Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7976

2026-08-04 Strafrecht 13/306594-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-04
Publicatiedatum
2026-08-07
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
13/306594-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor de mishandeling van een ambtenaar en bedreiging. De feiten worden in sterk verminderde mate toegerekend aan verdachte. Oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden. Dadelijke uitvoerbaarheid. Oplegging GVM. Oplegging gevangenisstraf van 4 maanden met aftrek. Gehele toewijzing vordering benadeelde partij.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (41.099 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM



Afdeling Publiekrecht



Teams Strafrecht



Parketnummer: 13/306594-25



Datum uitspraak: 4 augustus 2026




Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:





[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [BRP-adres] ,
gedetineerd in het [detentieplaats]





1Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
21 juli 2026.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.H. de Krijger, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.N. Ebinum, naar voren hebben gebracht.



Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de deskundige mevrouw [naam] , medewerker van de GGZ Reclassering Inforsa, heeft verklaard.





2Tenlastelegging


Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 13 november 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:




een poging zware mishandeling van [aangever 1] (hierna: [aangever 1] ), subsidiair ten laste gelegd als mishandeling van een ambtenaar;


de bedreiging van [aangever 2] (hierna: [aangever 2] ).




De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs


3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie



De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte de onder 1 primair ten laste gelegde poging zware mishandeling en de onder 2 ten laste gelegde bedreiging heeft begaan. Zij heeft daarbij verwezen naar de aangiftes, de bekennende verklaring van verdachte en de letselverklaring van aangever [aangever 1] .



Over de ten laste gelegde poging zware mishandeling heeft de officier van justitie aangevoerd dat de gedraging van verdachte – het geven van een flinke kopstoot – naar haar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht was op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Het handelen van verdachte kan dan ook worden aangemerkt als een poging zware mishandeling.



De officier van justitie is van mening dat het branden met de aansteker langs de arm van aangever [aangever 2] voldoende is om aangemerkt te kunnen worden als een strafbare bedreiging.




3.2.

Het standpunt van de verdediging



De raadsvrouw heeft vrijspraak van het aan verdachte onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bepleit en daartoe het volgende aangevoerd.



Voor het onder 1 primair ten laste gelegde heeft te gelden dat verdachte geen opzet heeft gehad om aangever [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, ook niet in voorwaardelijke zin. Het geven van een kopstoot is op zichzelf naar algemene ervaringsregels niet geschikt om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte heeft slechts een zijwaartse kopstoot gegeven, terwijl hij gefixeerd was en dus niet vrij kon bewegen.



Ten aanzien van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde mishandeling refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.



Voor het onder 2 ten laste gelegde is van belang dat uit het dossier volgt dat verdachte met de aansteker langs de arm van aangever een kortdurende, vloeiende beweging heeft gemaakt. Deze zeer kortdurende handeling was helemaal niet geschikt om zwaar lichamelijk letsel of de dood te veroorzaken. Verdachte handelde bovendien met de bedoeling om zijn telefoon terug te krijgen, niet om aangever te bedreigen.




3.3.

Het oordeel van de rechtbank



3.3.1.

Vrijspraak feit 1 primair (poging zware mishandeling)



De rechtbank spreekt verdachte vrij van de ten laste gelegde poging zware mishandeling en licht dit als volgt toe.



Voor een bewezenverklaring van een strafbare poging tot zware mishandeling is vereist dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank stelt voorop dat het dossier geen aanwijzing biedt dat verdachte vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.



Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.



Uit vaste rechtspraak volgt dat de enkele omstandigheid dat een harde kopstoot is uitgedeeld, niet voldoende is voor het oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel. Daarvoor dienen nadere vaststellingen te worden gedaan over de omstandigheden waaronder de kopstoot is gegeven, bijvoorbeeld over de kracht en gerichtheid van de kopstoot of de hoedanigheid van de dader.



Vast is komen te staan dat verdachte, die verbleef op de HIC-afdeling van Mentrum aan het [straatnaam 1] in Amsterdam, aangever [aangever 1] , op dat moment werkzaam als GGZ-medewerker bij Mentrum, een kopstoot heeft gegeven. De rechtbank neemt aan dat dit ook met kracht is gebeurd, gelet op het letsel dat aangever heeft opgelopen en de verklaring van collega-GGZ medewerker [aangever 2] . Zo was bij [aangever 1] sprake van een neuskneuzing, een hersenschudding en gebitsschade. Deze vaststellingen vormen echter onvoldoende grond voor het oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [aangever 1] door het geven van een kopstoot zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor aanvullende vaststellingen die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard, ontbreekt het bewijs voor voorwaardelijk opzet. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de poging zware mishandeling.




3.3.2.

Bewezenverklaring feit 1 subsidiair (mishandeling)



De rechtbank is van oordeel dat wel kan worden bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten de mishandeling van [aangever 1] in diens hoedanigheid van ambtenaar. Verdachte heeft dit feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom kan, gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, worden volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen worden opgesomd in bijlage II van dit vonnis.




3.3.3.

Bewijsoverweging feit 2 (bedreiging)



De rechtbank stelt op basis van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte vast dat verdachte in een gespannen situatie waarin hij zichtbaar overstuur was, een brandende aansteker langs de arm van aangever [aangever 2] heeft gehaald. Daarbij zijn armharen van [aangever 2] afgebrand. Dit gebeurde in de woonvoorziening waar verdachte verbleef. De rechtbank is van oordeel dat deze gedraging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen dan wel brand zou stichten. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat met een open vuurbron over de blote huid strijken een gedraging is die de vrees kan doen ontstaan op zwaar lichamelijk letsel, namelijk in de vorm van zware brandwonden. Dat verdachte met zijn handelen slechts de intentie zou hebben om zijn telefoon terug te krijgen, maakt het voorgaande niet anders. Het feit kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.







4Bewezenverklaring


De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:


1. subsidiair
op 13 november 2025 te Amsterdam, een ambtenaar, [aangever 1] , gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld, door een kopstoot te geven tegen het gezicht van die [aangever 1] ;
2
op 13 november 2025 te Amsterdam, [aangever 2] heeft bedreigd met zware mishandeling en brandstichting door met een brandende aansteker langs de arm van die [aangever 2] te gaan.


Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.





5De strafbaarheid van de feiten


De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.





6De strafbaarheid van verdachte


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.





7Motivering van de straffen en maatregelen


7.1.

De eis van de officier van justitie



De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 250 dagen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden wordt opgelegd met dadelijke uitvoerbaarheid. Tot slot heeft de officier van justitie verzocht om aan verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) op te leggen en om de voorlopige hechtenis te schorsen met ingang van de dag dat verdachte kan worden opgenomen in een zorginstelling.




7.2.

Het standpunt van de verdediging



De raadsvrouw heeft verzocht bij het bepalen van de straf rekening te houden met het advies van de deskundigen om de feiten in sterk verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Verder heeft zij aangevoerd dat gelet op de richtlijnen en straffen die doorgaans worden opgelegd in soortgelijke zaken, hooguit een straf moet worden opgelegd waarbij het onvoorwaardelijke strafdeel gelijk is aan het voorarrest.



Ten aanzien van de gevorderde tbs-maatregel heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het doel van tbs met voorwaarden ook in het kader van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden kan worden bereikt. Er dient altijd eerst gekeken te worden naar het minst ingrijpende middel om het gewenste resultaat te behalen. Verdachte heeft ziektebesef en is bijzonder gemotiveerd om aan de slag te gaan met zijn problematiek. Hij is bovendien niet eerder behandeld in het kader van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. Oplegging van de tbs-maatregel is dan ook disproportioneel en onwenselijk.



Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om aan verdachte geen GVM op te leggen. Gelet op het uitgebreide pakket aan geadviseerde voorwaarden heeft de oplegging van een GVM geen toegevoegde waarde.



Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht om de voorlopige hechtenis van verdachte onmiddellijk op te heffen, subsidiair per de eerste opnamemogelijkheid.




7.3.

Het oordeel van de rechtbank



7.3.1.

Overwegingen ten aanzien van de straf en maatregelen



De hierna te noemen straf- en maatregeloplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.



De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.




Ernst van de feiten

Verdachte heeft op een en dezelfde dag en kort na elkaar een GGZ-medewerker in de GGZ-instelling waar hij op dat moment verbleef, mishandeld door hem een flinke kopstoot te geven en een andere GGZ-medewerker bedreigd door met een brandende aansteker langs diens arm te strijken.



Dit zijn ernstige feiten, zeker omdat deze zijn gepleegd tegen hulpverleners in de uitoefening van hun functie. Deze personen waren juist aanwezig om verdachte hulp en zorg te verlenen. Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de mishandelde GGZ-medewerker en het veiligheidsgevoel van beide GGZ-medewerkers aangetast. Uit het verzoek tot schadevergoeding van de mishandelde blijkt dat hij een maand last heeft gehad van het letsel en zich maandenlang niet op zijn gemak voelde op zijn werk.



In het algemeen hebben dit soort feiten gevoelens van onveiligheid tot gevolg.




Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 10 juni 2026. Daaruit blijkt dat verdachte al eerder, op 10 juli 2025, is veroordeeld voor mishandeling van een hulpverlener. Bovendien blijkt uit zijn strafblad dat eerdere (gewelds)delicten meermaals hebben geleid tot een beleidssepot, waarbij de persoonlijke omstandigheden van verdachte steeds een rol hebben gespeeld.



De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de volgende rapportages die zijn opgemaakt over de persoon van verdachte:




een Pro Justitia psychiatrisch en psychologisch onderzoek van 10 april 2026, opgesteld door S.M. Roopram, psychiater, en M.G.H. van Willigenburg, klinisch psycholoog;


het antwoord op de aanvullende vraag van de verdediging door voornoemde psychiater en psycholoog, binnengekomen bij de rechtbank op 15 mei 2026;


een maatregelenrapport van 7 mei 2026 van de GGZ Reclassering Inforsa, opgesteld door [naam] .




Uit de rapportage van de psychiater blijkt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende.



Bij verdachte is schizofrenie, een stoornis in het gebruik van cannabis en een ongespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis vastgesteld. Ten tijde van en in aanloop naar de ten laste gelegde feiten waren deze stoornissen aanwezig. Het is zeer aannemelijk dat verdachte als gevolg van het gebruik van cannabis een toename van zijn paranoïde en paniekklachten kreeg. Verdachte verloor de grip op de realiteit en was in de overtuiging dat hij vermoord, gemarteld en/of misbruikt zou worden. Het gebruik van cannabis zal tevens de impulsdrempel verlaagd hebben. De psychiater komt dan ook tot de conclusie dat de ten laste gelegde feiten verdachte in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend.



Schizofrenie is nog steeds aanwezig bij verdachte. Er zijn nog wanen aanwezig, ondanks het gebruik van een hogere dan therapeutische dosering clozapine in combinatie met een ander antipsychoticum. Ook de intensieve behandeling die verdachte ontving in de GGZ in het kader van een zorgmachtiging heeft niet gezorgd voor een vermindering van symptomen en agressie. De laatste jaren zijn de agressie-incidenten juist toegenomen. Daarnaast is sprake van cannabisgebruik, wat een uitlokkende en verergerende factor is voor zijn symptomen en de delictgerelateerde fysieke agressie. Het afwezige ziektebesef ten aanzien van de huidige waan en het beperkte ziekte-inzicht is van negatieve invloed op de medewerking van verdachte. Door zijn therapieresistentie is de kans aanwezig dat verdachte op termijn stopt met zijn medicatie en middelen gaat gebruiken, wat het risico op een toename van psychotische symptomen en delictgedrag vergroot. Indien hij cannabis gebruikt en/of er stresserende omstandigheden zijn, wordt het risico op opnieuw een ontregeling van zijn psychotische toestandsbeeld met delictgedrag op termijn als hoog ingeschat. Indien verdachte wel in behandeling is en begeleiding heeft, kan medicatie en middelengebruik gecontroleerd worden en wordt verwacht dat hij gemotiveerd blijft voor medicatie en in ieder geval op korte termijn te motiveren is voor blijvende abstinentie van cannabis. Daarnaast kan er gezorgd worden voor een stabiele leefsituatie. Er kan met intensieve begeleiding ook sneller ingegrepen worden als verdachte weer middelen gaat gebruiken of als hij ontregelt, om daarmee de kans op delictgedrag bij een decompensatie te voorkomen. Alles in beschouwing nemende, wordt het recidiverisico als matig ingeschat indien verdachte intensieve begeleiding en behandeling ontvangt, en als hoog indien verdachte geen zorg ontvangt.



Gelet op het voorgaande wordt door de psychiater geadviseerd behandeling plaats te laten vinden in het kader van een tbs-maatregel.



Een zorgmachtiging wordt niet toereikend geacht, aangezien verdachte met een zorgmachtiging was opgenomen ten tijde van de tenlastelegging en deze het delictgedrag niet heeft kunnen voorkomen. Daarnaast wordt de korte duur van de maatregel en het ontbreken van forensische scherpte op dit moment onvoldoende geacht om tot recidivevermindering te komen. Ook een behandeling in het kader van een (deels) voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden wordt als niet passend geacht, gezien de op de voorgrond staande psychiatrische problematiek en een gebrek aan ziekte-inzicht. Verdachte geeft aan gemotiveerd te zijn voor behandeling, echter ontbreekt het hem aan ziektebesef ten aanzien van zijn psychotische symptomen en was reeds een gedwongen kader nodig om hem te kunnen behandelen in de GGZ. Zijn realiteitstoetsing is wankel en verslavingsproblematiek ernstig. Gezien het wankele evenwicht, bestaat de kans dat verdachte voorwaarden overtreedt en met onvoldoende zorg terugkeert in de maatschappij. Dat is onwenselijk.



Een tbs met voorwaarden wordt als voldoende toereikend geacht vanwege de stevige kaders die gesteld kunnen worden. Verdachte is nu abstinent van middelen, wil dit volhouden, werkt mee aan behandeling en medicatie-inname en wil zelf ook graag behandeld worden voor zijn trauma’s. De verwachting is dat verdachte in staat kan zijn dit alles voort te zetten en zich te houden aan voorwaarden, mits hij psychiatrisch redelijk stabiel is en hij in een gestructureerde setting verblijft. Het advies is om in de voorwaarden op te nemen dat verdachte bij terugval in cannabisgebruik of een psychotische episode kortdurend voor crisis opgenomen kan worden in een forensische instelling.




De psycholoog komt tot vergelijkbare conclusies en adviezen.



Uit het maatregelenrapport van GGZ Reclassering Inforsa (hierna: de reclassering) volgt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende.



De reclassering kenmerkt het psychosociaal functioneren, middelengebruik en het gebrek aan dagbesteding als voornaamste risicofactoren. Gelet op het ontbrekende ziektebesef en de aanhoudende risico’s, is klinische behandeling nodig om het huidige recidiverisico te verlagen. De reclassering doet geen uitspraak over de wenselijkheid van het opleggen van een tbs-maatregel. Wel adviseert de reclassering positief over de uitvoerbaarheid van tbs met voorwaarden. De reclassering kan het toezicht hierop uitoefenen. De reclassering heeft in haar advies de voorwaarden geformuleerd waaronder de tbs-maatregel met voorwaarden kan worden opgelegd, te weten:




geen strafbaar feit plegen;


meewerken aan reclasseringstoezicht;


meewerken aan time-out;


niet naar het buitenland;


opname in een zorginstelling;


ambulante behandeling;


begeleid wonen of maatschappelijke opvang;


drugsverbod;


alcoholverbod;


dagbesteding.




Daarnaast adviseert de reclassering de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden, omdat de kans op een misdrijf met schade voor personen groot is. Tot slot adviseert de reclassering een GVM-maatregel op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de tbs-maatregel.



Mevrouw [naam] van de reclassering heeft op de terechtzitting laten weten dat verdachte inmiddels geaccepteerd is voor een behandeling bij de Forensisch Psychiatrische Kliniek van Inforsa in Amsterdam aan de [straatnaam 2] , en dat de definitieve opnamedatum op korte termijn bekend wordt gemaakt.



Verdachte heeft zich op de zitting van 21 juli 2026 bereid verklaard mee te werken aan alle voorwaarden die de reclassering in het maatregelenrapport van 7 mei 2026 heeft geadviseerd.




7.3.2.

De motivering van de tbs-maatregel met voorwaarden



De rechtbank neemt de bevindingen, conclusies en adviezen van de deskundigen over en maakt die tot de hare. De rechtbank concludeert dat bij verdachte sprake is van schizofrenie, een stoornis in het gebruik van cannabis en een ongespecificeerde psychotrauma- of stressgerelateerde stoornis. Deze stoornissen waren ten tijde van de bewezen geachte feiten aanwezig en beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte op dat moment. Het bewezengeachte wordt dan ook in sterk verminderde mate aan verdachte toegerekend.



Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een tbs-maatregel met voorwaarden het meest geschikte middel is om het gewenste (behandel)resultaat te behalen en het hoge recidiverisico te verlagen. Eerdere behandelingen hebben namelijk niet het noodzakelijke effect gehad en het wordt van groot belang geacht dat verdachte intensief en langdurig wordt behandeld voor zijn stoornissen. De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat het risico op recidive onvoldoende kan worden ondervangen door een behandeling binnen een voorwaardelijk kader. Gelet op de op de voorgrond staande psychiatrische problematiek en het gebrek aan ziektebesef is de kans aanwezig dat verdachte voorwaarden overtreedt, met als gevolg dat het behandelkader vervalt en slechts de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf resteert. Verdachte komt in dat geval (onbehandeld) terug in de samenleving, terwijl het risico op recidive als hoog wordt ingeschat. De rechtbank vindt dat zeer onwenselijk.



De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke eisen die worden gesteld aan oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden is voldaan. Bij verdachte bestond tijdens het begaan van de bewezen geachte feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De bewezen geachte feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan wel behoren tot een van de misdrijven omschreven in lid 1 onder 2 van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Daarnaast vereist de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel. De rechtbank zal aan verdachte dan ook de tbs-maatregel opleggen.



De rechtbank overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De maatregel kan daarom bij omzetting naar tbs met dwangverpleging langer duren dan vier jaar.




Dadelijke uitvoerbaarheid

Omdat de rechtbank – gelet op de noodzaak van de behandeling en het recidivegevaar en het uit te oefenen toezicht – het van belang acht dat de behandeling van verdachte aansluitend aan zijn detentie zal plaatsvinden, zal de rechtbank op de voet van artikel 238, zesde lid, Sr bepalen dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.




GVM

Op basis van de Pro Justitia rapportages en het reclasseringsrapport is naar het oordeel van de rechtbank de kans aanwezig dat het recidiverisico na afloop van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden nog niet tot een aanvaardbaar niveau is teruggedrongen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het noodzakelijk is om verdachte daarnaast de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. Hiermee wordt de mogelijkheid gecreëerd om verdachte ook na de terbeschikkingstelling met voorwaarden, indien dat dan nodig blijkt, onder toezicht te stellen, zodat het risico op recidive wordt geminimaliseerd. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, Sr is voldaan. Aan verdachte wordt immers de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden opgelegd. Daarnaast is de oplegging van de maatregel van artikel 38z Sr in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen. De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van die maatregel en het eventuele bepalen van specifieke voorwaarden zal in de laatste fase van de executie van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden plaatsvinden. Een risicotaxatie van het dan aanwezige recidivegevaar dient in het kader van die beoordeling plaats te vinden.




Voorlopige hechtenis

In het licht van het voorgaande wijst de rechtbank af het verzoek van de raadsvrouw om de voorlopige hechtenis bij uitspraak op te heffen.



Voor de periode dat dit vonnis nog niet onherroepelijk is geworden, zal de rechtbank bevelen dat de voorlopige hechtenis van verdachte wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop verdachte wordt opgenomen in de beoogde kliniek (of een plek voor overbruggingszorg). Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zal de rechtbank dezelfde voorwaarden verbinden als die aan de tbs-maatregel worden verbonden.



Die schorsing houdt verband met de tevens op te leggen dadelijk uitvoerbare tbs met voorwaarden. Zou verdachte de in dat kader te stellen voorwaarden niet naleven, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, bestaat de mogelijkheid om de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen. Op die manier worden de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen gewaarborgd. De rechtbank verwijst hiertoe naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729, r.o. 6.5.




7.3.3.

De motivering van de straf



De rechtbank vindt dat naast de opgelegde maatregel, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd.



Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de feiten en omstandigheden zoals die zijn weergegeven in rubriek 7.3.1. Verder houdt de rechtbank bij het bepalen van de duur van de straf rekening met de omstandigheid dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar wordt beschouwd.



De rechtbank komt, alles afwegende, tot een andere bewezenverklaring en een lagere straf dan de straf die door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht een gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.






8Vordering benadeelde partij (feit 1 subsidiair)


De benadeelde partij [aangever 1] vordert € 125,63 aan vergoeding van materiële schade en € 675,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De materiële schade bestaat uit tandartskosten, parkeerkosten en reiskosten.



De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsvrouw heeft de vordering niet betwist.



De rechtbank is van oordeel dat de materiële schadeposten voldoende onderbouwd en toewijsbaar zijn.



Voor de gevorderde immateriële schade staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade als de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde geestelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank overweegt in dat verband dat gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde deze nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het gevorderde bedrag van € 675,- komt de rechtbank niet onevenredig of ongegrond voor. Zij zal dit bedrag dan ook toewijzen.



De rechtbank zal de gehele vordering tot schadevergoeding toewijzen, te weten € 800,63, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 november 2025 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.





9Toepasselijke wettelijke voorschriften


De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 38d, 38z, 57 (oud), 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.





10Beslissing


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.



Verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.



Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.



Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.



Het bewezenverklaarde levert op:




ten aanzien van feit 1 subsidiair:


mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;





ten aanzien van feit 2:


bedreiging met zware mishandeling en brandstichting.




Verklaart het bewezene strafbaar.



Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.



Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden.



Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.



Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:


1. Geen strafbaar feit plegen
Verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.

2. Meewerken aan reclasseringstoezicht
Verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:



Verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.


Verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen.


Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.


Verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.


Verdachte werkt mee aan huisbezoeken.


Verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.


Verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.


Verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.



3. Meewerken aan time-out
Als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.

4. Niet naar het buitenland
Verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.

5. Opname in een zorginstelling
Verdachte wordt verplicht om zich te laten opnemen en behandelen in een intramurale instelling, zulks ter beoordeling van de Divisie Individuele Zaken van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven, zolang de reclassering dat in overleg met die instelling nodig acht. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Mocht er onverhoopt niet direct een plek voor verdachte zijn in de klinieken waar hij is geaccepteerd, dan dient verdachte mee te werken aan plaatsing in een andere kliniek in het kader van een overbruggingsplaatsing. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

6. Ambulante behandeling
Verdachte laat zich aansluitend aan de klinische behandeling, behandelen door de Forensisch Ambulante Zorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt

7. Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Verdachte verblijft, indien door de reclassering geïndiceerd, aansluitend aan de klinische behandeling in een door de reclassering te bepalen instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

8. Verbod verdovende middelen
Verdachte gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met middels een speekseltest, urine- of ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

9. Alcoholverbod
Verdachte gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet meewerken aan controles. De controle gebeurt door middel van een speekseltest, urine- of ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.





10. Dagbesteding
Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.


Geeft opdracht aan de reclassering de terbeschikkinggestelde bij de naleving van die voorwaarden hulp en steun te verlenen.



Beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.



Legt op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.



Schorst de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van de dag waarop de terbeschikkinggestelde zich heeft laten opnemen in een zorginstelling onder dezelfde voorwaarden zoals deze onder 1 tot en met 10 zijn vermeld bij de voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde. Deze beslissing wordt afzonderlijk opgesteld.



Stelt vast dat – gelet op artikel 6:3:14 lid 1 aanhef en onderdeel a sub 3 en 6 Sv – het Openbaar Ministerie belast is met het toezicht op de naleving van de voorwaarden gesteld bij de last tot terbeschikkingstelling en de schorsing van de voorlopige hechtenis, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing en de schorsing van de voorlopige hechtenis.




Ten aanzien van de benadeelde partij [aangever 1] (feit 1):


Wijst de gehele vordering van de benadeelde partij [aangever 1] toe tot € 125,63 (honderdvijfentwintig euro drieënzestig) aan vergoeding van materiële schade en € 675,- (zeshonderdvijvenzeventig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 13 november 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.



Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever 1] .



Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.



Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 1] aan de Staat € 800,63 (achthonderd euro drieënzestig) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 13 november 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 8 (acht) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.



Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.



Dit vonnis is gewezen door
mr. Ch.A. van Dijk, voorzitter,
mr. E. Biçer en mr. C.S. Groefsema, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.G.E. Spaander, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 augustus 2026.









[…]









[…]









[…]