Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:7975
2026-07-02
Civiel recht
C/13/776693 / HA RK 25-347
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek getuigenverhoor als voorlopige bewijsverrichting. Toegewezen voor drie getuigen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:1985:AC9066 Hoge Raad 01-03-1985
- ECLI:NL:HR:2021:532 Hoge Raad 09-04-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.142 tekens)
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/776693 / HA RK 25-347
Beschikking van 2 juli 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
BUNQ B.V.,
te Amsterdam,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Bunq,
advocaat: mr. F.M.A. 't Hart,
tegen
1 [verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: [verweerder 1]
advocaat: mr. F.E. Rijpkema,2. [verweerder 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [verweerder 2] ,
advocaat: mr. F.E. Rijpkema,3. [verweerder 3],
wonende te [woonplaats 3] (Israël),
hierna te noemen: [verweerder 3] ,
niet verschenen,4. EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: Exploitatiemaatschappij,
advocaat: mr. R.A. Korver,
niet verschenen,5. [verweerder 5],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [verweerder 5] ,
advocaat: mr. R.J.B. Baarspul,
niet verschenen,
verwerende partijen,
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift ingekomen ter griffie op 7 oktober 2025 met producties 1 tot en met 19,
- het verweerschrift van [verweerder 1] en [verweerder 2] met producties 1 tot en met 9,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 juni 2026 en de daarin genoemde stukken, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt die zich in het procesdossier bevinden.
1.2.
[verweerder 3] , De Exploitatiemaatschappij, [verweerder 5] (en haar maten) zijn niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
In 2023 en 2024 zijn er klanten van Bunq slachtoffer geworden van fraude (hierna: de gedupeerden). Bunq is overgegaan tot vergoeding van schade en heeft daartoe een coulanceregeling geïntroduceerd.
2.2.
[verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] hebben gedupeerden bijgestaan.
2.3.
In april, mei en juni 2024 zijn in de media berichten verschenen over rekeninghouders van Bunq die gedupeerd waren geworden van fraude.
2.4.
Op 26 juni 2024 hebben [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] een persbericht gepubliceerd. Daarin staat, voor zover van belang, het volgende:
“ PERSBERICHT INZAKE BUNQ-BANK GEDUPEERDEN
(...) Zoals bekend sta ik, samen met mr. [verweerder 1] ( [bedrijf 1] ) en mr. [verweerder 3] (juridisch adviesbureau [bedrijf 2] ) een groot (en groeiend) aantal gedupeerden bij van Bunq.
Wij namen kennis van de berichtgeving die Bunq heeft doen uitgaan over de coulance schadeloosstelling van de gedupeerden. Tot onze spijt moeten wij vaststellen dat Bunq een onjuist beeld schetst met betrekking tot die schadeloosstelling teneinde het ontstane beeld over de dienstverlening van Bunq om te keren. Middels dit persbericht informeren wij u over hoe het wel zit.
Allereerst hebben volstrekt niet alle gedupeerden een aanbod ontvangen van Bunq. Onder de gedupeerden die wij bijstaan zijn velen die helemaal niets hoorden van Bunq. Bovendien is ook het getal van gemiddeld 85% schadeloosstelling volstrekt onjuist. Enige van onze cliënten (zij die wel een aanbod ontvingen) kregen in enkele gevallen 50% schadeloosstelling op 50% van het schadebedrag aangeboden (dus circa 25% van de totale schade). Anderen met een laag schadebedrag kregen daarentegen 100% schadeloosstelling aangeboden. Er lijkt dus sprake van pure willekeur en vooral blijkt dat Bunq probeert om de opgelopen reputatieschade te willen beperken door aan de gedupeerden op te leggen dat er sprake moet zijn van finale kwijting én door hen te verbieden de details van de aanbiedingen met derden te mogen delen. In feite dupeert Bunq de gedupeerden dus nogmaals door hen onder druk te zetten voor 6 juli a.s. akkoord te laten gaan met minder dan waar men recht op heeft.
Het moge duidelijk zijn, dat ook de weergave dat men als eerste van alle Europese banken toch compensaties uitkeert -terwijl men daartoe niet verplicht zou zijn- onjuist is. Bunq weet simpelweg dat zij het lastig zullen krijgen om al deze kwesties bij een rechter te verdedigen én dat de roekeloosheid waarmee men is omgegaan met de (bank)tegoeden van de gedupeerden dermate ernstig is dat men nu slechts probeert de schade te beperken, over de rug van zij die al gedupeerd zijn geraakt.
Vandaag heb ik mede namens mrs. [verweerder 1] en [verweerder 3] aan de advocaat van Bunq laten weten dat zij namens de gedupeerden nog steeds openstaan voor een gesprek om de kwestie buiten de rechter om op te lossen. Aan mr. ’t Hart is ook laten weten dat als Bunq de kwestie blijft bagatelliseren dat de kwestie op korte termijn aan de rechter zal worden voorgelegd.
Wij handhaven onze oproep aan de gedupeerden om niet zonder meer akkoord te gaan met het aanbod van Bunq (omdat men schadeplichtig is voor 100% van de schade) en zich te melden op het e-mailadres (...) voor het krijgen van advies en bijstand. (...)”
2.5.
Vervolgens heeft Bunq dezelfde dag [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] verzocht om opgave van personen die zij bijstonden. In totaal hebben zij 25 namen van (rechts)personen doorgegeven aan Bunq.
2.6.
Bij verzoekschrift van 14 augustus 2024 hebben [verweerder 1] en [verweerder 2] namens verschillende gedupeerden een verzoek aanhangig gemaakt bij deze rechtbank tegenover Bunq inzake het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor. De verzoekers wensten (onder meer) medewerkers van Bunq te horen. Het verzoek is bij beschikking van 9 januari 2025 afgewezen.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
Bunq verzoekt de rechtbank om een getuigenverhoor als voorlopige bewijsverrichting te bevelen en legt aan dit verzoek, samengevat, het volgende ten grondslag.
3.2.
Bunq overweegt om een procedure tegen [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] aanhangig te maken. Die procedure ziet op het verkrijgen van een verklaring voor recht dat zij onrechtmatig hebben gehandeld en/of het verhalen van schade die als gevolg daarvan is ontstaan op [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] en/of het afdwingen van een rectificatie op de voet van artikel 6:167 van het Burgerlijk Wetboek. Aan deze vorderingen ligt in essentie ten grondslag dat [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] (voornamelijk openbare) uitingen hebben gedaan die feitelijke grondslag (lijken te) missen – dus feitelijk onjuist zijn – en/of misleidend zijn. Die misleiding bestaat uit het stellen en/of suggereren van aangelegenheden die zich niet voordoen dan wel door een onjuist beeld te creëren van de mogelijke rechts- en verhaalsposities van gedupeerden. Dit onrechtmatig handelen heeft Bunq schade toegebracht. Bunq wil getuigen horen over de feitelijke gang van zaken en de ‘feiten’ die ten grondslag hebben gelegen aan de openbare (negatieve) beweringen die door [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] zijn gedaan. Dit ziet op de volgende beweringen:
dat zij grote aantallen klanten zouden vertegenwoordigen;
dat deze klantengroep ‘groeiend’ zou zijn;
de grondslag op basis waarvan zij gedupeerden oproepen om geen gebruik te maken van de coulance regeling van Bunq ondanks dat zij wisten of behoorde te weten dat de coulance regeling ruimhartiger was dan het wettelijke aansprakelijkheidsregime;
dat Bunq roekeloos zou zijn omgegaan met gelden van rekeninghouders en/of dat Bunq onveilig zou zijn;
dat Bunq een onjuist beeld zou schetsen van de eigen coulance regeling;
Bunq wil daarom [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] als getuigen horen, alsmede drie gedupeerden. Dat zijn de heer [persoon 1] , mevrouw [persoon 2] en de here [persoon 3] (hierna: [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] ), aldus steeds Bunq.
3.3.
[verweerder 1] en [verweerder 2] verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek. Op hun verweren zal hierna – voor zover van belang – worden ingegaan.
4De beoordeling
Juridisch kader en toepassing
4.1.
Het verzoekschrift voorlopige bewijsverrichtingen moet op grond van artikel 197 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) inhouden:
a. een kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek
b. de aard en het beloop van de vordering
c. de naam en woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.
4.2.
Bunq heeft aan de formele eisen van het verzoekschrift voldaan. Het verzoek zal daarom worden toegewezen tenzij de rechtbank van oordeel is:
- dat de informatie die wordt verlangd, niet voldoende is bepaald
- er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat
- het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde
- er sprake is van misbruik van bevoegdheid of
- als er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
De afwijzingsgronden zijn neergelegd in artikel 196 Rv.
4.3.
Het verzoek zal gedeeltelijk worden afgewezen. De rechtbank licht dit als volgt toe.
[verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2]
4.4.
[verweerder 3] , de Exploitatiemaatschappij en [verweerder 5] hebben geen verweer gevoerd tegen het verzoek. De rechtbank dient te beoordelen of Bunq voldoende heeft gesteld om te komen tot toewijzing van het verzoek, gelet op het verweer van [verweerder 1] en [verweerder 2] .
Onderwerpen i en ii
4.5.
Volgens Bunq gaan ieder van de genoemde onderwerpen onder 3.2 (i t/m v) over feiten en omstandigheden. [verweerder 1] en [verweerder 2] betwisten dat. Het zijn juridische kwalificaties of het is niet relevant, aldus [verweerder 1] en [verweerder 2] . Zij worden hierin ten aanzien van de genoemde onderwerpen onder i en ii niet gevolgd. [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] kunnen bij uitstek verklaren over deze onderwerpen en het kan relevant zijn voor de vraag of de uitlatingen in het persbericht (zie 2.4) of anderszins openbare uitlatingen van [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] onrechtmatig zijn. Bunq heeft voldoende concreet gesteld dat dit mededelingen zijn die het beeld oproepen van grote aantallen gedupeerden die enorme schade hebben geleden waarvoor Bunq verantwoordelijk is. Dit maakt dat Bunq er belang bij heeft dat de getuigen [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] worden gehoord over deze onderwerpen en dat zij geen misbruik van bevoegdheid maakt.
4.6.
[verweerder 1] en [verweerder 2] beroepen zich op hun verschoningsrecht als gewichtige redenen die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting (zie 4.2). Zij hebben informatie van hun cliënten ontvangen, die hen ertoe heeft bewogen om bepaalde uitlatingen te doen in reactie op hetgeen Bunq naar buiten heeft gebracht. Zij kunnen vanwege hun geheimhoudingsplicht hier niet over verklaren, aldus [verweerder 1] en [verweerder 2] .
4.7.
[verweerder 1] en [verweerder 2] doen daarmee een beroep op artikel 165 lid 2 Rv. Het verschoningsrecht van artikel 165 lid 2 Rv komt toe aan een beperkte groep vertrouwenspersonen. Tot die groep vertrouwenspersonen behoren advocaten, die uit hoofde van hun beroep tot geheimhouding verplicht zijn. Het verschoningsrecht berust op een in Nederland geldend algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij vertrouwenspersonen, zoals advocaten, het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot de vertrouwenspersoon moet kunnen wenden.
4.8.
Bij de bepaling van de reikwijdte van de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht wordt volgens vaste rechtspraak geen onderscheid gemaakt naar de mate van vertrouwelijkheid van de gegevens. Beslissend is of het gaat om informatie die degene die een vertrouwensberoep uitoefent, in die hoedanigheid is toevertrouwd. De aard van het verschoningsrecht brengt verder mee dat het oordeel omtrent de vraag of bepaalde gegevens onder het verschoningsrecht vallen, in beginsel toekomt aan de verschoningsgerechtigde. Indien deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om informatie waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient de rechter dat standpunt te eerbiedigen, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.
4.9.
De vraag of ook [verweerder 3] zich als juridische dienstverlener die geen advocaat is (al dan niet wegens zijn samenwerking met [verweerder 1] en [verweerder 2] ) ook op een verschoningsrecht kan beroepen kan in het midden blijven, gelet op wat hierna wordt overwogen.
4.10.
Het beroep op het verschoningsrecht slaagt in dit geval niet, [verweerder 1] en [verweerder 2] kunnen namelijk over de genoemde onderwerpen onder i en ii verklaren zonder dat daarbij de vertrouwensrelatie met hun cliënten wordt geschonden. Voor zover zij menen dat dat voor een concrete vraag anders is, zullen zij zich bij het verhoor op hun verschoningsrecht kunnen beroepen, welk beroep dan door de rechter die het verhoor afneemt zal worden beoordeeld.
Onderwerpen iii t/m v
4.11.
Het voorgaande geldt niet voor de onderwerpen genoemd onder iii t/m v. Deze onderwerpen zijn voor zover [verweerder 1] en [verweerder 2] hun uiting hebben gebaseerd op contacten met hun cliënten gebaseerd op informatie waarover zij geen mededelingen kunnen doen (zie 4.7 en 4.8). Voor zover [verweerder 1] en [verweerder 2] zich baseren op informatie die van Bunq verkregen is of op openbare bronnen, heeft Bunq om die reden onvoldoende belang bij het horen van [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] , omdat Bunq over die informatie al beschikt of kan beschikken zonder een verhoor van getuigen.
[persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3]
4.12.
Bunq wil ook [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] als getuigen worden gehoord. Zij heeft dat verzoek als volgt gemotiveerd. [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] stelden op te treden namens [persoon 1] , maar hij was niet op de hoogte van het verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor dat (onder meer) namens hem was ingediend (zie 2.6). Hij kan hier vragen over beantwoorden, over de communicatie door [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] over de procedure en de gang van zaken.
[persoon 2] heeft het coulance aanbod van Bunq geaccepteerd, ondanks dat dit haar schade niet voor 100% dekte. Zij kan verklaringen afleggen over de beweegredenen om akkoord te gaan met het coulance aanbod van Bunq, ondanks dat haar advocaten publiekelijk betoogden dat gedupeerden recht hebben op 100% van de geleden schade.
[persoon 3] was een van de verzoekers in het ingediende verzoekschrift (zie 2.6). Zij kan verklaringen afleggen over de spreekwoordelijke wortel die haar is voorgehouden door [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] om te bezien hoe zich dit verhoudt tot hun publiekelijke uitingen, aldus steeds Bunq.
4.13.
De rechtbank oordeelt als volgt. De vragen die Bunq aan [persoon 1] en [persoon 2] wenst te stellen zijn niet relevant voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van de uitlatingen in het persbericht of anderszins openbare uitlatingen van [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] . Daarom bestaat er bij het verzoek tot voorlopige bewijsverrichting geen belang en dient het verzoek ten aanzien van deze getuigen reeds om die reden te worden afgewezen. Daar komt bij dat vragen aan [persoon 1] die zien op communicatie tussen hem en [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] de vertrouwelijke cliëntrelatie betreft, wat een gewichtige reden is die zich tegen de voorlopige bewijsverrichting verzet. Voor zover het gedrag van [persoon 2] mede is bepaald door de advisering van [verweerder 3] , [verweerder 1] of [verweerder 2] is dat (ook) vertrouwelijke cliëntcommunicatie. Hetzelfde geldt voor de vragen die Bunq wenst te stellen aan [persoon 3] .
Bunq mag [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] oproepen als getuigen
4.14.
De conclusie is dat het verzoek tot voorlopige bewijsverrichting wordt toegewezen voor de volgende drie getuigen: [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] .
4.15.
Omdat de beslissing van de rechtbank niet (mede) afhangt van de verklaring van [persoon 4] , komt de rechtbank niet toe aan het verzoek van [verweerder 1] en [verweerder 2] om daar schriftelijk op te mogen reageren.
4.16.
Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld ten minste 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen moeten ten minste tien dagen voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank worden opgegeven.
4.17.
De rechtbank wijst Bunq erop dat de rechtbank voor het verhoor in beginsel maximaal 60 minuten in totaal per getuige zal reserveren. Als Bunq van mening is dat meer tijd noodzakelijk is, moet zij dit – binnen 14 dagen na dagtekening van deze beschikking – gemotiveerd aan de rechter verzoeken.
4.18.
Omdat de advocaten en/of partijen al in het bezit zijn van het verzoekschrift en een afschrift van deze beschikking ontvangen, is Bunq niet gehouden deze stukken aan hen te verstrekken.
4.19.
Partijen moeten erop voorbereid zijn dat de rechtbank na afloop van een of meer voorlopige bewijsverrichtingen op verzoek van partijen of een van hen of ambtshalve een (nieuwe) mondelinge behandeling kan bevelen om een schikking te beproeven of tot het geven van inlichtingen aan de rechtbank. Tijdens deze mondelinge behandeling kan de rechtbank ook de verdere behandeling van geschillen over de vordering met partijen bespreken.
De onderlinge verhouding tussen [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2]
4.20.
De onderlinge verhouding tussen [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] houdt partijen verdeeld. In het getuigenverhoor als voorlopige bewijsverrichting kan de onderlinge verhouding tussen partijen niet aan de orde komen, omdat het gaat om de onrechtmatigheid van de openbare uitlatingen van elk van hun, of gezamenlijk, waarbij steeds duidelijk is van wie de uitlating afkomstig was.
Proceskosten
4.21.
Omdat partijen over een weer ongelijk hebben gekregen, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.22.
De door Bunq verzochte uitvoerbaar bij voorraad verklaring wordt afgewezen, omdat er geen hogere voorziening open staat tegen deze beslissing, ingevolge artikel 200 lid 2 Rv. Bunq heeft daar niet om verzocht en de rechtbank ziet geen aanleiding om anders te bepalen.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
beveelt een voorlopig getuigenverhoor, met inachtneming van hetgeen onder 4.14 is bepaald,
5.2.
het getuigenverhoor zal worden gehouden door een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank,
5.3.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Amsterdam, Parnassusweg 280,
5.4.
bepaalt dat Bunq binnen twee weken na de datum van deze beschikking schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van rekestenadministratie van de Afdeling privaatrecht, team Handelszaken - de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden augustus 2026 tot en met januari 2027 moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. L.M. Garritsen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
Zie HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066 (onder meer herhaald in HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:532).
Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/776693 / HA RK 25-347
Beschikking van 2 juli 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
BUNQ B.V.,
te Amsterdam,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Bunq,
advocaat: mr. F.M.A. 't Hart,
tegen
1 [verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: [verweerder 1]
advocaat: mr. F.E. Rijpkema,2. [verweerder 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [verweerder 2] ,
advocaat: mr. F.E. Rijpkema,3. [verweerder 3],
wonende te [woonplaats 3] (Israël),
hierna te noemen: [verweerder 3] ,
niet verschenen,4. EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: Exploitatiemaatschappij,
advocaat: mr. R.A. Korver,
niet verschenen,5. [verweerder 5],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [verweerder 5] ,
advocaat: mr. R.J.B. Baarspul,
niet verschenen,
verwerende partijen,
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift ingekomen ter griffie op 7 oktober 2025 met producties 1 tot en met 19,
- het verweerschrift van [verweerder 1] en [verweerder 2] met producties 1 tot en met 9,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 juni 2026 en de daarin genoemde stukken, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt die zich in het procesdossier bevinden.
1.2.
[verweerder 3] , De Exploitatiemaatschappij, [verweerder 5] (en haar maten) zijn niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
In 2023 en 2024 zijn er klanten van Bunq slachtoffer geworden van fraude (hierna: de gedupeerden). Bunq is overgegaan tot vergoeding van schade en heeft daartoe een coulanceregeling geïntroduceerd.
2.2.
[verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] hebben gedupeerden bijgestaan.
2.3.
In april, mei en juni 2024 zijn in de media berichten verschenen over rekeninghouders van Bunq die gedupeerd waren geworden van fraude.
2.4.
Op 26 juni 2024 hebben [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] een persbericht gepubliceerd. Daarin staat, voor zover van belang, het volgende:
“ PERSBERICHT INZAKE BUNQ-BANK GEDUPEERDEN
(...) Zoals bekend sta ik, samen met mr. [verweerder 1] ( [bedrijf 1] ) en mr. [verweerder 3] (juridisch adviesbureau [bedrijf 2] ) een groot (en groeiend) aantal gedupeerden bij van Bunq.
Wij namen kennis van de berichtgeving die Bunq heeft doen uitgaan over de coulance schadeloosstelling van de gedupeerden. Tot onze spijt moeten wij vaststellen dat Bunq een onjuist beeld schetst met betrekking tot die schadeloosstelling teneinde het ontstane beeld over de dienstverlening van Bunq om te keren. Middels dit persbericht informeren wij u over hoe het wel zit.
Allereerst hebben volstrekt niet alle gedupeerden een aanbod ontvangen van Bunq. Onder de gedupeerden die wij bijstaan zijn velen die helemaal niets hoorden van Bunq. Bovendien is ook het getal van gemiddeld 85% schadeloosstelling volstrekt onjuist. Enige van onze cliënten (zij die wel een aanbod ontvingen) kregen in enkele gevallen 50% schadeloosstelling op 50% van het schadebedrag aangeboden (dus circa 25% van de totale schade). Anderen met een laag schadebedrag kregen daarentegen 100% schadeloosstelling aangeboden. Er lijkt dus sprake van pure willekeur en vooral blijkt dat Bunq probeert om de opgelopen reputatieschade te willen beperken door aan de gedupeerden op te leggen dat er sprake moet zijn van finale kwijting én door hen te verbieden de details van de aanbiedingen met derden te mogen delen. In feite dupeert Bunq de gedupeerden dus nogmaals door hen onder druk te zetten voor 6 juli a.s. akkoord te laten gaan met minder dan waar men recht op heeft.
Het moge duidelijk zijn, dat ook de weergave dat men als eerste van alle Europese banken toch compensaties uitkeert -terwijl men daartoe niet verplicht zou zijn- onjuist is. Bunq weet simpelweg dat zij het lastig zullen krijgen om al deze kwesties bij een rechter te verdedigen én dat de roekeloosheid waarmee men is omgegaan met de (bank)tegoeden van de gedupeerden dermate ernstig is dat men nu slechts probeert de schade te beperken, over de rug van zij die al gedupeerd zijn geraakt.
Vandaag heb ik mede namens mrs. [verweerder 1] en [verweerder 3] aan de advocaat van Bunq laten weten dat zij namens de gedupeerden nog steeds openstaan voor een gesprek om de kwestie buiten de rechter om op te lossen. Aan mr. ’t Hart is ook laten weten dat als Bunq de kwestie blijft bagatelliseren dat de kwestie op korte termijn aan de rechter zal worden voorgelegd.
Wij handhaven onze oproep aan de gedupeerden om niet zonder meer akkoord te gaan met het aanbod van Bunq (omdat men schadeplichtig is voor 100% van de schade) en zich te melden op het e-mailadres (...) voor het krijgen van advies en bijstand. (...)”
2.5.
Vervolgens heeft Bunq dezelfde dag [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] verzocht om opgave van personen die zij bijstonden. In totaal hebben zij 25 namen van (rechts)personen doorgegeven aan Bunq.
2.6.
Bij verzoekschrift van 14 augustus 2024 hebben [verweerder 1] en [verweerder 2] namens verschillende gedupeerden een verzoek aanhangig gemaakt bij deze rechtbank tegenover Bunq inzake het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor. De verzoekers wensten (onder meer) medewerkers van Bunq te horen. Het verzoek is bij beschikking van 9 januari 2025 afgewezen.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
Bunq verzoekt de rechtbank om een getuigenverhoor als voorlopige bewijsverrichting te bevelen en legt aan dit verzoek, samengevat, het volgende ten grondslag.
3.2.
Bunq overweegt om een procedure tegen [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] aanhangig te maken. Die procedure ziet op het verkrijgen van een verklaring voor recht dat zij onrechtmatig hebben gehandeld en/of het verhalen van schade die als gevolg daarvan is ontstaan op [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] en/of het afdwingen van een rectificatie op de voet van artikel 6:167 van het Burgerlijk Wetboek. Aan deze vorderingen ligt in essentie ten grondslag dat [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] (voornamelijk openbare) uitingen hebben gedaan die feitelijke grondslag (lijken te) missen – dus feitelijk onjuist zijn – en/of misleidend zijn. Die misleiding bestaat uit het stellen en/of suggereren van aangelegenheden die zich niet voordoen dan wel door een onjuist beeld te creëren van de mogelijke rechts- en verhaalsposities van gedupeerden. Dit onrechtmatig handelen heeft Bunq schade toegebracht. Bunq wil getuigen horen over de feitelijke gang van zaken en de ‘feiten’ die ten grondslag hebben gelegen aan de openbare (negatieve) beweringen die door [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] zijn gedaan. Dit ziet op de volgende beweringen:
dat zij grote aantallen klanten zouden vertegenwoordigen;
dat deze klantengroep ‘groeiend’ zou zijn;
de grondslag op basis waarvan zij gedupeerden oproepen om geen gebruik te maken van de coulance regeling van Bunq ondanks dat zij wisten of behoorde te weten dat de coulance regeling ruimhartiger was dan het wettelijke aansprakelijkheidsregime;
dat Bunq roekeloos zou zijn omgegaan met gelden van rekeninghouders en/of dat Bunq onveilig zou zijn;
dat Bunq een onjuist beeld zou schetsen van de eigen coulance regeling;
Bunq wil daarom [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] als getuigen horen, alsmede drie gedupeerden. Dat zijn de heer [persoon 1] , mevrouw [persoon 2] en de here [persoon 3] (hierna: [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] ), aldus steeds Bunq.
3.3.
[verweerder 1] en [verweerder 2] verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek. Op hun verweren zal hierna – voor zover van belang – worden ingegaan.
4De beoordeling
Juridisch kader en toepassing
4.1.
Het verzoekschrift voorlopige bewijsverrichtingen moet op grond van artikel 197 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) inhouden:
a. een kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek
b. de aard en het beloop van de vordering
c. de naam en woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.
4.2.
Bunq heeft aan de formele eisen van het verzoekschrift voldaan. Het verzoek zal daarom worden toegewezen tenzij de rechtbank van oordeel is:
- dat de informatie die wordt verlangd, niet voldoende is bepaald
- er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat
- het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde
- er sprake is van misbruik van bevoegdheid of
- als er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
De afwijzingsgronden zijn neergelegd in artikel 196 Rv.
4.3.
Het verzoek zal gedeeltelijk worden afgewezen. De rechtbank licht dit als volgt toe.
[verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2]
4.4.
[verweerder 3] , de Exploitatiemaatschappij en [verweerder 5] hebben geen verweer gevoerd tegen het verzoek. De rechtbank dient te beoordelen of Bunq voldoende heeft gesteld om te komen tot toewijzing van het verzoek, gelet op het verweer van [verweerder 1] en [verweerder 2] .
Onderwerpen i en ii
4.5.
Volgens Bunq gaan ieder van de genoemde onderwerpen onder 3.2 (i t/m v) over feiten en omstandigheden. [verweerder 1] en [verweerder 2] betwisten dat. Het zijn juridische kwalificaties of het is niet relevant, aldus [verweerder 1] en [verweerder 2] . Zij worden hierin ten aanzien van de genoemde onderwerpen onder i en ii niet gevolgd. [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] kunnen bij uitstek verklaren over deze onderwerpen en het kan relevant zijn voor de vraag of de uitlatingen in het persbericht (zie 2.4) of anderszins openbare uitlatingen van [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] onrechtmatig zijn. Bunq heeft voldoende concreet gesteld dat dit mededelingen zijn die het beeld oproepen van grote aantallen gedupeerden die enorme schade hebben geleden waarvoor Bunq verantwoordelijk is. Dit maakt dat Bunq er belang bij heeft dat de getuigen [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] worden gehoord over deze onderwerpen en dat zij geen misbruik van bevoegdheid maakt.
4.6.
[verweerder 1] en [verweerder 2] beroepen zich op hun verschoningsrecht als gewichtige redenen die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting (zie 4.2). Zij hebben informatie van hun cliënten ontvangen, die hen ertoe heeft bewogen om bepaalde uitlatingen te doen in reactie op hetgeen Bunq naar buiten heeft gebracht. Zij kunnen vanwege hun geheimhoudingsplicht hier niet over verklaren, aldus [verweerder 1] en [verweerder 2] .
4.7.
[verweerder 1] en [verweerder 2] doen daarmee een beroep op artikel 165 lid 2 Rv. Het verschoningsrecht van artikel 165 lid 2 Rv komt toe aan een beperkte groep vertrouwenspersonen. Tot die groep vertrouwenspersonen behoren advocaten, die uit hoofde van hun beroep tot geheimhouding verplicht zijn. Het verschoningsrecht berust op een in Nederland geldend algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij vertrouwenspersonen, zoals advocaten, het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot de vertrouwenspersoon moet kunnen wenden.
4.8.
Bij de bepaling van de reikwijdte van de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht wordt volgens vaste rechtspraak geen onderscheid gemaakt naar de mate van vertrouwelijkheid van de gegevens. Beslissend is of het gaat om informatie die degene die een vertrouwensberoep uitoefent, in die hoedanigheid is toevertrouwd. De aard van het verschoningsrecht brengt verder mee dat het oordeel omtrent de vraag of bepaalde gegevens onder het verschoningsrecht vallen, in beginsel toekomt aan de verschoningsgerechtigde. Indien deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om informatie waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient de rechter dat standpunt te eerbiedigen, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.
4.9.
De vraag of ook [verweerder 3] zich als juridische dienstverlener die geen advocaat is (al dan niet wegens zijn samenwerking met [verweerder 1] en [verweerder 2] ) ook op een verschoningsrecht kan beroepen kan in het midden blijven, gelet op wat hierna wordt overwogen.
4.10.
Het beroep op het verschoningsrecht slaagt in dit geval niet, [verweerder 1] en [verweerder 2] kunnen namelijk over de genoemde onderwerpen onder i en ii verklaren zonder dat daarbij de vertrouwensrelatie met hun cliënten wordt geschonden. Voor zover zij menen dat dat voor een concrete vraag anders is, zullen zij zich bij het verhoor op hun verschoningsrecht kunnen beroepen, welk beroep dan door de rechter die het verhoor afneemt zal worden beoordeeld.
Onderwerpen iii t/m v
4.11.
Het voorgaande geldt niet voor de onderwerpen genoemd onder iii t/m v. Deze onderwerpen zijn voor zover [verweerder 1] en [verweerder 2] hun uiting hebben gebaseerd op contacten met hun cliënten gebaseerd op informatie waarover zij geen mededelingen kunnen doen (zie 4.7 en 4.8). Voor zover [verweerder 1] en [verweerder 2] zich baseren op informatie die van Bunq verkregen is of op openbare bronnen, heeft Bunq om die reden onvoldoende belang bij het horen van [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] , omdat Bunq over die informatie al beschikt of kan beschikken zonder een verhoor van getuigen.
[persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3]
4.12.
Bunq wil ook [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] als getuigen worden gehoord. Zij heeft dat verzoek als volgt gemotiveerd. [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] stelden op te treden namens [persoon 1] , maar hij was niet op de hoogte van het verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor dat (onder meer) namens hem was ingediend (zie 2.6). Hij kan hier vragen over beantwoorden, over de communicatie door [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] over de procedure en de gang van zaken.
[persoon 2] heeft het coulance aanbod van Bunq geaccepteerd, ondanks dat dit haar schade niet voor 100% dekte. Zij kan verklaringen afleggen over de beweegredenen om akkoord te gaan met het coulance aanbod van Bunq, ondanks dat haar advocaten publiekelijk betoogden dat gedupeerden recht hebben op 100% van de geleden schade.
[persoon 3] was een van de verzoekers in het ingediende verzoekschrift (zie 2.6). Zij kan verklaringen afleggen over de spreekwoordelijke wortel die haar is voorgehouden door [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] om te bezien hoe zich dit verhoudt tot hun publiekelijke uitingen, aldus steeds Bunq.
4.13.
De rechtbank oordeelt als volgt. De vragen die Bunq aan [persoon 1] en [persoon 2] wenst te stellen zijn niet relevant voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van de uitlatingen in het persbericht of anderszins openbare uitlatingen van [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] . Daarom bestaat er bij het verzoek tot voorlopige bewijsverrichting geen belang en dient het verzoek ten aanzien van deze getuigen reeds om die reden te worden afgewezen. Daar komt bij dat vragen aan [persoon 1] die zien op communicatie tussen hem en [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] de vertrouwelijke cliëntrelatie betreft, wat een gewichtige reden is die zich tegen de voorlopige bewijsverrichting verzet. Voor zover het gedrag van [persoon 2] mede is bepaald door de advisering van [verweerder 3] , [verweerder 1] of [verweerder 2] is dat (ook) vertrouwelijke cliëntcommunicatie. Hetzelfde geldt voor de vragen die Bunq wenst te stellen aan [persoon 3] .
Bunq mag [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] oproepen als getuigen
4.14.
De conclusie is dat het verzoek tot voorlopige bewijsverrichting wordt toegewezen voor de volgende drie getuigen: [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] .
4.15.
Omdat de beslissing van de rechtbank niet (mede) afhangt van de verklaring van [persoon 4] , komt de rechtbank niet toe aan het verzoek van [verweerder 1] en [verweerder 2] om daar schriftelijk op te mogen reageren.
4.16.
Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld ten minste 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen moeten ten minste tien dagen voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank worden opgegeven.
4.17.
De rechtbank wijst Bunq erop dat de rechtbank voor het verhoor in beginsel maximaal 60 minuten in totaal per getuige zal reserveren. Als Bunq van mening is dat meer tijd noodzakelijk is, moet zij dit – binnen 14 dagen na dagtekening van deze beschikking – gemotiveerd aan de rechter verzoeken.
4.18.
Omdat de advocaten en/of partijen al in het bezit zijn van het verzoekschrift en een afschrift van deze beschikking ontvangen, is Bunq niet gehouden deze stukken aan hen te verstrekken.
4.19.
Partijen moeten erop voorbereid zijn dat de rechtbank na afloop van een of meer voorlopige bewijsverrichtingen op verzoek van partijen of een van hen of ambtshalve een (nieuwe) mondelinge behandeling kan bevelen om een schikking te beproeven of tot het geven van inlichtingen aan de rechtbank. Tijdens deze mondelinge behandeling kan de rechtbank ook de verdere behandeling van geschillen over de vordering met partijen bespreken.
De onderlinge verhouding tussen [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2]
4.20.
De onderlinge verhouding tussen [verweerder 3] , [verweerder 1] en [verweerder 2] houdt partijen verdeeld. In het getuigenverhoor als voorlopige bewijsverrichting kan de onderlinge verhouding tussen partijen niet aan de orde komen, omdat het gaat om de onrechtmatigheid van de openbare uitlatingen van elk van hun, of gezamenlijk, waarbij steeds duidelijk is van wie de uitlating afkomstig was.
Proceskosten
4.21.
Omdat partijen over een weer ongelijk hebben gekregen, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.22.
De door Bunq verzochte uitvoerbaar bij voorraad verklaring wordt afgewezen, omdat er geen hogere voorziening open staat tegen deze beslissing, ingevolge artikel 200 lid 2 Rv. Bunq heeft daar niet om verzocht en de rechtbank ziet geen aanleiding om anders te bepalen.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
beveelt een voorlopig getuigenverhoor, met inachtneming van hetgeen onder 4.14 is bepaald,
5.2.
het getuigenverhoor zal worden gehouden door een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank,
5.3.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Amsterdam, Parnassusweg 280,
5.4.
bepaalt dat Bunq binnen twee weken na de datum van deze beschikking schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van rekestenadministratie van de Afdeling privaatrecht, team Handelszaken - de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden augustus 2026 tot en met januari 2027 moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. L.M. Garritsen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
Zie HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066 (onder meer herhaald in HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:532).