Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:8212

2026-08-14 Bestuursrecht AMS 25/3645
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-14
Publicatiedatum
2026-08-17
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AMS 25/3645
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een bewonersparkeervergunning. Nulplafond. Hardheidsclausule. Evenredigheidsbeginsel. De genoemde omstandigheden zijn onvoldoende bijzonder om het bestreden besluit in het geval van eiser onevenredig te achten. Beroep ongegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.241 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: AMS 25/3645


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser


en


het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. D.R. de Vries).

Samenvatting


1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een bewonersparkeervergunning (bewonersvergunning). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder terecht de aanvraag van eiser voor een bewonersvergunning heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een bewonersvergunning. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 1 mei 2025 afgewezen, omdat in het gebied waarvoor eiser de vergunning heeft aangevraagd het vergunningenplafond op nul is gesteld. Met het bestreden besluit van 27 mei 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser deelgenomen. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.




Beoordeling door de rechtbank



Standpunt eiser




3. Eiser voert, samengevat, het volgende aan. Uit het beleid volgt volgens eiser dat bij nieuwbouw voldoende parkeervoorzieningen aangelegd moeten worden. In de praktijk is dat echter vaak ondergronds, duur of technisch beperkt. Bovendien is er een wachtlijst voor een parkeerplaats in het gebouw waar eiser woont. Eiser is ouder van drie schoolgaande kinderen. Zonder parkeerplek dichtbij kan hij zijn zorgtaken niet naar behoren uitvoeren. Daarbij moet een van de kinderen vaak naar het ziekenhuis. Het lijkt eiser niet redelijk dat in een woonwijk, waar bewoners logischerwijs gebruikmaken van een auto, het volledig onmogelijk is gemaakt om een parkeervergunning aan te vragen. Dit leidt tot onwenselijke situaties voor bewoners die medisch en praktisch afhankelijk zijn van een auto.




Nulplafond




4.1.
De rechtbank overweegt dat het adres van eiser, [adres], is gelegen in (deel)vergunninggebied [locatie] waar het aantal te verlenen parkeervergunningen op nul is gesteld.



4.2.
In artikel 3.3 van de Parkeerverordening 2025 (de Parkeerverordening), is bepaald dat een parkeervergunning wordt geweigerd indien het vergunningenplafond van het desbetreffende vergunninggebied is bereikt. Omdat artikel 3.3 van de Parkeerverordening dwingendrechtelijk is geformuleerd, heeft verweerder bij de weigering van een vergunning geen beleids- of beoordelingsvrijheid en is er geen ruimte voor een belangenafweging. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is dergelijk beleid redelijk geacht om de parkeerdruk in een bepaald gebied te reguleren. Dat betekent dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit terecht heeft overwogen dat het nulplafond in beginsel leidt tot een afwijzing van de aanvraag.



Hardheidsclausule





5.1.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij het toepassen van de hardheidsclausule zowel beleids- als beoordelingsruimte heeft. Dit betekent dat verweerder relatief veel vrijheid heeft en dat de rechtbank de keuzes van verweerder op dit gebied terughoudend moet toetsen. Het beleid van verweerder is erop gericht het autogebruik in de stad te reguleren. De regels voor de verlening van parkeervergunningen zijn in de afgelopen jaren verscherpt omdat de beschikbare parkeerruimte beperkt is, terwijl de vraag hiernaar is toegenomen. De regeling wordt daarom strikt toegepast. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen (hardheid) kan in afwijking van de Parkeerverordening een parkeervergunning worden verleend. Een beroep op de hardheidsclausule kan om die reden slechts bij uitzondering slagen. Verweerder heeft uitgelegd dat de hardheidsclausule alleen in heel bijzondere gevallen wordt toegepast, bijvoorbeeld bij vergunninghouders die levensbedreigend ziek zijn. Dat speelt bij eiser niet.



5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de situatie van eiser niet uitzonderlijk is omdat deze zich niet onderscheidt van de situatie van andere in Amsterdam wonende personen met een auto en schoolgaande kinderen die vanwege een nulplafond geen vergunning (meer) kunnen krijgen. Voor eiser zijn bovendien alternatieven denkbaar, zoals parkeren op straat tegen betaling. Dat de kosten hiervan hoger zullen zijn dan bij een reguliere parkeervergunning maakt niet dat verweerder de vergunning in eisers geval ondanks het plafond had moeten toekennen. Verder is de omstandigheid dat eisers kinderen regelmatig naar het ziekenhuis moeten onvoldoende onderbouwd. Op de zitting heeft eiser desgevraagd aangegeven dat zijn dochter vier of vijf keer per jaar naar de Bergman Clinics gaat voor haar ogen. Dit kan niet worden aangemerkt als een uitzonderlijke situatie waarvoor eiser een parkeervergunning nodig heeft. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege het ontbreken van een parkeervergunning de zorgtaken voor zijn kinderen niet kan uitvoeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente dan ook in redelijkheid kunnen besluiten geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule.



Evenredigheidsbeginsel





6.1.
De rechtbank begrijpt eiser zo, dat de afwijzing voor hem onevenredig uitpakt en dat verweerder het belang van eiser om een parkeervergunning te krijgen, had moeten afwegen tegen het belang van verweerder om deze te weigeren. De rechtbank zal daarom beoordelen of het bestreden besluit voor eiser onevenredig uitpakt. Het gaat hier echter om een gebonden besluit, waarbij de belangenafweging al bij het opstellen van de regelgeving is verricht. Daarom is de evenredigheid in beginsel gegeven. Dit kan alleen anders zijn als er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de toepassing van het voorschrift in het specifieke geval onevenredig is.



6.2.
De rechtbank is van oordeel dat daarvan in dit geval niet is gebleken. Dat eiser financieel wordt geraakt door de afwijzing, dat hij geen parkeerplaats in het gebouw van zijn woning kan huren, dat hij zijn kinderen met de auto naar school brengt en dat de kinderen af en toe naar het ziekenhuis of een kliniek zouden moeten, betekent niet dat het besluit onevenredig is. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser nadelen ondervindt van de weigering van de bewonersvergunning, zijn deze omstandigheden niet voldoende bijzonder om het besluit in het geval van eiser onevenredig te achten.




Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026.









griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Volgt uit onderdeel 3 van bijlage III van de nadere regels.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:750 en van 17 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2018:3372.


Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.