Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7997

2026-04-26 Strafrecht 13/728020-20 (ontneming)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-04-26
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
13/728020-20 (ontneming)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ontneming van € 146.809,-

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.184 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM



Afdeling Publiekrecht



Teams Strafrecht



Parketnummer: 13/728020-20 (ontneming)



Datum uitspraak: 28 april 2026




Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/728020-20, tegen:





[veroordeelde], hierna te noemen [veroordeelde],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
wonende op het adres [adres].





1Het onderzoek ter terechtzitting


De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzittingen van 5 september 2025 en 17 maart 2026.



De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, van de op de vordering betrekking hebbende stukken en van wat de officier van justitie, mr. A. Kerkhoff, en de raadsvrouw, mr. A.H. Aalmoes, naar voren hebben gebracht. [veroordeelde] is niet op de terechtzitting verschenen. De raadsvrouw is gemachtigd namens hem het woord te voeren.



Voorafgaand aan de zitting heeft een schriftelijke conclusiewisseling plaatsgevonden. De rechtbank heeft de volgende conclusies ontvangen:



 een conclusie van antwoord, gedateerd 17 oktober 2025;
 een conclusie van repliek, gedateerd 14 november 2025;
 een conclusie van dupliek, gedateerd 12 december 2025.





2De vordering


De vordering van de officier van justitie van 30 mei 2025 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 191.522.



De vordering is door de officier van justitie bij conclusie van repliek verhoogd tot een bedrag van € 201.751,48.





3Grondslag van de vordering



[veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 mei 2023 veroordeeld voor het gewoontewitwassen van geldbedragen van in totaal € 162.526,74.



Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.



In het ontnemingsdossier is het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend aan de hand van de methode van de eenvoudige kasopstelling over de periode van 1 januari 2018 tot en met 3 februari 2020. De ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e, derde lid van het Wetboek van Strafrecht. Gewoontewitwassen (artikel 420ter Wetboek van Strafrecht) is een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met onder meer een geldboete van de vijfde categorie.





4Het wederrechtelijk verkregen voordeel


4.1.

Het standpunt van de verdediging



De verdediging heeft verzocht het ontnemingsbedrag vast te stellen op nihil of het bedrag te matigen, omdat [veroordeelde] nu en in de toekomst geen enkele draagkracht zal hebben. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat [veroordeelde] geen werkelijk genoten voordeel heeft, omdat hij het verkregen voordeel heeft uitgegeven en hij failliet is verklaard waardoor zijn vermogen is verdampt. Door het faillissement kan hij niet meer beschikken over de goederen waarop het Openbaar Ministerie conservatoir beslag had gelegd.




4.2.

Het standpunt van het openbaar ministerie



De officier van justitie heeft aangevoerd dat de kasopstelling juist bedoeld is voor situaties waarin het inkomen onbekend is, maar de uitgaven niet. Verder heeft de officier van justitie erop gewezen dat het faillissement op 5 september 2025 is opgeheven en [veroordeelde] opnieuw vermogen kan opbouwen.




4.3.

Het oordeel van de rechtbank



4.3.1.

Wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere feiten



De rechtbank acht op grond van de stukken van de strafzaak en het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel aannemelijk dat [veroordeelde] voordeel heeft verkregen uit andere strafbare feiten dan het gewoontewitwassen waarvoor hij bij vonnis van 24 mei 2023 is veroordeeld. Uit het vonnis blijkt namelijk dat [veroordeelde] grote contante betalingen deed, zonder dat hij daarvoor legale inkomsten of vermogen had. Verder volgt uit de beschrijving van filmpjes en foto’s dat [veroordeelde] een luxe levensstijl had. Op deze filmpjes en foto’s is te zien dat [veroordeelde] gebruik maakte van een privévliegtuig, stapels bankbiljetten vasthield en vele dure merkartikelen van bijvoorbeeld Rolex en Louis Vuitton in zijn bezit had. De rechtbank heeft in het vonnis geoordeeld dat de verklaringen die [veroordeelde] daarover heeft afgegeven, onaannemelijk waren en dat de geldbedragen daarom middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig waren. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat [veroordeelde] andere strafbare feiten heeft gepleegd en daaruit wederrechtelijk voordeel heeft genoten.




4.3.2.

Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel



De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 201.751,48. Dit bedrag volgt uit de volgende berekening uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel:



Beginsaldo contant geld € 0,00
Legale contante ontvangsten (incl. bankopnames) € 95.433

Eindsaldo contant geld € 900

Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 94.533

Werkelijke contante uitgaven inclusief bankstortingen € 296.284,48

Verschil (=wederrechtelijk verkregen voordeel): € 201.751,48



De rechtbank ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. [veroordeelde] heeft niet gemotiveerd en onderbouwd aannemelijk gemaakt dat de berekening van het Openbaar Ministerie onjuist is.




4.3.3.

Aanvullende overweging



Onder [veroordeelde] zijn goederen ter waarde van € 38.630,20 in beslag genomen. In het vonnis van 24 mei 2023 heeft de rechtbank beslist dat de goederen aan [veroordeelde] toebehoren en naar hem terug kunnen. Deze goederen zijn door het uitgesproken faillissement van [veroordeelde] niet aan hem teruggegeven. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de waarde van deze goederen op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te brengen.




4.3.4.

Draagkracht



De verdediging heeft verzocht om bij het vaststellen van de betalingsverplichting rekening te houden met de beperkte draagkracht van [veroordeelde]. De rechtbank wijst dit verzoek af.



Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de draagkracht van de betrokkene in beginsel aan de orde komt in de executiefase. De reden daarvoor is dat de rechter in de ontnemingsprocedure doorgaans niet met zekerheid zal kunnen vaststellen hoe de draagkracht van de betrokkene zich in de – soms aanzienlijk later plaatsvindende – executiefase zal ontwikkelen, en dat de mogelijkheid om aan de opgelegde betalingsverplichting te voldoen zich dus beter laat beoordelen in de executiefase. In de ontnemingsprocedure bestaat alleen grond voor matiging van de betalingsverplichting als aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Het gaat dan om het geval waarin de rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat de betrokkene op het moment van de ontnemingsprocedure geen draagkracht heeft en dat het zeer waarschijnlijk is dat daarin in de toekomst geen verandering zal komen.



In deze zaak is niet gebleken dat de door de Hoge Raad genoemde uitzonderingsituatie aan de orde is, zodat de rechtbank bij het vaststellen van de betalingsverplichting geen rekening zal houden met de draagkracht van [veroordeelde].




4.3.5.

Overschrijding redelijke termijn



De rechtbank stelt vast dat niet binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist (artikel 6 EVRM). De redelijke termijn is aangevangen op 22 januari 2022, het moment waarop de officier van justitie het voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken. In de rechtspraak geldt als uitgangspunt dat een ontnemingsprocedure in eerste aanleg binnen twee jaar dient te worden afgerond. De rechtbank wijst op 28 april 2026 vonnis, zodat de redelijke termijn is overschreden met twee jaar en drie maanden. De rechtbank ziet geen bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. Een overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van het vastgestelde ontnemingsbedrag dat afhankelijk is van de overschrijding. De rechtbank zal het ontnemingsbedrag verminderen met 10% (een bedrag van € 16.312,28).







5De verplichting tot betaling


De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 146.809.





6Toepasselijke wettelijke voorschriften


De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.





7Beslissing


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.



Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 146.809,-



Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 146.809,-. (zegge: honderdzesenveertigduizendachthonderdnegen euro) aan de Staat.



Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 1080 (duizendtachtig) dagen.




Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.H. Broesterhuizen, voorzitter,
mrs. M. Vaandrager en M.C. Danel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Buiskool, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 april 2026.








Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 24 maart 2022, in het bijzonder paragraaf 5.2.


Vonnis in de strafzaak, pagina’s 16 t/m 36.


ECLI:NL:HR:2021:376.