Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:8017
2026-08-11
Strafrecht
13/272093-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Onderzoek Huxelrebe. Een 19-jarige man wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes jaren, met aftrek van het voorarrest, omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag (feit 1, primair, impliciet subsidiair) en twee bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht (feiten 2 en 3, meer subsidiair). Oplegging van een contactverbod voor de duur van vijf jaren met de benadeelde partijen. De vorderingen van de benadeelde partijen tot materiële en immateriële schadevergoeding worden gedeeltelijk toegewezen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2019:793 Hoge Raad 28-05-2019
- ECLI:NL:HR:2015:1600 Hoge Raad 12-06-2015
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (80.609 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/272093-25
Datum uitspraak: 11 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [verdachte] 2006 in [verdachte] ,
nu gedetineerd te: [verblijfsplaats] ,
alwaar hij ook staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen,
met als opgegeven postadres:
[adres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M.E. Hirdes, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. C.W. Flokstra, naar voren hebben gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] ), [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2] ) en [benadeelde partij 3] (hierna: [benadeelde partij 3] ). Daarbij heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door [benadeelde partij 1] , bijgestaan door mr. T. Çatbaş, en van wat door [benadeelde partij 2] en namens [benadeelde partij 3] , bijgestaan door mr. H. Sazoglu, naar voren is gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd en na een eerdere wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 3 juli 2026 – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
Feit 1:
poging tot moord (primair) dan wel poging tot doodslag (impliciet subsidiair) op [benadeelde partij 1] op 13 oktober 2025 in Amsterdam. Subsidiair is dit ten laste gelegd als zware mishandeling met voorbedachten rade en meer subsidiair als poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade;
Feit 2:
poging tot doodslag op [benadeelde partij 2] op 13 oktober 2025 in Amsterdam. Subsidiair is dit ten laste gelegd als poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;
Feit 3:
poging tot doodslag op [benadeelde partij 3] op 13 oktober 2025 in Amsterdam. Subsidiair is dit ten laste gelegd als poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Waardering van het bewijs
3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de ten laste gelegde poging tot moord op [benadeelde partij 1] (feit 1, primair) niet is bewezen, omdat het dossier geen bewijs bevat voor voorbedachte raad. Wel heeft de officier van justitie gerekwireerd tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag op [benadeelde partij 1] (feit 1, primair, impliciet subsidiair). Door – onder meer vanuit een rijdende auto – op of in de richting van [benadeelde partij 1] te schieten heeft verdachte de aanmerkelijke kans op zijn dood bewust aanvaard.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de ten laste gelegde poging tot doodslag op [benadeelde partij 2] (feit 2, primair) en de ten laste gelegde poging tot doodslag op [benadeelde partij 3] (feit 3, primair) ook zijn bewezen. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat het meermaals schieten als onervaren schutter, in paniek, en in de directe nabijheid van anderen de reële kans in het leven roept dat [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] zouden te komen overlijden. Gelet op de omstandigheden waaronder verdachte heeft geschoten kan het niet anders dan dat hij die kans ook heeft aanvaard.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde poging tot moord op [benadeelde partij 1] (feit 1, primair), omdat de voorbedachte raad niet kan worden bewezen. Voorts heeft de raadsman vrijspraak verzocht van de onder feit 1 primair – impliciet subsidiair – ten laste gelegde poging tot doodslag op [benadeelde partij 1] , omdat niet kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans was op de dood en verdachte deze kans niet heeft aanvaard. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de ten laste gelegde zware mishandeling (feit 1, subsidiair). Niet betwist wordt dat [benadeelde partij 1] als gevolg van het schietincident zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Zowel ten aanzien van feit 2 als feit 3 heeft de raadsman verzocht om verdachte vrij te spreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, omdat niet bewezen kan worden dat er een aanmerkelijke kans bestond op de dood of zwaar lichamelijk letsel voor [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] . Verdachte moet volgens de raadsman ook worden vrijgesproken van de onder feit 2 meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging van [benadeelde partij 2] . De raadsman heeft zich ten slotte gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de ten laste gelegde bedreiging van [benadeelde partij 3] (feit 3, meer subsidiair).
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 primair, impliciet subsidiair, ten laste gelegde poging tot doodslag op [benadeelde partij 1] en de onder feit 2 en feit 3, meer subsidiair, ten laste gelegde bedreiging van respectievelijk [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] met enig misdrijf tegen het leven gericht. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
3.3.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen in bijlage II en de overige stukken in het procesdossier vast dat de aanleiding van het ten laste gelegde is gelegen in een financieel conflict dat is ontstaan nadat verdachte met [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] op vakantie was geweest naar Marokko. Verdachte was nog een geldbedrag verschuldigd aan [benadeelde partij 1] , maar weigerde te betalen, omdat hij het niet eens was met de gemaakte berekeningen. Uiteindelijk is de broer van verdachte erbij betrokken om te bemiddelen in het voortdurende conflict.
Op 13 oktober 2025 had de broer van verdachte wederom een afspraak gemaakt met [benadeelde partij 1] om in gesprek te gaan over het conflict. Verdachte heeft die dag – nog voordat die afspraak met de broer had plaatsgevonden – op eigen initiatief met [benadeelde partij 1] afgesproken op de Oderweg in Amsterdam. Op een parkeerplaats op de Oderweg zijn verdachte en [benadeelde partij 1] – die vergezeld werd door [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] – met elkaar in gesprek gegaan. [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] hebben zich op enig moment bij het gesprek gevoegd. Vervolgens escaleerde de situatie. Verdachte pakte een vuurwapen uit zijn broeksband en schoot van korte afstand op de schouder van [benadeelde partij 1] , waarbij hij een schotverwonding aan zijn rechterschouder heeft opgelopen (‘schietmoment 1’). Vervolgens zijn [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] weggerend in de richting van de Basisweg. Op dat moment schoot verdachte nogmaals, naar eigen zeggen op de benen van [benadeelde partij 1] , die daarbij – zo blijkt uit de door een chirurg-traumatoloog opgestelde rapportage – een schotwond heeft opgelopen met een in- en uitschot in zijn linkerzij (‘schietmoment 2’). Daarna richtte verdachte het wapen op [benadeelde partij 3] , maar schoot niet. Verdachte stapte in zijn auto, is achter de rennende [benadeelde partij 1] aangereden en heeft al rijdend vanuit de auto wederom geschoten in de richting waar [benadeelde partij 1] rende, die zich vervolgens op de Basisweg achter een plantenbak heeft verscholen. Verdachte heeft geschoten tot zijn magazijn leeg was (‘schietmoment 3’) en is hierna weggereden.
3.3.2.
Ten aanzien van [benadeelde partij 1] (feit 1)
Inleidende opmerking
Over de precieze positie die verdachte, [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] op de parkeerplaats op de Oderweg op het moment van schieten hadden ingenomen en wat de afstand tot elkaar was, is wisselend verklaard. [benadeelde partij 1] heeft bij de politie verklaard dat ze in een soort cirkel stonden en dat hij dicht bij verdachte stond, terwijl [benadeelde partij 2] tijdens het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij, [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] op een rijtje tegenover verdachte stonden. Verdachte heeft ter terechtzitting weer anders verklaard en gezegd dat hij werd omsingeld. De rechtbank kan tegen deze achtergrond niet vaststellen waar verdachte, [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] precies stonden ten opzichte van elkaar op het moment dat [benadeelde partij 1] op de parkeerplaats door verdachte in zijn schouder werd geschoten. Wel staat vast dat zij dicht bij elkaar stonden.
Vrijspraak poging tot moord (primair)
Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet vast komen te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
In dit geval is verdachte met een vuurwapen in zijn broeksband naar zijn afspraak met [benadeelde partij 1] gegaan. Dit is op zichzelf onvoldoende om vast te kunnen stellen dat verdachte het plan heeft beraamd om [benadeelde partij 1] van het leven te beroven. De rechtbank ziet daarbij een contra-indicatie voor voorbedachte raad in de omstandigheid dat verdachte eerst met [benadeelde partij 1] – en later ook met [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] – in gesprek is gegaan, hetgeen blijkens de beschikbare camerabeelden iets minder dan dertig minuten moet hebben geduurd.
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank dan ook van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om vast te kunnen stellen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de onder feit 1 primair tenlastegelegde poging tot moord.
Bewezenverklaring poging tot doodslag (primair – impliciet subsidiair)
Voor een bewezenverklaring van poging tot doodslag is, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet op de dood van het slachtoffer vereist.
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte [benadeelde partij 1] willens en wetens wilde doden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij door [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] werd omsingeld en dat hij in paniek raakte, waarna hij het wapen heeft gepakt en [benadeelde partij 1] in zijn schouder heeft geschoten. Ook heeft hij verklaard dat hij [benadeelde partij 1] wilde ‘afdreigen’.
De rechtbank is van oordeel dat wel vastgesteld kan worden dat sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van [benadeelde partij 1] , nu verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde partij 1] door zijn handelen zou komen te overlijden.
Hoewel – zoals hiervoor overwogen - niet precies kan worden vastgesteld waar verdachte en [benadeelde partij 1] ten tijde van het gesprek op de parkeerplaats precies hebben gestaan, staat vast dat zij erg dicht bij elkaar stonden. Verdachte heeft, als ongeoefend schutter, op deze korte afstand in de schouder van [benadeelde partij 1] geschoten, terwijl van algemene bekendheid is dat zich in het bovenlichaam, nabij de schouder, diverse vitale organen en slagaders bevinden. Vervolgens heeft verdachte op de wegrennende [benadeelde partij 1] geschoten, waarbij hij heeft verklaard op de benen te hebben gericht, maar waarbij hij hem in zijn linkerzij, aan de zijkant van zijn buik, heeft geraakt, ook in de buurt van een deel van het lichaam waar zich vitale organen bevinden. Tot slot heeft hij ook vanuit de auto, al rijdend, nog meerdere kogels afgevuurd in de richting van waar [benadeelde partij 1] rende en de plantenbak waarachter [benadeelde partij 1] zich schuil hield.
Verdachte heeft met dit alles de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat een of meer van de kogels [benadeelde partij 1] zou(den) raken op een wijze dat vitale lichaamsdelen zouden worden getroffen en [benadeelde partij 1] als gevolg daarvan zou komen te overlijden. Verdachtes gedragingen in zijn geheel kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van [benadeelde partij 1] dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op zijn dood bewust heeft aanvaard. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag.
3.3.3.
Ten aanzien van [benadeelde partij 2] (feit 2)
Vrijspraak poging tot doodslag (primair) en poging tot zware mishandeling (subsidiair)
De rechtbank kan ten aanzien van het eerste schietmoment op de parkeerplaats op de Oderweg niet vaststellen waar verdachte, [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] precies ten opzichte van elkaar hebben gestaan. Omdat enkel kan worden vastgesteld dat ze dicht bij elkaar in de buurt stonden (zie hiervoor), kan evenmin worden vastgesteld of [benadeelde partij 2] op een dusdanig korte afstand van [benadeelde partij 1] stond dat daarmee de aanmerkelijke kans bestond dat hij dodelijk geraakt had kunnen worden of zwaar lichamelijk letsel had op kunnen lopen op het moment dat [benadeelde partij 1] door verdachte in zijn schouder werd geschoten.
Dit laatste geldt eveneens ten aanzien van het tweede en derde schietmoment. [benadeelde partij 2] heeft zowel in zijn aangifte, als tijdens zijn verhoor bij de politie en het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris verklaard dat hij vervolgens samen met [benadeelde partij 1] is weggerend, terwijl hij hoorde dat er wederom werd geschoten. Ook heeft hij verklaard dat hij zag dat de auto van verdachte achter hen aankwam gereden en hoorde dat er opnieuw werd geschoten. Voorbijgangers die op het fietspad op de Basisweg liepen hebben verklaard dat zij zagen dat er vanuit een auto werd geschoten en dat ze zagen dat er twee jongens wegrenden. De rechtbank kan op basis van het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van het procesdossier echter niet vaststellen dat [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] zich op dat moment nog dicht bij elkaar bevonden. Welke looproute zij ieder precies hebben afgelegd richting de Basisweg is onduidelijk. Ook bevat het dossier geen bewijs dat [benadeelde partij 2] in de buurt van [benadeelde partij 1] was op het moment dat hij op de Basisweg (ter hoogte van club Lofi) werd beschoten. Dit blijkt niet uit de verklaring die de voorbijgangers hebben afgelegd en ook niet uit de beschikbare camerabeelden. Op de camerabeelden is enkel te zien dat [benadeelde partij 1] door verdachte vanuit een rijdende auto wordt beschoten. [benadeelde partij 2] is op die camerabeelden niet zichtbaar.
De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte op of in de richting van [benadeelde partij 2] heeft geschoten. Evemin kan worden vastgesteld dat [benadeelde partij 2] zich in de buurt van [benadeelde partij 1] bevond op het moment dat hij werd beschoten. Dat verdachte ook zodanig heeft gehandeld dat daardoor de aanmerkelijke kans in het leven werd geroepen dat [benadeelde partij 2] zou komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen, is niet bewezen. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.
Bewezenverklaring bedreiging (meer subsidiair)
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte, door te handelen zoals hij heeft gedaan, [benadeelde partij 2] wel met de dood of met zware mishandeling heeft bedreigd.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor veroordeling ter zake van bedreiging vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd.
De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte geen opzet heeft gehad op de bedreiging van [benadeelde partij 2] en dat verdachte zijn handelen enkel op [benadeelde partij 1] was gericht. De rechtbank verwerpt dat verweer en overweegt daartoe als volgt.
Nadat een gesprek over een lopend financieel conflict, waarbij [benadeelde partij 2] zich had gevoegd, was geëscaleerd en verdachte [benadeelde partij 1] in zijn schouder had geschoten, is niet alleen [benadeelde partij 1] , maar ook [benadeelde partij 2] weggerend, terwijl zij – zo blijkt uit de door hun afgelegde verklaringen – beiden in doodsangst verkeerden. Terwijl [benadeelde partij 2] wegrende, hoorde hij dat er constant werd geschoten. De rechtbank is van oordeel dat hij op dit moment ook objectief gezien de redelijke vrees moet hebben gehad dat hij zou komen te overlijden. Dat de focus enkel op [benadeelde partij 1] was gericht behoefde voor hem terwijl hij wegrende en het schieten nog bezig was niet duidelijk te zijn. Verdachte moet tegen die achtergrond geacht worden met zijn handelen ook voorwaardelijk opzet te hebben gehad op de bedreiging van [benadeelde partij 2] . De rechtbank acht de ten laste gelegde bedreiging van [benadeelde partij 2] , met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan ook bewezen.
3.3.4.
Ten aanzien van [benadeelde partij 3] (feit 3)
Vrijspraak poging tot doodslag (primair) en poging tot zware mishandeling (subsidiair)
Hetgeen hiervoor is opgemerkt over het eerste schietmoment en de onduidelijkheid over waar wie precies waar stond, geldt ook ten aanzien van [benadeelde partij 3] . Gelet op deze onduidelijkheid kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat ook [benadeelde partij 3] zou worden geraakt en daardoor zou komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel op zou kunnen lopen. De rechtbank acht daarom de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Bewezenverklaring bedreiging (meer subsidiair)
De rechtbank is van oordeel dat wel kan worden bewezen dat verdachte [benadeelde partij 3] op de Oderweg met de dood heeft bedreigd door een vuurwapen op hem te richten.
Kort nadat verdachte [benadeelde partij 1] in zijn schouder heeft geschoten en [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] weg waren gerend, heeft verdachte op de parkeerplaats zijn wapen op [benadeelde partij 3] gericht. De rechtbank is van oordeel dat de bedreiging daarmee van dien aard is geweest en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij [benadeelde partij 3] de redelijk vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Die vrees, hoewel niet noodzakelijk voor een bewezenverklaring, is gelet op zijn verklaring ook daadwerkelijk ontstaan. [benadeelde partij 3] heeft namelijk verklaard dat hij dacht “dat het klaar was”, toen verdachte het wapen op hem richtte. Ook heeft hij verklaard dat hij recht in de loop keek en erg bang was. Hij dacht dat verdachte de trekker over zou halen.
De rechtbank acht de ten laste gelegde bedreiging van [benadeelde partij 3] , met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan ook bewezen.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Feit 1, primair, impliciet subsidiair:
op 13 oktober 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij 1] van het leven te beroven,
- met een vuurwapen, meermalen op korte afstand op het lichaam van die [benadeelde partij 1] heeft geschoten en
- met de auto achter die [benadeelde partij 1] is aangereden en – al rijdend – met een vuurwapen meermalen in de richting van het lichaam van die [benadeelde partij 1] heeft geschoten en
die [benadeelde partij 1] daarbij in zijn arm en buik heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2, meer subsidiair:
op 13 oktober 2025 te Amsterdam [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door op korte afstand met een vuurwapen op de persoon naast hem, te weten [benadeelde partij 1] , te schieten en al rijdend vanuit die auto in de richting van die [benadeelde partij 1] te schieten;
Feit 3, meer subsidiair:
op 13 oktober 2025 te Amsterdam [benadeelde partij 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een vuurwapen op de persoon naast hem, [benadeelde partij 1] , te schieten en op korte afstand een vuurwapen op hem, [benadeelde partij 3] , te richten.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
5De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook voor alle bewezenverklaarde feiten strafbaar.
7Motivering van de straf
7.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Gelet op de ernst van de feiten en de gevolgen die [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] daarvan tot de dag van vandaag ondervinden, is enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. In strafverminderende zin heeft de officier van justitie meegewogen dat verdachte jong is, dat hij kan worden aangemerkt als een first offender en dat hij – gelet op het advies van de GZ-psycholoog, zoals neergelegd in de pro Justitia rapportage – licht verminderd toerekenbaar moet worden beschouwd.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om een lagere gevangenisstraf aan verdachte op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een straf op te leggen, waarvan een gedeelte voorwaardelijk is met daaraan verbonden een reclasseringstoezicht en de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd in het adviesrapport van 17 april 2026. Ter terechtzitting heeft de raadsman verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de jeugdige leeftijd van verdachte, de trauma-gerelateerde problematiek die bij hem is vastgesteld, alsmede de omstandigheden dat verdachte spijt heeft betuigd en dat door de deskundige wordt geadviseerd om het ten laste gelegde in licht verminderde mate aan hem toe te rekenen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [benadeelde partij 1] , naar aanleiding van een ruzie over geld na een gezamenlijke vakantie. Het schietincident heeft grote gevolgen gehad. [benadeelde partij 1] heeft een breuk in zijn rechterbovenarm opgelopen, ter hoogte van zijn schouder, waaraan hij geopereerd moest worden. Er bevindt zich nog altijd een kogel(rest) in zijn rechteroksel. Daarnaast is hij, terwijl hij wegrende, in zijn zij geraakt en vervolgens is er door verdachte nog uit een rijdende auto in de richting geschoten waar hij voor verdachte wegrende. Uit de door [benadeelde partij 1] ingediende vordering tot schadevergoeding en het namens hem ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht blijkt dat het schietincident tot de dag van vandaag een grote invloed heeft op zijn leven. Naast de blijvende littekens waartoe het incident heeft geleid, ervaart [benadeelde partij 1] nog altijd pijnklachten aan zijn arm en schouder. Er is sprake van een beperkte mobiliteit van zijn rechterschouder, dat van invloed is op zijn dagelijks functioneren. Uit een verklaring van zijn fysiotherapeut is gebleken dat volledig herstel niet meer te verwachten valt. Ook kampt [benadeelde partij 1] met ernstige psychische klachten. Hij heeft last van herbelevingen, slaapproblemen, concentratieproblemen, nachtmerries en ervaart voortdurend angst. Als gevolg van het schietincident is bij [benadeelde partij 1] de diagnose posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS) vastgesteld, hetgeen bij hem heeft geleid tot middelengebruik. De psychische en fysieke klachten hebben er ook toe geleid dat [benadeelde partij 1] een studievertraging van zes maanden heeft opgelopen.
Niet alleen [benadeelde partij 1] heeft de gevolgen van het schietincident ondervonden. Ook voor [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] heeft een en ander grote gevolgen gehad. Door een vuurwapen op [benadeelde partij 3] te richten en nogmaals op een rennende [benadeelde partij 1] te schieten op het moment dat [benadeelde partij 2] ook wegrende, heeft verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan bedreiging van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2] met de dood. Uit de door hen afgelegde verklaringen ter zitting blijkt dat zij erg bang geweest zijn dat verdachte ook op hen zou schieten en dat ze het niet zouden overleven. Dat moet, net als voor [benadeelde partij 1] , angstaanjagend zijn geweest. Uit de door hen ingediende vorderingen tot schadevergoeding en het namens hen uitgeoefende spreekrecht blijkt dat zowel [benadeelde partij 3] als [benadeelde partij 2] sindsdien met ernstige psychische klachten kampen. Bij hen beiden is PTSS vastgesteld. [benadeelde partij 2] heeft sinds het schietincident last van nachtmerries, ernstige slaapproblemen, paniekaanvallen en vermijdingsgedrag. Daarnaast heeft hij zijn opleiding noodgedwongen voortijdig moeten beëindigen. De mentale gesteldheid van [benadeelde partij 3] is dusdanig verslechterd dat hij in een psychose is geraakt en drie maanden gedwongen opgenomen is geweest in een psychiatrische instelling. Tot op heden kampt hij met de psychische gevolgen van het schietincident. Er is sprake van persisterende angst en achterdocht en daarnaast heeft hij last van de stem van verdachte in zijn hoofd. Als gevolg van de psychische klachten heeft ook hij zijn opleiding voortijdig moeten beëindigen.
De kiem van de escalatie lag uitsluitend in een financieel conflict en het is verdachte geweest die op die bewuste avond een wapen mee heeft genomen en het uiteindelijk ook heeft gebruikt. Dat de gevolgen niet nog ernstiger zijn en er niemand is overleden, is niet aan het handelen van verdachte te danken. Feiten als deze hebben bovendien niet alleen impact op het slachtoffer, maar veroorzaken ook gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving als geheel, in het bijzonder bij hen die getuige waren van het voorval. Het incident speelde zich af op de openbare weg, waardoor personen die daar op dat moment aanwezig waren ongewild zijn geconfronteerd met het gewelddadige handelen van verdachte.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 7 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor wegenverkeerswetfeiten, maar een first offender ten aanzien van geweldsdelicten.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de pro Justitia rapportage van 6 februari 2026, opgesteld door GZ-psycholoog S.A. Moonen. De deskundige heeft, kort gezegd, gerapporteerd dat bij verdachte weliswaar geen psychische stoornis of een verstandelijke handicap is vastgesteld, maar dat wel sprake is van trauma-gerelateerde problematiek die van invloed is op zijn functioneren. Hiervan was ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake. Vermoedelijk heeft de situatie waarin het ten laste gelegde zich afspeelde bij verdachte geleid tot activatie van (onbehandeld) trauma, gepaard gaand met door hem ervaren onmacht van waaruit verdachte vervolgens heeft gehandeld. Aangezien er sprake lijkt zijn van enige doorwerking van de bij verdachte bestaande problematiek, wordt geadviseerd om de ten laste gelegde feiten in licht verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank neemt de conclusies uit de pro Justitia rapportage over en zal de bewezenverklaarde feiten in licht verminderde mate aan verdachte toerekenen.
De rechtbank heeft tot slot kennisgenomen van het adviesrapport van de reclassering van 17 april 2026. Daarin constateert de reclassering dat het psychosociaal functioneren, de financiële situatie en het sociaal netwerk van verdachte gerelateerd zijn aan het delict. Daarnaast constateert de reclassering dat sprake lijkt te zijn van instabiliteit op meerdere leefgebieden. Zo ontbreekt het verdachte aan een structurele dagbesteding en kampt hij met schulden. Zowel het recidiverisico als het risico op letsel worden ingeschat als gemiddeld. De reclassering adviseert om het volwassenenstrafrecht toe te passen, omdat zijn pedagogische ontvankelijkheid beperkt lijkt te zijn en het niet noodzakelijk wordt geacht om interventies in te zetten die uitsluitend binnen een jeugdkader kunnen worden toegepast.
De straf
De rechtbank volgt het advies van de reclassering en is van oordeel dat verdachte volgens het volwassenenstrafrecht moet worden berecht.
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met alle hiervoor genoemde omstandigheden en met de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Mede omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, is er aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.
Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Gelet op de hoogte van de gevangenisstraf is het niet mogelijk om aan verdachte een voorwaardelijk strafdeel op te leggen.
8Beslag
Zowel op de plaats delict, als onder verdachte, in de woning van zijn moeder – waar hij aangaf te verblijven – en onder benadeelde partij [benadeelde partij 1] zijn tijdens het onderzoek naar het ten laste gelegde voorwerpen in beslag genomen zoals vermeld op de beslaglijst van 4 februari 2026, opgenomen in bijlage III die aan dit vonnis is gehecht. Over deze voorwerpen is nog geen beslissing genomen.
De officier van justitie heeft gevorderd om de in beslag genomen munitie (nrs. 1-6, 8 en 9) en het in beslag genomen stroomstoot wapen (nr. 12) te onttrekken aan het verkeer. Ten aanzien van de in beslag genomen telefoons heeft de officier van justitie gevorderd om de telefoon met nummer 7 terug te geven aan [benadeelde partij 1] en de telefoons met nummers 10 en 11 terug te geven aan verdachte. De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen munitie moet worden onttrokken aan het verkeer of verbeurd moet worden verklaard en dat de in beslag genomen telefoons kunnen worden teruggegeven aan verdachte en de benadeelde partij. De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het in beslag genomen stroomstootwapen.
De in beslag genomen munitie (nrs. 1-6, 8 en 9) en het in beslag genomen stroomstootwapen (nr. 12) dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar. De bewezenverklaarde feiten zijn met behulp van de in beslag genomen munitie begaan en, zowel voor de munitie als voor het stroomstootwapen geldt dat, het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. De rechtbank gelast de teruggave aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] van de in beslag genomen telefoon (nr. 7) en de teruggave aan verdachte van de overige in beslag genomen telefoons (nrs. 10 en 11).
9Vorderingen van de benadeelde partijen en de (schadevergoedings)maatregelen
[benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] hebben zich respectievelijk ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3 als benadeelde partijen in het geding gevoegd.
9.1
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1] (feit 1)
[benadeelde partij 1] vordert in totaal betaling van een bedrag van € 41.703,90 aan schadevergoeding. Dit bedrag bestaat voor € 13.578,90 uit vergoeding van materiële schade, te weten de kosten wegens verbruikt eigen risico voor 2026 (€ 385,00), de ziekenhuisdaggeldvergoeding (€ 190,00), de kosten voor het vervangen van de beschadigde jas (€ 1.258,90), trui (€ 55,00) en broek (€ 65,00), de kosten voor opgelopen studievertraging van zes maanden (€ 11.325,00) en gemaakte taxikosten (€ 300,00). Daarnaast heeft [benadeelde partij 1] betaling van een bedrag van € 28.125,00 gevorderd ter vergoeding van immateriële schade, bestaande uit de fysieke en psychische schade die hij heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde feit. Ook heeft [benadeelde partij 1] een bedrag van € 32,84 ter vergoeding van proceskosten gevorderd, bestaande uit de taxikosten die hij heeft moeten maken om de terechtzitting op 28 juli 2026 te kunnen bijwonen. [benadeelde partij 1] heeft tevens gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2025 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Verder heeft [benadeelde partij 1] een bedrag van € 50.000,00 gevorderd voor de nader te onderbouwen materiële en immateriële schade. [benadeelde partij 1] verzoekt deze post in eerste aanleg niet-ontvankelijk te verklaren, zodat deze tijdens een eventueel hoger beroep nader kan worden toegelicht. Tot slot heeft mr. Çatbas ter terechtzitting, namens [benadeelde partij 1] , verzocht om op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) een contactverbod met [benadeelde partij 1] , alsmede een locatieverbod aan verdachte op te leggen.
9.1.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [benadeelde partij 1] volledig kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, omdat de gestelde materiële en immateriële schade voldoende is onderbouwd. [benadeelde partij 1] moet niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van toekomstige schade.
9.1.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de door [benadeelde partij 1] gevorderde immateriële schade. Ten aanzien van de door [benadeelde partij 1] gevorderde materiële schade heeft de raadsman het volgende aangevoerd. [benadeelde partij 1] moet volgens de raadsman niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van de kosten wegens verbruikt risico over 2026, omdat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd. De gevorderde bedragen voor de beschadigde trui en broek moeten worden gematigd met vijftig procent, omdat uit de onderbouwing niet blijkt wanneer deze zijn aangekocht en er, daarnaast, geen rekening is gehouden met de afschrijving. De gevorderde taxikosten moeten – voor zover de rechtbank dat redelijk acht – worden gematigd, omdat onvoldoende is onderbouwd hoe de taxiritten in verband staan tot het ten laste gelegde. Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente heeft de raadsman verzocht om deze – voor wat betreft de materiële schadeposten – niet toe te wijzen vanaf de pleegdatum, maar vanaf het moment dat deze specifieke schade daadwerkelijk is geleden. Verder dient [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van nader te onderbouwen schade. Tot slot heeft de raadsman afwijzing van de gevorderde proceskosten gevorderd, omdat het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) noch enige andere relevante regeling een wettelijke grondslag biedt voor vergoeding van de gevorderde taxikosten.
9.1.3.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank acht de gevorderde materiële schade die betrekking heeft op de gemaakte kosten wegens verbruikt eigen risico voor 2026 voldoende onderbouwd. [benadeelde partij 1] heeft in 2026 als gevolg van het letsel door het schieten zorgkosten moeten maken, onder meer voor fysiobehandelingen waarvan hij er tot op heden reeds vijfentwintig heeft gehad. De kosten hiervoor bedragen € 42,50 per behandeling. Deze behandelingen vallen onder het eigen risico. Het gevorderde bedrag van € 385,00 is dan ook volledig toewijsbaar. De raadsman heeft de gevorderde schadebedragen die zien op de ziekenhuisdaggeldvergoeding en de kosten voor het vervangen van de beschadigde jas niet betwist. De bedragen zijn voldoende toegelicht en onderbouwd zodat de rechtbank die bedragen volledig zal toewijzen. Ten aanzien van de gevorderde bedragen voor de beschadigde trui en broek overweegt de rechtbank dat de in de toelichting op de vordering genoemde bedragen voor de trui en broek zijn omgewisseld. De rechtbank gaat uit van de bedragen zoals die in de bijlagen bij de vordering staan vermeld, namelijk € 65,00 voor de trui en € 55,00 voor de broek. Aangezien niet is onderbouwd wanneer deze kleding is gekocht, zal de rechtbank de bedragen matigen met vijftig procent en de vordering op dit punt toewijzen tot een bedrag van in totaal € 60,00 voor beide goederen. De raadsman heeft het gevorderde bedrag dat ziet op de kosten voor de opgelopen studievertraging van zes maanden niet betwist. Bij de begroting van de schade is aansluiting gezocht bij de Letselschade Richtlijn Studievertraging, die voor één jaar studievertraging op MBO-niveau een normbedrag van € 22.650,00 stelt. Voor een half jaar vertraging is dit dus een bedrag van € 11.325,00. De rechtbank is van oordeel dat de vordering op dit punt voldoende is onderbouwd en wijst deze schadepost toe. Tot slot ziet de rechtbank geen reden om het gevorderde bedrag voor de gemaakte taxikosten te matigen. Als gevolg van de bewezenverklaarde poging doodslag kampt [benadeelde partij 1] met angstklachten, waardoor hij genoodzaakt is om per taxi naar behandelingen en afspraken te reizen. Het gevorderde bedrag zal volledig worden toegewezen.
De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade toe tot een bedrag van in totaal € 13.518,90. De benadeelde partij zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van materiële schade.
Immateriële schade
De vordering is onderbouwd. Voor het opgelopen lichamelijk en vastgestelde psychische letsel door de psycholoog, biedt de wet een grond voor immateriële schadevergoeding (artikel 6:106 sub b BW). Het gevorderde bedrag aan immateriële schade is niet betwist. De rechtbank wijst dit bedrag daarom in zijn geheel toe.
Toekomstige schade
De rechtbank verklaart [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot vergoeding van toekomstige schade, omdat deze schade nog niet kan worden begroot.
Proceskosten
De rechtbank wijst de gevorderde proceskosten af. Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat voor toewijzing van kosten in de zin van artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dezelfde maatstaf moet worden gehanteerd als in civiele procedures. In civiele procedures is in de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering bepaald welke proceskosten voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Op basis daarvan komen alleen reis-, verlet- en verblijfkosten die noodzakelijk zijn voor het bijwonen van de zitting voor vergoeding in aanmerking indien in persoon mag worden geprocedeerd en ook daadwerkelijk in persoon is geprocedeerd. Aangezien de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter terechtzitting werd bijgestaan door een advocaat komen de gevorderde taxikosten als proceskosten niet voor vergoeding in aanmerking.
Wettelijke rente
Het totaal te vergoeden schadebedrag van € 41.643,90 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. De rechtbank wijst de wettelijke rente over de vergoeding van de materiële schade, bestaande uit de kosten voor de beschadigde jas, de trui en de broek, en de vergoeding van de immateriële schade toe vanaf 13 oktober 2025, de datum van het incident. Voldoende is onderbouwd dat die schade vanaf die datum is geleden. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade die betrekking heeft op het eigen risico voor 2026, de ziekenhuisdaggeldvergoeding, de kosten voor de opgelopen studievertraging en de taxikosten is niet gesteld per wanneer die is geleden. Daarom wijst de rechtbank over die schadeposten de wettelijke rente toe vanaf 23 juli 2026, het moment van het indienen van de vordering.
9.2
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 2] (feit 2)
[benadeelde partij 2] vordert in totaal betaling van een bedrag van € 58.312,16 aan schadevergoeding. Dit bedrag bestaat voor € 34.562,16 uit vergoeding voor materiële schade, te weten de kosten wegens verbruikt eigen risico voor 2026 inclusief een ontvangen aanmaning (€ 605,00), kosten wegens gederfde inkomsten (€ 3.251,08), gemaakte reiskosten (€ 300,00), kosten voor het collegegeld en studieboeken (€ 1.770,71), kosten voor de opgelopen studievertraging (€ 27.525,00) en kosten voor een gemiste autotheorie cursus (81,95). Daarnaast heeft [benadeelde partij 2] betaling van een bedrag van in totaal € 23.750,00 gevorderd aan immateriële schadevergoeding, bestaande uit psychische schade (€ 16.000,00) en de reputatieschade (€ 3.000,00) die hij heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde feit. Die bedragen moeten volgens [benadeelde partij 2] worden verhoogd met 25% vanwege verwijtbaarheid dan wel opzet aan de zijde van verdachte. [benadeelde partij 2] heeft tevens betaling van de wettelijke rente gevorderd en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Verder heeft [benadeelde partij 2] een bedrag van € 50.000,00 gevorderd voor toekomstige materiële schade en een bedrag van € 50.000,00 voor toekomstige immateriële schade. [benadeelde partij 2] verzoekt deze posten niet-ontvankelijk te verklaren, zodat deze tijdens een eventueel hoger beroep nader kunnen worden toegelicht. Tot slot heeft [benadeelde partij 2] verzocht om op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aan verdachte een contactverbod met hem, alsmede een locatieverbod ten aanzien van zijn woonadres op te leggen.
9.2.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding voor wat betreft de geestelijke gevolgen volledig kan worden toegewezen. Het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding voor de opgelopen reputatieschade moet worden afgewezen, gelet op het te ver verwijderde causale verband tussen de reputatieschade en het strafbare feit. Het gevorderde bedrag aan materiële schadevergoeding kan ook worden toegewezen, met uitzondering van de schadepost die ziet op de opgelopen studievertraging. Het gevorderde bedrag is toewijsbaar berekend tot en met heden, omdat het bedrag is gebaseerd op een jaar aan studievertraging en er nog geen jaar is verstreken sinds de ten laste gelegde feiten. Daarnaast heeft de officier van justitie ten aanzien van de gederfde inkomsten gevorderd om een bedrag te schatten, omdat [benadeelde partij 2] werkzaam is op basis van een nul-urencontract en is gebleken dat hij al problemen had in de periode voor de ten last gelegde feiten. De officier van justitie heeft gevorderd dat [benadeelde partij 2] voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van materiele schade. Het totaal toe te wijzen schadebedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. [benadeelde partij 2] moet niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van toekomstige materiële en immateriële schade.
9.2.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair aangevoerd om de vordering af te wijzen, dan wel [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, wegens de door hem bepleite vrijspraak.
Subsidiair heeft de raadsman het volgende aangevoerd. [benadeelde partij 2] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in een gedeelte – een bedrag van € 270,55 – van zijn vordering tot vergoeding van de kosten wegens verbruikt eigen risico voor 2026, omdat het bedrag niet is onderbouwd. De gevorderde incassokosten moeten worden afgewezen, dan wel [benadeelde partij 2] moet op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, omdat het tot [benadeelde partij 2] zijn eigen verantwoordelijkheid behoort om rekeningen tijdig te voldoen. Ten aanzien van het gevorderde bedrag aan inkomensderving heeft de raadsman primair verzocht om [benadeelde partij 2] op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, wegens een gebrek aan onderbouwing. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om het bedrag te matigen tot aan het verschil in inkomsten tot heden. Ten aanzien van de gevorderde reiskosten heeft de raadsman betoogd dat de reizen naar de verzekeringsarts niet voor vergoeding in aanmerking komen en dat voor alle andere reizen hooguit de standaard kilometervergoeding kan worden gehanteerd en dat [benadeelde partij 2] op dit punt voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering moet worden verklaard. [benadeelde partij 2] moet eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van de kosten die zien op het collegegeld, de studieboeken en de studievertraging, omdat uit de onderbouwing van de vordering niet volgt dat [benadeelde partij 2] niet langer in staat moest worden geacht om zijn studie te volgen. Het causale verband tussen de studievertraging en het schietincident ontbreekt. Ten aanzien van de door [benadeelde partij 2] gevorderde immateriële schade wegens reputatieschade heeft de raadsman verzocht om [benadeelde partij 2] op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, omdat deze schade niet aan verdachte kan worden toegerekend. Ten aanzien van de – conform de aanbevelingen – gevorderde verhoging van 25% over het gevorderde bedrag aan immateriële schade wegens geestelijk letsel heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat er geen verhoging plaats dient te vinden, vanwege het ontbreken van opzet op het toebrengen van letsel en/of leed aan [benadeelde partij 2] . Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat een dergelijke verhoging niet redelijk is in deze zaak, omdat er ten op zichtte van [benadeelde partij 2] geen sprake is van uiterst verwijtbare gedragingen. Tot slot heeft de raadsman verzocht om [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tot vergoeding van toekomstige materiële en immateriële schade.
9.2.3.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde kosten wegens verbruikt eigen risico voor 2026 toewijsbaar zijn tot een bedrag van € 521,73 voor zorgkosten. Deze kosten zijn voldoende toegelicht en onderbouwd. [benadeelde partij 2] dient voor het overige (€ 63,27) niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering, omdat dit bedrag niet is onderbouwd. De gevorderde aanmaningskosten worden afgewezen, omdat deze in te ver verwijderd verband staan tot de bewezenverklaarde bedreiging. De rechtbank verklaart [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot vergoeding van de kosten wegens inkomensderving, omdat niet duidelijk is gebleken welke inkomsten [benadeelde partij 2] is misgelopen als gevolg van de bedreiging. Ter terechtzitting is namelijk aangevoerd dat [benadeelde partij 2] per september 2025 is gestart met een opleiding, waardoor hij al minder is gaan werken.
De gevorderde taxikosten zijn wel toewijsbaar, tot een bedrag van € 300,00. Gelet op de bewezenverklaarde bedreiging en de verklaring van de psycholoog, waaruit blijkt dat [benadeelde partij 2] kampt met vermijdingsgedrag, acht de rechtbank het aannemelijk dat hij genoodzaakt is om voor medische afspraken gebruik te maken van taxivervoer. De rechtbank schat deze reiskosten op € 300,00. De gevorderde bedragen voor het collegegeld en de studieboeken zijn voldoende onderbouwd en voor toewijzing vatbaar. Gelet op de aard en de ernst van de bedreiging en de gevolgen die de bedreiging voor [benadeelde partij 2] heeft gehad, zoals volgt uit de informatie van de psycholoog, acht de rechtbank het aannemelijk dat hij niet in staat was om zijn opleiding te continueren. Het gevorderde schadebedrag dat betrekking heeft op de opgelopen studievertraging is voldoende onderbouwd met een negatief bindend studieadvies en zal worden toegewezen. Bij de begroting van de schade is aansluiting gezocht bij de Letselschade Richtlijn Studievertraging. De raadsman heeft de gevorderde kosten voor de gemiste theoriecursus niet betwist en de kosten zijn onderbouwd. De rechtbank wijst dit bedrag ook toe. Het totaalbedrag aan materiële schade komt uit op € 30.199,39. [benadeelde partij 2] zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van materiële schade.
Immateriële schade
De rechtbank wijst het gevorderde bedrag voor immateriële schade door opgelopen reputatieschade af. Die schade, volgens [benadeelde partij 2] veroorzaakt omdat een foto van hem in de media verscheen met schietmouwen, staat naar het oordeel van de rechtbank in een te ver verwijderd verband tot de bewezenverklaarde bedreiging.
Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding voor geestelijk letsel geldt het volgende. De psycholoog heeft vastgesteld dat sprake is van PTSS bij [benadeelde partij 2] na het incident en daarvoor is hij behandeld met EMDR en medicatie. De behandeling gaat verder in een intensievere vorm. Daarmee is onderbouwd dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze (artikel 6:106 sub b BW). De raadsman heeft het gevorderde bedrag voor het opgelopen geestelijk letsel niet betwist. De rechtbank zal, zoals is gevorderd, aansluiting zoeken bij hoofdstuk 14.2 subcategorie b van de Rotterdamse schaal, dat betrekking heeft op PTSS. De rechtbank acht een bedrag onderaan de bandbreedte, € 16.000,00, billijk. Aangezien de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het bedreigen van [benadeelde partij 2] met de dood is de rechtbank van oordeel dat in deze situatie geen sprake is van een uiterst verwijtbare gedraging. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat een verhoging van 25% niet billijk is. De rechtbank wijst de gevorderde immateriële
Schadevergoeding dan ook toe tot een bedrag van € 16.000,00. [benadeelde partij 2] zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade.
Toekomstige schade
De rechtbank verklaart [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot betaling van toekomstige materiële en immateriële schade, omdat deze schade nog niet kan worden begroot.
Wettelijke rente
Het totaal te vergoeden schadebedrag van € 46.199,39 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. De wettelijke rente over de vergoeding van de immateriële schade is toewijsbaar vanaf 13 oktober 2025, de datum van het incident. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade die betrekking heeft op het eigen risico voor 2026, de gemaakte reiskosten, de kosten voor het collegegeld en de studieboeken, de kosten voor de opgelopen studievertraging en de kosten voor de gemiste autotheorie cursus is onduidelijk wanneer die schade is niet gesteld per wanneer die is geleden. Daarom wijst de rechtbank over die schadeposten de wettelijke rente toe vanaf 22 juli 2026, het moment van het indienen van de vordering.
9.3
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 3] (feit 3)
[benadeelde partij 3] vordert betaling van in totaal € 54.713,15 aan schadevergoeding. Dit bedrag bestaat voor € 29.119,15 uit een vergoeding voor materiële schade, te weten de kosten wegens verbruikt eigen risico voor 2026 (€ 385,00), de kosten voor het collegegeld (€ 1.107,75), de kosten voor de opgelopen studievertraging (€ 27.525,00) en de factuur van de huisarts voor het opstellen van een medische verklaring (€ 101,40). Daarnaast vordert [benadeelde partij 3] betaling van een bedrag van € 25.000,00 ter vergoeding voor immateriële schade (€ 20.000,00 + 25% verhoging), bestaande uit de psychische schade die hij heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde feit. [benadeelde partij 3] vordert ook betaling van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Verder vordert [benadeelde partij 3] betaling van een bedrag van € 50.000,00 voor toekomstige materiële schade en een bedrag van € 50.000,00 voor toekomstige immateriële schade. [benadeelde partij 3] verzoekt om deze posten niet-ontvankelijk te verklaren, zodat deze tijdens een eventueel hoger beroep nader kunnen worden toegelicht. Tot slot verzoekt [benadeelde partij 3] om op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aan verdachte een contactverbod met hem en een locatieverbod op te leggen.
9.3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding volledig kan worden toegewezen. Het gevorderde bedrag aan materiële schadevergoeding kan ook worden toegewezen, met uitzondering van de schadepost die ziet op de opgelopen studievertraging. Het gevorderde bedrag is toewijsbaar berekend tot en met heden, omdat het bedrag is gebaseerd op een jaar aan studievertraging en er nog geen jaar is verstreken sinds de ten laste gelegde feiten. Aangezien een deel van het gevorderde bedrag, dus toekomstige schade betreft, dient [benadeelde partij 3] voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van materiele schade. Het totaal toe te wijzen schadebedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. [benadeelde partij 3] moet niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van toekomstige materiële en immateriële schade.
9.3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verweer gevoerd ten aanzien van het causale verband tussen het schietincident en de opgelopen psychose. Om die reden heeft de raadsman verzocht om de gevorderde kosten wegens verbruikt eigen risico voor 2026 af te wijzen, dan wel [benadeelde partij 3] op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, omdat er dus ook geen causaal verband bestaat tussen de gemaakte zorgkosten en het ten laste gelegde feit. De zorgkosten hebben immers betrekking op de psychose. Ten aanzien van het collegegeld heeft hij verzocht om de schadepost die betrekking heeft op de opgelopen studievertraging af te wijzen, dan wel [benadeelde partij 3] op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren, omdat er geen causaal verband kan worden vastgesteld tussen de studievertraging en het ten laste gelegde. Ten aanzien van de door [benadeelde partij 3] gevorderde immateriële schade heeft de raadsman verzocht om het gevorderde bedrag te matigen naar de ondergrens van deze bandbreedte van de Rotterdamse schaal, te weten € 16.000,00. Ten aanzien van de – conform de aanbevelingen – gevorderde verhoging van 25% heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat er geen verhoging plaats dient te vinden, vanwege het ontbreken van opzet op het toebrengen van letsel en/of leed aan [benadeelde partij 3] . Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat een dergelijke verhoging niet redelijk is in deze zaak, omdat er ten op zichtte van [benadeelde partij 3] geen sprake is van uiterst verwijtbare gedragingen. Tot slot heeft de raadsman verzocht om [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tot vergoeding van toekomstige materiële en immateriële schade.
9.3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade in zijn geheel toe. Ten aanzien van de gevorderde kosten wegens verbruikt eigen risico overweegt de rechtbank als volgt. Uit de verklaringen van de huisarts en de psychiater blijkt dat [benadeelde partij 3] als gevolg van het schietincident ernstig psychisch ontregeld is geraakt wat uiteindelijk bij hem, mogelijk door de behandeling voor PTSS, heeft geleid tot een psychose. De rechtbank acht het gelet hierop aannemelijk dat de psychose een rechtstreeks gevolg is geweest van de bewezenverklaarde bedreiging. De medische behandelingen en afspraken die hij vanwege het psychisch letsel heeft moeten volgen, en waarvoor hij aanspraak heeft moeten maken op zijn verplichte eigen risico, staan dan ook in rechtstreeks verband tot de bedreiging. Deze kosten komen dan ook voor vergoeding in aanmerking. Gelet op aard en ernst van het feit en de onderbouwing van het psychische letsel wijst de rechtbank ook de gevorderde kosten voor de opgelopen studievertraging en het collegegeld volledig toe. Anders dan de officier van justitie gaat de rechtbank wel uit van een jaar aan studievertraging, gelet op het negatief bindend studieadvies. De raadsman heeft de gevorderde kosten voor de door de huisarts opgestelde medische verklaring niet betwist. Ook dit bedrag staat in verband met het feit en is toewijsbaar.
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat [benadeelde partij 3] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106 BW heeft een partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade, als deze partij ten gevolge van een strafbaar feit in zijn persoon is aangetast. Uit de door [benadeelde partij 3] ingediende vordering tot schadevergoeding en de onderbouwing daarvan blijkt dat, zoals hierboven al is overwogen, hij sinds het schietincident met ernstige psychische klachten kampt. Daarmee is sprake van de in artikel 6:106 BW bedoelde aantasting in persoon op andere wijze.
Voor wat betreft de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij hoofdstuk 14.2 subcategorie b van de Rotterdamse Schaal. Daarin zijn vergoedingen met een bandbreedte van € 16.000,00 tot € 41.000,00 genoemd, ingeval van PTSS (ernstig). De rechtbank is van oordeel dat een bedrag onderaan de bandbreedte, ter hoogte van € 16.000,00 billijk is. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat een verhoging met 25% van dit bedrag billijk is. Er is, gelet op het bewezenverklaarde feit en de omstandigheid waaronder dat is geschied (het richten van het pistool op [benadeelde partij 3] nadat [benadeelde partij 1] in zijn schouder was geschoten), sprake van ernstige verwijtbaarheid aan kant van verdachte. Om die reden wordt het toegewezen bedrag, gelet op aanbeveling 3 bij de Rotterdamse schaal voor de begroting van Smartengeld, verhoogd met 25%. De rechtbank begroot de immateriële schadevergoeding vergoeding naar billijkheid op een bedrag van € 20.000,00. De benadeelde partij zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade.
Toekomstige schade
De rechtbank verklaart [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot toekomstige materiële en immateriële schade, omdat deze schade nog niet kan worden begroot.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de wettelijke rente over de vergoeding van de immateriële schade toe vanaf 13 oktober 2025, het moment van het ontstaan van de schade. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade die betrekking heeft op het eigen risico voor 2026, de kosten voor het collegegeld, de kosten voor de opgelopen studievertraging en de factuur voor de huisarts voor het opstellen van een medische verklaring is niet gesteld per wanneer die is geleden. Daarom wijst de rechtbank over die schadeposten de wettelijke rente toe vanaf 24 juli 2026, het moment van het indienen van de vordering.
9.4
De schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] wordt, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd, zodat de benadeelden de opgelopen schade niet zelf hoeven te innen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast. Bij het bepalen van de duur van de gijzeling heeft de rechtbank acht geslapen op het bepaalde in artikel 36f lid 5 en artikel 60 sub c Sr. De totale duur van de gijzeling betreft volgens deze bepalingen maximaal een jaar. Aangezien het totale aantal dagen gijzeling zonder toepassing van dit maximum boven 365 dagen uitstijgt, zal de rechtbank het maximale aantal dagen gijzeling evenredig verdelen bij de vorderingen van de benadeelde partijen.
9.5
Ten aanzien van de verzochte contact- en locatieverboden
Zoals door de benadeelde partijen gevraagd, heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte, op grond van artikel 38v Sr, voor de duur van vijf jaar zowel een contactverbod wordt opgelegd met hen, als een locatieverbod ten aanzien van hun woonadressen. De raadsman heeft ter terechtzitting aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de verzochte contact- en locatieverboden.
De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, noodzakelijk is dat de door [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] gewenste contactverboden worden opgelegd op grond van artikel 38v lid 1 Sv. Deze maatregel, strekkende tot beperking van de vrijheid, is noodzakelijk om te voorkomen dat verdachte in de toekomst weer strafbare feiten tegen de benadeelde partijen zal plegen en om hen te beschermen. De rechtbank beveelt de oplegging van deze vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van vijf jaar en bepaalt de vervangende hechtenis voor de duur van zeven dagen voor iedere keer dat verdachte zich niet aan de maatregel houdt, met een maximum van zes maanden. Anders dan door de officier van justitie is gevorderd en door de benadeelde partijen is verzocht acht de rechtbank het, gelet op de duur van de opgelegde gevangenisstraf, niet opportuun om aan verdachte locatieverboden op te leggen. De rechtbank overweegt dat deze ook als bijzondere voorwaarde in het kader van de eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling aan verdachte kunnen worden opgelegd.
10Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 60, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
11Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 1 primair en onder feiten 2 en 3 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair, impliciet subsidiair, en onder feiten 2 en 3 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1 primair, impliciet subsidiair:
poging tot doodslag
ten aanzien van feiten 2 en 3, meer subsidiair:
telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Legt aan verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid op, inhoudende een contactverbod, en bepaalt dat verdachte voor de duur van 5 (vijf) jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
- [benadeelde partij 1], geboren op [geboortedatum] ;
- [benadeelde partij 2], geboren op [geboortedatum] ;
- [benadeelde partij 3], geboren op [geboortedatum] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 (één) week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van (zes) maanden. De politie heeft een signalerende taak bij het overtreden van dit contactverbod.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De rechtbank veroordeelt verdachte om aan [benadeelde partij 1] een bedrag van € 41.643,90 (eenenveertigduizend zeshonderddrieënveertig euro en negentig eurocent) te betalen. Voormeld bedrag bestaat uit € 13.518,90 (dertienduizend vijfhonderdachttien euro en negentig eurocent) aan vergoeding voor materiële schade en € 28.125,00 (achtentwintigduizend honderdvijfentwintig euro) aan vergoeding voor immateriële schade. Ten aanzien van de materiële schade, bestaande uit de kosten voor de beschadigde jas (€ 1.258,90), de trui (€ 32,50) en de broek (€ 27,50), en de immateriële schade (€ 28.125,00) wordt verdachte veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente hierover vanaf 13 oktober 2025, tot de algehele voldoening. Ten aanzien van de materiële schade, bestaande uit het eigen risico voor 2026 (€ 385,00), de ziekenhuisdaggeldvergoeding (€ 190,00), de kosten voor de opgelopen studievertraging (€ 11.325,00) en de taxikosten (€ 300,00), wordt verdachte veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente hierover vanaf 23 juli 2026, tot de voldoening.
Wijst de vordering ten aanzien van de gevorderde proceskosten af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn tot vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de staat € 41.643,90 (eenenveertigduizend zeshonderddrieënveertig euro en negentig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Ten aanzien van de materiële schade, bestaande uit de kosten voor de beschadigde jas (€ 1.258,90), de trui (€ 32,50) en de broek (€ 27,50), en de immateriële schade (€ 28.125,00) is de rente verschuldigd vanaf 13 oktober 2025. Ten aanzien van de materiële schade, bestaande uit het eigen risico voor 2026 (€ 385,00), de ziekenhuisdaggeldvergoeding (€ 190,00), de kosten voor de opgelopen studievertraging (€ 11.325,00) en de taxikosten (€ 300,00), is de wettelijke rente verschuldigd vanaf 23 juli 2026. Bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 111 dagen gijzeling. De toepassing van deze gijzeling heft de voornoemde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De rechtbank veroordeelt verdachte om aan [benadeelde partij 2] € 46.199,39 (zesenveertigduizend honderdnegenennegentig euro en negenendertig eurocent) te betalen. Voormeld bedrag bestaat uit € 30.199,39 (dertigduizend honderdnegenennegentig euro en negenendertig eurocent) aan vergoeding voor materiële schade en € 16.000,00 (zestienduizend euro) aan vergoeding voor immateriële schade. Ten aanzien van de immateriële schade (€ 16.000,00) veroordeelt de rechtbank verdachte tot betaling van de wettelijke rente hierover vanaf 13 oktober 2025. Ten aanzien van de materiële schade, bestaande uit het eigen risico voor 2026 (€ 521,73), de gemaakte reiskosten (€ 300,00), de kosten voor het collegegeld en de studieboeken (€ 1.770,71), de kosten voor de opgelopen studievertraging (€ 27.525,00) en de kosten voor de gemiste autotheorie cursus (€ 81,95), veroordeelt de rechtbank verdachte tot betaling van de wettelijke rente hierover vanaf 22 juli 2026, tot de voldoening.
Wijst de vordering ten aanzien van de gevorderde immateriële schade wegens schending van de eer en goede naam en de gevorderde materiële schade, bestaande uit aanmaningskosten, af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn tot vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de staat € 46.199,39 (zesenveertigduizend honderdnegenennegentig euro en negenendertig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Ten aanzien van de immateriële schade (€ 16.000,00) is de rente verschuldigd vanaf 13 oktober 2025. Ten aanzien van de materiële schade, bestaande uit het eigen risico voor 2026 (€ 521,73), de gemaakte reiskosten (€ 300,00), de kosten voor het collegegeld en de studieboeken (€ 1.770,71), de kosten voor de opgelopen studievertraging (€ 27.525,00) en de kosten voor de gemiste autotheorie cursus (€ 81,95), is de wettelijke rente verschuldigd vanaf 22 juli 2026. Bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 123 dagen gijzeling. De toepassing van deze gijzeling heft de voornoemde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De rechtbank veroordeelt verdachte om aan [benadeelde partij 3] een bedrag van € 49.119,15 (negenenveertigduizend honderdnegentien euro en vijftien eurocent), te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit € 29.119,15 (negenentwintigduizend honderdnegentien euro en vijftien eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade. Ten aanzien van de immateriële schade (€ 20.000,00) veroordeelt de rechtbank verdachte tot betaling van de wettelijke rente hierover vanaf 13 oktober 2025, tot de voldoening. Ten aanzien van de materiële schade, bestaande uit het eigen risico voor 2026 (€ 385,00), de kosten voor het collegegeld (€ 1.107,75), de kosten voor de opgelopen studievertraging (€ 27.525,00) en de factuur van de huisarts voor het opstellen van een medische verklaring (€ 101,40), veroordeelt de rechtbank verdachte tot betaling van de wettelijke rente hierover vanaf 24 juli 2026.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn tot vordering tot immateriële schadevergoeding.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de staat € 49.119,15 (negenenveertigduizend honderdnegentien euro en vijftien eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Ten aanzien van de immateriële schade (€ 20.000,00) is de rente verschuldigd vanaf 13 oktober 2025. Ten aanzien van de materiële schade, bestaande uit het eigen risico voor 2026 (€ 385,00), de kosten voor het collegegeld (€ 1.107,75), de kosten voor de opgelopen studievertraging (€ 27.525,00) en de factuur van de huisarts voor het opstellen van een medische verklaring (€ 101,40), is de wettelijke rente verschuldigd vanaf 24 juli 2026. Bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 131 dagen gijzeling. De toepassing van deze gijzeling heft de voornoemde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslag
Verklaart onttrokken aan het verkeer de voorwerpen met nummers 1 tot en met 6, 8, 9 en 12, zoals vermeld op de beslaglijst, opgenomen als bijlage III bij dit vonnis.
Gelast de teruggave aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1], van het voorwerp met nummer 7, zoals vermeld op de beslaglijst, opgenomen als bijlage III bij dit vonnis.
Gelast de teruggave aan verdachte, [verdachte], van de voorwerpen met nummers 10 en 11, zoals vermeld op de beslaglijst, opgenomen als bijlage III bij dit vonnis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Nieuwenhuijs, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Pont, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 augustus 2026.
vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.7.3.
HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600.
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/272093-25
Datum uitspraak: 11 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [verdachte] 2006 in [verdachte] ,
nu gedetineerd te: [verblijfsplaats] ,
alwaar hij ook staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen,
met als opgegeven postadres:
[adres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M.E. Hirdes, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. C.W. Flokstra, naar voren hebben gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] ), [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2] ) en [benadeelde partij 3] (hierna: [benadeelde partij 3] ). Daarbij heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door [benadeelde partij 1] , bijgestaan door mr. T. Çatbaş, en van wat door [benadeelde partij 2] en namens [benadeelde partij 3] , bijgestaan door mr. H. Sazoglu, naar voren is gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd en na een eerdere wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 3 juli 2026 – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
Feit 1:
poging tot moord (primair) dan wel poging tot doodslag (impliciet subsidiair) op [benadeelde partij 1] op 13 oktober 2025 in Amsterdam. Subsidiair is dit ten laste gelegd als zware mishandeling met voorbedachten rade en meer subsidiair als poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade;
Feit 2:
poging tot doodslag op [benadeelde partij 2] op 13 oktober 2025 in Amsterdam. Subsidiair is dit ten laste gelegd als poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;
Feit 3:
poging tot doodslag op [benadeelde partij 3] op 13 oktober 2025 in Amsterdam. Subsidiair is dit ten laste gelegd als poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Waardering van het bewijs
3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de ten laste gelegde poging tot moord op [benadeelde partij 1] (feit 1, primair) niet is bewezen, omdat het dossier geen bewijs bevat voor voorbedachte raad. Wel heeft de officier van justitie gerekwireerd tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag op [benadeelde partij 1] (feit 1, primair, impliciet subsidiair). Door – onder meer vanuit een rijdende auto – op of in de richting van [benadeelde partij 1] te schieten heeft verdachte de aanmerkelijke kans op zijn dood bewust aanvaard.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de ten laste gelegde poging tot doodslag op [benadeelde partij 2] (feit 2, primair) en de ten laste gelegde poging tot doodslag op [benadeelde partij 3] (feit 3, primair) ook zijn bewezen. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat het meermaals schieten als onervaren schutter, in paniek, en in de directe nabijheid van anderen de reële kans in het leven roept dat [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] zouden te komen overlijden. Gelet op de omstandigheden waaronder verdachte heeft geschoten kan het niet anders dan dat hij die kans ook heeft aanvaard.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde poging tot moord op [benadeelde partij 1] (feit 1, primair), omdat de voorbedachte raad niet kan worden bewezen. Voorts heeft de raadsman vrijspraak verzocht van de onder feit 1 primair – impliciet subsidiair – ten laste gelegde poging tot doodslag op [benadeelde partij 1] , omdat niet kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans was op de dood en verdachte deze kans niet heeft aanvaard. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de ten laste gelegde zware mishandeling (feit 1, subsidiair). Niet betwist wordt dat [benadeelde partij 1] als gevolg van het schietincident zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Zowel ten aanzien van feit 2 als feit 3 heeft de raadsman verzocht om verdachte vrij te spreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, omdat niet bewezen kan worden dat er een aanmerkelijke kans bestond op de dood of zwaar lichamelijk letsel voor [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] . Verdachte moet volgens de raadsman ook worden vrijgesproken van de onder feit 2 meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging van [benadeelde partij 2] . De raadsman heeft zich ten slotte gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de ten laste gelegde bedreiging van [benadeelde partij 3] (feit 3, meer subsidiair).
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 primair, impliciet subsidiair, ten laste gelegde poging tot doodslag op [benadeelde partij 1] en de onder feit 2 en feit 3, meer subsidiair, ten laste gelegde bedreiging van respectievelijk [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] met enig misdrijf tegen het leven gericht. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
3.3.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen in bijlage II en de overige stukken in het procesdossier vast dat de aanleiding van het ten laste gelegde is gelegen in een financieel conflict dat is ontstaan nadat verdachte met [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] op vakantie was geweest naar Marokko. Verdachte was nog een geldbedrag verschuldigd aan [benadeelde partij 1] , maar weigerde te betalen, omdat hij het niet eens was met de gemaakte berekeningen. Uiteindelijk is de broer van verdachte erbij betrokken om te bemiddelen in het voortdurende conflict.
Op 13 oktober 2025 had de broer van verdachte wederom een afspraak gemaakt met [benadeelde partij 1] om in gesprek te gaan over het conflict. Verdachte heeft die dag – nog voordat die afspraak met de broer had plaatsgevonden – op eigen initiatief met [benadeelde partij 1] afgesproken op de Oderweg in Amsterdam. Op een parkeerplaats op de Oderweg zijn verdachte en [benadeelde partij 1] – die vergezeld werd door [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] – met elkaar in gesprek gegaan. [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] hebben zich op enig moment bij het gesprek gevoegd. Vervolgens escaleerde de situatie. Verdachte pakte een vuurwapen uit zijn broeksband en schoot van korte afstand op de schouder van [benadeelde partij 1] , waarbij hij een schotverwonding aan zijn rechterschouder heeft opgelopen (‘schietmoment 1’). Vervolgens zijn [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] weggerend in de richting van de Basisweg. Op dat moment schoot verdachte nogmaals, naar eigen zeggen op de benen van [benadeelde partij 1] , die daarbij – zo blijkt uit de door een chirurg-traumatoloog opgestelde rapportage – een schotwond heeft opgelopen met een in- en uitschot in zijn linkerzij (‘schietmoment 2’). Daarna richtte verdachte het wapen op [benadeelde partij 3] , maar schoot niet. Verdachte stapte in zijn auto, is achter de rennende [benadeelde partij 1] aangereden en heeft al rijdend vanuit de auto wederom geschoten in de richting waar [benadeelde partij 1] rende, die zich vervolgens op de Basisweg achter een plantenbak heeft verscholen. Verdachte heeft geschoten tot zijn magazijn leeg was (‘schietmoment 3’) en is hierna weggereden.
3.3.2.
Ten aanzien van [benadeelde partij 1] (feit 1)
Inleidende opmerking
Over de precieze positie die verdachte, [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] op de parkeerplaats op de Oderweg op het moment van schieten hadden ingenomen en wat de afstand tot elkaar was, is wisselend verklaard. [benadeelde partij 1] heeft bij de politie verklaard dat ze in een soort cirkel stonden en dat hij dicht bij verdachte stond, terwijl [benadeelde partij 2] tijdens het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij, [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] op een rijtje tegenover verdachte stonden. Verdachte heeft ter terechtzitting weer anders verklaard en gezegd dat hij werd omsingeld. De rechtbank kan tegen deze achtergrond niet vaststellen waar verdachte, [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] precies stonden ten opzichte van elkaar op het moment dat [benadeelde partij 1] op de parkeerplaats door verdachte in zijn schouder werd geschoten. Wel staat vast dat zij dicht bij elkaar stonden.
Vrijspraak poging tot moord (primair)
Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet vast komen te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
In dit geval is verdachte met een vuurwapen in zijn broeksband naar zijn afspraak met [benadeelde partij 1] gegaan. Dit is op zichzelf onvoldoende om vast te kunnen stellen dat verdachte het plan heeft beraamd om [benadeelde partij 1] van het leven te beroven. De rechtbank ziet daarbij een contra-indicatie voor voorbedachte raad in de omstandigheid dat verdachte eerst met [benadeelde partij 1] – en later ook met [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] – in gesprek is gegaan, hetgeen blijkens de beschikbare camerabeelden iets minder dan dertig minuten moet hebben geduurd.
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank dan ook van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om vast te kunnen stellen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de onder feit 1 primair tenlastegelegde poging tot moord.
Bewezenverklaring poging tot doodslag (primair – impliciet subsidiair)
Voor een bewezenverklaring van poging tot doodslag is, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet op de dood van het slachtoffer vereist.
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte [benadeelde partij 1] willens en wetens wilde doden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij door [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] werd omsingeld en dat hij in paniek raakte, waarna hij het wapen heeft gepakt en [benadeelde partij 1] in zijn schouder heeft geschoten. Ook heeft hij verklaard dat hij [benadeelde partij 1] wilde ‘afdreigen’.
De rechtbank is van oordeel dat wel vastgesteld kan worden dat sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van [benadeelde partij 1] , nu verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde partij 1] door zijn handelen zou komen te overlijden.
Hoewel – zoals hiervoor overwogen - niet precies kan worden vastgesteld waar verdachte en [benadeelde partij 1] ten tijde van het gesprek op de parkeerplaats precies hebben gestaan, staat vast dat zij erg dicht bij elkaar stonden. Verdachte heeft, als ongeoefend schutter, op deze korte afstand in de schouder van [benadeelde partij 1] geschoten, terwijl van algemene bekendheid is dat zich in het bovenlichaam, nabij de schouder, diverse vitale organen en slagaders bevinden. Vervolgens heeft verdachte op de wegrennende [benadeelde partij 1] geschoten, waarbij hij heeft verklaard op de benen te hebben gericht, maar waarbij hij hem in zijn linkerzij, aan de zijkant van zijn buik, heeft geraakt, ook in de buurt van een deel van het lichaam waar zich vitale organen bevinden. Tot slot heeft hij ook vanuit de auto, al rijdend, nog meerdere kogels afgevuurd in de richting van waar [benadeelde partij 1] rende en de plantenbak waarachter [benadeelde partij 1] zich schuil hield.
Verdachte heeft met dit alles de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat een of meer van de kogels [benadeelde partij 1] zou(den) raken op een wijze dat vitale lichaamsdelen zouden worden getroffen en [benadeelde partij 1] als gevolg daarvan zou komen te overlijden. Verdachtes gedragingen in zijn geheel kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van [benadeelde partij 1] dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op zijn dood bewust heeft aanvaard. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag.
3.3.3.
Ten aanzien van [benadeelde partij 2] (feit 2)
Vrijspraak poging tot doodslag (primair) en poging tot zware mishandeling (subsidiair)
De rechtbank kan ten aanzien van het eerste schietmoment op de parkeerplaats op de Oderweg niet vaststellen waar verdachte, [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] precies ten opzichte van elkaar hebben gestaan. Omdat enkel kan worden vastgesteld dat ze dicht bij elkaar in de buurt stonden (zie hiervoor), kan evenmin worden vastgesteld of [benadeelde partij 2] op een dusdanig korte afstand van [benadeelde partij 1] stond dat daarmee de aanmerkelijke kans bestond dat hij dodelijk geraakt had kunnen worden of zwaar lichamelijk letsel had op kunnen lopen op het moment dat [benadeelde partij 1] door verdachte in zijn schouder werd geschoten.
Dit laatste geldt eveneens ten aanzien van het tweede en derde schietmoment. [benadeelde partij 2] heeft zowel in zijn aangifte, als tijdens zijn verhoor bij de politie en het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris verklaard dat hij vervolgens samen met [benadeelde partij 1] is weggerend, terwijl hij hoorde dat er wederom werd geschoten. Ook heeft hij verklaard dat hij zag dat de auto van verdachte achter hen aankwam gereden en hoorde dat er opnieuw werd geschoten. Voorbijgangers die op het fietspad op de Basisweg liepen hebben verklaard dat zij zagen dat er vanuit een auto werd geschoten en dat ze zagen dat er twee jongens wegrenden. De rechtbank kan op basis van het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van het procesdossier echter niet vaststellen dat [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] zich op dat moment nog dicht bij elkaar bevonden. Welke looproute zij ieder precies hebben afgelegd richting de Basisweg is onduidelijk. Ook bevat het dossier geen bewijs dat [benadeelde partij 2] in de buurt van [benadeelde partij 1] was op het moment dat hij op de Basisweg (ter hoogte van club Lofi) werd beschoten. Dit blijkt niet uit de verklaring die de voorbijgangers hebben afgelegd en ook niet uit de beschikbare camerabeelden. Op de camerabeelden is enkel te zien dat [benadeelde partij 1] door verdachte vanuit een rijdende auto wordt beschoten. [benadeelde partij 2] is op die camerabeelden niet zichtbaar.
De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte op of in de richting van [benadeelde partij 2] heeft geschoten. Evemin kan worden vastgesteld dat [benadeelde partij 2] zich in de buurt van [benadeelde partij 1] bevond op het moment dat hij werd beschoten. Dat verdachte ook zodanig heeft gehandeld dat daardoor de aanmerkelijke kans in het leven werd geroepen dat [benadeelde partij 2] zou komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen, is niet bewezen. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.
Bewezenverklaring bedreiging (meer subsidiair)
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte, door te handelen zoals hij heeft gedaan, [benadeelde partij 2] wel met de dood of met zware mishandeling heeft bedreigd.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor veroordeling ter zake van bedreiging vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd.
De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte geen opzet heeft gehad op de bedreiging van [benadeelde partij 2] en dat verdachte zijn handelen enkel op [benadeelde partij 1] was gericht. De rechtbank verwerpt dat verweer en overweegt daartoe als volgt.
Nadat een gesprek over een lopend financieel conflict, waarbij [benadeelde partij 2] zich had gevoegd, was geëscaleerd en verdachte [benadeelde partij 1] in zijn schouder had geschoten, is niet alleen [benadeelde partij 1] , maar ook [benadeelde partij 2] weggerend, terwijl zij – zo blijkt uit de door hun afgelegde verklaringen – beiden in doodsangst verkeerden. Terwijl [benadeelde partij 2] wegrende, hoorde hij dat er constant werd geschoten. De rechtbank is van oordeel dat hij op dit moment ook objectief gezien de redelijke vrees moet hebben gehad dat hij zou komen te overlijden. Dat de focus enkel op [benadeelde partij 1] was gericht behoefde voor hem terwijl hij wegrende en het schieten nog bezig was niet duidelijk te zijn. Verdachte moet tegen die achtergrond geacht worden met zijn handelen ook voorwaardelijk opzet te hebben gehad op de bedreiging van [benadeelde partij 2] . De rechtbank acht de ten laste gelegde bedreiging van [benadeelde partij 2] , met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan ook bewezen.
3.3.4.
Ten aanzien van [benadeelde partij 3] (feit 3)
Vrijspraak poging tot doodslag (primair) en poging tot zware mishandeling (subsidiair)
Hetgeen hiervoor is opgemerkt over het eerste schietmoment en de onduidelijkheid over waar wie precies waar stond, geldt ook ten aanzien van [benadeelde partij 3] . Gelet op deze onduidelijkheid kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat ook [benadeelde partij 3] zou worden geraakt en daardoor zou komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel op zou kunnen lopen. De rechtbank acht daarom de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Bewezenverklaring bedreiging (meer subsidiair)
De rechtbank is van oordeel dat wel kan worden bewezen dat verdachte [benadeelde partij 3] op de Oderweg met de dood heeft bedreigd door een vuurwapen op hem te richten.
Kort nadat verdachte [benadeelde partij 1] in zijn schouder heeft geschoten en [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] weg waren gerend, heeft verdachte op de parkeerplaats zijn wapen op [benadeelde partij 3] gericht. De rechtbank is van oordeel dat de bedreiging daarmee van dien aard is geweest en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij [benadeelde partij 3] de redelijk vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Die vrees, hoewel niet noodzakelijk voor een bewezenverklaring, is gelet op zijn verklaring ook daadwerkelijk ontstaan. [benadeelde partij 3] heeft namelijk verklaard dat hij dacht “dat het klaar was”, toen verdachte het wapen op hem richtte. Ook heeft hij verklaard dat hij recht in de loop keek en erg bang was. Hij dacht dat verdachte de trekker over zou halen.
De rechtbank acht de ten laste gelegde bedreiging van [benadeelde partij 3] , met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan ook bewezen.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Feit 1, primair, impliciet subsidiair:
op 13 oktober 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij 1] van het leven te beroven,
- met een vuurwapen, meermalen op korte afstand op het lichaam van die [benadeelde partij 1] heeft geschoten en
- met de auto achter die [benadeelde partij 1] is aangereden en – al rijdend – met een vuurwapen meermalen in de richting van het lichaam van die [benadeelde partij 1] heeft geschoten en
die [benadeelde partij 1] daarbij in zijn arm en buik heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2, meer subsidiair:
op 13 oktober 2025 te Amsterdam [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door op korte afstand met een vuurwapen op de persoon naast hem, te weten [benadeelde partij 1] , te schieten en al rijdend vanuit die auto in de richting van die [benadeelde partij 1] te schieten;
Feit 3, meer subsidiair:
op 13 oktober 2025 te Amsterdam [benadeelde partij 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een vuurwapen op de persoon naast hem, [benadeelde partij 1] , te schieten en op korte afstand een vuurwapen op hem, [benadeelde partij 3] , te richten.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
5De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook voor alle bewezenverklaarde feiten strafbaar.
7Motivering van de straf
7.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Gelet op de ernst van de feiten en de gevolgen die [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] daarvan tot de dag van vandaag ondervinden, is enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. In strafverminderende zin heeft de officier van justitie meegewogen dat verdachte jong is, dat hij kan worden aangemerkt als een first offender en dat hij – gelet op het advies van de GZ-psycholoog, zoals neergelegd in de pro Justitia rapportage – licht verminderd toerekenbaar moet worden beschouwd.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om een lagere gevangenisstraf aan verdachte op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een straf op te leggen, waarvan een gedeelte voorwaardelijk is met daaraan verbonden een reclasseringstoezicht en de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd in het adviesrapport van 17 april 2026. Ter terechtzitting heeft de raadsman verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de jeugdige leeftijd van verdachte, de trauma-gerelateerde problematiek die bij hem is vastgesteld, alsmede de omstandigheden dat verdachte spijt heeft betuigd en dat door de deskundige wordt geadviseerd om het ten laste gelegde in licht verminderde mate aan hem toe te rekenen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [benadeelde partij 1] , naar aanleiding van een ruzie over geld na een gezamenlijke vakantie. Het schietincident heeft grote gevolgen gehad. [benadeelde partij 1] heeft een breuk in zijn rechterbovenarm opgelopen, ter hoogte van zijn schouder, waaraan hij geopereerd moest worden. Er bevindt zich nog altijd een kogel(rest) in zijn rechteroksel. Daarnaast is hij, terwijl hij wegrende, in zijn zij geraakt en vervolgens is er door verdachte nog uit een rijdende auto in de richting geschoten waar hij voor verdachte wegrende. Uit de door [benadeelde partij 1] ingediende vordering tot schadevergoeding en het namens hem ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht blijkt dat het schietincident tot de dag van vandaag een grote invloed heeft op zijn leven. Naast de blijvende littekens waartoe het incident heeft geleid, ervaart [benadeelde partij 1] nog altijd pijnklachten aan zijn arm en schouder. Er is sprake van een beperkte mobiliteit van zijn rechterschouder, dat van invloed is op zijn dagelijks functioneren. Uit een verklaring van zijn fysiotherapeut is gebleken dat volledig herstel niet meer te verwachten valt. Ook kampt [benadeelde partij 1] met ernstige psychische klachten. Hij heeft last van herbelevingen, slaapproblemen, concentratieproblemen, nachtmerries en ervaart voortdurend angst. Als gevolg van het schietincident is bij [benadeelde partij 1] de diagnose posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS) vastgesteld, hetgeen bij hem heeft geleid tot middelengebruik. De psychische en fysieke klachten hebben er ook toe geleid dat [benadeelde partij 1] een studievertraging van zes maanden heeft opgelopen.
Niet alleen [benadeelde partij 1] heeft de gevolgen van het schietincident ondervonden. Ook voor [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] heeft een en ander grote gevolgen gehad. Door een vuurwapen op [benadeelde partij 3] te richten en nogmaals op een rennende [benadeelde partij 1] te schieten op het moment dat [benadeelde partij 2] ook wegrende, heeft verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan bedreiging van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2] met de dood. Uit de door hen afgelegde verklaringen ter zitting blijkt dat zij erg bang geweest zijn dat verdachte ook op hen zou schieten en dat ze het niet zouden overleven. Dat moet, net als voor [benadeelde partij 1] , angstaanjagend zijn geweest. Uit de door hen ingediende vorderingen tot schadevergoeding en het namens hen uitgeoefende spreekrecht blijkt dat zowel [benadeelde partij 3] als [benadeelde partij 2] sindsdien met ernstige psychische klachten kampen. Bij hen beiden is PTSS vastgesteld. [benadeelde partij 2] heeft sinds het schietincident last van nachtmerries, ernstige slaapproblemen, paniekaanvallen en vermijdingsgedrag. Daarnaast heeft hij zijn opleiding noodgedwongen voortijdig moeten beëindigen. De mentale gesteldheid van [benadeelde partij 3] is dusdanig verslechterd dat hij in een psychose is geraakt en drie maanden gedwongen opgenomen is geweest in een psychiatrische instelling. Tot op heden kampt hij met de psychische gevolgen van het schietincident. Er is sprake van persisterende angst en achterdocht en daarnaast heeft hij last van de stem van verdachte in zijn hoofd. Als gevolg van de psychische klachten heeft ook hij zijn opleiding voortijdig moeten beëindigen.
De kiem van de escalatie lag uitsluitend in een financieel conflict en het is verdachte geweest die op die bewuste avond een wapen mee heeft genomen en het uiteindelijk ook heeft gebruikt. Dat de gevolgen niet nog ernstiger zijn en er niemand is overleden, is niet aan het handelen van verdachte te danken. Feiten als deze hebben bovendien niet alleen impact op het slachtoffer, maar veroorzaken ook gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving als geheel, in het bijzonder bij hen die getuige waren van het voorval. Het incident speelde zich af op de openbare weg, waardoor personen die daar op dat moment aanwezig waren ongewild zijn geconfronteerd met het gewelddadige handelen van verdachte.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 7 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor wegenverkeerswetfeiten, maar een first offender ten aanzien van geweldsdelicten.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de pro Justitia rapportage van 6 februari 2026, opgesteld door GZ-psycholoog S.A. Moonen. De deskundige heeft, kort gezegd, gerapporteerd dat bij verdachte weliswaar geen psychische stoornis of een verstandelijke handicap is vastgesteld, maar dat wel sprake is van trauma-gerelateerde problematiek die van invloed is op zijn functioneren. Hiervan was ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake. Vermoedelijk heeft de situatie waarin het ten laste gelegde zich afspeelde bij verdachte geleid tot activatie van (onbehandeld) trauma, gepaard gaand met door hem ervaren onmacht van waaruit verdachte vervolgens heeft gehandeld. Aangezien er sprake lijkt zijn van enige doorwerking van de bij verdachte bestaande problematiek, wordt geadviseerd om de ten laste gelegde feiten in licht verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank neemt de conclusies uit de pro Justitia rapportage over en zal de bewezenverklaarde feiten in licht verminderde mate aan verdachte toerekenen.
De rechtbank heeft tot slot kennisgenomen van het adviesrapport van de reclassering van 17 april 2026. Daarin constateert de reclassering dat het psychosociaal functioneren, de financiële situatie en het sociaal netwerk van verdachte gerelateerd zijn aan het delict. Daarnaast constateert de reclassering dat sprake lijkt te zijn van instabiliteit op meerdere leefgebieden. Zo ontbreekt het verdachte aan een structurele dagbesteding en kampt hij met schulden. Zowel het recidiverisico als het risico op letsel worden ingeschat als gemiddeld. De reclassering adviseert om het volwassenenstrafrecht toe te passen, omdat zijn pedagogische ontvankelijkheid beperkt lijkt te zijn en het niet noodzakelijk wordt geacht om interventies in te zetten die uitsluitend binnen een jeugdkader kunnen worden toegepast.
De straf
De rechtbank volgt het advies van de reclassering en is van oordeel dat verdachte volgens het volwassenenstrafrecht moet worden berecht.
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met alle hiervoor genoemde omstandigheden en met de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Mede omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, is er aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.
Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Gelet op de hoogte van de gevangenisstraf is het niet mogelijk om aan verdachte een voorwaardelijk strafdeel op te leggen.
8Beslag
Zowel op de plaats delict, als onder verdachte, in de woning van zijn moeder – waar hij aangaf te verblijven – en onder benadeelde partij [benadeelde partij 1] zijn tijdens het onderzoek naar het ten laste gelegde voorwerpen in beslag genomen zoals vermeld op de beslaglijst van 4 februari 2026, opgenomen in bijlage III die aan dit vonnis is gehecht. Over deze voorwerpen is nog geen beslissing genomen.
De officier van justitie heeft gevorderd om de in beslag genomen munitie (nrs. 1-6, 8 en 9) en het in beslag genomen stroomstoot wapen (nr. 12) te onttrekken aan het verkeer. Ten aanzien van de in beslag genomen telefoons heeft de officier van justitie gevorderd om de telefoon met nummer 7 terug te geven aan [benadeelde partij 1] en de telefoons met nummers 10 en 11 terug te geven aan verdachte. De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen munitie moet worden onttrokken aan het verkeer of verbeurd moet worden verklaard en dat de in beslag genomen telefoons kunnen worden teruggegeven aan verdachte en de benadeelde partij. De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het in beslag genomen stroomstootwapen.
De in beslag genomen munitie (nrs. 1-6, 8 en 9) en het in beslag genomen stroomstootwapen (nr. 12) dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar. De bewezenverklaarde feiten zijn met behulp van de in beslag genomen munitie begaan en, zowel voor de munitie als voor het stroomstootwapen geldt dat, het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. De rechtbank gelast de teruggave aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] van de in beslag genomen telefoon (nr. 7) en de teruggave aan verdachte van de overige in beslag genomen telefoons (nrs. 10 en 11).
9Vorderingen van de benadeelde partijen en de (schadevergoedings)maatregelen
[benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] hebben zich respectievelijk ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3 als benadeelde partijen in het geding gevoegd.
9.1
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1] (feit 1)
[benadeelde partij 1] vordert in totaal betaling van een bedrag van € 41.703,90 aan schadevergoeding. Dit bedrag bestaat voor € 13.578,90 uit vergoeding van materiële schade, te weten de kosten wegens verbruikt eigen risico voor 2026 (€ 385,00), de ziekenhuisdaggeldvergoeding (€ 190,00), de kosten voor het vervangen van de beschadigde jas (€ 1.258,90), trui (€ 55,00) en broek (€ 65,00), de kosten voor opgelopen studievertraging van zes maanden (€ 11.325,00) en gemaakte taxikosten (€ 300,00). Daarnaast heeft [benadeelde partij 1] betaling van een bedrag van € 28.125,00 gevorderd ter vergoeding van immateriële schade, bestaande uit de fysieke en psychische schade die hij heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde feit. Ook heeft [benadeelde partij 1] een bedrag van € 32,84 ter vergoeding van proceskosten gevorderd, bestaande uit de taxikosten die hij heeft moeten maken om de terechtzitting op 28 juli 2026 te kunnen bijwonen. [benadeelde partij 1] heeft tevens gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2025 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Verder heeft [benadeelde partij 1] een bedrag van € 50.000,00 gevorderd voor de nader te onderbouwen materiële en immateriële schade. [benadeelde partij 1] verzoekt deze post in eerste aanleg niet-ontvankelijk te verklaren, zodat deze tijdens een eventueel hoger beroep nader kan worden toegelicht. Tot slot heeft mr. Çatbas ter terechtzitting, namens [benadeelde partij 1] , verzocht om op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) een contactverbod met [benadeelde partij 1] , alsmede een locatieverbod aan verdachte op te leggen.
9.1.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [benadeelde partij 1] volledig kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, omdat de gestelde materiële en immateriële schade voldoende is onderbouwd. [benadeelde partij 1] moet niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van toekomstige schade.
9.1.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de door [benadeelde partij 1] gevorderde immateriële schade. Ten aanzien van de door [benadeelde partij 1] gevorderde materiële schade heeft de raadsman het volgende aangevoerd. [benadeelde partij 1] moet volgens de raadsman niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van de kosten wegens verbruikt risico over 2026, omdat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd. De gevorderde bedragen voor de beschadigde trui en broek moeten worden gematigd met vijftig procent, omdat uit de onderbouwing niet blijkt wanneer deze zijn aangekocht en er, daarnaast, geen rekening is gehouden met de afschrijving. De gevorderde taxikosten moeten – voor zover de rechtbank dat redelijk acht – worden gematigd, omdat onvoldoende is onderbouwd hoe de taxiritten in verband staan tot het ten laste gelegde. Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente heeft de raadsman verzocht om deze – voor wat betreft de materiële schadeposten – niet toe te wijzen vanaf de pleegdatum, maar vanaf het moment dat deze specifieke schade daadwerkelijk is geleden. Verder dient [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van nader te onderbouwen schade. Tot slot heeft de raadsman afwijzing van de gevorderde proceskosten gevorderd, omdat het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) noch enige andere relevante regeling een wettelijke grondslag biedt voor vergoeding van de gevorderde taxikosten.
9.1.3.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank acht de gevorderde materiële schade die betrekking heeft op de gemaakte kosten wegens verbruikt eigen risico voor 2026 voldoende onderbouwd. [benadeelde partij 1] heeft in 2026 als gevolg van het letsel door het schieten zorgkosten moeten maken, onder meer voor fysiobehandelingen waarvan hij er tot op heden reeds vijfentwintig heeft gehad. De kosten hiervoor bedragen € 42,50 per behandeling. Deze behandelingen vallen onder het eigen risico. Het gevorderde bedrag van € 385,00 is dan ook volledig toewijsbaar. De raadsman heeft de gevorderde schadebedragen die zien op de ziekenhuisdaggeldvergoeding en de kosten voor het vervangen van de beschadigde jas niet betwist. De bedragen zijn voldoende toegelicht en onderbouwd zodat de rechtbank die bedragen volledig zal toewijzen. Ten aanzien van de gevorderde bedragen voor de beschadigde trui en broek overweegt de rechtbank dat de in de toelichting op de vordering genoemde bedragen voor de trui en broek zijn omgewisseld. De rechtbank gaat uit van de bedragen zoals die in de bijlagen bij de vordering staan vermeld, namelijk € 65,00 voor de trui en € 55,00 voor de broek. Aangezien niet is onderbouwd wanneer deze kleding is gekocht, zal de rechtbank de bedragen matigen met vijftig procent en de vordering op dit punt toewijzen tot een bedrag van in totaal € 60,00 voor beide goederen. De raadsman heeft het gevorderde bedrag dat ziet op de kosten voor de opgelopen studievertraging van zes maanden niet betwist. Bij de begroting van de schade is aansluiting gezocht bij de Letselschade Richtlijn Studievertraging, die voor één jaar studievertraging op MBO-niveau een normbedrag van € 22.650,00 stelt. Voor een half jaar vertraging is dit dus een bedrag van € 11.325,00. De rechtbank is van oordeel dat de vordering op dit punt voldoende is onderbouwd en wijst deze schadepost toe. Tot slot ziet de rechtbank geen reden om het gevorderde bedrag voor de gemaakte taxikosten te matigen. Als gevolg van de bewezenverklaarde poging doodslag kampt [benadeelde partij 1] met angstklachten, waardoor hij genoodzaakt is om per taxi naar behandelingen en afspraken te reizen. Het gevorderde bedrag zal volledig worden toegewezen.
De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade toe tot een bedrag van in totaal € 13.518,90. De benadeelde partij zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van materiële schade.
Immateriële schade
De vordering is onderbouwd. Voor het opgelopen lichamelijk en vastgestelde psychische letsel door de psycholoog, biedt de wet een grond voor immateriële schadevergoeding (artikel 6:106 sub b BW). Het gevorderde bedrag aan immateriële schade is niet betwist. De rechtbank wijst dit bedrag daarom in zijn geheel toe.
Toekomstige schade
De rechtbank verklaart [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot vergoeding van toekomstige schade, omdat deze schade nog niet kan worden begroot.
Proceskosten
De rechtbank wijst de gevorderde proceskosten af. Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat voor toewijzing van kosten in de zin van artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dezelfde maatstaf moet worden gehanteerd als in civiele procedures. In civiele procedures is in de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering bepaald welke proceskosten voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Op basis daarvan komen alleen reis-, verlet- en verblijfkosten die noodzakelijk zijn voor het bijwonen van de zitting voor vergoeding in aanmerking indien in persoon mag worden geprocedeerd en ook daadwerkelijk in persoon is geprocedeerd. Aangezien de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter terechtzitting werd bijgestaan door een advocaat komen de gevorderde taxikosten als proceskosten niet voor vergoeding in aanmerking.
Wettelijke rente
Het totaal te vergoeden schadebedrag van € 41.643,90 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. De rechtbank wijst de wettelijke rente over de vergoeding van de materiële schade, bestaande uit de kosten voor de beschadigde jas, de trui en de broek, en de vergoeding van de immateriële schade toe vanaf 13 oktober 2025, de datum van het incident. Voldoende is onderbouwd dat die schade vanaf die datum is geleden. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade die betrekking heeft op het eigen risico voor 2026, de ziekenhuisdaggeldvergoeding, de kosten voor de opgelopen studievertraging en de taxikosten is niet gesteld per wanneer die is geleden. Daarom wijst de rechtbank over die schadeposten de wettelijke rente toe vanaf 23 juli 2026, het moment van het indienen van de vordering.
9.2
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 2] (feit 2)
[benadeelde partij 2] vordert in totaal betaling van een bedrag van € 58.312,16 aan schadevergoeding. Dit bedrag bestaat voor € 34.562,16 uit vergoeding voor materiële schade, te weten de kosten wegens verbruikt eigen risico voor 2026 inclusief een ontvangen aanmaning (€ 605,00), kosten wegens gederfde inkomsten (€ 3.251,08), gemaakte reiskosten (€ 300,00), kosten voor het collegegeld en studieboeken (€ 1.770,71), kosten voor de opgelopen studievertraging (€ 27.525,00) en kosten voor een gemiste autotheorie cursus (81,95). Daarnaast heeft [benadeelde partij 2] betaling van een bedrag van in totaal € 23.750,00 gevorderd aan immateriële schadevergoeding, bestaande uit psychische schade (€ 16.000,00) en de reputatieschade (€ 3.000,00) die hij heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde feit. Die bedragen moeten volgens [benadeelde partij 2] worden verhoogd met 25% vanwege verwijtbaarheid dan wel opzet aan de zijde van verdachte. [benadeelde partij 2] heeft tevens betaling van de wettelijke rente gevorderd en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Verder heeft [benadeelde partij 2] een bedrag van € 50.000,00 gevorderd voor toekomstige materiële schade en een bedrag van € 50.000,00 voor toekomstige immateriële schade. [benadeelde partij 2] verzoekt deze posten niet-ontvankelijk te verklaren, zodat deze tijdens een eventueel hoger beroep nader kunnen worden toegelicht. Tot slot heeft [benadeelde partij 2] verzocht om op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aan verdachte een contactverbod met hem, alsmede een locatieverbod ten aanzien van zijn woonadres op te leggen.
9.2.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding voor wat betreft de geestelijke gevolgen volledig kan worden toegewezen. Het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding voor de opgelopen reputatieschade moet worden afgewezen, gelet op het te ver verwijderde causale verband tussen de reputatieschade en het strafbare feit. Het gevorderde bedrag aan materiële schadevergoeding kan ook worden toegewezen, met uitzondering van de schadepost die ziet op de opgelopen studievertraging. Het gevorderde bedrag is toewijsbaar berekend tot en met heden, omdat het bedrag is gebaseerd op een jaar aan studievertraging en er nog geen jaar is verstreken sinds de ten laste gelegde feiten. Daarnaast heeft de officier van justitie ten aanzien van de gederfde inkomsten gevorderd om een bedrag te schatten, omdat [benadeelde partij 2] werkzaam is op basis van een nul-urencontract en is gebleken dat hij al problemen had in de periode voor de ten last gelegde feiten. De officier van justitie heeft gevorderd dat [benadeelde partij 2] voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van materiele schade. Het totaal toe te wijzen schadebedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. [benadeelde partij 2] moet niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van toekomstige materiële en immateriële schade.
9.2.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair aangevoerd om de vordering af te wijzen, dan wel [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, wegens de door hem bepleite vrijspraak.
Subsidiair heeft de raadsman het volgende aangevoerd. [benadeelde partij 2] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in een gedeelte – een bedrag van € 270,55 – van zijn vordering tot vergoeding van de kosten wegens verbruikt eigen risico voor 2026, omdat het bedrag niet is onderbouwd. De gevorderde incassokosten moeten worden afgewezen, dan wel [benadeelde partij 2] moet op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, omdat het tot [benadeelde partij 2] zijn eigen verantwoordelijkheid behoort om rekeningen tijdig te voldoen. Ten aanzien van het gevorderde bedrag aan inkomensderving heeft de raadsman primair verzocht om [benadeelde partij 2] op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, wegens een gebrek aan onderbouwing. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om het bedrag te matigen tot aan het verschil in inkomsten tot heden. Ten aanzien van de gevorderde reiskosten heeft de raadsman betoogd dat de reizen naar de verzekeringsarts niet voor vergoeding in aanmerking komen en dat voor alle andere reizen hooguit de standaard kilometervergoeding kan worden gehanteerd en dat [benadeelde partij 2] op dit punt voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering moet worden verklaard. [benadeelde partij 2] moet eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van de kosten die zien op het collegegeld, de studieboeken en de studievertraging, omdat uit de onderbouwing van de vordering niet volgt dat [benadeelde partij 2] niet langer in staat moest worden geacht om zijn studie te volgen. Het causale verband tussen de studievertraging en het schietincident ontbreekt. Ten aanzien van de door [benadeelde partij 2] gevorderde immateriële schade wegens reputatieschade heeft de raadsman verzocht om [benadeelde partij 2] op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, omdat deze schade niet aan verdachte kan worden toegerekend. Ten aanzien van de – conform de aanbevelingen – gevorderde verhoging van 25% over het gevorderde bedrag aan immateriële schade wegens geestelijk letsel heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat er geen verhoging plaats dient te vinden, vanwege het ontbreken van opzet op het toebrengen van letsel en/of leed aan [benadeelde partij 2] . Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat een dergelijke verhoging niet redelijk is in deze zaak, omdat er ten op zichtte van [benadeelde partij 2] geen sprake is van uiterst verwijtbare gedragingen. Tot slot heeft de raadsman verzocht om [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tot vergoeding van toekomstige materiële en immateriële schade.
9.2.3.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde kosten wegens verbruikt eigen risico voor 2026 toewijsbaar zijn tot een bedrag van € 521,73 voor zorgkosten. Deze kosten zijn voldoende toegelicht en onderbouwd. [benadeelde partij 2] dient voor het overige (€ 63,27) niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering, omdat dit bedrag niet is onderbouwd. De gevorderde aanmaningskosten worden afgewezen, omdat deze in te ver verwijderd verband staan tot de bewezenverklaarde bedreiging. De rechtbank verklaart [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot vergoeding van de kosten wegens inkomensderving, omdat niet duidelijk is gebleken welke inkomsten [benadeelde partij 2] is misgelopen als gevolg van de bedreiging. Ter terechtzitting is namelijk aangevoerd dat [benadeelde partij 2] per september 2025 is gestart met een opleiding, waardoor hij al minder is gaan werken.
De gevorderde taxikosten zijn wel toewijsbaar, tot een bedrag van € 300,00. Gelet op de bewezenverklaarde bedreiging en de verklaring van de psycholoog, waaruit blijkt dat [benadeelde partij 2] kampt met vermijdingsgedrag, acht de rechtbank het aannemelijk dat hij genoodzaakt is om voor medische afspraken gebruik te maken van taxivervoer. De rechtbank schat deze reiskosten op € 300,00. De gevorderde bedragen voor het collegegeld en de studieboeken zijn voldoende onderbouwd en voor toewijzing vatbaar. Gelet op de aard en de ernst van de bedreiging en de gevolgen die de bedreiging voor [benadeelde partij 2] heeft gehad, zoals volgt uit de informatie van de psycholoog, acht de rechtbank het aannemelijk dat hij niet in staat was om zijn opleiding te continueren. Het gevorderde schadebedrag dat betrekking heeft op de opgelopen studievertraging is voldoende onderbouwd met een negatief bindend studieadvies en zal worden toegewezen. Bij de begroting van de schade is aansluiting gezocht bij de Letselschade Richtlijn Studievertraging. De raadsman heeft de gevorderde kosten voor de gemiste theoriecursus niet betwist en de kosten zijn onderbouwd. De rechtbank wijst dit bedrag ook toe. Het totaalbedrag aan materiële schade komt uit op € 30.199,39. [benadeelde partij 2] zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van materiële schade.
Immateriële schade
De rechtbank wijst het gevorderde bedrag voor immateriële schade door opgelopen reputatieschade af. Die schade, volgens [benadeelde partij 2] veroorzaakt omdat een foto van hem in de media verscheen met schietmouwen, staat naar het oordeel van de rechtbank in een te ver verwijderd verband tot de bewezenverklaarde bedreiging.
Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding voor geestelijk letsel geldt het volgende. De psycholoog heeft vastgesteld dat sprake is van PTSS bij [benadeelde partij 2] na het incident en daarvoor is hij behandeld met EMDR en medicatie. De behandeling gaat verder in een intensievere vorm. Daarmee is onderbouwd dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze (artikel 6:106 sub b BW). De raadsman heeft het gevorderde bedrag voor het opgelopen geestelijk letsel niet betwist. De rechtbank zal, zoals is gevorderd, aansluiting zoeken bij hoofdstuk 14.2 subcategorie b van de Rotterdamse schaal, dat betrekking heeft op PTSS. De rechtbank acht een bedrag onderaan de bandbreedte, € 16.000,00, billijk. Aangezien de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het bedreigen van [benadeelde partij 2] met de dood is de rechtbank van oordeel dat in deze situatie geen sprake is van een uiterst verwijtbare gedraging. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat een verhoging van 25% niet billijk is. De rechtbank wijst de gevorderde immateriële
Schadevergoeding dan ook toe tot een bedrag van € 16.000,00. [benadeelde partij 2] zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade.
Toekomstige schade
De rechtbank verklaart [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot betaling van toekomstige materiële en immateriële schade, omdat deze schade nog niet kan worden begroot.
Wettelijke rente
Het totaal te vergoeden schadebedrag van € 46.199,39 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. De wettelijke rente over de vergoeding van de immateriële schade is toewijsbaar vanaf 13 oktober 2025, de datum van het incident. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade die betrekking heeft op het eigen risico voor 2026, de gemaakte reiskosten, de kosten voor het collegegeld en de studieboeken, de kosten voor de opgelopen studievertraging en de kosten voor de gemiste autotheorie cursus is onduidelijk wanneer die schade is niet gesteld per wanneer die is geleden. Daarom wijst de rechtbank over die schadeposten de wettelijke rente toe vanaf 22 juli 2026, het moment van het indienen van de vordering.
9.3
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 3] (feit 3)
[benadeelde partij 3] vordert betaling van in totaal € 54.713,15 aan schadevergoeding. Dit bedrag bestaat voor € 29.119,15 uit een vergoeding voor materiële schade, te weten de kosten wegens verbruikt eigen risico voor 2026 (€ 385,00), de kosten voor het collegegeld (€ 1.107,75), de kosten voor de opgelopen studievertraging (€ 27.525,00) en de factuur van de huisarts voor het opstellen van een medische verklaring (€ 101,40). Daarnaast vordert [benadeelde partij 3] betaling van een bedrag van € 25.000,00 ter vergoeding voor immateriële schade (€ 20.000,00 + 25% verhoging), bestaande uit de psychische schade die hij heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde feit. [benadeelde partij 3] vordert ook betaling van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Verder vordert [benadeelde partij 3] betaling van een bedrag van € 50.000,00 voor toekomstige materiële schade en een bedrag van € 50.000,00 voor toekomstige immateriële schade. [benadeelde partij 3] verzoekt om deze posten niet-ontvankelijk te verklaren, zodat deze tijdens een eventueel hoger beroep nader kunnen worden toegelicht. Tot slot verzoekt [benadeelde partij 3] om op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aan verdachte een contactverbod met hem en een locatieverbod op te leggen.
9.3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding volledig kan worden toegewezen. Het gevorderde bedrag aan materiële schadevergoeding kan ook worden toegewezen, met uitzondering van de schadepost die ziet op de opgelopen studievertraging. Het gevorderde bedrag is toewijsbaar berekend tot en met heden, omdat het bedrag is gebaseerd op een jaar aan studievertraging en er nog geen jaar is verstreken sinds de ten laste gelegde feiten. Aangezien een deel van het gevorderde bedrag, dus toekomstige schade betreft, dient [benadeelde partij 3] voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van materiele schade. Het totaal toe te wijzen schadebedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. [benadeelde partij 3] moet niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van toekomstige materiële en immateriële schade.
9.3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verweer gevoerd ten aanzien van het causale verband tussen het schietincident en de opgelopen psychose. Om die reden heeft de raadsman verzocht om de gevorderde kosten wegens verbruikt eigen risico voor 2026 af te wijzen, dan wel [benadeelde partij 3] op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, omdat er dus ook geen causaal verband bestaat tussen de gemaakte zorgkosten en het ten laste gelegde feit. De zorgkosten hebben immers betrekking op de psychose. Ten aanzien van het collegegeld heeft hij verzocht om de schadepost die betrekking heeft op de opgelopen studievertraging af te wijzen, dan wel [benadeelde partij 3] op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren, omdat er geen causaal verband kan worden vastgesteld tussen de studievertraging en het ten laste gelegde. Ten aanzien van de door [benadeelde partij 3] gevorderde immateriële schade heeft de raadsman verzocht om het gevorderde bedrag te matigen naar de ondergrens van deze bandbreedte van de Rotterdamse schaal, te weten € 16.000,00. Ten aanzien van de – conform de aanbevelingen – gevorderde verhoging van 25% heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat er geen verhoging plaats dient te vinden, vanwege het ontbreken van opzet op het toebrengen van letsel en/of leed aan [benadeelde partij 3] . Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat een dergelijke verhoging niet redelijk is in deze zaak, omdat er ten op zichtte van [benadeelde partij 3] geen sprake is van uiterst verwijtbare gedragingen. Tot slot heeft de raadsman verzocht om [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tot vergoeding van toekomstige materiële en immateriële schade.
9.3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade in zijn geheel toe. Ten aanzien van de gevorderde kosten wegens verbruikt eigen risico overweegt de rechtbank als volgt. Uit de verklaringen van de huisarts en de psychiater blijkt dat [benadeelde partij 3] als gevolg van het schietincident ernstig psychisch ontregeld is geraakt wat uiteindelijk bij hem, mogelijk door de behandeling voor PTSS, heeft geleid tot een psychose. De rechtbank acht het gelet hierop aannemelijk dat de psychose een rechtstreeks gevolg is geweest van de bewezenverklaarde bedreiging. De medische behandelingen en afspraken die hij vanwege het psychisch letsel heeft moeten volgen, en waarvoor hij aanspraak heeft moeten maken op zijn verplichte eigen risico, staan dan ook in rechtstreeks verband tot de bedreiging. Deze kosten komen dan ook voor vergoeding in aanmerking. Gelet op aard en ernst van het feit en de onderbouwing van het psychische letsel wijst de rechtbank ook de gevorderde kosten voor de opgelopen studievertraging en het collegegeld volledig toe. Anders dan de officier van justitie gaat de rechtbank wel uit van een jaar aan studievertraging, gelet op het negatief bindend studieadvies. De raadsman heeft de gevorderde kosten voor de door de huisarts opgestelde medische verklaring niet betwist. Ook dit bedrag staat in verband met het feit en is toewijsbaar.
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat [benadeelde partij 3] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106 BW heeft een partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade, als deze partij ten gevolge van een strafbaar feit in zijn persoon is aangetast. Uit de door [benadeelde partij 3] ingediende vordering tot schadevergoeding en de onderbouwing daarvan blijkt dat, zoals hierboven al is overwogen, hij sinds het schietincident met ernstige psychische klachten kampt. Daarmee is sprake van de in artikel 6:106 BW bedoelde aantasting in persoon op andere wijze.
Voor wat betreft de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij hoofdstuk 14.2 subcategorie b van de Rotterdamse Schaal. Daarin zijn vergoedingen met een bandbreedte van € 16.000,00 tot € 41.000,00 genoemd, ingeval van PTSS (ernstig). De rechtbank is van oordeel dat een bedrag onderaan de bandbreedte, ter hoogte van € 16.000,00 billijk is. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat een verhoging met 25% van dit bedrag billijk is. Er is, gelet op het bewezenverklaarde feit en de omstandigheid waaronder dat is geschied (het richten van het pistool op [benadeelde partij 3] nadat [benadeelde partij 1] in zijn schouder was geschoten), sprake van ernstige verwijtbaarheid aan kant van verdachte. Om die reden wordt het toegewezen bedrag, gelet op aanbeveling 3 bij de Rotterdamse schaal voor de begroting van Smartengeld, verhoogd met 25%. De rechtbank begroot de immateriële schadevergoeding vergoeding naar billijkheid op een bedrag van € 20.000,00. De benadeelde partij zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade.
Toekomstige schade
De rechtbank verklaart [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot toekomstige materiële en immateriële schade, omdat deze schade nog niet kan worden begroot.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de wettelijke rente over de vergoeding van de immateriële schade toe vanaf 13 oktober 2025, het moment van het ontstaan van de schade. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade die betrekking heeft op het eigen risico voor 2026, de kosten voor het collegegeld, de kosten voor de opgelopen studievertraging en de factuur voor de huisarts voor het opstellen van een medische verklaring is niet gesteld per wanneer die is geleden. Daarom wijst de rechtbank over die schadeposten de wettelijke rente toe vanaf 24 juli 2026, het moment van het indienen van de vordering.
9.4
De schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] wordt, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd, zodat de benadeelden de opgelopen schade niet zelf hoeven te innen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast. Bij het bepalen van de duur van de gijzeling heeft de rechtbank acht geslapen op het bepaalde in artikel 36f lid 5 en artikel 60 sub c Sr. De totale duur van de gijzeling betreft volgens deze bepalingen maximaal een jaar. Aangezien het totale aantal dagen gijzeling zonder toepassing van dit maximum boven 365 dagen uitstijgt, zal de rechtbank het maximale aantal dagen gijzeling evenredig verdelen bij de vorderingen van de benadeelde partijen.
9.5
Ten aanzien van de verzochte contact- en locatieverboden
Zoals door de benadeelde partijen gevraagd, heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte, op grond van artikel 38v Sr, voor de duur van vijf jaar zowel een contactverbod wordt opgelegd met hen, als een locatieverbod ten aanzien van hun woonadressen. De raadsman heeft ter terechtzitting aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de verzochte contact- en locatieverboden.
De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, noodzakelijk is dat de door [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] gewenste contactverboden worden opgelegd op grond van artikel 38v lid 1 Sv. Deze maatregel, strekkende tot beperking van de vrijheid, is noodzakelijk om te voorkomen dat verdachte in de toekomst weer strafbare feiten tegen de benadeelde partijen zal plegen en om hen te beschermen. De rechtbank beveelt de oplegging van deze vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van vijf jaar en bepaalt de vervangende hechtenis voor de duur van zeven dagen voor iedere keer dat verdachte zich niet aan de maatregel houdt, met een maximum van zes maanden. Anders dan door de officier van justitie is gevorderd en door de benadeelde partijen is verzocht acht de rechtbank het, gelet op de duur van de opgelegde gevangenisstraf, niet opportuun om aan verdachte locatieverboden op te leggen. De rechtbank overweegt dat deze ook als bijzondere voorwaarde in het kader van de eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling aan verdachte kunnen worden opgelegd.
10Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 60, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
11Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 1 primair en onder feiten 2 en 3 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair, impliciet subsidiair, en onder feiten 2 en 3 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1 primair, impliciet subsidiair:
poging tot doodslag
ten aanzien van feiten 2 en 3, meer subsidiair:
telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Legt aan verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid op, inhoudende een contactverbod, en bepaalt dat verdachte voor de duur van 5 (vijf) jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
- [benadeelde partij 1], geboren op [geboortedatum] ;
- [benadeelde partij 2], geboren op [geboortedatum] ;
- [benadeelde partij 3], geboren op [geboortedatum] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 (één) week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van (zes) maanden. De politie heeft een signalerende taak bij het overtreden van dit contactverbod.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De rechtbank veroordeelt verdachte om aan [benadeelde partij 1] een bedrag van € 41.643,90 (eenenveertigduizend zeshonderddrieënveertig euro en negentig eurocent) te betalen. Voormeld bedrag bestaat uit € 13.518,90 (dertienduizend vijfhonderdachttien euro en negentig eurocent) aan vergoeding voor materiële schade en € 28.125,00 (achtentwintigduizend honderdvijfentwintig euro) aan vergoeding voor immateriële schade. Ten aanzien van de materiële schade, bestaande uit de kosten voor de beschadigde jas (€ 1.258,90), de trui (€ 32,50) en de broek (€ 27,50), en de immateriële schade (€ 28.125,00) wordt verdachte veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente hierover vanaf 13 oktober 2025, tot de algehele voldoening. Ten aanzien van de materiële schade, bestaande uit het eigen risico voor 2026 (€ 385,00), de ziekenhuisdaggeldvergoeding (€ 190,00), de kosten voor de opgelopen studievertraging (€ 11.325,00) en de taxikosten (€ 300,00), wordt verdachte veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente hierover vanaf 23 juli 2026, tot de voldoening.
Wijst de vordering ten aanzien van de gevorderde proceskosten af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn tot vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de staat € 41.643,90 (eenenveertigduizend zeshonderddrieënveertig euro en negentig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Ten aanzien van de materiële schade, bestaande uit de kosten voor de beschadigde jas (€ 1.258,90), de trui (€ 32,50) en de broek (€ 27,50), en de immateriële schade (€ 28.125,00) is de rente verschuldigd vanaf 13 oktober 2025. Ten aanzien van de materiële schade, bestaande uit het eigen risico voor 2026 (€ 385,00), de ziekenhuisdaggeldvergoeding (€ 190,00), de kosten voor de opgelopen studievertraging (€ 11.325,00) en de taxikosten (€ 300,00), is de wettelijke rente verschuldigd vanaf 23 juli 2026. Bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 111 dagen gijzeling. De toepassing van deze gijzeling heft de voornoemde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De rechtbank veroordeelt verdachte om aan [benadeelde partij 2] € 46.199,39 (zesenveertigduizend honderdnegenennegentig euro en negenendertig eurocent) te betalen. Voormeld bedrag bestaat uit € 30.199,39 (dertigduizend honderdnegenennegentig euro en negenendertig eurocent) aan vergoeding voor materiële schade en € 16.000,00 (zestienduizend euro) aan vergoeding voor immateriële schade. Ten aanzien van de immateriële schade (€ 16.000,00) veroordeelt de rechtbank verdachte tot betaling van de wettelijke rente hierover vanaf 13 oktober 2025. Ten aanzien van de materiële schade, bestaande uit het eigen risico voor 2026 (€ 521,73), de gemaakte reiskosten (€ 300,00), de kosten voor het collegegeld en de studieboeken (€ 1.770,71), de kosten voor de opgelopen studievertraging (€ 27.525,00) en de kosten voor de gemiste autotheorie cursus (€ 81,95), veroordeelt de rechtbank verdachte tot betaling van de wettelijke rente hierover vanaf 22 juli 2026, tot de voldoening.
Wijst de vordering ten aanzien van de gevorderde immateriële schade wegens schending van de eer en goede naam en de gevorderde materiële schade, bestaande uit aanmaningskosten, af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn tot vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de staat € 46.199,39 (zesenveertigduizend honderdnegenennegentig euro en negenendertig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Ten aanzien van de immateriële schade (€ 16.000,00) is de rente verschuldigd vanaf 13 oktober 2025. Ten aanzien van de materiële schade, bestaande uit het eigen risico voor 2026 (€ 521,73), de gemaakte reiskosten (€ 300,00), de kosten voor het collegegeld en de studieboeken (€ 1.770,71), de kosten voor de opgelopen studievertraging (€ 27.525,00) en de kosten voor de gemiste autotheorie cursus (€ 81,95), is de wettelijke rente verschuldigd vanaf 22 juli 2026. Bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 123 dagen gijzeling. De toepassing van deze gijzeling heft de voornoemde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De rechtbank veroordeelt verdachte om aan [benadeelde partij 3] een bedrag van € 49.119,15 (negenenveertigduizend honderdnegentien euro en vijftien eurocent), te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit € 29.119,15 (negenentwintigduizend honderdnegentien euro en vijftien eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade. Ten aanzien van de immateriële schade (€ 20.000,00) veroordeelt de rechtbank verdachte tot betaling van de wettelijke rente hierover vanaf 13 oktober 2025, tot de voldoening. Ten aanzien van de materiële schade, bestaande uit het eigen risico voor 2026 (€ 385,00), de kosten voor het collegegeld (€ 1.107,75), de kosten voor de opgelopen studievertraging (€ 27.525,00) en de factuur van de huisarts voor het opstellen van een medische verklaring (€ 101,40), veroordeelt de rechtbank verdachte tot betaling van de wettelijke rente hierover vanaf 24 juli 2026.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn tot vordering tot immateriële schadevergoeding.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de staat € 49.119,15 (negenenveertigduizend honderdnegentien euro en vijftien eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Ten aanzien van de immateriële schade (€ 20.000,00) is de rente verschuldigd vanaf 13 oktober 2025. Ten aanzien van de materiële schade, bestaande uit het eigen risico voor 2026 (€ 385,00), de kosten voor het collegegeld (€ 1.107,75), de kosten voor de opgelopen studievertraging (€ 27.525,00) en de factuur van de huisarts voor het opstellen van een medische verklaring (€ 101,40), is de wettelijke rente verschuldigd vanaf 24 juli 2026. Bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 131 dagen gijzeling. De toepassing van deze gijzeling heft de voornoemde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslag
Verklaart onttrokken aan het verkeer de voorwerpen met nummers 1 tot en met 6, 8, 9 en 12, zoals vermeld op de beslaglijst, opgenomen als bijlage III bij dit vonnis.
Gelast de teruggave aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1], van het voorwerp met nummer 7, zoals vermeld op de beslaglijst, opgenomen als bijlage III bij dit vonnis.
Gelast de teruggave aan verdachte, [verdachte], van de voorwerpen met nummers 10 en 11, zoals vermeld op de beslaglijst, opgenomen als bijlage III bij dit vonnis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Nieuwenhuijs, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Pont, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 augustus 2026.
vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.7.3.
HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600.