Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:8203
2026-01-15
Civiel recht
11988564 CV EXPL 25-16644
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Huurzaak verstek. Ambtshalve toetsing Richtlijn 93/13 EG (Richtlijn Oneerlijke Bedingen). Oneerlijk BIK-beding. Afwijzing BGK.
Citeert (2)
- ECLI:EU:C:2021:68
- ECLI:NL:HR:2023:198 Hoge Raad 10-02-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.201 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 11988564 CV EXPL 25-16644
vonnis van: 15 januari 2026
fno.: 506
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
Stichting Duwo
gevestigd te Delft
eisende partij
gemachtigde: [gemachtigde]
t e g e n
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen
Verloop van de procedure
Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.
Gronden van de beslissing
1. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde alsmede betaling van de huurachterstand (€ 3.734,34) en afrekening servicekosten 2024 (€ 122,94) met nevenvorderingen.
Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening
2. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eisende partij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen
3. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze vernietigen. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).
4. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden in het geding gebracht.
5. Het huurprijsbeding (artikel 3.1 van de huurovereenkomst) en het servicekostenbeding (artikel 3.2 en 3.3 van de huurovereenkomst) zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en zijn op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.
6. Het betreft een niet-geliberaliseerde huurprijs. De kantonrechter heeft de bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten de artikelen 7.1, eerste zin (huurverhoging), 7.5 (wijziging servicekostenvoorschot), 7.8 (afrekenen servicekosten), 7.11 (rente) van de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde Huurvoorwaarden februari 2021 getoetst en niet oneerlijk bevonden.
7. Tot slot is met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten in artikel 7.12 het volgende bepaald:
“Als huurder na aanmaning niet aan zijn betalingsverplichting voldoet, is verhuurder gerechtigd incassokosten in rekening te brengen overeenkomstig het tarief opgenomen in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.” |
8. Eisende partij stelt in de dagvaarding dat het voorgenoemde beding met betrekking tot buitengerechtelijke incassokosten niet onredelijk bezwarend is.
9. De kantonrechter is echter van oordeel dat dit beding oneerlijk is, aangezien daarin niet is bepaald dat de aanmaning moet voldoen aan artikel 6:96 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek. Het beding wijkt daardoor ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling over buitengerechtelijke kosten. Op basis van dit beding kan immers op een kortere termijn dan veertien dagen na aanmaning incassokosten in rekening worden gebracht. Contractuele afwijking van dwingendrechtelijke bepalingen is, op grond van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2023 (ECLI:NL:HR:2023:198, r.o. 3.8.4) oneerlijk. Dit beding wordt dan ook buiten toepassing gelaten en de gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.
De vordering
10. De vordering komt voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder anders is overwogen.
10. De over de rente gevorderde rente wordt afgewezen omdat daarover onvoldoende is gesteld.
12. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken.
BESLISSING
De kantonrechter:
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak aan het adres [adres] ;
veroordeelt gedaagde partij om het gehuurde binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en ter beschikking van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;
veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij:
a) € 3.857,28 ter zake van afrekening servicekosten 2024 en achterstallige huur, berekend tot en met 30 november 2025, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 november 2025 tot de voldoening;
b) € 18,62 aan wettelijke rente, berekend tot 11 november 2025;
c) € 902,85 per maand vanaf 1 december 2025 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden;
veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van de eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 145,45 aan explootkosten, € 271,00 aan salaris gemachtigde, € 514,00 aan griffierecht en € 67,50 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 11988564 CV EXPL 25-16644
vonnis van: 15 januari 2026
fno.: 506
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
Stichting Duwo
gevestigd te Delft
eisende partij
gemachtigde: [gemachtigde]
t e g e n
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen
Verloop van de procedure
Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.
Gronden van de beslissing
1. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde alsmede betaling van de huurachterstand (€ 3.734,34) en afrekening servicekosten 2024 (€ 122,94) met nevenvorderingen.
Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening
2. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eisende partij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen
3. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze vernietigen. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).
4. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden in het geding gebracht.
5. Het huurprijsbeding (artikel 3.1 van de huurovereenkomst) en het servicekostenbeding (artikel 3.2 en 3.3 van de huurovereenkomst) zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en zijn op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.
6. Het betreft een niet-geliberaliseerde huurprijs. De kantonrechter heeft de bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten de artikelen 7.1, eerste zin (huurverhoging), 7.5 (wijziging servicekostenvoorschot), 7.8 (afrekenen servicekosten), 7.11 (rente) van de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde Huurvoorwaarden februari 2021 getoetst en niet oneerlijk bevonden.
7. Tot slot is met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten in artikel 7.12 het volgende bepaald:
“Als huurder na aanmaning niet aan zijn betalingsverplichting voldoet, is verhuurder gerechtigd incassokosten in rekening te brengen overeenkomstig het tarief opgenomen in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.” |
8. Eisende partij stelt in de dagvaarding dat het voorgenoemde beding met betrekking tot buitengerechtelijke incassokosten niet onredelijk bezwarend is.
9. De kantonrechter is echter van oordeel dat dit beding oneerlijk is, aangezien daarin niet is bepaald dat de aanmaning moet voldoen aan artikel 6:96 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek. Het beding wijkt daardoor ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling over buitengerechtelijke kosten. Op basis van dit beding kan immers op een kortere termijn dan veertien dagen na aanmaning incassokosten in rekening worden gebracht. Contractuele afwijking van dwingendrechtelijke bepalingen is, op grond van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2023 (ECLI:NL:HR:2023:198, r.o. 3.8.4) oneerlijk. Dit beding wordt dan ook buiten toepassing gelaten en de gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.
De vordering
10. De vordering komt voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder anders is overwogen.
10. De over de rente gevorderde rente wordt afgewezen omdat daarover onvoldoende is gesteld.
12. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken.
BESLISSING
De kantonrechter:
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak aan het adres [adres] ;
veroordeelt gedaagde partij om het gehuurde binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en ter beschikking van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;
veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij:
a) € 3.857,28 ter zake van afrekening servicekosten 2024 en achterstallige huur, berekend tot en met 30 november 2025, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 november 2025 tot de voldoening;
b) € 18,62 aan wettelijke rente, berekend tot 11 november 2025;
c) € 902,85 per maand vanaf 1 december 2025 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden;
veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van de eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 145,45 aan explootkosten, € 271,00 aan salaris gemachtigde, € 514,00 aan griffierecht en € 67,50 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.