Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:7997
2026-04-26
Strafrecht
13/728020-20 (ontneming)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ontneming van € 146.809,-
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2021:376 Hoge Raad 16-03-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.184 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/728020-20 (ontneming)
Datum uitspraak: 28 april 2026
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/728020-20, tegen:
[veroordeelde], hierna te noemen [veroordeelde],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
wonende op het adres [adres].
1Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzittingen van 5 september 2025 en 17 maart 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, van de op de vordering betrekking hebbende stukken en van wat de officier van justitie, mr. A. Kerkhoff, en de raadsvrouw, mr. A.H. Aalmoes, naar voren hebben gebracht. [veroordeelde] is niet op de terechtzitting verschenen. De raadsvrouw is gemachtigd namens hem het woord te voeren.
Voorafgaand aan de zitting heeft een schriftelijke conclusiewisseling plaatsgevonden. De rechtbank heeft de volgende conclusies ontvangen:
een conclusie van antwoord, gedateerd 17 oktober 2025;
een conclusie van repliek, gedateerd 14 november 2025;
een conclusie van dupliek, gedateerd 12 december 2025.
2De vordering
De vordering van de officier van justitie van 30 mei 2025 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 191.522.
De vordering is door de officier van justitie bij conclusie van repliek verhoogd tot een bedrag van € 201.751,48.
3Grondslag van de vordering
[veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 mei 2023 veroordeeld voor het gewoontewitwassen van geldbedragen van in totaal € 162.526,74.
Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.
In het ontnemingsdossier is het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend aan de hand van de methode van de eenvoudige kasopstelling over de periode van 1 januari 2018 tot en met 3 februari 2020. De ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e, derde lid van het Wetboek van Strafrecht. Gewoontewitwassen (artikel 420ter Wetboek van Strafrecht) is een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met onder meer een geldboete van de vijfde categorie.
4Het wederrechtelijk verkregen voordeel
4.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht het ontnemingsbedrag vast te stellen op nihil of het bedrag te matigen, omdat [veroordeelde] nu en in de toekomst geen enkele draagkracht zal hebben. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat [veroordeelde] geen werkelijk genoten voordeel heeft, omdat hij het verkregen voordeel heeft uitgegeven en hij failliet is verklaard waardoor zijn vermogen is verdampt. Door het faillissement kan hij niet meer beschikken over de goederen waarop het Openbaar Ministerie conservatoir beslag had gelegd.
4.2.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de kasopstelling juist bedoeld is voor situaties waarin het inkomen onbekend is, maar de uitgaven niet. Verder heeft de officier van justitie erop gewezen dat het faillissement op 5 september 2025 is opgeheven en [veroordeelde] opnieuw vermogen kan opbouwen.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere feiten
De rechtbank acht op grond van de stukken van de strafzaak en het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel aannemelijk dat [veroordeelde] voordeel heeft verkregen uit andere strafbare feiten dan het gewoontewitwassen waarvoor hij bij vonnis van 24 mei 2023 is veroordeeld. Uit het vonnis blijkt namelijk dat [veroordeelde] grote contante betalingen deed, zonder dat hij daarvoor legale inkomsten of vermogen had. Verder volgt uit de beschrijving van filmpjes en foto’s dat [veroordeelde] een luxe levensstijl had. Op deze filmpjes en foto’s is te zien dat [veroordeelde] gebruik maakte van een privévliegtuig, stapels bankbiljetten vasthield en vele dure merkartikelen van bijvoorbeeld Rolex en Louis Vuitton in zijn bezit had. De rechtbank heeft in het vonnis geoordeeld dat de verklaringen die [veroordeelde] daarover heeft afgegeven, onaannemelijk waren en dat de geldbedragen daarom middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig waren. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat [veroordeelde] andere strafbare feiten heeft gepleegd en daaruit wederrechtelijk voordeel heeft genoten.
4.3.2.
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 201.751,48. Dit bedrag volgt uit de volgende berekening uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel:
Beginsaldo contant geld € 0,00
Legale contante ontvangsten (incl. bankopnames) € 95.433
Eindsaldo contant geld € 900
Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 94.533
Werkelijke contante uitgaven inclusief bankstortingen € 296.284,48
Verschil (=wederrechtelijk verkregen voordeel): € 201.751,48
De rechtbank ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. [veroordeelde] heeft niet gemotiveerd en onderbouwd aannemelijk gemaakt dat de berekening van het Openbaar Ministerie onjuist is.
4.3.3.
Aanvullende overweging
Onder [veroordeelde] zijn goederen ter waarde van € 38.630,20 in beslag genomen. In het vonnis van 24 mei 2023 heeft de rechtbank beslist dat de goederen aan [veroordeelde] toebehoren en naar hem terug kunnen. Deze goederen zijn door het uitgesproken faillissement van [veroordeelde] niet aan hem teruggegeven. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de waarde van deze goederen op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te brengen.
4.3.4.
Draagkracht
De verdediging heeft verzocht om bij het vaststellen van de betalingsverplichting rekening te houden met de beperkte draagkracht van [veroordeelde]. De rechtbank wijst dit verzoek af.
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de draagkracht van de betrokkene in beginsel aan de orde komt in de executiefase. De reden daarvoor is dat de rechter in de ontnemingsprocedure doorgaans niet met zekerheid zal kunnen vaststellen hoe de draagkracht van de betrokkene zich in de – soms aanzienlijk later plaatsvindende – executiefase zal ontwikkelen, en dat de mogelijkheid om aan de opgelegde betalingsverplichting te voldoen zich dus beter laat beoordelen in de executiefase. In de ontnemingsprocedure bestaat alleen grond voor matiging van de betalingsverplichting als aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Het gaat dan om het geval waarin de rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat de betrokkene op het moment van de ontnemingsprocedure geen draagkracht heeft en dat het zeer waarschijnlijk is dat daarin in de toekomst geen verandering zal komen.
In deze zaak is niet gebleken dat de door de Hoge Raad genoemde uitzonderingsituatie aan de orde is, zodat de rechtbank bij het vaststellen van de betalingsverplichting geen rekening zal houden met de draagkracht van [veroordeelde].
4.3.5.
Overschrijding redelijke termijn
De rechtbank stelt vast dat niet binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist (artikel 6 EVRM). De redelijke termijn is aangevangen op 22 januari 2022, het moment waarop de officier van justitie het voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken. In de rechtspraak geldt als uitgangspunt dat een ontnemingsprocedure in eerste aanleg binnen twee jaar dient te worden afgerond. De rechtbank wijst op 28 april 2026 vonnis, zodat de redelijke termijn is overschreden met twee jaar en drie maanden. De rechtbank ziet geen bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. Een overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van het vastgestelde ontnemingsbedrag dat afhankelijk is van de overschrijding. De rechtbank zal het ontnemingsbedrag verminderen met 10% (een bedrag van € 16.312,28).
5De verplichting tot betaling
De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 146.809.
6Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
7Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 146.809,-
Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 146.809,-. (zegge: honderdzesenveertigduizendachthonderdnegen euro) aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 1080 (duizendtachtig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.H. Broesterhuizen, voorzitter,
mrs. M. Vaandrager en M.C. Danel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Buiskool, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 april 2026.
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 24 maart 2022, in het bijzonder paragraaf 5.2.
Vonnis in de strafzaak, pagina’s 16 t/m 36.
ECLI:NL:HR:2021:376.
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/728020-20 (ontneming)
Datum uitspraak: 28 april 2026
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/728020-20, tegen:
[veroordeelde], hierna te noemen [veroordeelde],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
wonende op het adres [adres].
1Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzittingen van 5 september 2025 en 17 maart 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, van de op de vordering betrekking hebbende stukken en van wat de officier van justitie, mr. A. Kerkhoff, en de raadsvrouw, mr. A.H. Aalmoes, naar voren hebben gebracht. [veroordeelde] is niet op de terechtzitting verschenen. De raadsvrouw is gemachtigd namens hem het woord te voeren.
Voorafgaand aan de zitting heeft een schriftelijke conclusiewisseling plaatsgevonden. De rechtbank heeft de volgende conclusies ontvangen:
een conclusie van antwoord, gedateerd 17 oktober 2025;
een conclusie van repliek, gedateerd 14 november 2025;
een conclusie van dupliek, gedateerd 12 december 2025.
2De vordering
De vordering van de officier van justitie van 30 mei 2025 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 191.522.
De vordering is door de officier van justitie bij conclusie van repliek verhoogd tot een bedrag van € 201.751,48.
3Grondslag van de vordering
[veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 mei 2023 veroordeeld voor het gewoontewitwassen van geldbedragen van in totaal € 162.526,74.
Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.
In het ontnemingsdossier is het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend aan de hand van de methode van de eenvoudige kasopstelling over de periode van 1 januari 2018 tot en met 3 februari 2020. De ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e, derde lid van het Wetboek van Strafrecht. Gewoontewitwassen (artikel 420ter Wetboek van Strafrecht) is een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met onder meer een geldboete van de vijfde categorie.
4Het wederrechtelijk verkregen voordeel
4.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht het ontnemingsbedrag vast te stellen op nihil of het bedrag te matigen, omdat [veroordeelde] nu en in de toekomst geen enkele draagkracht zal hebben. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat [veroordeelde] geen werkelijk genoten voordeel heeft, omdat hij het verkregen voordeel heeft uitgegeven en hij failliet is verklaard waardoor zijn vermogen is verdampt. Door het faillissement kan hij niet meer beschikken over de goederen waarop het Openbaar Ministerie conservatoir beslag had gelegd.
4.2.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de kasopstelling juist bedoeld is voor situaties waarin het inkomen onbekend is, maar de uitgaven niet. Verder heeft de officier van justitie erop gewezen dat het faillissement op 5 september 2025 is opgeheven en [veroordeelde] opnieuw vermogen kan opbouwen.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere feiten
De rechtbank acht op grond van de stukken van de strafzaak en het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel aannemelijk dat [veroordeelde] voordeel heeft verkregen uit andere strafbare feiten dan het gewoontewitwassen waarvoor hij bij vonnis van 24 mei 2023 is veroordeeld. Uit het vonnis blijkt namelijk dat [veroordeelde] grote contante betalingen deed, zonder dat hij daarvoor legale inkomsten of vermogen had. Verder volgt uit de beschrijving van filmpjes en foto’s dat [veroordeelde] een luxe levensstijl had. Op deze filmpjes en foto’s is te zien dat [veroordeelde] gebruik maakte van een privévliegtuig, stapels bankbiljetten vasthield en vele dure merkartikelen van bijvoorbeeld Rolex en Louis Vuitton in zijn bezit had. De rechtbank heeft in het vonnis geoordeeld dat de verklaringen die [veroordeelde] daarover heeft afgegeven, onaannemelijk waren en dat de geldbedragen daarom middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig waren. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat [veroordeelde] andere strafbare feiten heeft gepleegd en daaruit wederrechtelijk voordeel heeft genoten.
4.3.2.
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 201.751,48. Dit bedrag volgt uit de volgende berekening uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel:
Beginsaldo contant geld € 0,00
Legale contante ontvangsten (incl. bankopnames) € 95.433
Eindsaldo contant geld € 900
Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 94.533
Werkelijke contante uitgaven inclusief bankstortingen € 296.284,48
Verschil (=wederrechtelijk verkregen voordeel): € 201.751,48
De rechtbank ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. [veroordeelde] heeft niet gemotiveerd en onderbouwd aannemelijk gemaakt dat de berekening van het Openbaar Ministerie onjuist is.
4.3.3.
Aanvullende overweging
Onder [veroordeelde] zijn goederen ter waarde van € 38.630,20 in beslag genomen. In het vonnis van 24 mei 2023 heeft de rechtbank beslist dat de goederen aan [veroordeelde] toebehoren en naar hem terug kunnen. Deze goederen zijn door het uitgesproken faillissement van [veroordeelde] niet aan hem teruggegeven. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de waarde van deze goederen op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te brengen.
4.3.4.
Draagkracht
De verdediging heeft verzocht om bij het vaststellen van de betalingsverplichting rekening te houden met de beperkte draagkracht van [veroordeelde]. De rechtbank wijst dit verzoek af.
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de draagkracht van de betrokkene in beginsel aan de orde komt in de executiefase. De reden daarvoor is dat de rechter in de ontnemingsprocedure doorgaans niet met zekerheid zal kunnen vaststellen hoe de draagkracht van de betrokkene zich in de – soms aanzienlijk later plaatsvindende – executiefase zal ontwikkelen, en dat de mogelijkheid om aan de opgelegde betalingsverplichting te voldoen zich dus beter laat beoordelen in de executiefase. In de ontnemingsprocedure bestaat alleen grond voor matiging van de betalingsverplichting als aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Het gaat dan om het geval waarin de rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat de betrokkene op het moment van de ontnemingsprocedure geen draagkracht heeft en dat het zeer waarschijnlijk is dat daarin in de toekomst geen verandering zal komen.
In deze zaak is niet gebleken dat de door de Hoge Raad genoemde uitzonderingsituatie aan de orde is, zodat de rechtbank bij het vaststellen van de betalingsverplichting geen rekening zal houden met de draagkracht van [veroordeelde].
4.3.5.
Overschrijding redelijke termijn
De rechtbank stelt vast dat niet binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist (artikel 6 EVRM). De redelijke termijn is aangevangen op 22 januari 2022, het moment waarop de officier van justitie het voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken. In de rechtspraak geldt als uitgangspunt dat een ontnemingsprocedure in eerste aanleg binnen twee jaar dient te worden afgerond. De rechtbank wijst op 28 april 2026 vonnis, zodat de redelijke termijn is overschreden met twee jaar en drie maanden. De rechtbank ziet geen bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. Een overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van het vastgestelde ontnemingsbedrag dat afhankelijk is van de overschrijding. De rechtbank zal het ontnemingsbedrag verminderen met 10% (een bedrag van € 16.312,28).
5De verplichting tot betaling
De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 146.809.
6Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
7Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 146.809,-
Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 146.809,-. (zegge: honderdzesenveertigduizendachthonderdnegen euro) aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 1080 (duizendtachtig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.H. Broesterhuizen, voorzitter,
mrs. M. Vaandrager en M.C. Danel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Buiskool, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 april 2026.
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 24 maart 2022, in het bijzonder paragraaf 5.2.
Vonnis in de strafzaak, pagina’s 16 t/m 36.
ECLI:NL:HR:2021:376.