Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:7993
2026-08-06
Civiel recht; Internationaal privaatrecht
C/13/782858
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Geldlening met rechtskeuze voor Nederlands recht. Vordering niet opeisbaar omdat op de vennootschap die het geld geleend heeft Oostenrijks recht van toepassing is en het Oostenrijkse Eigenkapitalersatz-Gesetz aan opeisbaarheid in de weg staat zo lang de vennootschap in crisis verkeert.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.671 tekens)
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/782858 / HA ZA 26-96
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 6 augustus 2026
in de zaak van
APRODAK B.V.,
te Amsterdam,
eiseres,
hierna: Aprodak,
advocaat: mr. R.W.L. Russell,
tegen
de commanditaire vennootschap naar buitenlands recht
“KURHAUS GERMANIA” HERBERT KONRAD GMBH & CO KG,
te Hofgastein (Oostenrijk),
gedaagde,
hierna: Kurhaus,
advocaat: mr. S.J.C.A. Laurijssen.
De zaak wordt behandeld door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. R.T. van Ginneken als griffier.
Aanwezig zijn:
- mr. Russell, voornoemd,
- mr. J. Nooij, advocaat van Aprodak,
- [naam 1] , [functie 1] van Aprodak,
- [naam 2] , tolk Russisch,
- mr. Laurijssen, voornoemd,
- mr. P.E.J. Kets, advocaat van Kurhaus,
- [naam 3] , [functie 2] van Kurhaus, en
- [naam 4] , tolk Duits.
De volgende stukken zijn op de zitting aan het procesdossier toegevoegd:
- de nagekomen producties 16 tot en met 19 van Aprodak, en
- de op verzoek van de rechtbank door Kurhaus ingediende ongenummerde nagekomen productie, te weten het Gesellschaftsvertrag van 3 november 2009 met betrekking tot Kurhaus.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht en op elkaars standpunten gereageerd. De griffier heeft aantekeningen van de mondelinge behandeling gemaakt en deze zijn in het dossier gevoegd. De rechter sluit de behandeling van de zaak en deelt partijen mee dat hij mondeling uitspraak zal doen. Daarvan is dit proces-verbaal opgemaakt.
De rechter doet de volgende uitspraak.
1De gronden van de beslissing
1.1.
In deze zaak is op de gestelde overeenkomsten van 2016 en 2017, krachtens rechtskeuze, Nederlands recht van toepassing op grond van artikel 3 lid 1 Rome I.
Rome I geldt krachtens artikel 1 lid 2, aanhef en onder f, Rome I niet voor:
“f) kwesties behorende tot het recht inzake vennootschappen, verenigingen en rechtspersonen, zoals hun oprichting door registratie of anderszins, hun rechts- en handelingsbevoegdheid, hun inwendig bestel en hun ontbinding, alsook de persoonlijke aansprakelijkheid van de vennoten en de organen voor de verbintenissen van de vennootschap, vereniging of rechtspersoon;”
1.2.
Kurhaus Germania is een corporatie in de zin van artikel 10:118 BW, die zetel heeft in Oostenrijk, en die krachtens genoemde bepaling wordt beheerst door Oostenrijks recht. De rechtbank past Oostenrijks recht ambtshalve toe (artikel 10:2 BW). Dat betekent dat de rechtskeuze in de geldleenovereenkomst voor Nederlands recht er niet aan afdoet dat de regels inzake gedaagde als een in Oostenrijk gevestigde corporatie van toepassing zijn, te weten het Oostenrijks recht.
1.3.
De rechtbank gaat er veronderstellenderwijs van uit dat tussen Aprodak en Gastein een geldleenovereenkomst is gesloten, en tussen Gastein en Kurhaus eveneens, en dat Gastein krachtens de overeenkomst van 6 januari 2016 haar vordering op Kurhaus aan Aprodak heeft gecedeerd, welke cessie aan Kurhaus is meegedeeld. Dat blijkt uit het feit dat de overeenkomst door zowel Aprodak als Gastein als Kurhaus is ondertekend. Deze strekking kan verder worden afgeleid uit de considerans van deze overeenkomst:
“considering that
Lender [Aprodak B.V., rb.] has originally given a short term financial loan to Gastein Hotelbetriebs GmbH, Bad Hofgastein, and Gastein Hotelbetriebs GmbH has given financial help to Borrower [“Kurhaus Germania” Herbert Konrad GmbH & Co KG, rb.], this agreement is to change the loans to a direct loan from Lender to Borrower, starting from today, January 6, 2016 for a total amount of € 376,118, without any cash transaction.”
1.4.
Uit § 1 van het Eigenkapitalersatz-Gesetz (hierna: EKEG) volgt dat een lening die een vennoot aan een vennootschap verstrekt die in crisis verkeert, een vervanging voor eigen vermogen is. In § 2 van het EKEG wordt toegelicht wanneer een vennootschap in crisis verkeert. In § 14 van het EKEG wordt bepaald dat er een verhindering is een dergelijke lening terug te betalen zolang de vennootschap niet is gesaneerd, en er dus geen situatie zoals bedoeld in § 2 van het EKEG (meer) bestaat.
1.5.
Gastein was commanditaire vennoot van Kurhaus. Kurhaus verkeerde in crisis en had een negatief eigen vermogen. Dat betekent dat de door Gastein verstrekte leningen aan Kurhaus kapitaalvervangend waren op grond van § 1 en 2 van het EKEG. Dat heeft tot gevolg dat volgens § 14 EKEG terugbetaling niet kan plaatsvinden zolang de vennootschap niet gesaneerd is.
1.6.
Zoals hiervoor overwogen gaat de rechtbank er veronderstellenderwijs van uit dat de overeenkomst uit 2016 als een driepartijenovereenkomst kan worden gezien, waarbij Gastein haar vordering op Kurhaus aan Aprodak overdraagt en deze cessie aan Kurhaus wordt medegedeeld. Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing. Dat betekent dat volgens artikel 6:145 BW de overgang van de vordering de verweermiddelen van de schuldenaar onverlet laat. Omdat Kurhaus zich jegens Gastein op het EKEG kan beroepen, kan zij dat verweermiddel ook jegens Aprodak inroepen.
1.7.
Kurhaus stelt zij nog steeds in crisis verkeert omdat volgens het laatst bekende Gutachten uit 2025 aan elk van de drie criteria van § 2 van het EKEG is voldaan. Kort gezegd dat Kurhaus niet in staat is te betalen, dat zij een negatief eigen vermogen heeft, en dat het meer dan 15 jaar zal duren voor zij haar schulden kan voldoen. Volgens Kurhaus is deze toestand nog steeds aanwezig. Aprodak heeft daartegenover gesteld dat er waardevolle onroerende goederen tot het vermogen van Kurhaus behoren, maar daarmee is het bestaan van een crisis in de zin van § 2 van het EKEG onvoldoende weersproken. Aprodak heeft verder aangevoerd dat § 14 van het EKEG slechts aan executie in de weg zou staan. Dit is onjuist omdat uit die bepaling blijkt dat de vennoot de lening niet kan terugvorderen zolang de vennootschap niet gesaneerd is. Dit betekent dat de lening op dit moment niet opeisbaar is, en dat dus geen veroordeling tot betaling kan plaatsvinden.
1.8.
Dit betekent dat de vorderingen van Aprodak zullen worden afgewezen. Aprodak is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Aprodak zal niet worden veroordeeld in de door Kurhaus gevorderde beslagkosten omdat geen vordering wordt toegewezen waarvoor beslag was gelegd.
1.9.
Aprodak wordt in het ongeljk gesteld en moet de proceskosten van Kurhaus betalen. De proceskosten van Kurhaus worden begroot op:
- griffierecht
€
6.861,-
- salaris advocaat
€
5.770,-
(2 punten × € 2.885,-)
- nakosten
€
189,-
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
12.820,-
1.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2De beslissing
De rechtbank
2.1.
wijst de vorderingen van Aprodak af,
2.2.
veroordeelt Aprodak in de proceskosten aan de kant van Kurhaus van € 12.820,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als Aprodak niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
2.3.
veroordeelt Aprodak tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
2.4.
verklaart deze uitspraak wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de rechter.
Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I).
“§ 1. Ein Kredit, den eine Gesellschafterin oder ein Gesellschafter der Gesellschaft in der Krise gewährt, ist Eigenkapital ersetzend.”
“§ 2. Die Gesellschaft befindet sich in der Krise, wenn sie 1. zahlungsunfähig (§ 66 IO) oder 2. überschuldet (§ 67 IO) ist oder wenn 3. die Eigenmittelquote (§ 23 URG) der Gesellschaft weniger als 8% und die fiktive Schuldentilgungsdauer (§ 24 URG) mehr als 15 Jahre betragen, es sei denn, die Gesellschaft bedarf nicht der Reorganisation.”
“§ 14. Der Gesellschafter kann einen Eigenkapital ersetzenden Kredit samt den darauf entfallenden Zinsen nicht zurückfordern, solange die Gesellschaft nicht saniert ist und, wenn das Insolvenzverfahren nach einem bestätigten Sanierungsplan aufgehoben ist, soweit der Rückzahlungsanspruch die Sanierungsplanquote übersteigt; die Gesellschaft ist nicht saniert, solange sie zahlungsunfähig oder überschuldet ist oder Reorganisationsbedarf besteht oder einer dieser Umstände durch Rückzahlung des Eigenkapital ersetzenden Kredits eintreten würde. Dennoch geleistete Zahlungen hat der Gesellschafter der Gesellschaft rückzuerstatten. Dasselbe gilt, wenn sich der Gesellschafter durch Aufrechnung, Pfandverwertung oder in anderer Weise Befriedigung verschafft.”
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/782858 / HA ZA 26-96
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 6 augustus 2026
in de zaak van
APRODAK B.V.,
te Amsterdam,
eiseres,
hierna: Aprodak,
advocaat: mr. R.W.L. Russell,
tegen
de commanditaire vennootschap naar buitenlands recht
“KURHAUS GERMANIA” HERBERT KONRAD GMBH & CO KG,
te Hofgastein (Oostenrijk),
gedaagde,
hierna: Kurhaus,
advocaat: mr. S.J.C.A. Laurijssen.
De zaak wordt behandeld door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. R.T. van Ginneken als griffier.
Aanwezig zijn:
- mr. Russell, voornoemd,
- mr. J. Nooij, advocaat van Aprodak,
- [naam 1] , [functie 1] van Aprodak,
- [naam 2] , tolk Russisch,
- mr. Laurijssen, voornoemd,
- mr. P.E.J. Kets, advocaat van Kurhaus,
- [naam 3] , [functie 2] van Kurhaus, en
- [naam 4] , tolk Duits.
De volgende stukken zijn op de zitting aan het procesdossier toegevoegd:
- de nagekomen producties 16 tot en met 19 van Aprodak, en
- de op verzoek van de rechtbank door Kurhaus ingediende ongenummerde nagekomen productie, te weten het Gesellschaftsvertrag van 3 november 2009 met betrekking tot Kurhaus.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht en op elkaars standpunten gereageerd. De griffier heeft aantekeningen van de mondelinge behandeling gemaakt en deze zijn in het dossier gevoegd. De rechter sluit de behandeling van de zaak en deelt partijen mee dat hij mondeling uitspraak zal doen. Daarvan is dit proces-verbaal opgemaakt.
De rechter doet de volgende uitspraak.
1De gronden van de beslissing
1.1.
In deze zaak is op de gestelde overeenkomsten van 2016 en 2017, krachtens rechtskeuze, Nederlands recht van toepassing op grond van artikel 3 lid 1 Rome I.
Rome I geldt krachtens artikel 1 lid 2, aanhef en onder f, Rome I niet voor:
“f) kwesties behorende tot het recht inzake vennootschappen, verenigingen en rechtspersonen, zoals hun oprichting door registratie of anderszins, hun rechts- en handelingsbevoegdheid, hun inwendig bestel en hun ontbinding, alsook de persoonlijke aansprakelijkheid van de vennoten en de organen voor de verbintenissen van de vennootschap, vereniging of rechtspersoon;”
1.2.
Kurhaus Germania is een corporatie in de zin van artikel 10:118 BW, die zetel heeft in Oostenrijk, en die krachtens genoemde bepaling wordt beheerst door Oostenrijks recht. De rechtbank past Oostenrijks recht ambtshalve toe (artikel 10:2 BW). Dat betekent dat de rechtskeuze in de geldleenovereenkomst voor Nederlands recht er niet aan afdoet dat de regels inzake gedaagde als een in Oostenrijk gevestigde corporatie van toepassing zijn, te weten het Oostenrijks recht.
1.3.
De rechtbank gaat er veronderstellenderwijs van uit dat tussen Aprodak en Gastein een geldleenovereenkomst is gesloten, en tussen Gastein en Kurhaus eveneens, en dat Gastein krachtens de overeenkomst van 6 januari 2016 haar vordering op Kurhaus aan Aprodak heeft gecedeerd, welke cessie aan Kurhaus is meegedeeld. Dat blijkt uit het feit dat de overeenkomst door zowel Aprodak als Gastein als Kurhaus is ondertekend. Deze strekking kan verder worden afgeleid uit de considerans van deze overeenkomst:
“considering that
Lender [Aprodak B.V., rb.] has originally given a short term financial loan to Gastein Hotelbetriebs GmbH, Bad Hofgastein, and Gastein Hotelbetriebs GmbH has given financial help to Borrower [“Kurhaus Germania” Herbert Konrad GmbH & Co KG, rb.], this agreement is to change the loans to a direct loan from Lender to Borrower, starting from today, January 6, 2016 for a total amount of € 376,118, without any cash transaction.”
1.4.
Uit § 1 van het Eigenkapitalersatz-Gesetz (hierna: EKEG) volgt dat een lening die een vennoot aan een vennootschap verstrekt die in crisis verkeert, een vervanging voor eigen vermogen is. In § 2 van het EKEG wordt toegelicht wanneer een vennootschap in crisis verkeert. In § 14 van het EKEG wordt bepaald dat er een verhindering is een dergelijke lening terug te betalen zolang de vennootschap niet is gesaneerd, en er dus geen situatie zoals bedoeld in § 2 van het EKEG (meer) bestaat.
1.5.
Gastein was commanditaire vennoot van Kurhaus. Kurhaus verkeerde in crisis en had een negatief eigen vermogen. Dat betekent dat de door Gastein verstrekte leningen aan Kurhaus kapitaalvervangend waren op grond van § 1 en 2 van het EKEG. Dat heeft tot gevolg dat volgens § 14 EKEG terugbetaling niet kan plaatsvinden zolang de vennootschap niet gesaneerd is.
1.6.
Zoals hiervoor overwogen gaat de rechtbank er veronderstellenderwijs van uit dat de overeenkomst uit 2016 als een driepartijenovereenkomst kan worden gezien, waarbij Gastein haar vordering op Kurhaus aan Aprodak overdraagt en deze cessie aan Kurhaus wordt medegedeeld. Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing. Dat betekent dat volgens artikel 6:145 BW de overgang van de vordering de verweermiddelen van de schuldenaar onverlet laat. Omdat Kurhaus zich jegens Gastein op het EKEG kan beroepen, kan zij dat verweermiddel ook jegens Aprodak inroepen.
1.7.
Kurhaus stelt zij nog steeds in crisis verkeert omdat volgens het laatst bekende Gutachten uit 2025 aan elk van de drie criteria van § 2 van het EKEG is voldaan. Kort gezegd dat Kurhaus niet in staat is te betalen, dat zij een negatief eigen vermogen heeft, en dat het meer dan 15 jaar zal duren voor zij haar schulden kan voldoen. Volgens Kurhaus is deze toestand nog steeds aanwezig. Aprodak heeft daartegenover gesteld dat er waardevolle onroerende goederen tot het vermogen van Kurhaus behoren, maar daarmee is het bestaan van een crisis in de zin van § 2 van het EKEG onvoldoende weersproken. Aprodak heeft verder aangevoerd dat § 14 van het EKEG slechts aan executie in de weg zou staan. Dit is onjuist omdat uit die bepaling blijkt dat de vennoot de lening niet kan terugvorderen zolang de vennootschap niet gesaneerd is. Dit betekent dat de lening op dit moment niet opeisbaar is, en dat dus geen veroordeling tot betaling kan plaatsvinden.
1.8.
Dit betekent dat de vorderingen van Aprodak zullen worden afgewezen. Aprodak is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Aprodak zal niet worden veroordeeld in de door Kurhaus gevorderde beslagkosten omdat geen vordering wordt toegewezen waarvoor beslag was gelegd.
1.9.
Aprodak wordt in het ongeljk gesteld en moet de proceskosten van Kurhaus betalen. De proceskosten van Kurhaus worden begroot op:
- griffierecht
€
6.861,-
- salaris advocaat
€
5.770,-
(2 punten × € 2.885,-)
- nakosten
€
189,-
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
12.820,-
1.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2De beslissing
De rechtbank
2.1.
wijst de vorderingen van Aprodak af,
2.2.
veroordeelt Aprodak in de proceskosten aan de kant van Kurhaus van € 12.820,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als Aprodak niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
2.3.
veroordeelt Aprodak tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
2.4.
verklaart deze uitspraak wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de rechter.
Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I).
“§ 1. Ein Kredit, den eine Gesellschafterin oder ein Gesellschafter der Gesellschaft in der Krise gewährt, ist Eigenkapital ersetzend.”
“§ 2. Die Gesellschaft befindet sich in der Krise, wenn sie 1. zahlungsunfähig (§ 66 IO) oder 2. überschuldet (§ 67 IO) ist oder wenn 3. die Eigenmittelquote (§ 23 URG) der Gesellschaft weniger als 8% und die fiktive Schuldentilgungsdauer (§ 24 URG) mehr als 15 Jahre betragen, es sei denn, die Gesellschaft bedarf nicht der Reorganisation.”
“§ 14. Der Gesellschafter kann einen Eigenkapital ersetzenden Kredit samt den darauf entfallenden Zinsen nicht zurückfordern, solange die Gesellschaft nicht saniert ist und, wenn das Insolvenzverfahren nach einem bestätigten Sanierungsplan aufgehoben ist, soweit der Rückzahlungsanspruch die Sanierungsplanquote übersteigt; die Gesellschaft ist nicht saniert, solange sie zahlungsunfähig oder überschuldet ist oder Reorganisationsbedarf besteht oder einer dieser Umstände durch Rückzahlung des Eigenkapital ersetzenden Kredits eintreten würde. Dennoch geleistete Zahlungen hat der Gesellschafter der Gesellschaft rückzuerstatten. Dasselbe gilt, wenn sich der Gesellschafter durch Aufrechnung, Pfandverwertung oder in anderer Weise Befriedigung verschafft.”