Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7992

2026-07-16 Strafrecht; Materieel strafrecht 13/240007-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-16
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
13/240007-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Veroordeling poging tot afpersing in vereniging en poging tot diefstal met geweld in vereniging. Eendaadse samenloop. Adolescentenstrafrecht toegepast. Taakstraf (werkstraf) 100 uren en jeugddetentie 4 maanden voorwaardelijk.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.889 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM


Afdeling Publiekrecht



Teams Strafrecht



Parketnummer: 13/240007-25



Datum uitspraak: 16 juli 2026



Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:





[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 2003,
wonende op het adres [adres].





1Het onderzoek ter terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 juli 2026.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.T.A. de Ridder, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.K.B. Bijl, naar voren hebben gebracht.





2Tenlastelegging


Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 30 juli 2024 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan


1. poging tot afpersing in vereniging van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3];
2. poging tot diefstal in vereniging van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] voorafgegaan en/of vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3].


De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.





3Waardering van het bewijs


3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie



De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Wel heeft zij zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het gericht tonen van het vleesmes aan de aanwezige medewerkers, omdat dit op basis van het dossier niet kan worden bewezen.




3.2

Standpunt van de verdediging



De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd.




3.3

Oordeel van de rechtbank



Vaststaat dat verdachte op 30 juli 2024 samen met een mededader heeft geprobeerd een CEX-winkel in Amsterdam te overvallen. De rechtbank acht de tenlastegelegde feiten dan ook bewezen. De rechtbank zal verdachte wel vrijspreken van het daadwerkelijk tonen van het mes aan de medewerkers van de CEX-winkel, zoals dat onder 1 en 2 op de tenlastelegging is opgenomen. Verdachte is weliswaar met een vleesmes in zijn hand richting de kassa van de winkel gelopen, maar de rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte vervolgens ook daadwerkelijk het vleesmes heeft getoond aan medewerkers [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3].




Bewijs

Omdat verdachte de feiten zoals ten laste gelegd heeft bekend en de raadsvrouw geen vrijspraak heeft bepleit, kan op grond van artikel 359 derde lid van het Wetboek van Strafvordering met de hierna genoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan.



De rechtbank baseert zich bij de bewezenverklaring op de redengevende feiten en omstandigheden vervat in de inhoud van:




de bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting van 16 juli 2026 heeft afgelegd;


een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2024179452-3 van 30 juli 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2], doorgenummerde pagina’s 1-4;


een proces-verbaal van onderzoek camerabeelden, met foto’s, van 31 juli 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 3], doorgenummerde pagina’s 24-38.







4Bewezenverklaring


De rechtbank acht bewezen dat verdachte


1. op 30 juli 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te dwingen tot de afgifte van één of meerdere telefoons die geheel of ten dele aan CEX toebehoorden

- de verdachte met een mededader de winkel is binnengekomen,
- de mededader in de ingang van de winkel een vleesmes uit zijn tas heeft gehaald en dit mes aan de verdachte heeft overhandigd,
- de verdachte met het vleesmes in zijn hand naar de kassa is gelopen,
- de mededader met een open tas in zijn hand naar de kassa is gelopen,
- de mededader heeft gezegd "dit is een overval! Geef ons de telefoons!',
- de mededader aan de deur naar de balie heeft getrokken en
- de mededader met zijn handen tegen het plexiglas bij de kassa heeft geslagen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


2. op 30 juli 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om één of meerdere telefoons, die geheel of ten dele aan CEX toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken

- de verdachte met een mededader de winkel is binnengekomen,
- de mededader in de ingang van de winkel een vleesmes uit zijn tas heeft gehaald en dit mes aan de verdachte heeft overhandigd,
- de verdachte met het vleesmes in zijn hand naar de kassa is gelopen,
- de mededader met een open tas in zijn hand naar de kassa is gelopen,
- de mededader heeft gezegd "dit is een overval! Geef ons de telefoons!',
- de mededader aan de deur naar de balie heeft getrokken en
- de mededader met zijn handen tegen het plexiglas bij de kassa heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.



Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.





5Strafbaarheid van de feiten


De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.





6Strafbaarheid van verdachte


6.1

Standpunt van de verdediging



De verdediging heeft bepleit dat aan verdachte een beroep op ontslag van alle rechtsvervolging toekomt, omdat er sprake is geweest van vrijwillige terugtred. Volgens de verdediging is verdachte zelf tijdig tot inkeer en bezinning gekomen en de winkel uit gevlucht voordat sprake was van een voltooid misdrijf. Voor zover de rechtbank zou oordelen dat verdachte zijn vlucht pas inzette nadat er een ijzeren staaf werd gegooid naar de mededader, stelt de verdediging dat verdachte hierdoor niet werd verhinderd om door te gaan met zijn rol, en, anders dan bij de medeverdachte het geval was, er zelf voor koos om niet door te gaan.




6.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie



De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op vrijwillige terugtred niet slaagt, omdat sprake is van een strafbare poging. Het incident duurt maar kort, verdachte heeft een mes in zijn handen als er - onder andere - wordt geroepen: “dit is een overval”. Gelet daarop was vrijwillige terugtred niet meer mogelijk.




6.3

Oordeel van de rechtbank



De rechtbank is van oordeel dat het beroep op vrijwillige terugtred moet worden verworpen. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.



Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte samen met de mededader de winkel is binnengegaan en van hem een mes heeft gekregen dat hij vasthield. De mededader heeft vervolgens onder meer geprobeerd de deur naar de balie te openen en geroepen ‘dit is een overval! Geef ons de telefoons!’. Tijdens deze handelingen was er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de mededader. Op enig moment wordt door een van de medewerkers een grote ijzeren staaf gegooid in de richting van de medeverdachte. Op de stills van de camerabeelden in het dossier is te zien dat verdachte en de mededader hierna de winkel verlaten.
De rechtbank stelt voorop dat sprake is van een voltooide poging. Uit de rechtspraak blijkt dat vrijwillige terugtred ook in dat geval nog mogelijk is. In het geval van medeplegen is voor een geslaagd beroep op vrijwillige terugtred pas sprake van straffeloosheid als de dader zorgt dat het misdrijf ook door de mededader niet wordt voltooid. Ook al treedt één medepleger immers vrijwillig terug, dan nog bestaat er de door de andere medepleger begane poging. Voor een geslaagd beroep op vrijwillige terugtred is dus niet genoeg dat verdachte, zoals de verdediging stelt, er zelf voor koos om weg te rennen en niet door te gaan met zijn rol. Hij had ook zijn mededader moeten beletten om door te gaan. Omdat niet uit de bewijsmiddelen volgt dat de mededader is gestopt door toedoen van verdachte, maar lijkt te zijn gestopt omdat er een grote ijzeren staaf naar hem werd gegooid, verwerpt de rechtbank het beroep op vrijwillige terugtred.



Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.






7Motivering van de straffen


7.1


Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat, in lijn met het reclasseringsadvies, het volwassenenstrafrecht wordt toegepast. Verder heeft zij gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd om aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd.




7.2

Standpunt van de verdediging



De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld in geval van strafoplegging aanknopingspunten te zien voor de toepassing van het adolescentenstrafrecht. De verdediging heeft verzocht om in ieder geval aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor jeugd.




7.3

Oordeel van de rechtbank



7.3.1
Wel of geen toepassing van het jeugdstrafrecht?


Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten 21 jaar en dus meerderjarig. Op een verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als er sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of waaronder de feiten zijn gepleegd die daartoe aanleiding geven. De rechtbank heeft, bij haar beoordeling van de vraag of het jeugdsanctierecht moet worden toegepast, gelet op het volgende.



De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport van 13 juli 2026 van GGZ Reclassering Inforsa. De reclassering schrijft dat er ten aanzien van de handelingsvaardigheden van verdachte indicaties zijn voor het jeugdstrafrecht. Zij geven aan dat verdachte impulsief handelt en zich gemakkelijk laat beïnvloeden door anderen. Op het gebied van pedagogische mogelijkheden zien zij geen indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht omdat er geen gezinsgerichte hulpverlening is geïndiceerd. Aangezien er geen specifieke interventie en/of maatregel vanuit het jeugdstrafrecht nodig is adviseren zij het volwassenenstrafrecht toe te passen.



Verdachte heeft verklaard dat hij ten tijde van het plegen van het delict door zijn vader uit huis was gezet en dakloos was. Onder deze omstandigheden heeft hij zich, toen hij via een bekende werd gevraagd om het delict te plegen, laten meeslepen om makkelijk geld te verdienen. Naar eigen zeggen was hij tijdens het plegen van de feiten vooral erg bang. Inmiddels heeft hij zijn leven grotendeels weer op de rit en gaat naar school.



De rechtbank ziet gelet op het bovenstaande, in het bijzonder de beïnvloedbaarheid en impulsiviteit van verdachte, de impulsiviteit van de daad destijds en de omstandigheden waaronder verdachte het feit heeft begaan, aanleiding om op grond van artikel 77c Sr het jeugdstrafrecht toe te passen. Dat er door de reclassering geen gezinsgerichte hulpverlening is geïndiceerd acht de rechtbank hier niet doorslaggevend, mede omdat verdachte door zijn vader uit huis is gezet en zijn moeder in het buitenland woont.




7.3.2
De op te leggen straf


De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.



De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.




De ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot afpersing / diefstal met geweld. Samen met de mededader heeft hij op klaarlichte dag met een mes geprobeerd om een telefoonwinkel te overvallen. Hij zou hiervoor uiteindelijk een deel van de buit krijgen. In de winkel waren op dat moment 3 medewerkers en 2 klanten aanwezig. Een overval met een groot vleesmes kan voor de aanwezigen bijzonder ingrijpend zijn. Daarnaast veroorzaken dit soort feiten maatschappelijke onrust en brengen een gevoel van onveiligheid teweeg. De verdachte heeft deze gevolgen kennelijk op de koop toe genomen en zich laten lijden door financieel gewin.



Wel houdt de rechtbank rekening met het feit dat de rol van verdachte beperkter was dan die van zijn mededader. Ook houdt de rechtbank rekening met de angst en aarzeling waarover verdachte heeft verklaard en die ook wordt bevestigd door de stills van de camerabeelden ten tijde van het plegen van de feiten.




De persoon van verdachte

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 26 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Wel liep verdachte nog in een proeftijd voor een andersoortig feit, waarvoor hij op 15 augustus 2025 is veroordeeld. De rechtbank houdt rekening met deze veroordeling in verband met artikel 63 Wetboek van Strafrecht.



Sinds 2024 is verdachte verder niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. Verdachte heeft inmiddels een kamer. Hij is bezig met een opleiding en doet regelmatig klussen voor zijn oude stagebedrijf om zijn schulden af te betalen. Gelet op de situatie waar verdachte vandaan komt, vindt de rechtbank het bewonderenswaardig hoe hij zijn leven weer heeft weten op te bouwen. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat verdachte niet in herhaling zal vallen. Bij een lange gevangenisstraf kan verdachte zijn woning verliezen en studievertraging oplopen. De rechtbank houdt er dan ook rekening mee dat er bij een gevangenisstraf veel op het spel staat voor verdachte.
De reclassering heeft verder aangegeven dat verdachte goed heeft meegewerkt aan de bijzondere voorwaarden binnen zijn schorsingstoezicht. De reclassering heeft geadviseerd om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, het volgen van een opleiding, ambulante behandeling en meewerken aan schuldhulpverlening. Verdachte heeft zich bereid verklaard aan die voorwaarden mee te werken.



De rechtbank houdt er tenslotte rekening mee dat verdachte tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris en op de zitting open is geweest over wat er is gebeurd en aangeeft spijt te hebben van wat hij heeft gedaan.




Strafoplegging

Om te bevorderen dat landelijk door rechtbanken voor dezelfde feiten ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het LOVS oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft, gelet op de toepassing van het jeugdstrafrecht, bij de oplegging van de straf voor de bewezenverklaarde feiten gekeken naar de oriëntatiepunten die gelden voor jeugd. Op basis van deze oriëntatiepunten en de aard en ernst van de gepleegde feiten is het uitgangspunt minimaal 4 maanden jeugddetentie. Gelet echter op de positieve weg die verdachte de afgelopen jaren heeft ingeslagen, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie niet passend. Verdachte dient echter nog wel bestraft te worden en de consequenties van zijn handelen te ondervinden. Dit maakt dat de rechtbank een taakstraf (werkstraf) van 100 uur oplegt, met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke jeugddetentie van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd.







8Toepasselijke wettelijke voorschriften


De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 45, 47, 55, 63, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.





9Beslissing


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.



Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.



Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.




Het bewezen verklaarde levert op:




eendaadse samenloop van





poging tot afpersing terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen





en





poging tot diefstal, voorafgegaan of vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen




Verklaart het bewezene strafbaar.



Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.



Veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 (honderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 50 (vijftig) dagen.



Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering gebracht zal worden naar de maatstaf van 2 uren per dag.



Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 4 (vier) maanden.



Beveelt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt bevolen.



Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.



De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.



De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.



Stelt als bijzondere voorwaarden:




Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De afspraken met zijn huidige toezichthouder kunnen worden voortgezet.




Volgen van opleiding

Veroordeelde volgt een opleiding. Momenteel is dit de opleiding ICT (MBO niveau 2) bij het ROC Midden-Nederland. Wanneer veroordeelde deze opleiding heeft afgerond of niet meer volgt dient hij zich in te zetten voor het vinden en behouden van een andere opleiding, werk of andere dagbesteding.




Aflossing schulden

Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.




Ambulante begeleiding

Veroordeelde krijgt ambulante begeleiding vanuit E25 of een soortgelijke organisatie, te bepalen door de reclassering. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken die vanuit E25 of een andere organisatie met hem worden gemaakt. De begeleiding vanuit E25 is in het schorsingstoezicht al opgestart.



Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:



ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;


zijn medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.




Geeft opdracht aan GGZ Reclassering Inforsa Utrecht, een gecertificeerde instelling die reclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.





Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.





Dit vonnis is gewezen door
mr. A.E. Wilbrink, voorzitter,
mrs. C. Wildeman en M.E. Kleinherenbrink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.C. Roodenburg, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juli 2026.








[…]







Vgl. HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN4351.