Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:8324

2026-08-17 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht AMS 25/3200
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-17
Publicatiedatum
2026-08-19
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AMS 25/3200
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Parkeervergunning bewoners. Beroep ongegrond. Nulplafond mag verweerder hanteren. Geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Ook geen toepassing hoeven geven aan de hardheidsclausule. Besluit niet zo onevenwichtig dat verweerder om die reden van de Parkeerverordening zou moeten afwijken.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.161 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Bestuursrecht



Zaaknummer: AMS 25/3200

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2026 in de zaak tussen



[eiseres]
, uit [woonplaats], eiseres


en



het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. D.R. de Vries).

Samenvatting


1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een parkeervergunning voor bewoners (hierna: bewonersvergunning). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2.1.
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een bewonersvergunning. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 30 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft deelgenomen aan de zitting. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting en is niet verschenen.




Beoordeling door de rechtbank


3.1.
Eiseres voert aan dat het parkeerbeleid van verweerder, met name het nulplafond in haar deelvergunninggebied, onredelijk is. Volgens eiseres is het oneerlijk dat men in het naastgelegen deelvergunninggebied wel een bewonersvergunning kan krijgen en dat eiseres die niet kan krijgen.



3.2.
In de Parkeerverordening 2013 (hierna: de Parkeerverordening) is bepaald dat verweerder regels kan stellen aangaande het vergunningenplafond per vergunningsgebied. Volgens onderdeel 4.8, onder b, van de bijlage bij artikel 2 van het Uitwerkingsbesluit Parkeerverordening 2013 Amsterdam juli 2024 (hierna: het Uitwerkingsbesluit) is het adres van eiseres, [adres] in [woonplaats], gelegen in deelvergunninggebied [deelvergunninggebied]. Uit artikel 3, onderdeel 4, van het Uitwerkingsbesluit volgt dat het vergunningenplafond voor deelvergunninggebied [deelvergunninggebied] is vastgesteld op nul. Het beleid van verweerder is erop gericht om het autogebruik te reguleren. Verweerder heft hiertoe parkeerbelasting en verleent een maximum aantal parkeervergunningen aan bewoners en bedrijven in de buurt. De regels voor de verlening van parkeervergunningen zijn in de afgelopen jaren verscherpt omdat de beschikbare parkeerruimte beperkt is, terwijl de vraag hiernaar is toegenomen.



3.3
De rechtbank begrijpt dat het oneerlijk voelt voor eiseres dat in een ander deelvergunninggebied wel bewonersvergunningen worden verleend maar het instellen van een nulplafond in een bepaald deelvergunninggebied is een politieke keuze van verweerder. Hierbij komt verweerder beleidsvrijheid toe. Deze rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hebben al eerder geoordeeld dat verweerder een nulplafond mag hanteren. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder zijn beleid op deze manier heeft kunnen uitvoeren en de aanvraag van eiseres voor een bewonersvergunning kon afwijzen op grond van het ingestelde nulplafond. Dit betekent dat de beroepsgrond van eiseres faalt.



4.1.
Verder heeft eiseres aangevoerd dat het weigeren van de bewonersvergunning in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Volgens eiseres is sprake van ongelijke behandeling omdat zij nu verplicht wordt om van de eigenaar van het gebouw een parkeerplaats te huren voor € 165,- per maand terwijl bewoners in het naastgelegen deelvergunninggebied gebruik kunnen maken van een bewonersvergunning voor slechts € 6,22 per maand.



4.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Dat aan bewoners in een ander deelvergunninggebied wel bewonersvergunningen zijn verleend, maakt niet dat er strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Het gaat dan immers om een ander deelvergunninggebied, zodat geen sprake is van gelijke gevallen. Nu geen sprake is van gelijke gevallen, slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet.


5. De rechtbank is verder van oordeel dat ook het beroep van eiseres op haar specifieke omstandigheden niet slaagt. De regeling in de Parkeerverordening is heel strikt en dwingend. Dit hangt samen met het doel van het beleid van verweerder, dat erop gericht is het autogebruik in de stad te reguleren en terug te dringen. Daarom kan alleen in uitzonderlijke gevallen (hardheid) in afwijking van de Parkeerverordening een bewonersvergunning worden verleend wanneer er een nulplafond geldt in een vergunningsgebied. Een beroep op de hardheidsclausule kan om die reden slechts bij uitzondering slagen. Het gaat daarbij om omstandigheden die de wetgever niet heeft kunnen voorzien. Dit ziet voornamelijk op schrijnende gevallen, zoals personen die levensbedreigend ziek zijn. De situatie van eiseres valt hier niet onder. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor eiseres vanuit praktisch oogpunt lastig is dat zij geen bewonersvergunning heeft, onderscheidt de situatie van eiseres zich niet van andere inwoners. Er zijn veel inwoners zoals eiseres die woonachtig zijn in een deelvergunninggebied waar een nulplafond geldt, die een hoge huur betalen voor een woning en die een auto nodig hebben voor woon-werkverkeer of voor andere afspraken. De situatie van eiseres is dus niet uitzonderlijk. Verweerder heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen beslissen geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule.




6.1.
Eiseres voert tot slot aan dat de gevolgen van de weigering van de bewonersvergunning onevenredig zwaar drukken op haar dagelijks leven. Volgens eiseres heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de meerkosten van het huren van een parkeerplek in haar gebouw ten opzichte van de kosten van een bewonersvergunning.



6.2.
De rechtbank zal beoordelen of het bestreden besluit onevenredig uitpakt voor eiseres. Het gaat hier echter om een gebonden besluit, waarbij de belangenafweging al bij het opstellen van de regelgeving is verricht. Daarom is de evenredigheid in beginsel gegeven. Dit kan anders zijn als er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de toepassing van het voorschrift in het specifieke geval onevenredig is.



6.3.
De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder de door eiseres aangedragen omstandigheden minder zwaar heeft mogen wegen dan het belang van de uitvoering van het parkeerbeleid. Dat de weigering van de bewonersvergunning meerkosten met zich brengt, is voor eiseres nadelig, maar maakt het besluit niet zo onevenwichtig dat verweerder om die reden van de Parkeerverordening zou moeten afwijken. Deze beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026.









griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Parkeerverordening.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:750 en van 17 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2018:3372.


Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:191.