feiten. Verdachte voldoet hierdoor aan de ‘harde’ criteria voor de ISD-maatregel.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat. De rechtbank overweegt op basis van het hiervoor genoemde adviesrapport van de reclassering en de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting dat een alternatief hulpverleningskader onvoldoende waarborgen biedt om de (verslavings-)problematiek van verdachte afdoende te behandelen en daarmee het recidiverisico in te perken. Anders dan de raadsman heeft betoogd is uit het verleden gebleken dat een woning of hulpverlening verdachte er niet van weerhouden te recidiveren en het is hem in andere kaders niet gelukt tot gedragsverandering te komen. Ook de reclassering benadrukt dat de mogelijkheden voor klinische en ambulante behandeltrajecten in andere kaders zijn uitgeput en dat er rekening mee moet worden gehouden dat verdachte, als er geen diagnostiek en behandeling plaatsvindt, opnieuw een misdrijf zal begaan. De rechtbank ziet in het voorgaande daarom aanleiding om de ISD-maatregel op te leggen en acht de oplegging daarvan proportioneel en noodzakelijk. Zij zal voor de feiten 1 en 2 daarom aan verdachte een ISD-maatregel opleggen.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en ter bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom legt de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaar op. De tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht wordt niet in mindering gebracht op de duur van de maatregel.
Tussentijdse toetsing
De rechtbank ziet geen reden om op voorhand te beslissen dat er een tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel moet plaatsvinden. Dat verdachte nu in aanmerking komt voor een woonplek op locatie [locatie] maakt dat niet anders. De reclassering is immers voornemens om een plek voor verdachte beschikbaar te houden. Indien de verdediging, dan wel het Openbaar Ministerie naar gelang van de voortgang een dergelijke toetsing wenst, kan daartoe op grond van artikel 38n Sr worden verzocht.
Vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr) en dadelijke uitvoerbaarheid
Aangezien verdachte de ernst van zijn handelen niet in lijkt te zien, houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte in de toekomst contact zal willen opnemen met de slachtoffers. Om de slachtoffers te beschermen en ter voorkoming dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit jegens de slachtoffers, zal de rechtbank ook aan verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen. De maatregel houdt in dat verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact mag opnemen met [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en zich niet in de straat van de slachtoffers ([straatnaam] te Amsterdam) mag begeven voor de duur van vier jaar. Voor elke keer dat verdachte de maatregel overtreedt kan hechtenis worden toegepast voor de duur van een week met een maximum van zes maanden.
Omdat er – gelet op de houding van verdachte en zijn problematiek – ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en zich belastend zal gedragen jegens de slachtoffers, beveelt de rechtbank dat, gelet op het vierde lid van artikel 38v Sr, de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Geen straf of maatregel
De rechtbank legt aan verdachte voor de feiten 1 en 2 een ISD-maatregel en een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op. Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd ziet de rechtbank geen toegevoegde waarde in het daarnaast opleggen van een straf of maatregel voor de bewezenverklaarde huisvredebreuk en overtreding. De rechtbank zal voor feit 3 subsidiair en voor feit 4 daarom toepassing geven aan artikel 9a Sr.
8De vorderingen benadeelde partij
De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]
De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] vorderen, ieder voor zich, € 1.500,- aan vergoeding van immateriële schade. Daarnaast hebben zij verzocht de schadevergoedingen te vermeerderen met de wettelijke rente en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 893,21 aan vergoeding van materiële schade. Daarnaast heeft hij verzocht de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
8.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] geheel toegewezen kunnen worden met vermeerdering van de wettelijke rente. Zij heeft daarbij gevorderd dat ten aanzien van beide benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft zij zich op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat volgens haar het primair tenlastegelegde onder feit 3 niet bewezen kan worden verklaard.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat alle drie de vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat verdachte vrijgesproken dient te worden van de tenlastegelegde feiten waarop de vorderingen betrekking hebben.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
8.3.1.
De vorderingen benadeelde partij van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]
Op grond van artikel 6:106 aanhef en sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) komt immateriële schade voor vergoeding in aanmerking als er sprake is van letsel, aantasting van de eer en goede naam of aantasting in de persoon op andere wijze. Dat sprake zou zijn van letsel of een aantasting van de eer en goede naam van de benadeelde partijen is niet gesteld of gebleken. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of de benadeelden zijn aangetast in de persoon op andere wijze.
Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Het gaat in dat geval om een weging van de factoren bezien in onderlinge samenhang, waarbij, naarmate de aard en de ernst van de normschending ingrijpender zijn, een aantasting in de persoon meer voor de hand ligt. Ook dan zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Het gaat dan in het bijzonder om concrete gegevens over de (aard en ernst van de) gevolgen die de normschending voor de benadeelde heeft gehad. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
De benadeelde partijen hebben niet gesteld dat zij geestelijk letsel hebben opgelopen. Ook blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende uit concrete en objectieve gegevens dat ten gevolge van de strafbare feiten op andere wijze sprake is van een aantasting in de persoon bij de benadeelden. Uit de vorderingen blijkt dat de benadeelden angstig waren, zich onveilig voelden en stress en slapeloosheid hebben ervaren, maar deze gevoelens zijn – hoe voorstelbaar ook – onvoldoende voor het aannemen van een dergelijke aantasting. Benadeelde [benadeelde partij 1] heeft aangevoerd dat zij naar de huisarts is geweest voor haar mentale klachten en een aantal gesprekken met de praktijkondersteuner heeft gehad, maar ook die informatie is zonder nadere concrete gegevens onvoldoende om aantasting in de persoon op andere wijze aan te nemen. Hoewel belaging naar zijn aard een vervelend feit is, dat inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van slachtoffers, is de rechtbank van oordeel dat de ernst van de normschending in het onderhavige geval niet van dusdanig groot gewicht is, dat nadelige gevolgen daarvan voor benadeelden zo voor de hand liggen, dat sprake is van een persoonsaantasting. Dit betekent dat er naar het oordeel van de rechtbank geen grondslag bestaat voor de toekenning van een immateriële schadevergoeding. De vorderingen worden daarom afgewezen.
De benadeelde partijen en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
8.3.2.
De vordering benadeelde partij van [benadeelde partij 3]
Omdat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het primair tenlastegelegde onder feit 3 waaruit de schade voor de benadeelde is ontstaan, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaren.
De benadeelde partij en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 38m, 38n, 38v, 38w, 57, en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
10Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken zitten de op 17 juni 2026 bij de griffie van deze rechtbank ontvangen vorderingen tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam. De officier van justitie vordert daarin de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraffen van 14 dagen, respectievelijk twee weken van de vonnissen van 2 oktober 2024 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam in de zaken met parketnummers 13/187996-24 en 13/210612-23 alsnog ten uitvoer te leggen, omdat verdachte zich binnen de aan die straffen verbonden proeftijden aan strafbare feiten schuldig heeft gemaakt.
10.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen af te wijzen, omdat zij de oplegging van een ISD-maatregel heeft gevorderd. Daarbij acht zij het van belang dat – indien de ISD-maatregel wordt opgelegd – verdachte een vangnet behoudt na de ISD-maatregel. Zoals ook door de reclassering naar voren is gebracht, zou dit vangnet bewerkstelligd kunnen worden door de vorderingen af te wijzen, zodat de bijzondere voorwaarden die verbonden zijn aan de vordering met parketnummer 13/187996-24 na de maatregel blijven gelden.
10.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de vorderingen tenuitvoerlegging toe te wijzen en te verrekenen met de dagen dat verdachte in voorarrest heeft gezeten.
10.3.
Het oordeel van de rechtbank
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijden aan strafbare feiten schuldig heeft gemaakt, zoals ook naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank wijst de vorderingen echter af, omdat zij tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraffen niet passend acht, gelet op de ISD-maatregel die aan verdachte wordt opgelegd. Ook is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat het van belang is dat verdachte een vangnet behoud na de ISD-maatregel. Dit vangnet kan bewerkstelligd worden door de bijzondere voorwaarden die verbonden zijn aan de vordering met parketnummer 13/187996-24.
11Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 3 primair is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 1, 2, 3 (subsidiair) en 4 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 en feit 2:
telkens: belaging
Ten aanzien van feit 3 subsidiair:
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen
Ten aanzien van feit 4:
in het openbaar een ander indringend benaderen door middel van opmerkingen, gebaren, geluiden of aanrakingen op een wijze die vreesaanjagend, vernederend, kwetsend of onterend is te achten.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt ter zake van feit 1 en feit 2 de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van 2 (twee) jaren op.
Bepaalt dat ter zake van feit 3 subsidiair en feit 4 geen straf of maatregel wordt opgelegd.
38v-maatregel:
Legt op de maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht dat de veroordeelde voor de duur van 4 (vier) jaren op geen enkele wijze – direct of indirect –contact mag leggen of laten leggen met [benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedag 3] 1981) en met [benadeelde partij 2] (geboren op [geboortedag 2] 1994).
Legt op de maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht dat de veroordeelde voor de duur van 4 (vier) jaren zich niet bevindt in de straat [straatnaam] te Amsterdam.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregelen wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van maximaal 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Vorderingen benadeelde partijen:
Wijst de vordering van [benadeelde partij 1] af.
Wijst de vordering van [benadeelde partij 2] af.
Verklaart [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partijen en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Voorwaardelijke veroordelingen:
Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/187996-24 af.
Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/210612-23 af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.A. Brunner, voorzitter,
mr. D.A. Segbedzi en mr. L. Noyon, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.H.G. Brinkman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 augustus 2026.
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710; HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095; HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1557.
HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7080.
HR 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822, r.o. 3.5.4 – 3.5.6; HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.4.5.
RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Parketnummer: 13/110882-26 Parketnummers vorderingen tul: 13/187996-24 en 13/210612-23
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedag 1] 1980 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1],
nu gedetineerd in [detentieadres].
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de officier van justitie mr. S.W.M. van der Linde, en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J. Kleiman naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en van hetgeen mr. L. Appelman namens hen naar voren heeft gebracht. Ook is [reclasseringsmedewerker], reclasseringsmedewerker, als deskundige gehoord.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich telkens in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
Feit 1:
belaging van [benadeelde partij 1] in de periode van 15 oktober 2025 tot en met 15 februari 2026;
Feit 2:
belaging van [benadeelde partij 2] in periode van 21 november 2025 tot en met 5 januari 2026;
Feit 3:
Primair:
diefstal in vereniging van goederen van [benadeelde partij 3], waarbij hij zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak in de periode van 16 december 2025 tot en met 4 januari 2026;
Subsidiair:
medeplegen van huisvredebreuk in de woning gelegen aan [adres 2] in de periode van 16 december 2025 tot en met 4 januari 2026;
Feit 4:
seksuele intimidatie in het openbaar van [slachtoffer] op 6 februari 2026.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Waardering van het bewijs
3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde feiten en heeft – kort samengevat – het volgende aangevoerd.
Het eerste feit kan bewezen worden verklaard, omdat verdachte zich in een periode van vier maanden herhaaldelijk, wederrechtelijk en opzettelijk in de tuin en in de omgeving van [benadeelde partij 1] heeft opgehouden, contact met haar heeft gezocht en kusgeluiden naar haar heeft gemaakt. Ook het tweede feit kan bewezen worden verklaard, omdat verdachte zich ook herhaaldelijk in de tuin en omgeving van [benadeelde partij 2] heeft bevonden. Daarnaast heeft hij pakketjes door haar brievenbus gedaan.
Het primair tenlastegelegde onder feit 3 kan niet bewezen worden verklaard, omdat er onvoldoende bewijs is dat verdachte heeft ingebroken en de goederen heeft weggenomen. Verdachte bekent echter dat hij in de woning heeft verbleven, waardoor het subsidiair tenlastegelegde feit bewezen kan worden verklaard. Tot slot kan het vierde feit ook bewezen worden verklaard, omdat de gemaakte kusgeluiden richting [slachtoffer] als een indringende seksuele benadering kunnen worden aangemerkt.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de eerste twee feiten. Volgens hem is er geen sprake van een stelselmatige inbreuk en ontbreekt het oogmerk voor belaging. Verdachte zou slechts bezig zijn geweest met het verzamelen van statiegeldblikjes in de omgeving van aangeefsters. Ook heeft de raadsman vrijspraak bepleit voor het primair tenlastegelegde onder feit 3 wegens onvoldoende bewijs. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde onder feit 3 en feit 4 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Feit 1 en 2: belaging
Juridisch kader
De rechtbank stelt het volgende voorop. Van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), is sprake wanneer iemand wederrechtelijk een ander stelselmatig opzettelijk lastigvalt, waardoor diegene inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van de ander. Bij de beantwoording van de vraag of daarvan sprake is, komt betekenis toe aan de intensiteit, duur en/of frequentie van de verrichtte handelingen van de verdachte. Van belang zijn daarnaast de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder die gedragingen hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de ander. Het gaat daarbij niet zozeer om een weging van elke factor op zichzelf, maar om het totaalbeeld dat uit de verschillende gedragingen naar voren komt. Daarnaast dient de belager ook het oogmerk te hebben gehad om de ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de ander vrees aan te jagen. Het oogmerk om de ander te dwingen iets te dulden kan volgen uit de bewezenverklaarde handelingen waaruit kan worden afgeleid dat de ander geen keuze werd gelaten in het al dan niet aanvaarden van het contact met de belager.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Aangeefster [benadeelde partij 1] heeft in oktober 2025 een ontmoeting met verdachte gehad bij de voordeur van haar flat. Sinds deze ontmoeting heeft verdachte herhaaldelijk contact met haar gezocht. Op 22 december 2025 trof [benadeelde partij 1] verdachte om 02.45 uur ’s nachts in haar tuin bij haar slaapkamerraam en zag zij dat hij aan het harken was. De politie heeft verdachte uit haar tuin verwijderd en [benadeelde partij 1] hoorde verdachte zeggen dat hij voor haar aan het tuinieren was, omdat zij alleen maar aandacht voor haar honden had en niet voor hem. De politie hoorde verdachte zeggen dat hij aan het tuinieren was voor een vriendin. Verdachte heeft [benadeelde partij 1] in de periode daarna herhaaldelijk opgezocht, haar achternagelopen, kusgeluiden naar haar gemaakt, haar opgewacht bij haar voordeur of zich in de nabije omgeving van haar of haar woning bevonden.
Aangeefster [benadeelde partij 2] heeft in haar aangifte soortgelijk verklaard. Zij heeft verdachte op 21 november 2025 om 01.00 uur ’s nachts bij de hoofdingang van haar woning gezien en hem naar haar zien zwaaien. Vervolgens hebben zij en haar huisgenoot hem in de periode daarna twee keer bij hun woning zien staan en naar binnen zien kijken. Ook heeft [benadeelde partij 2] op 16 december 2025 om 04.00 uur ’s nachts verdachte zien en horen vegen in haar tuin bij haar slaapkamerraam. Op 17 december 2025 heeft hij twee keer ’s avonds met een bezem in haar tuin gestaan. [benadeelde partij 2] heeft daarnaast twee pakketjes van verdachte ontvangen, één keer een pakket met slaapspullen en één keer een kraslot met een nepdiamantje. De laatste keer heeft verdachte ook op het raam geklopt en daarbij gezegd dat hij haar wat wilde geven.
Beide aangeefsters hebben zich door verdachte angstig en onbehagelijk gevoeld en het gevoel gehad dat hij specifiek hun aandacht heeft gezocht. Zij hebben ook aan verdachte gevraagd om weg te gaan en aangegeven dat zij niet van het contact gediend zijn.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en overweegt het volgende.
Stelselmatige inbreuk
Gelet op de hiervoor vastgestelde gedragingen van verdachte is de rechtbank van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op de persoonlijke levens en de persoonlijke vrijheid van de slachtoffers zodanig is geweest, dat er sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefsters. De rechtbank verwijst hierbij in het bijzonder naar het feit dat verdachte op een groot aantal momenten en veelal in de avond (wanneer het donker was) contact heeft gezocht met de aangeefsters bij of rondom hun woningen, waaronder – bij beide slachtoffers – door hun niet voor het publiek toegankelijke tuinen te betreden. Ook heeft verdachte aangeefsters, soms meerdere keren op één dag, opgezocht, terwijl zij aangegeven hadden niet van het contact gediend te zijn.
Oogmerk
Ook heeft verdachte het oogmerk gehad om de aangeefsters te dwingen zijn contact te dulden. Hoewel ook de aangeefsters verklaren dat verdachte statiegeldblikjes verzamelt, blijkt uit het geheel van zijn gedragingen dat zijn handelen op meer dan het verzamelen van statiegeldblikjes gericht is geweest.
Met betrekking tot [benadeelde partij 1] hecht de rechtbank daarbij in het bijzonder waarde aan de verklaringen van verdachte bij de politie waarin hij zegt dat hij de tuin voor zijn vriendin aan het schoonmaken is en dat hij dat doet, omdat aangeefster alleen maar aandacht voor haar honden heeft. Daarnaast heeft - zoals hierna in rubriek 3.3.3. bij feit 4 aan de orde komt - [slachtoffer] ook verklaard dat verdachte kusgeluiden maakte en haar heeft achtervolgd. Haar verklaring ondersteunt die van [benadeelde partij 1] die ook verklaard heeft dat verdachte kusgeluiden maakte. Ook dat betreft contact dat gericht is geweest op [benadeelde partij 1] en wat zij moest dulden.
Met betrekking tot aangeefster [benadeelde partij 2] blijkt het oogmerk van verdachte onder andere uit het feit dat hij op haar woonkamerraam geklopt heeft, haar verteld heeft dat hij haar graag iets wil geven en – ondanks dat [benadeelde partij 2] het contact weigerde – een pakket door haar brievenbus heeft gedaan.
Uit het voorgaande komt naar voren dat verdachte op een indringende wijze heeft geprobeerd met de aangeefsters in contact te komen. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]. Het eerste en tweede feit worden daarom bewezen verklaard.
3.3.2.
Feit 3: huisvredebreuk
Primair tenlastegelegde
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte heeft ingebroken en de tenlastegelegde goederen heeft weggenomen. Verdachte bekent dat hij in de woning is geweest, maar ontkent dat hij de schuifpui heeft opengebroken en de goederen heeft meegenomen. Nu bewijsmiddelen voor de inbraak en de diefstal ontbreken, wordt verdachte vrijgesproken van dit feit.
Subsidiair tenlastegelegde
Verdachte heeft bekend dat hij naar binnen is gegaan in de woning gelegen aan [adres 2] in Amsterdam en dat hij daar heeft verbleven. Het is een feit van algemene bekendheid dat de woning van een ander niet betreden mag worden zonder dat daarvoor toestemming is verleend. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte zich aan huisvredebreuk schuldig heeft gemaakt. Niet is gebleken dat verdachte dit feit met een ander heeft gepleegd. Verdachte wordt daarom van dit deel van de tenlastelegging vrijgesproken.
3.3.3.
Feit 4: seksuele intimidatie
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte [slachtoffer] ’s nachts op straat heeft benaderd, hij op een korte afstand voor een aantal minuten om haar en haar buurman heen heeft gecirkeld, daarbij kusgeluiden richting haar heeft gemaakt en aangeefster daarna naar haar woning is gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze kusgeluiden – mede gelet op de context waarin deze zijn gemaakt – een indringende seksuele benadering geweest die is aan te merken als seksuele intimidatie. Het vierde tenlastegelegde wordt daarom bewezen verklaard.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Feit 1:
in de periode van 15 oktober 2025 tot en met 15 februari 2026 te Amsterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij 1], door
- zich meermalen in de tuin van het slachtoffer te begeven en
- meermalen in de tuin van het slachtoffer te harken en
- zich meermalen te begeven in de directe omgeving van de woning van het slachtoffer en
- zich op te houden bij de voordeur van de woning van het voornoemde slachtoffer en een gesprek met het slachtoffer aan te knopen en
-meermalen kusgeluiden te maken naar het slachtoffer
met het oogmerk die [benadeelde partij 1], te dwingen iets te dulden;
Feit 2:
in de periode van 21 november 2025 tot en met 5 januari 2026 te Amsterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij 2], door
- zich meermalen te begeven bij de hoofdingang van de woning van het slachtoffer en
- te zwaaien naar het slachtoffer en
- meermalen binnen in de woonkamer van het voornoemde slachtoffer te staren, en
- zich te bevinden in de directe omgeving en bij het hekje van de tuin van de woning van het slachtoffer en
- meermalen zich te begeven in de tuin van het slachtoffer en
- meermalen, te vegen in de tuin van het slachtoffer en
- meermalen, pakketten met slaapspullen of kraslot en een nepdiamantje door de brievenbus van het slachtoffer te stoppen en
- op het raam van de woning van het slachtoffer te kloppen
met het oogmerk die [benadeelde partij 2], te dwingen iets te dulden;
Feit 3 subsidiair:
in de periode van 16 december 2025 tot en met 4 januari 2026 te Amsterdam, in de woning, [adres 2] te Amsterdam, bij anderen dan bij verdachte in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen;
Feit 4:
op 6 februari 2026 te Amsterdam, in het openbaar een ander, te weten [slachtoffer] indringend seksueel heeft benaderd, door middel van geluiden op een wijze die vreesaanjagend was te achten, door
- [slachtoffer] te achtervolgen en
- om [slachtoffer] heen te cirkelen en
- kusgeluiden te maken in de richting van [slachtoffer].
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7Oplegging van maatregelen
7.1.
De eis van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft voor feiten 1, 2 en 3 subsidiair gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van twee jaar zonder aftrek van het voorarrest. Er is volgens haar geen alternatief voorhanden omdat eerdere behandelings- en begeleidingstrajecten ontoereikend zijn gebleken om het risico op recidive in te perken. Zij heeft gevorderd om aan verdachte voor feit 4 een voorwaardelijke geldboete van € 250,- op te leggen met een proeftijd van twee jaar.
Ook heeft zij gevorderd de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr op te leggen, inhoudende een contactverbod met slachtoffers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] (feiten 1 en 2) en een locatieverbod voor de straat [straatnaam] voor de duur van vier jaar met toepassing van vervangende hechtenis voor de duur van een week per overtreding. Zij heeft daarbij gevorderd deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat oplegging van een ISD-maatregel niet noodzakelijk is, omdat er alternatieven zijn. Verdachte staat hoog op de wachtlijst voor een woning bij het Leger des Heils, locatie [locatie] en externe partijen, zoals de gemeente, kunnen ook hulpverlening bieden wanneer verdachte een woning heeft. Indien de ISD-maatregel wordt opgelegd, heeft de raadsman verzocht om daaraan een tussentijdse beoordeling te verbinden, zodat verdachte niet onnodig lang een woning misloopt. Ten aanzien van de 38v-maatregel heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregelen gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de maatregelen en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van twee vrouwen. Hij heeft op een indringende manier contact gezocht met de slachtoffers door zich herhaaldelijk in de late avonduren rondom de woningen en in de tuinen van de slachtoffers te bevinden. Ook heeft hij geprobeerd om op verschillende manieren contact te zoeken, door onder andere te kloppen op het raam, kusgeluiden te maken en pakketten door de brievenbus te doen. De slachtoffers hebben verklaard zich door het handelen van verdachte niet meer veilig te voelen in hun eigen woningen. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Een woning is bij uitstek de plek waar iemand zich veilig zou moeten voelen. Tevens heeft verdachte door zijn handelen gevoelens van onrust bij buurtbewoners veroorzaakt.
Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan seksuele intimidatie. Door het slachtoffer in de late avonduren op straat te omcirkelen, kusgeluiden naar haar te maken en haar te achtervolgen, heeft hij het slachtoffer vrees aangejaagd. Hierdoor heeft verdachte bij het slachtoffer gevoelens van onveiligheid veroorzaakt.
Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan huisvredebreuk. Hij is in de woning gelegen aan [adres 2] in Amsterdam, zonder dat daartoe toestemming is verleend door de bewoners, binnengedrongen en is daar verbleven. Verdachte heeft hiermee laten zien dat hij geen respect heeft voor andermans eigendommen en heeft overlast veroorzaakt voor de bewoners van de woning.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het adviesrapport van GGZ Reclassering Inforsa van 15 juli 2026, opgesteld door reclasseringsmedewerker [reclasseringsmedewerker]. De reclassering heeft – kort en zakelijk weergegeven – onder meer het volgende gerapporteerd.
Bij verdachte is sprake van instabiliteit op alle leefgebieden. Verdachte is dakloos, heeft schuldenproblematiek en het ontbreekt hem aan zinvolle dagbesteding. Daarnaast is hij bekend met een lange geschiedenis van middelengebruik. Hij is hardnekkig verslaafd aan alcohol en cocaïne en gebruikt middelen om spanning en stress te reduceren. Verdachte heeft voor zijn middelengebruik meerdere klinische en ambulante behandeltrajecten doorlopen, maar deze hebben tot op heden niet tot abstinentie of structurele gedragsverandering geleid, omdat verdachte middelen blijft gebruiken en zijn afspraken met de hulpverleners niet nakomt. Daarbij lijkt verdachte zich te begeven in een netwerk van drugsgebruikers. De mogelijkheden voor behandeling van de verslavingsproblematiek binnen een ambulant kader worden als uitgeput beschouwd, vanwege de langdurige aard van de verslavingsproblematiek en de omvangrijke behandelgeschiedenis.
Het is noodzakelijk dat bij verdachte opnieuw uitgebreide diagnostiek wordt verricht, zodat een actueel beeld ontstaat van zijn psychosociaal functioneren en van de eventuele onderliggende problematiek.
De reclassering heeft geconcludeerd dat verdachte aan zowel de harde als de zachte ISD-criteria voldoet. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een ISD-maatregel voor de duur van twee jaar op te leggen. Indien op basis van nadere diagnostiek een klinische behandeling geïndiceerd is, vindt de reclassering het wenselijk om verdachte in een kliniek met een zo hoog mogelijk beveiligingsniveau te plaatsen, om hem te beschermen tegen zijn middelengebruik.
[reclasseringsmedewerker] is op de terechtzitting als deskundige gehoord en heeft voornoemd advies bevestigd. Zij heeft te kennen gegeven dat de reclassering een behandel- en begeleidingstraject in het kader van een ISD-maatregel noodzakelijk vindt, omdat eerdere hulpverleningstrajecten (in een vrijwillig kader) niet van de grond kwamen en niet tot inperking van het risico op recidive hebben geleid. De reclassering is van mening dat verdachte eerst een behandeling moet ondergaan, gericht op zijn middelengebruik en zijn (mogelijke) psychische problematiek, voordat kan worden toegewerkt naar het verkrijgen van een stabiele woonplek, zinvolle dagbesteding en schuldhulpverlening. De deskundige heeft daarnaast aangegeven dat een ISD-maatregel de kans op het verkrijgen van een woning niet zal doorkruisen, omdat de reclassering voornemens is de woonplek voor hem te reserveren. Ook heeft zij kenbaar gemaakt dat het meest efficiënte begeleidingskader door de reclassering kan worden geboden als de bijzondere voorwaarden die verbonden zijn aan de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13-187996-24, zouden blijven gelden na de ISD-maatregel. Zo zou verdachte na de ISD-maatregel nog een vangnet hebben met toezicht van de reclassering dat hem kan ondersteunen.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 15 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden meerdere keren onherroepelijk is veroordeeld voor gewelds- en vermogensdelicten. Daarnaast liep verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten in twee proeftijden.
ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m Sr aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is allereerst bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, te weten belaging.
Daarnaast volgt uit het strafblad van verdachte dat hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan 15 oktober 2025 ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het strafblad is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.
Verder eist de veiligheid van personen en goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de aard en ernst van en het aantal door verdachte begane feiten. Verdachte voldoet hierdoor aan de ‘harde’ criteria voor de ISD-maatregel.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat. De rechtbank overweegt op basis van het hiervoor genoemde adviesrapport van de reclassering en de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting dat een alternatief hulpverleningskader onvoldoende waarborgen biedt om de (verslavings-)problematiek van verdachte afdoende te behandelen en daarmee het recidiverisico in te perken. Anders dan de raadsman heeft betoogd is uit het verleden gebleken dat een woning of hulpverlening verdachte er niet van weerhouden te recidiveren en het is hem in andere kaders niet gelukt tot gedragsverandering te komen. Ook de reclassering benadrukt dat de mogelijkheden voor klinische en ambulante behandeltrajecten in andere kaders zijn uitgeput en dat er rekening mee moet worden gehouden dat verdachte, als er geen diagnostiek en behandeling plaatsvindt, opnieuw een misdrijf zal begaan. De rechtbank ziet in het voorgaande daarom aanleiding om de ISD-maatregel op te leggen en acht de oplegging daarvan proportioneel en noodzakelijk. Zij zal voor de feiten 1 en 2 daarom aan verdachte een ISD-maatregel opleggen.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en ter bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom legt de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaar op. De tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht wordt niet in mindering gebracht op de duur van de maatregel.
Tussentijdse toetsing
De rechtbank ziet geen reden om op voorhand te beslissen dat er een tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel moet plaatsvinden. Dat verdachte nu in aanmerking komt voor een woonplek op locatie [locatie] maakt dat niet anders. De reclassering is immers voornemens om een plek voor verdachte beschikbaar te houden. Indien de verdediging, dan wel het Openbaar Ministerie naar gelang van de voortgang een dergelijke toetsing wenst, kan daartoe op grond van artikel 38n Sr worden verzocht.
Vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr) en dadelijke uitvoerbaarheid
Aangezien verdachte de ernst van zijn handelen niet in lijkt te zien, houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte in de toekomst contact zal willen opnemen met de slachtoffers. Om de slachtoffers te beschermen en ter voorkoming dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit jegens de slachtoffers, zal de rechtbank ook aan verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen. De maatregel houdt in dat verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact mag opnemen met [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en zich niet in de straat van de slachtoffers ([straatnaam] te Amsterdam) mag begeven voor de duur van vier jaar. Voor elke keer dat verdachte de maatregel overtreedt kan hechtenis worden toegepast voor de duur van een week met een maximum van zes maanden.
Omdat er – gelet op de houding van verdachte en zijn problematiek – ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en zich belastend zal gedragen jegens de slachtoffers, beveelt de rechtbank dat, gelet op het vierde lid van artikel 38v Sr, de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Geen straf of maatregel
De rechtbank legt aan verdachte voor de feiten 1 en 2 een ISD-maatregel en een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op. Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd ziet de rechtbank geen toegevoegde waarde in het daarnaast opleggen van een straf of maatregel voor de bewezenverklaarde huisvredebreuk en overtreding. De rechtbank zal voor feit 3 subsidiair en voor feit 4 daarom toepassing geven aan artikel 9a Sr.
8De vorderingen benadeelde partij
De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]
De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] vorderen, ieder voor zich, € 1.500,- aan vergoeding van immateriële schade. Daarnaast hebben zij verzocht de schadevergoedingen te vermeerderen met de wettelijke rente en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 893,21 aan vergoeding van materiële schade. Daarnaast heeft hij verzocht de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
8.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] geheel toegewezen kunnen worden met vermeerdering van de wettelijke rente. Zij heeft daarbij gevorderd dat ten aanzien van beide benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft zij zich op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat volgens haar het primair tenlastegelegde onder feit 3 niet bewezen kan worden verklaard.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat alle drie de vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat verdachte vrijgesproken dient te worden van de tenlastegelegde feiten waarop de vorderingen betrekking hebben.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
8.3.1.
De vorderingen benadeelde partij van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]
Op grond van artikel 6:106 aanhef en sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) komt immateriële schade voor vergoeding in aanmerking als er sprake is van letsel, aantasting van de eer en goede naam of aantasting in de persoon op andere wijze. Dat sprake zou zijn van letsel of een aantasting van de eer en goede naam van de benadeelde partijen is niet gesteld of gebleken. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of de benadeelden zijn aangetast in de persoon op andere wijze.
Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Het gaat in dat geval om een weging van de factoren bezien in onderlinge samenhang, waarbij, naarmate de aard en de ernst van de normschending ingrijpender zijn, een aantasting in de persoon meer voor de hand ligt. Ook dan zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Het gaat dan in het bijzonder om concrete gegevens over de (aard en ernst van de) gevolgen die de normschending voor de benadeelde heeft gehad. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
De benadeelde partijen hebben niet gesteld dat zij geestelijk letsel hebben opgelopen. Ook blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende uit concrete en objectieve gegevens dat ten gevolge van de strafbare feiten op andere wijze sprake is van een aantasting in de persoon bij de benadeelden. Uit de vorderingen blijkt dat de benadeelden angstig waren, zich onveilig voelden en stress en slapeloosheid hebben ervaren, maar deze gevoelens zijn – hoe voorstelbaar ook – onvoldoende voor het aannemen van een dergelijke aantasting. Benadeelde [benadeelde partij 1] heeft aangevoerd dat zij naar de huisarts is geweest voor haar mentale klachten en een aantal gesprekken met de praktijkondersteuner heeft gehad, maar ook die informatie is zonder nadere concrete gegevens onvoldoende om aantasting in de persoon op andere wijze aan te nemen. Hoewel belaging naar zijn aard een vervelend feit is, dat inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van slachtoffers, is de rechtbank van oordeel dat de ernst van de normschending in het onderhavige geval niet van dusdanig groot gewicht is, dat nadelige gevolgen daarvan voor benadeelden zo voor de hand liggen, dat sprake is van een persoonsaantasting. Dit betekent dat er naar het oordeel van de rechtbank geen grondslag bestaat voor de toekenning van een immateriële schadevergoeding. De vorderingen worden daarom afgewezen.
De benadeelde partijen en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
8.3.2.
De vordering benadeelde partij van [benadeelde partij 3]
Omdat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het primair tenlastegelegde onder feit 3 waaruit de schade voor de benadeelde is ontstaan, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaren.
De benadeelde partij en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 38m, 38n, 38v, 38w, 57, en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
10Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken zitten de op 17 juni 2026 bij de griffie van deze rechtbank ontvangen vorderingen tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam. De officier van justitie vordert daarin de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraffen van 14 dagen, respectievelijk twee weken van de vonnissen van 2 oktober 2024 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam in de zaken met parketnummers 13/187996-24 en 13/210612-23 alsnog ten uitvoer te leggen, omdat verdachte zich binnen de aan die straffen verbonden proeftijden aan strafbare feiten schuldig heeft gemaakt.
10.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen af te wijzen, omdat zij de oplegging van een ISD-maatregel heeft gevorderd. Daarbij acht zij het van belang dat – indien de ISD-maatregel wordt opgelegd – verdachte een vangnet behoudt na de ISD-maatregel. Zoals ook door de reclassering naar voren is gebracht, zou dit vangnet bewerkstelligd kunnen worden door de vorderingen af te wijzen, zodat de bijzondere voorwaarden die verbonden zijn aan de vordering met parketnummer 13/187996-24 na de maatregel blijven gelden.
10.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de vorderingen tenuitvoerlegging toe te wijzen en te verrekenen met de dagen dat verdachte in voorarrest heeft gezeten.
10.3.
Het oordeel van de rechtbank
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijden aan strafbare feiten schuldig heeft gemaakt, zoals ook naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank wijst de vorderingen echter af, omdat zij tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraffen niet passend acht, gelet op de ISD-maatregel die aan verdachte wordt opgelegd. Ook is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat het van belang is dat verdachte een vangnet behoud na de ISD-maatregel. Dit vangnet kan bewerkstelligd worden door de bijzondere voorwaarden die verbonden zijn aan de vordering met parketnummer 13/187996-24.
11Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 3 primair is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 1, 2, 3 (subsidiair) en 4 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 en feit 2:
telkens: belaging
Ten aanzien van feit 3 subsidiair:
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen
Ten aanzien van feit 4:
in het openbaar een ander indringend benaderen door middel van opmerkingen, gebaren, geluiden of aanrakingen op een wijze die vreesaanjagend, vernederend, kwetsend of onterend is te achten.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt ter zake van feit 1 en feit 2 de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van 2 (twee) jaren op.
Bepaalt dat ter zake van feit 3 subsidiair en feit 4 geen straf of maatregel wordt opgelegd.
38v-maatregel:
Legt op de maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht dat de veroordeelde voor de duur van 4 (vier) jaren op geen enkele wijze – direct of indirect –contact mag leggen of laten leggen met [benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedag 3] 1981) en met [benadeelde partij 2] (geboren op [geboortedag 2] 1994).
Legt op de maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht dat de veroordeelde voor de duur van 4 (vier) jaren zich niet bevindt in de straat [straatnaam] te Amsterdam.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregelen wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van maximaal 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Vorderingen benadeelde partijen:
Wijst de vordering van [benadeelde partij 1] af.
Wijst de vordering van [benadeelde partij 2] af.
Verklaart [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partijen en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Voorwaardelijke veroordelingen:
Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/187996-24 af.
Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/210612-23 af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.A. Brunner, voorzitter,
mr. D.A. Segbedzi en mr. L. Noyon, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.H.G. Brinkman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 augustus 2026.
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710; HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095; HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1557.
HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7080.
HR 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822, r.o. 3.5.4 – 3.5.6; HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.4.5.