Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:8329

2026-08-19 Bestuursrecht; Belastingrecht AMS 25/1257
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-19
Publicatiedatum
2026-08-19
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AMS 25/1257
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aanslag afvalstoffenheffing. Beroep ongegrond. Schending hoorplicht gepasseerd met 6:22 Awb. Afvalstoffenheffing is niet in strijd met recht op ongestoord eigendom, rechtszekerheidsbeginsel, legaliteitsbeginsel en de Wet Milieubeheer. De belastingplicht heeftt aangevangen op 1 januari 2024. Er is geen sprake van een onevenwichtig en onevenredig bezwarend besluit.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.734 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Bestuursrecht


zaaknummer: AMS 25/1257


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 augustus 2026 in de zaak tussen





[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),


en




de heffingsambtenaar van gemeente Amstelveen
(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).



Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 30 december 2024.



1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan eiser voor het jaar 2024 een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd.



1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.



1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de heffingsambtenaar. Eiser en zijn gemachtigde waren, zonder bericht van verhindering, niet aanwezig.



1.5.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht later uitspraak te doen.




Feiten


2. De heffingsambtenaar heeft aan eiser een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd van € 325,84. De aanslag ziet op de periode 1 januari tot en met 31 december 2024 en heeft betrekking op de [adres] , waar eiser woonachtig is.




Beoordeling door de rechtbank


3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de aanslag afvalstoffenheffing terecht heeft opgelegd aan eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.


3.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De heffingsambtenaar heeft de aanslag afvalstoffenheffing terecht opgelegd aan eiser. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



3.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser de uitleg die de heffingsambtenaar gegeven heeft, niet heeft betwist.



Is de hoorplicht in bezwaar geschonden?

4. Eiser stelt dat de hoorplicht in bezwaar is geschonden. Hij heeft namelijk om een hoorzitting verzocht maar deze heeft niet plaatsgevonden. Eiser zegt de brief die volgens de heffingsambtenaar verstuurd is over de hoorzitting, nooit te hebben ontvangen.




4.1.
De heffingsambtenaar voert aan dat geen sprake is van een schending van de hoorplicht. Met de bief van 26 november 2024 is aan eiser gevraagd of hij een hoorzitting wil. Nu hier geen reactie op is gekomen, is terecht afgezien van horen. Het adres dat vermeld wordt op het beroepsschrift is anders dan het adres op het bezwaarschrift. Mocht de brief naar het verkeerde adres zijn verzonden doordat eiser heeft nagelaten deze wijziging door te geven, komt dit volgens de heffingsambtenaar voor rekening en risico van eiser.



4.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de hoorplicht in bezwaar is geschonden. Hoewel de heffingsambtenaar stelt dat een uitnodiging voor de hoorzitting verzonden is naar eiser, stelt eiser dat hij deze nooit ontvangen heeft. Nu de heffingsambtenaar niet over een deugdelijke verzendadministratie beschikt, is de verzending van de uitnodiging niet aannemelijk geworden en is de hoorplicht geschonden.


4.2.1.
Het is echter niet aannemelijk geworden dat eiser is benadeeld door schending van de hoorplicht in bezwaar. Eiser heeft voldoende gelegenheid gehad om zijn standpunten toe te lichten in de beroepsfase. Daarnaast is eiser uitgenodigd voor de zitting om zijn standpunten ook mondeling toe te lichten. Eiser en zijn gemachtigde hebben er vervolgens voor gekozen om niet aanwezig te zijn op de zitting. De rechtbank gaat daarom aan het gebrek voorbij met toepassing van artikel 6:22, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).



Is het heffen van afvalstoffenheffing in strijd met het recht op ongestoord genot van eigendom, het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel?

5. Eiser betoogt verder dat het heffen van afvalstoffenheffing in strijd is met het recht op ongestoord genot van eigendom, het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel. Een inmenging in het recht op ongestoord genot van eigendom kan gerechtvaardigd zijn, mits deze ‘lawful’ is, een ‘legitimate aim’ dient en een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang respecteert. In de Wet Milieubeheer wordt geen definitie gegeven aan het begrip ‘perceel’. De heffing is daarmee niet duidelijk en voorzienbaar, en derhalve niet lawful. Daarbij wordt de fair balance niet gerespecteerd, nu het beoogde doel van de heffing niet duidelijk is. Er is ook sprake van een onredelijke en willekeurige heffing.




5.1.
De heffingsambtenaar stelt dat de heffing een duidelijke wettelijke grondslag heeft in de Wet milieubeheer en is neergelegd in de verordening die door de gemeenteraad is vastgelegd. Ook betoogt de heffingsambtenaar dat het doel van de heffing een legitiem algemeen belang is, namelijk het bekostigen van de inzameling en verwerking van huishoudelijk afval. De definitie van ‘perceel’ blijkt uit de rechtspraak van de Hoge Raad en volgens de heffingsambtenaar speelt in deze zaak ook geen onduidelijkheid op dit punt.



5.2.
De rechtbank volgt de uitleg van de heffingsambtenaar. De regeling is voldoende toegankelijk, voorzienbaar en zorgvuldig toegepast. Zoals eerder uitgemaakt in de rechtspraak is de heffing niet in strijd met het recht op ongestoord genot op eigendom. Gelet op bovenstaande is geen sprake van schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel.



Is het tarief voor de afvalstoffenheffing in strijd met de Wet milieubeheer?

6. Daarnaast voert eiser aan dat het tarief uit artikel 7, eerste lid, van de Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2024 (Verordening afvalstoffenheffing) in strijd is met artikel 15.33 van de Wet milieubeheer en daarom onverbindend. Eiser betwist dat enkel de kosten verbonden aan het beheer van huishoudelijke stoffen worden meegenomen in de afvalstoffenheffing. Zo worden bijvoorbeeld ook kosten met betrekking tot zwerfvuil meegenomen, terwijl dit niet afkomstig is uit particuliere huishoudens. Het is onduidelijk welke kosten vallen onder ‘lasten’ en ‘overhead’ en er bestaat geen grondslag om de kwijtschelding door te berekenen in de kosten.




6.1.
De heffingsambtenaar betoogt dat het tarief voor de afvalstoffenheffing voldoet aan de vereisten van artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. Onder de kosten die verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen vallen, conform vaste jurisprudentie, ook kosten die aantoonbaar samenhangen met dat beheer, zoals huishoudelijk zwerfvuil, milieustraten, administratie, kwijtschelding en overhead. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad mogen gemeenten ook kosten die meer dan zijdelings verband houden met een heffingstaak, in volle omvang aan die heffing toerekenen. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat de toerekeningssystematiek is uitgewerkt in de gemeentelijke notitie “Kostentoerekening Amstelveen 2024”, die hij als bijlage heeft bijgevoegd. Bovendien stelt de heffingsambtenaar dat uit de Begroting 2024 blijkt dat de baten ruim binnen de geraamde kosten blijven, waarmee voldaan wordt aan het uitgangspunt van maximaal kostendekkende heffing.



6.2.

De rechtbank oordeelt dat het tarief voor de afvalstoffenheffing niet in strijd is met de Wet milieubeheer. De rechtbank is met de heffingsambtenaar van oordeel dat het tarief juist is vastgesteld en dat, in overeenstemming met de aangehaalde jurisprudentie, ook kosten die (meer dan zijdelings) verbonden zijn met het beheer van huishoudelijke afvalstoffen mogen worden meegenomen in het bepalen van het tarief. Uit de documenten die de heffingsambtenaar heeft bijgevoegd, blijkt duidelijk hoe het tarief tot stand is gekomen.

Is het hanteren van een forfaitair tarief bij meer dan één gebruiker in strijd met het recht op ongestoord genot van eigendom en het evenredigheidsbeginsel?

7. Eiser stelt verder dat het in strijd is met het recht op ongestoord genot van eigendom en het evenredigheidsbeginsel om een forfaitair tarief te hanteren bij meer dan één gebruiker. Huishoudens bestaande uit twee of drie leden worden hiermee onevenredig hard geraakt. Dit forfaitaire tarief is ook in strijd met artikel 14 EVRM, artikel 26 van het IVBPR, artikel 1 van de Grondwet, het gelijkheidsbeginsel, het discriminatieverbod en het verbod van willekeur, omdat het een ongelijke behandeling is van huishoudens bestaande uit twee of drie leden versus huishoudens met meer dan drie leden.




7.1.
De heffingsambtenaar stelt dat het gebruik van een forfaitair tarief onder de beleidsvrijheid valt die de gemeenteraad heeft bij het vaststellen van gedifferentieerde tarieven naar het aantal personen van een huishouden. Dit is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel of andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bovendien houdt het stelsel rekening met het feit dat grotere huishoudens gemiddeld meer afval procederen. Daarbij is volgens de heffingsambtenaar geen sprake van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling, omdat het onderscheid tussen één- en meerpersoonshuishoudens voor alle vergelijkbare gevallen op gelijke wijze wordt toegepast.



7.2.
De rechtbank is van oordeel – in navolging van de door de heffingsambtenaar aangehaalde uitspraak – dat de gemeenteraad gebruik heeft mogen maken van de beleidsvrijheid die hem toekomt bij het hanteren van gedifferentieerde tarieven. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor een willekeurige toepassing, discriminatie of ongelijke behandeling, omdat alle meerpersoonshuishoudens op dezelfde manier behandeld worden.



Is terecht vastgesteld dat de belastingplicht op 1 januari 2024 heeft aangevangen?

8. Eiser betoogt daarnaast dat de aanslag verstuurd is op 24 februari 2024 en dat hiermee op deze datum de belastingplicht is aangevangen en niet bij het begin van het belastingjaar. De afvalstoffenheffing op de aanslag loopt vanaf 1 januari 2024 en is hiermee te hoog vastgesteld.




8.1.
De heffingsambtenaar voert aan dat de heffingsaanslag wel op 1 januari 2024 aanvangt, en niet op het moment van verzending van de aanslag. De belasting is namelijk verschuldigd bij het begin van het belastingjaar, tenzij de plicht op een ander moment aanvangt. Eiser stond op 1 januari 2024 ingeschreven op het perceel en daarmee is de belastingplicht aangevangen bij het begin van het belastingjaar. De aanslag is daarom terecht opgelegd naar het tarief van het gehele jaar.



8.2.
De rechtbank oordeelt dat de belastingplicht conform de Verordening afvalstoffenheffing aanvangt aan het begin van het belastingjaar en volgt de uitleg van de heffingsambtenaar. Eiser heeft niet onderbouwd waarom de belastingplicht in zijn geval zou aanvangen op het moment van verzending van de aanslag.



Is er sprake van een onevenwichtig en onevenredig bezwarend besluit?

9. Eiser voert ten slotte aan dat de heffingsambtenaar onterecht niet heeft onderzocht of er bijzondere omstandigheden spelen die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift tot een onevenredige uitkomst leidt. Het is een onevenwichtig en onevenredig bezwarend besluit. Het gaat om een flink bedrag dat stevig drukt op de financiën van eiser. Eiser stelt altijd netjes zijn afval op te ruimen en niks op straat te gooien. Hij vindt het niet eerlijk dat hij desondanks betaalt voor de kosten van zwerfafval, het afval van huishoudens van meer dan drie personen en huishoudens waarbij de aanslag is kwijtgescholden.




9.1.
De heffingsambtenaar stelt dat eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die toepassing van het algemeen verbindend voorschrift onevenredig maken. Zonder objectieve en verifieerbare gegevens waaruit blijkt dat de heffing tot een buitensporige last leidt in een concreet geval, bestaat volgens de heffingsambtenaar geen aanleiding om van het algemeen verbindend voorschrift af te wijken. De stelling dat eiser zelf weinig afval produceert of geen zwerfafval veroorzaakt, is daarvoor onvoldoende.



9.2.
De rechtbank oordeelt dat niet gebleken is dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het algemeen verbindend voorschrift onevenredig is. Indien deze bijzondere omstandigheden er wel waren geweest, had het op de weg van eiser gelegen om dit aannemelijk te maken. Naast dat eiser zijn stellingen niet onderbouwd heeft, zijn de omstandigheden dat eiser weinig afval zou produceren en niks op straat gooit, niet voldoende om bijzondere omstandigheden aan te nemen. Bovendien heeft de rechtbank in rechtsoverweging 7.2. al geoordeeld dat het tarief voor de afvalstoffenheffing juist is vastgesteld en dat onder andere zwerfvuil conform vaste jurisprudentie mogen worden meegenomen in het kostenplaatje.




Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de heffingsambtenaar de aanslag terecht heeft opgelegd. De heffingsambtenaar moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Dit omdat de rechtbank heeft vastgesteld dat de hoorplicht in bezwaar is geschonden en dit gebrek gepasseerd heeft met toepassing van artikel 6:22, van de Awb.

11. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.



Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van wettelijke rente over de proceskosten en het griffierecht vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak, dan wel, indien dit op een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop de opgaaf van een bankrekening op naam van verzoeker door de heffingsambtenaar is ontvangen, tot aan de voldoening.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.W. van de Kar, griffier.









griffier


rechter







Uitgesproken op 19 augustus 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1176.


Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).


Zie het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.


Zoals in artikel 15.33 Wet milieubeheer gebruikt wordt.


Zie het arrest van de Hoge Raad van 18 september 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4709.


Zie bijvoorbeeld het arrest van het gerechtshof Arnhem van 30 januari 2004, ECLI:NL:GHARN:2004:A06647, r.o. 19-23.


Zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2019, ECLI:NL:2019:1016, r.o. 2.4.7.


Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten.


Zie het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 oktober 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2606, r.o. 5.14.


Dit blijkt uit artikel 6, eerste lid, van de Verordening afvalstoffenheffing.