Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:8098
2026-08-06
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
11881490 WM VERZ 25-16515
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Betrokkene heeft tien boetes gekregen in korte tijd voor het rijden met een bromfiets op een fietspad waar dit niet mag. De kantonrechter matigt zeven boetes tot nihil vanwege de financiele impact van tien boetes. Betrokkene heeft aannemelijk gemaakt dat sprake was van een fout en zij de bebording niet heeft opgemerkt.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2025:985 Hoge Raad 24-06-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.574 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
kantonrechter: mr. R. Kruisdijk
zaaknummers: 11881490 WM VERZ 25-16515 (zaak A)
11881518 WM VERZ 25-16522 (zaak B)
11881587 WM VERZ 25-16532 (zaak C)
11881591 WM VERZ 25-16533 (zaak D)
11881593 WM VERZ 25-16534 (zaak E)
11881723 WM VERZ 25-16559 (zaak F)
11881727 WM VERZ 25-16560 (zaak G)
11881778 WM VERZ 25-16574 (zaak H)
11914510 WM VERZ 25-17861 (zaak I)
11914535 WM VERZ 25-17863 (zaak J)
beslissing van: 6 augustus 2026
func.: 65186
Beslissing inzake het beroep ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (verder: de Wahv) van:
[betrokkene]
[adres]
verder: betrokkene
namens wie beroep is ingesteld door:
Appjection B.V.
mr. M. Lagas
verder: gemachtigde
welk beroep is ingesteld bij verzoekschriften, ingekomen bij de CVOM te Utrecht op 27 februari 2025, 1 april 2025, 15 april 2025, 16 april 2025 en op 12 juni 2025 en is gericht tegen de beslissingen van 17 januari 2025, 25 februari 2025, 12 maart 2025, 18 maart 2025 en 28 mei 2025 van de officier van justitie (verder: verweerder) ten aanzien van betrokkene.
CJIB-nummers:
[nummer 1], [nummer 2], [nummer 3], [nummer 4], [nummer 5], [nummer 6], [nummer 7], [nummer 8], [nummer 9] en [nummer 10].
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Aan betrokkene zijn bij beschikkingen van 28 november 2024, 29 november 2024, 6 december 2024, 9 december 2024, 11 december 2024, 12 december 2024, 17 december 2024 en 30 december 2024 (verder: de inleidende beschikkingen) tien sancties in het kader van de Wahv opgelegd. Betrokkene dan wel gemachtigde heeft tegen de inleidende beschikkingen beroep ingesteld bij verweerder. Deze heeft dat beroep in de onderhavige zaken ongegrond verklaard. Tegen die beslissingen heeft gemachtigde vervolgens beroep ingesteld bij de kantonrechter. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende gegevens overgelegd. Het beroep in de onderhavige zaken is behandeld op de openbare zitting van 6 augustus 2026. Partijen zijn voor deze zitting opgeroepen.
Betrokkene is op de zitting verschenen en de cautie verleend.
Namens gemachtigde is de heer [naam] ter zitting verschenen.
Op de zitting hebben zowel betrokkene als gemachtigde de beroepschriften nader toegelicht.
Ter zitting heeft verweerder gereageerd op de inhoud van de beroepschriften. Verweerder heeft geconcludeerd dat het beroep in de zaak G gegrond is, het beroep in de zaken A, F, H, I en J gedeeltelijk gegrond is en het beroep de in de zaken B, C, D en E ongegrond is.
Ten slotte is door de kantonrechter aan het einde van de zitting schriftelijk uitspraak gedaan.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
1. Aan betrokkene zijn bij inleidende beschikkingen wegens verkeersgedragingen tien administratieve sancties opgelegd ingevolge de Wahv. Betrokkene wordt verweten dat hij met een bromfiets niet de rijbaan heeft gebruikt als er geen verplicht fiets/bromfietspad aanwezig is (bord G12a). Deze gedragingen zijn geconstateerd op:
25 augustus 2024 om 18:08 uur op [locatie 1]
(zaak A: 11881490 WM VERZ 25-16515);
23 augustus 2024 om 10:13 uur op [locatie 1]
(zaak B: 11881518 WM VERZ 25-16522);
14 augustus 2024 om 11:09 uur op [locatie 2]
(zaak C: 11881587 WM VERZ 25-16532);
13 augustus 2024 om 21:12 uur op [locatie 1];
(zaak D: 11881591 WM VERZ 25-16533);
10 augustus 2024 om 22:54 uur op [locatie 1]
(zaak E: 11881593 WM VERZ 25-16534);
30 augustus 2024 om 18:35 uur op [locatie 1]
(zaak F: 11881723 WM VERZ 25-16559);
22 september 2024 om 19:00 uur op [locatie 1]
(zaak G: 11881727 WM VERZ 25-16560).
26 augustus 2024 om 20:56 uur op [locatie 2]
(zaak H: 11881778 WM VERZ 25-16574);
3 september 2024 om 09:56 uur op [locatie 1]
(zaak I: 11914510 WM VERZ 25-17861);
4 september 2024 om 19:08 uur op [locatie 1]
(zaak J: 11914535 WM VERZ 25-17863).
2. Het beroep in de onderhavige zaken is tijdig ingesteld.
3. Gemachtigde voert in het beroepschrift bij de kantonrechter aan dat aan betrokkene tien beschikkingen zijn opgelegd voor het rijden met een huurscooter van Check waar dit niet is toegestaan. Nu betrokkene pas na vier maanden de boetes heeft ontvangen, was zij zich niet bewust van de fout en heeft daardoor veel boetes opgelopen in de tussentijd. Als betrokkene meteen na de eerste overtreding de boete had ontvangen dan had zij het geweten en haar gedrag kunnen aanpassen.
De eerste beschikking had betrokkene dus nog niet bereikt voordat de laatste werd opgelegd. Zodoende is in het onderhavige geval gehandeld in strijd met het Beleidskader geslotenverklaringen en dus in strijd met artikel 4:84 Awb.
Namens betrokkene wordt verzocht om één boete in stand te laten en de overige boetes te matigen tot nihil. Er wordt tevens verzocht om toekenning van een proceskostenvergoeding.
4. Ter zitting stelt verweerder zich op het standpunt dat het beroep in zaak G gegrond dient te worden verklaard, omdat in het schouwrapport van 20 september 2024 is vermeld dat de bebording niet in orde is. De gedraging van 22 september 2024 in die zaak kan daarom onvoldoende worden vastgesteld.
In de overige negen zaken kunnen de aan betrokkene verweten gedragingen wel worden vastgesteld. Er wordt door gemachtigde verwezen naar het Beleidskader, maar dit is niet meer van toepassing vanaf 18 april 2023. De boetes in de resterende negen zaken zijn terecht opgelegd. Betrokkene is er zelf verantwoordelijk voor de relevante bebording op te merken en daar naar te handelen. Echter gelet op de hoeveelheid boetes die aan betrokkene zijn opgelegd voor een soortgelijke gedraging in korte tijd verzoekt verweerder de kantonrechter om de sancties in de zaken A, F, H, I en J te matigen tot nihil. In de overige zaken, te weten B, C, D en E, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
5. Naar aanleiding van hetgeen verweerder ter zitting naar voren brengt, heeft gemachtigde verzocht om naar analogie van het Beleidskader te handelen en de boetes die betrokkene heeft ontvangen terwijl zij de boete voor de eerste overtreding nog niet had ontvangen, te matigen tot nihil. Gemachtigde verzoekt rekening te houden met het verweer dat het hier echt om een fout gaat. Betrokkene heeft de bebording niet opgemerkt. Zij stelt dat de bebording bij [locatie 1] niet heel duidelijk aanwezig is vanwege de bosschage.
Tevens wordt verzocht om matiging van de sancties, gelet op de financiële impact die de hoeveelheid boetes op betrokkene hebben.
6. Het volgende wordt overwogen.
7. In de onderhavige zaken heeft betrokkene met een huurscooter op het fietspad gereden waar dit niet is toegestaan. De aan betrokkene verweten gedragingen zijn duidelijk omschreven in de zich in de dossiers bevindende zaakoverzichten en worden ondersteund door beeldmateriaal.
8. Daarnaast bevinden zich in de onderhavige zaken schouwrapporten in de dossiers. Met betrekking hierop heeft de kantonrechter in zaak G: 11881727 WM VERZ 25-16560 op grond van de schouwrapporten geconcludeerd dat de bebording kort vóór de gedraging niet in orde was. In het proces-verbaal met het schouwrapport d.d. 20 september 2024 is vermeld dat op de [locatie 1], komende vanuit de richting van de [straat], de bebording niet in orde is. Het bord is beplakt. Gelet hierop kan naar het oordeel van de kantonrechter de aan betrokkene verweten gedraging in zaak G onvoldoende worden vastgesteld en dient de inleidende beschikking te worden vernietigd. Het beroep in zaak G wordt, in navolging van het standpunt van verweerder, derhalve gegrond verklaard.
Ten aanzien van de gedragingen verricht op [locatie 2] (zaken C en H):
9. Er zijn twee overtredingen geconstateerd op [locatie 2]. Beide overtredingen kunnen op grond van de stukken in het dossier worden vastgesteld.
Nu met ingang van 18 april 2023 het Beleidskader niet meer van toepassing is en de regel dat de eerste boete aan betrokkene moet zijn verzonden voordat voor een soortgelijke overtreding op dezelfde pleeglocatie een volgende boete kan worden opgelegd niet meer geldt, zijn beide boetes terecht opgelegd.
Het beroep in zaak C: 11881587 WM VERZ 25-16532 wordt ongegrond verklaard.
Echter nu betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een fout en zij de bebording niet heeft opgemerkt, ziet de kantonrechter mede gelet op de financiële impact die de boetes op betrokkene hebben aanleiding om de sanctie in zaak H te matigen naar nihil. Het beroep in zaak H wordt derhalve gedeeltelijk gegrond verklaard.
Ten aanzien van de gedragingen verricht op [locatie 1]
(zaken A, B, D, E, F, I en J):
10. De overige zeven zaken A, B, D, E, F, I en J betreffen overtredingen geconstateerd op [locatie 1]. Hoewel in deze zeven zaken de gedragingen kunnen worden vastgesteld, acht de kantonrechter het gelet op de namens betrokkene aangevoerde omstandigheden het ook in deze zaken niet billijk en redelijk om betrokkene alle zeven boetes te laten betalen.
Daarom wordt alleen het beroep in de zaak E: 11881593 WM VERZ 25-16534 ongegrond verklaard en de sancties in de zaken A, B, D, F, I en J gematigd naar nihil. Het beroep in de laatstgenoemde zes zaken wordt derhalve gedeeltelijk gegrond verklaard.
Ten aanzien van de proceskostenvergoeding:
11. Namens betrokkene is door gemachtigde om een vergoeding van de proceskosten verzocht. Nu het beroep in zaak G gegrond wordt verklaard en de sancties in de zaken
A, B, D, F, H, I en J zijn gematigd, wordt een proceskostenvergoeding toegekend.
12. De vergoeding van kosten is in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) forfaitair per proceshandeling vastgelegd. Gemachtigde heeft de volgende vergoedbare proceshandelingen verricht:
- het indienen van een administratief beroep bij verweerder;
- het indienen van beroep bij de kantonrechter;
- en het verschijnen tijdens de zitting van de kantonrechter.
13. Volgens de bijlage bij het Bpb dient aan ieder van deze proceshandelingen 1 punt te worden toegekend. De waarde van 1 punt bedraagt met ingang van 1 januari 2026 in de fase van het bezwaar en administratief beroep € 666,00 en in de fase van het beroep en hoger beroep € 937,00.
14. Gelet op het voorgaande worden voor de door gemachtigde verrichte proceshandeling in de fase van het administratief beroep 1 punt ad € 666,00 toegekend en voor de verrichte proceshandelingen in de fase van het beroep bij de kantonrechter 2 punten ad € 934,00. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast, en ingevolge artikel 13a lid 2 Wahv wordt de proceskostenvergoeding vermenigvuldigd met 0,25 (vgl. de uitspraak van de Hoge Raad van 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985). Tevens is factor 1,5 wegens samenhang (4 of meer zaken) van toepassing, omdat het hier gaat om samenhangende zaken van dezelfde betrokkene. Aldus zal de kantonrechter verweerder veroordelen in de kosten tot een totaalbedrag van
€ 475,13 ((1x666+ 2x934) x 0,5 (weging) x 0,25 (Wahv factor) x 1,5 (samenhang)) voor de onderhavige zaken waarin betrokkene geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld tezamen.
15. Daarom wordt beslist als volg.
BESLISSING
De kantonrechter:
- verklaart het beroep in de zaken C en E ongegrond;
- verklaart het beroep in zaak G gegrond en vernietigt de bestreden beslissing, alsmede de inleidende beschikking;
- verklaart het beroep in de zaken A, B, D, F, H, I en J gedeeltelijk gegrond en stelt, onder wijziging van de inleidende beschikkingen, de sancties vast op nihil;
- bepaalt dat het als zekerheid betaalde bedrag aan betrokkene wordt gerestitueerd in de zaken A, B, D, F, G, H, I en J;
- kent aan betrokkene ten laste van verweerder een totale kostenvergoeding toe van
€ 475,13 voor de zaken A, B, D, F, G, H, I en J tezamen.
De griffier De kantonrechter
Datum verzending
Bent u het met deze beslissing niet eens, dan kunt u binnen zes weken na de hierboven vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen indien de als gevolg van deze beslissing te betalen administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt. Het beroepschrift dient schriftelijk (niet per e-mail) te worden ingediend bij rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team kanton, postbus 70515, 1007 KM, Amsterdam en dient door degene die het beroep instelt of een gemachtigde te worden ondertekend. De procedure bij het gerechtshof verloopt schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling wordt gevraagd.
Afdeling privaatrecht
kantonrechter: mr. R. Kruisdijk
zaaknummers: 11881490 WM VERZ 25-16515 (zaak A)
11881518 WM VERZ 25-16522 (zaak B)
11881587 WM VERZ 25-16532 (zaak C)
11881591 WM VERZ 25-16533 (zaak D)
11881593 WM VERZ 25-16534 (zaak E)
11881723 WM VERZ 25-16559 (zaak F)
11881727 WM VERZ 25-16560 (zaak G)
11881778 WM VERZ 25-16574 (zaak H)
11914510 WM VERZ 25-17861 (zaak I)
11914535 WM VERZ 25-17863 (zaak J)
beslissing van: 6 augustus 2026
func.: 65186
Beslissing inzake het beroep ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (verder: de Wahv) van:
[betrokkene]
[adres]
verder: betrokkene
namens wie beroep is ingesteld door:
Appjection B.V.
mr. M. Lagas
verder: gemachtigde
welk beroep is ingesteld bij verzoekschriften, ingekomen bij de CVOM te Utrecht op 27 februari 2025, 1 april 2025, 15 april 2025, 16 april 2025 en op 12 juni 2025 en is gericht tegen de beslissingen van 17 januari 2025, 25 februari 2025, 12 maart 2025, 18 maart 2025 en 28 mei 2025 van de officier van justitie (verder: verweerder) ten aanzien van betrokkene.
CJIB-nummers:
[nummer 1], [nummer 2], [nummer 3], [nummer 4], [nummer 5], [nummer 6], [nummer 7], [nummer 8], [nummer 9] en [nummer 10].
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Aan betrokkene zijn bij beschikkingen van 28 november 2024, 29 november 2024, 6 december 2024, 9 december 2024, 11 december 2024, 12 december 2024, 17 december 2024 en 30 december 2024 (verder: de inleidende beschikkingen) tien sancties in het kader van de Wahv opgelegd. Betrokkene dan wel gemachtigde heeft tegen de inleidende beschikkingen beroep ingesteld bij verweerder. Deze heeft dat beroep in de onderhavige zaken ongegrond verklaard. Tegen die beslissingen heeft gemachtigde vervolgens beroep ingesteld bij de kantonrechter. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende gegevens overgelegd. Het beroep in de onderhavige zaken is behandeld op de openbare zitting van 6 augustus 2026. Partijen zijn voor deze zitting opgeroepen.
Betrokkene is op de zitting verschenen en de cautie verleend.
Namens gemachtigde is de heer [naam] ter zitting verschenen.
Op de zitting hebben zowel betrokkene als gemachtigde de beroepschriften nader toegelicht.
Ter zitting heeft verweerder gereageerd op de inhoud van de beroepschriften. Verweerder heeft geconcludeerd dat het beroep in de zaak G gegrond is, het beroep in de zaken A, F, H, I en J gedeeltelijk gegrond is en het beroep de in de zaken B, C, D en E ongegrond is.
Ten slotte is door de kantonrechter aan het einde van de zitting schriftelijk uitspraak gedaan.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
1. Aan betrokkene zijn bij inleidende beschikkingen wegens verkeersgedragingen tien administratieve sancties opgelegd ingevolge de Wahv. Betrokkene wordt verweten dat hij met een bromfiets niet de rijbaan heeft gebruikt als er geen verplicht fiets/bromfietspad aanwezig is (bord G12a). Deze gedragingen zijn geconstateerd op:
25 augustus 2024 om 18:08 uur op [locatie 1]
(zaak A: 11881490 WM VERZ 25-16515);
23 augustus 2024 om 10:13 uur op [locatie 1]
(zaak B: 11881518 WM VERZ 25-16522);
14 augustus 2024 om 11:09 uur op [locatie 2]
(zaak C: 11881587 WM VERZ 25-16532);
13 augustus 2024 om 21:12 uur op [locatie 1];
(zaak D: 11881591 WM VERZ 25-16533);
10 augustus 2024 om 22:54 uur op [locatie 1]
(zaak E: 11881593 WM VERZ 25-16534);
30 augustus 2024 om 18:35 uur op [locatie 1]
(zaak F: 11881723 WM VERZ 25-16559);
22 september 2024 om 19:00 uur op [locatie 1]
(zaak G: 11881727 WM VERZ 25-16560).
26 augustus 2024 om 20:56 uur op [locatie 2]
(zaak H: 11881778 WM VERZ 25-16574);
3 september 2024 om 09:56 uur op [locatie 1]
(zaak I: 11914510 WM VERZ 25-17861);
4 september 2024 om 19:08 uur op [locatie 1]
(zaak J: 11914535 WM VERZ 25-17863).
2. Het beroep in de onderhavige zaken is tijdig ingesteld.
3. Gemachtigde voert in het beroepschrift bij de kantonrechter aan dat aan betrokkene tien beschikkingen zijn opgelegd voor het rijden met een huurscooter van Check waar dit niet is toegestaan. Nu betrokkene pas na vier maanden de boetes heeft ontvangen, was zij zich niet bewust van de fout en heeft daardoor veel boetes opgelopen in de tussentijd. Als betrokkene meteen na de eerste overtreding de boete had ontvangen dan had zij het geweten en haar gedrag kunnen aanpassen.
De eerste beschikking had betrokkene dus nog niet bereikt voordat de laatste werd opgelegd. Zodoende is in het onderhavige geval gehandeld in strijd met het Beleidskader geslotenverklaringen en dus in strijd met artikel 4:84 Awb.
Namens betrokkene wordt verzocht om één boete in stand te laten en de overige boetes te matigen tot nihil. Er wordt tevens verzocht om toekenning van een proceskostenvergoeding.
4. Ter zitting stelt verweerder zich op het standpunt dat het beroep in zaak G gegrond dient te worden verklaard, omdat in het schouwrapport van 20 september 2024 is vermeld dat de bebording niet in orde is. De gedraging van 22 september 2024 in die zaak kan daarom onvoldoende worden vastgesteld.
In de overige negen zaken kunnen de aan betrokkene verweten gedragingen wel worden vastgesteld. Er wordt door gemachtigde verwezen naar het Beleidskader, maar dit is niet meer van toepassing vanaf 18 april 2023. De boetes in de resterende negen zaken zijn terecht opgelegd. Betrokkene is er zelf verantwoordelijk voor de relevante bebording op te merken en daar naar te handelen. Echter gelet op de hoeveelheid boetes die aan betrokkene zijn opgelegd voor een soortgelijke gedraging in korte tijd verzoekt verweerder de kantonrechter om de sancties in de zaken A, F, H, I en J te matigen tot nihil. In de overige zaken, te weten B, C, D en E, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
5. Naar aanleiding van hetgeen verweerder ter zitting naar voren brengt, heeft gemachtigde verzocht om naar analogie van het Beleidskader te handelen en de boetes die betrokkene heeft ontvangen terwijl zij de boete voor de eerste overtreding nog niet had ontvangen, te matigen tot nihil. Gemachtigde verzoekt rekening te houden met het verweer dat het hier echt om een fout gaat. Betrokkene heeft de bebording niet opgemerkt. Zij stelt dat de bebording bij [locatie 1] niet heel duidelijk aanwezig is vanwege de bosschage.
Tevens wordt verzocht om matiging van de sancties, gelet op de financiële impact die de hoeveelheid boetes op betrokkene hebben.
6. Het volgende wordt overwogen.
7. In de onderhavige zaken heeft betrokkene met een huurscooter op het fietspad gereden waar dit niet is toegestaan. De aan betrokkene verweten gedragingen zijn duidelijk omschreven in de zich in de dossiers bevindende zaakoverzichten en worden ondersteund door beeldmateriaal.
8. Daarnaast bevinden zich in de onderhavige zaken schouwrapporten in de dossiers. Met betrekking hierop heeft de kantonrechter in zaak G: 11881727 WM VERZ 25-16560 op grond van de schouwrapporten geconcludeerd dat de bebording kort vóór de gedraging niet in orde was. In het proces-verbaal met het schouwrapport d.d. 20 september 2024 is vermeld dat op de [locatie 1], komende vanuit de richting van de [straat], de bebording niet in orde is. Het bord is beplakt. Gelet hierop kan naar het oordeel van de kantonrechter de aan betrokkene verweten gedraging in zaak G onvoldoende worden vastgesteld en dient de inleidende beschikking te worden vernietigd. Het beroep in zaak G wordt, in navolging van het standpunt van verweerder, derhalve gegrond verklaard.
Ten aanzien van de gedragingen verricht op [locatie 2] (zaken C en H):
9. Er zijn twee overtredingen geconstateerd op [locatie 2]. Beide overtredingen kunnen op grond van de stukken in het dossier worden vastgesteld.
Nu met ingang van 18 april 2023 het Beleidskader niet meer van toepassing is en de regel dat de eerste boete aan betrokkene moet zijn verzonden voordat voor een soortgelijke overtreding op dezelfde pleeglocatie een volgende boete kan worden opgelegd niet meer geldt, zijn beide boetes terecht opgelegd.
Het beroep in zaak C: 11881587 WM VERZ 25-16532 wordt ongegrond verklaard.
Echter nu betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een fout en zij de bebording niet heeft opgemerkt, ziet de kantonrechter mede gelet op de financiële impact die de boetes op betrokkene hebben aanleiding om de sanctie in zaak H te matigen naar nihil. Het beroep in zaak H wordt derhalve gedeeltelijk gegrond verklaard.
Ten aanzien van de gedragingen verricht op [locatie 1]
(zaken A, B, D, E, F, I en J):
10. De overige zeven zaken A, B, D, E, F, I en J betreffen overtredingen geconstateerd op [locatie 1]. Hoewel in deze zeven zaken de gedragingen kunnen worden vastgesteld, acht de kantonrechter het gelet op de namens betrokkene aangevoerde omstandigheden het ook in deze zaken niet billijk en redelijk om betrokkene alle zeven boetes te laten betalen.
Daarom wordt alleen het beroep in de zaak E: 11881593 WM VERZ 25-16534 ongegrond verklaard en de sancties in de zaken A, B, D, F, I en J gematigd naar nihil. Het beroep in de laatstgenoemde zes zaken wordt derhalve gedeeltelijk gegrond verklaard.
Ten aanzien van de proceskostenvergoeding:
11. Namens betrokkene is door gemachtigde om een vergoeding van de proceskosten verzocht. Nu het beroep in zaak G gegrond wordt verklaard en de sancties in de zaken
A, B, D, F, H, I en J zijn gematigd, wordt een proceskostenvergoeding toegekend.
12. De vergoeding van kosten is in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) forfaitair per proceshandeling vastgelegd. Gemachtigde heeft de volgende vergoedbare proceshandelingen verricht:
- het indienen van een administratief beroep bij verweerder;
- het indienen van beroep bij de kantonrechter;
- en het verschijnen tijdens de zitting van de kantonrechter.
13. Volgens de bijlage bij het Bpb dient aan ieder van deze proceshandelingen 1 punt te worden toegekend. De waarde van 1 punt bedraagt met ingang van 1 januari 2026 in de fase van het bezwaar en administratief beroep € 666,00 en in de fase van het beroep en hoger beroep € 937,00.
14. Gelet op het voorgaande worden voor de door gemachtigde verrichte proceshandeling in de fase van het administratief beroep 1 punt ad € 666,00 toegekend en voor de verrichte proceshandelingen in de fase van het beroep bij de kantonrechter 2 punten ad € 934,00. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast, en ingevolge artikel 13a lid 2 Wahv wordt de proceskostenvergoeding vermenigvuldigd met 0,25 (vgl. de uitspraak van de Hoge Raad van 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985). Tevens is factor 1,5 wegens samenhang (4 of meer zaken) van toepassing, omdat het hier gaat om samenhangende zaken van dezelfde betrokkene. Aldus zal de kantonrechter verweerder veroordelen in de kosten tot een totaalbedrag van
€ 475,13 ((1x666+ 2x934) x 0,5 (weging) x 0,25 (Wahv factor) x 1,5 (samenhang)) voor de onderhavige zaken waarin betrokkene geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld tezamen.
15. Daarom wordt beslist als volg.
BESLISSING
De kantonrechter:
- verklaart het beroep in de zaken C en E ongegrond;
- verklaart het beroep in zaak G gegrond en vernietigt de bestreden beslissing, alsmede de inleidende beschikking;
- verklaart het beroep in de zaken A, B, D, F, H, I en J gedeeltelijk gegrond en stelt, onder wijziging van de inleidende beschikkingen, de sancties vast op nihil;
- bepaalt dat het als zekerheid betaalde bedrag aan betrokkene wordt gerestitueerd in de zaken A, B, D, F, G, H, I en J;
- kent aan betrokkene ten laste van verweerder een totale kostenvergoeding toe van
€ 475,13 voor de zaken A, B, D, F, G, H, I en J tezamen.
De griffier De kantonrechter
Datum verzending
Bent u het met deze beslissing niet eens, dan kunt u binnen zes weken na de hierboven vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen indien de als gevolg van deze beslissing te betalen administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt. Het beroepschrift dient schriftelijk (niet per e-mail) te worden ingediend bij rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team kanton, postbus 70515, 1007 KM, Amsterdam en dient door degene die het beroep instelt of een gemachtigde te worden ondertekend. De procedure bij het gerechtshof verloopt schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling wordt gevraagd.