Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7913

2026-06-04 Strafrecht; Materieel strafrecht 13/065402-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-06-04
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
13/065402-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Veroordeling van een 24-jarige man voor poging tot afpersing in vereniging en poging tot diefstal in vereniging in een woning in Amsterdam op 11 mei 2020. De rechtbank oordeelt dat bewezen kan worden dat verdachte en zijn mededaders het oogmerk hadden om voornoemde feiten te plegen. De rechtbank past, gelet op het uitgebrachte reclasseringsrapport, het daarin gegeven advies en de geschetste persoonlijkheid van verdachte, het jeugdstrafrecht toe. Toepassing art. 63 Sr en aanzienlijk tijdsverloop. De rechtbank legt aan verdachte op een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en maximale taakstraf (werkstraf) van 200 uren. Vorderingen benadeelde partij en beslag.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (36.852 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM



Afdeling Publiekrecht



Teams Strafrecht



Parketnummer: 13/065402-26 (Promis)



Datum uitspraak: 4 juni 2026



Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:





[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres]
.





1Het onderzoek ter terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 juni 2026.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.W.M. van der Linde, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.S. Gerson, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.





2Tenlastelegging


Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 11 mei 2020 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan




poging tot afpersing in vereniging van [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4];


poging tot diefstal in vereniging van [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4], welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4].




Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.



De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.








3Waardering van het bewijs


3.1

Het standpunt van de officier van justitie



De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.




3.2

Het standpunt van de verdediging



De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van beide feiten dient te worden vrijgesproken, omdat niet bewezen kan worden dat het oogmerk van verdachte en de medeverdachten gericht was op het wegnemen of dwingen tot afgifte van geld, sieraden of (andere) goederen.




3.3

Het oordeel van de rechtbank



3.3.1.
Feiten en omstandigheden


De rechtbank gaat op grond van de in bijlage II opgenomen wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.



Verdachte is op 11 mei 2020 tezamen met twee mededaders naar de woning van de [familie] in Amsterdam gegaan. Daar heeft verdachte, vermomd als postbezorger in een PostNL-jas, bij de woning aangebeld, met een Jumbo tas in zijn hand. Toen [benadeelde partij 3], één van de dochters van de [familie], de deur opendeed, heeft verdachte haar naar binnen geduwd en zijn kort daarop de twee mededaders eveneens de woning binnengegaan. Eén van de mededaders had daarbij een vuurwapen in zijn hand. Vervolgens zijn in de woning [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] door verdachte en de mededaders vastgepakt, tegen de grond gewerkt, en zijn verdachte en de mededaders bovenop hen gaan zitten om ze in bedwang te houden. Toen [benadeelde partij 2], vervolgens vanwege het horen van geschreeuw naar beneden kwam, schreeuwde zij al video-bellend naar haar klasgenoten dat zij de politie moesten bellen en trok zij een mondkapje bij één van de daders af. De twee mededaders verlieten daarop de woning. Kort daarna verliet ook verdachte de woning, maar terwijl hij probeerde te vluchten, probeerde [benadeelde partij 2] verdachte tegen te houden. Hierop sloeg verdachte haar tegen het gezicht, waardoor zij ten val kwam en het bewustzijn verloor. Gedurende deze gebeurtenis bevond ook [benadeelde partij 1] zich in de woning.



In de Jumbo-tas die in de woning is achtergebleven zijn onder meer tie-wraps (kabelbinders) aangetroffen. Verder heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hem vooraf beloofd was dat hij een geldbedrag van rond de € 10.000,00 zou krijgen voor deelname aan voornoemd handelen.




3.3.2.
Overweging


Op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van de hiervoor uiteengezette feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat het niet anders kan dan dat het handelen van verdachte en zijn mededaders erop gericht was om samen – met geweld – de [familie] te dwingen geld en/of goederen af te geven en/of geld en goederen weg te nemen. Verdachte en medeverdachten zijn immers met geweld de woning van de [familie] binnengegaan, hadden een vuurwapen en tie-wraps bij zich en verdachte zou voor zijn deelname een aanzienlijk geldbedrag ontvangen.
Door de raadsvrouw van verdachte is bepleit dat verdachte bij het aanbellen bij de woning naar “[benadeelde partij 3]” zou hebben gevraagd en het oogmerk van het handelen van verdachte en zijn mededaders er dus mogelijk op gericht was om deze persoon van diens vrijheid te beroven en niet op het maken van enige buit. De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachte heeft namelijk ter terechtzitting ontkend dat hij een naam heeft genoemd. Aldus acht de rechtbank bewezen dat verdachte en zijn mededaders het oogmerk hadden om de [familie] af te persen en/of te beroven.



Concluderend acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich in nauwe en bewuste samenwerking met anderen schuldig heeft gemaakt aan poging tot afpersing in vereniging (feit 1) en poging tot diefstal met geweld in vereniging (feit 2).







4Bewezenverklaring


De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte




ten aanzien van feit 1:




hij - op 11 mei 2020 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door met geweld [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] (dochter) en [benadeelde partij 4] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag en/of sieraden, in elk geval enig(e) goed(eren) en/of geld, dat geheel of ten dele aan die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] (dochter) en/of [benadeelde partij 4], toebehoorde en/of aan een derde, te weten aan [benadeelde partij 5] (vader) – en/of zijn mededader(s)

- in vermomming heeft aangebeld bij de woning van voornoemde [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] (dochter) en [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] (vader) en
- voornoemde [benadeelde partij 3] (dochter) de woning in heeft geduwd en
- met een (vuur)wapen de woning heeft betreden en
- voornoemde [benadeelde partij 2] op het gezicht heeft geslagen tengevolge waarvan die [benadeelde partij 2] ten val is gekomen en het bewustzijn heeft verloren en/of
- voornoemde [benadeelde partij 4] heeft vastgepakt en
- voornoemde [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 3] (dochter) naar de grond hebben geduwd/gebracht en vervolgens
- op voornoemde [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 3] (dochter) hebben gezeten, terwijl [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 3] (dochter) op de grond zaten/lagen en
- hun handen op de monden van voornoemde [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 3] (dochter) hebben gehouden en deze vervolgens hebben dichtgehouden,


terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;




ten aanzien van feit 2:




hij - op 11 mei 2020 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om een geldbedrag en/of sieraden, in elk geval enig(e) goed(eren) en/of geld, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] (dochter) en/of [benadeelde partij 4] en/of [benadeelde partij 5] (vader), weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging tot diefstal te doen vergezellen van geweld tegen voornoemde [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] (dochter) en/of [benadeelde partij 4], te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- en/of zijn mededader(s)
- in vermomming heeft/hebben aangebeld bij de woning van voornoemde [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] (dochter) en [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] (vader) en
- voornoemde [benadeelde partij 3] (dochter) de woning in heeft geduwd en
- met een wapen de woning heeft betreden en
- voornoemde [benadeelde partij 2] op het gezicht heeft geslagen (tengevolge waarvan die [benadeelde partij 2] ten val is gekomen en het bewustzijn heeft verloren) en
- voornoemde [benadeelde partij 4] heeft vastgepakt en
- voornoemde [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 3] (dochter) naar de grond hebben geduwd/gebracht en vervolgens
- op voornoemde [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 3] (dochter) hebben gezeten, terwijl [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 3] (dochter) op de grond zaten/lagen en
- hun handen op de monden van voornoemde [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 3] (dochter) hebben gehouden en deze vervolgens hebben dichtgehouden,


terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;





5De strafbaarheid van de feiten


De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.





6De strafbaarheid van verdachte


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.





7Motivering van de straffen


7.1

De eis van de officier van justitie



De officier van justitie heeft gevorderd dat ten aanzien van verdachte het jeugdstrafrecht wordt toegepast ex artikel 77c Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Verder heeft zij gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 14 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Vanwege het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte acht de officier van justitie het niet passend om verdachte nog terug te sturen naar de gevangenis. Wel heeft zij gevorderd dat aan verdachte de maximale werkstraf van 200 uur wordt opgelegd, te vervangen door 100 dagen jeugddetentie indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht.




7.2

Het standpunt van de verdediging



De verdediging heeft verzocht om bij een bewezenverklaring van het ten laste gelegde toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht en bij het bepalen van de op te leggen straf rekening te houden met het aanzienlijke tijdsverloop, de positieve ontwikkeling die verdachte de afgelopen jaren heeft doorgemaakt en de toepassing van artikel 63 Sr.




7.3

Het oordeel van de rechtbank



7.3.1
Wel of geen toepassing van het jeugdstrafrecht?


Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten 18 jaar en dus meerderjarig. Op een verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, die daartoe aanleiding geven. De rechtbank heeft, bij haar beoordeling van de vraag of het jeugdsanctierecht moet worden toegepast, gelet op het volgende.



De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 22 april 2026. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij één keer eerder is veroordeeld, namelijk op 25 november 2021. De rechtbank heeft toen, gelet op het toen opgemaakte reclasseringsrapport, het gegeven advies en de geschetste persoonlijkheid van verdachte, aanleiding gezien om het jeugdstrafrecht op grond van artikel 77c Sr van toepassing te verklaren en aan verdachte een jeugddetentie van 6 maanden voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van twee jaren met daaraan gekoppeld algemene en bijzondere voorwaarden.



De rechtbank heeft verder acht geslagen op het reclasseringsadvies van 26 mei 2026, opgemaakt door Reclassering Nederland. De reclassering adviseert ook ditmaal om het jeugdstrafrecht toe te passen. De reclassering verwijst naar de reclasseringsadviezen uit 2020 en 2021 waarin door haar eveneens toepassing van het jeugdstrafrecht geadviseerd werd. Dit advies baseerde de reclassering destijds op de beïnvloedbaarheid van verdachte, zijn impulsiviteit, zijn schortende organisatorische vaardigheden, de noodzaak van het voortzetten van de schoolgang en de ontvankelijkheid voor ondersteuning.



Ter zitting heeft verdachte verklaard zijn leven sinds zijn veroordeling op 25 november 2021 ten goede te hebben veranderd, mede met behulp van de aan hem opgelegde algemene en bijzondere voorwaarden. Uit de positieve stappen die verdachte sinds zijn eerdere veroordeling heeft gezet, leidt de rechtbank af dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten inderdaad ontvankelijk was voor ondersteuning, zoals de reclassering in 2021 rapporteerde.



De rechtbank ziet gelet op het in deze zaak uitgebrachte reclasseringsrapport, het gegeven advies en de geschetste persoonlijkheid van verdachte aanleiding om op grond van artikel 77 Sr het jeugdstrafrecht toe te passen.







7.3.2
De op te leggen straf


De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.



De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.




Ernst van de feiten




Verdachte heeft zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal in vereniging en een poging tot afpersing in vereniging. Deze gepleegde strafbare feiten gingen gepaard met het verrichten van geweldshandelingen. Verdachte heeft zich voorgedaan als pakketbezorger van PostNL en is toen de deur door één van de dochters werd opengedaan de woning van de [familie] binnengegaan, waarna vrijwel direct daarna de mededaders de woning zijn binnengegaan. Eén van de mededaders had gedurende de gebeurtenis een vuurwapen in zijn hand. [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 3] zijn tegen de grond gewerkt en hun mond werd dichtgehouden. Toen [benadeelde partij 2], die boven was toen de overvallers de woning binnenkwamen, ging kijken wat er aan de hand was, is zij bewusteloos geslagen. [benadeelde partij 1], die ook boven in de woning was, heeft zichzelf in paniek opgesloten in de badkamer. Zij heeft machteloos moeten aanhoren wat er beneden in de woning gebeurde. Het hoeft geen betoog dat dit een vreselijke ervaring voor alle slachtoffers is geweest. Een woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig zou moeten kunnen voelen. Verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hun gevoel van veiligheid in hun woning. Het mag als een feit van algemene bekendheid beschouwd worden dat slachtoffers van dergelijke feiten, ook al is de diefstal/afpersing niet voltooid, nog langdurig angstgevoelens en psychische klachten kunnen ondervinden. Uit de toelichting op de vorderingen tot schadevergoeding blijkt dat de gebeurtenis grote impact op de slachtoffers heeft gehad.
Daarnaast veroorzaken feiten als deze maatschappelijke onrust en brengen een gevoel van onveiligheid teweeg. Zo hebben buurtbewoners in de omgeving van de woning de slachtoffers gedurende het incident horen schreeuwen en hebben media gerapporteerd over de poging tot diefstal/afpersing.




Persoonlijke omstandigheden




De rechtbank houdt bij het bepalen van de op te leggen straf rekening met de hiervoor onder 7.3.1 geschetste persoonlijke omstandigheden van verdachte.




Conclusie




De ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten rechtvaardigt in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur. Gelet echter op de toepassing van het jeugdstrafrecht, het aanzienlijke tijdsverloop, de positieve weg die verdachte de afgelopen jaren heeft ingeslagen en de toepassing van artikel 63 Sr, acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf langer dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten, evenals oplegging van een voorwaardelijk strafdeel niet meer passend. Verdachte dient echter nog wel bestraft te worden en de consequenties van zijn handelen destijds te ondervinden. Dit maakt dat de rechtbank, alles in overweging nemende, de straf zoals die door de officier van justitie is gevorderd passend en geboden acht en zal die dan ook aan verdachte opleggen.





8.1

Het beslag



Het in beslag genomen en niet teruggegeven telefoontoestel op de beslaglijst met omschrijving PL1300-2026033962-G6781921, wit, merk: Apple dient aan verdachte te worden teruggegeven.






9De vorderingen van de benadeelde partijen


9.1

Vorderingen benadeelde partijen



De [familie] hebben zich allen, ieder voor zich, als benadeelde partij in het geding gevoegd. Zij hebben de rechtbank verzocht om toewijzing van hun vordering, en deze te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Daarnaast is verzocht de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan verdachte op te leggen.




[benadeelde partij 2] vordert in totaal € 2.857,54 aan schade. Dit bedrag bestaat uit € 357,54 aan materiële schade, inhoudende het betaalde eigen risico voor het vervoer met ambulance. Ook bestaat het bedrag uit € 2.500,- aan immateriële schade.

[benadeelde partij 4], [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] vorderen elk € 2.750,- aan vergoeding van immateriële schade.

[benadeelde partij 5], de vader van de familie, vordert in totaal € 2.081,20 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit vergoeding van de kosten van het na de gebeurtenis aanschaffen van een nieuw beveiligingssysteem en een nieuwe deurbel.




9.2

Het standpunt van de officier van justitie



Door de officier van justitie is het standpunt ingenomen dat alle vorderingen geheel kunnen worden toegewezen, behalve de vordering van [benadeelde partij 5]. Verzocht is om de vorderingen hoofdelijk toe te wijzen.




9.3

Het standpunt van de verdediging



Door de raadsvrouw is primair verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, gelet op de bepleitte vrijspraak.
Subsidiair is verzocht om bij een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten de door [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 1] gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, omdat deze schade onvoldoende is onderbouwd dan wel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Indien de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde immateriële schade wel toewijsbaar is, is door de raadsvrouw het standpunt ingenomen dat matiging in de rede ligt. Tot slot dient de door [benadeelde partij 5] gevorderde schade niet-ontvankelijk te worden verklaard dan wel te worden afgewezen, wegens het ontbreken van een causaal verband en de onevenredige belasting van het strafgeding.





9.4

Het oordeel van de rechtbank



9.4.1

[benadeelde partij 2], gevorderde materiële schade


Vast staat dat aan [benadeelde partij 2] door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Dit gedeelte van de vordering is niet betwist. De gevorderde materiële schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2020.




9.4.2

[benadeelde partij 2], [benadeelde partij 4], [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3], gevorderde immateriële schade


Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade stelt de rechtbank voorop dat artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) meebrengt dat een benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding, indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van deze ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan ook sprake zijn als geen sprake is van naar objectieve maatstaven vastgesteld geestelijk letsel. Het is namelijk niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij meebrengen dat sprake is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ zoals bedoeld in voornoemd wetsartikel.



In dit geval heeft de normschending eruit bestaan dat de benadeelde partijen door verdachte en de twee mededaders met behulp van een vuurwapen overvallen zijn terwijl zij thuis waren en zij zich veilig waanden in hun eigen woning. [benadeelde partij 4] heeft gezien hoe haar ene dochter tegen de grond werd gewerkt en haar mond werd dichtgehouden en een andere dochter bewusteloos werd geslagen. Zij is zelf ook tegen de grond gewerkt. [benadeelde partij 3] is bruut tegen de grond gewerkt en haar mond is dichtgehouden. [benadeelde partij 2] is bewusteloos geslagen. [benadeelde partij 1] heeft zich in paniek in de badkamer opgesloten, om zichzelf in veiligheid te brengen. Onder deze omstandigheden is sprake van een zodanige ernstige normschending dat het voor de hand ligt dat dit handelen een zodanige impact op de slachtoffers heeft gehad dat aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW kan worden aangenomen.



In de toelichtingen op de vordering wordt onder meer aangevoerd dat [benadeelde partij 4] doodsangsten heeft uitgestaan en zij zich machteloos heeft gevoeld. [benadeelde partij 1] heeft zeer beangstigende momenten beleefd, zij heeft een schaar uit het badkamerkastje gepakt om zichzelf te beschermen voor het geval dat de dader(s) naar boven zou(den) komen. Ook voelde zij zich ontzettend machteloos toen zij hoorde dat haar moeder en zusje zich in een bedreigende situatie bevonden. [benadeelde partij 2] heeft een jukbeenbreuk opgelopen en heeft nu een klein litteken bij haar oog.



Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat deze benadeelde partijen recht hebben op vergoeding van hun schade. Zij waardeert die schade naar billijkheid op respectievelijk € 2.500,- voor [benadeelde partij 2] en € 2.750,- voor [benadeelde partij 4], [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 1], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2020.




9.4.3

[benadeelde partij 5], gevorderde materiële schade


Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 5] overweegt de rechtbank tenslotte het volgende. [benadeelde partij 5] vordert vergoeding van de kosten voor een nieuw beveiligingssysteem en een nieuwe deurbel. De factuur van 25 augustus 2020 van [bedrijf 1] B.V. voor het uitbreiden van de CCTV en het installatie- intercomsysteem die bij de vordering is gevoegd, is gericht aan [bedrijf 2] V.O.F. Het adres op de factuur is weggelakt. De rechtbank is van oordeel dat de factuur vragen oproept die nader onderzoek noodzakelijk maken, hetgeen zou betekenen dat het onderzoek ter zitting moet worden heropend en dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De behandeling van deze vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de [benadeelde partij 5] daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot materiële-schadevergoeding. [benadeelde partij 5] kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. [benadeelde partij 5] en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.




9.4.4

Schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke toewijzing ten aanzien van alle
toegewezen vorderingen



In het belang van de benadeelde partijen wiens vorderingen worden toegewezen. wordt, als extra waarborg voor betaling aan elk van hen, telkens de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opgelegd.



Verder overweegt de rechtbank dat aangezien verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met anderen heeft gepleegd, zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij (en) heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij(en) hoeft te betalen.







11Toepasselijke wettelijke voorschriften


De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 55, 63, 77c, 77i, 77m, 77n, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.





12Beslissing


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.



Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.



Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.




Poging tot afpersing terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen





en





Poging tot diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.




Verklaart het bewezene strafbaar.



Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.



Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 14 (veertien) dagen.



Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.



Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 (tweehonderd) uren, bestaande uit een werkstraf, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 100 (honderd) dagen.




Gelast de teruggave aan [verdachte] van:


1 STK Telefoon (omschrijving: PL1300-2026033962-G6781921, wit, merk: Apple).



De benadeelde partijen




Wijst de vordering van [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 357,54 (driehonderdzevenenvijftig euro en vierenvijftig cent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juli 2020 tot de dag van volledige betaling en tot een bedrag van € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 mei 2020 tot de dag van volledige betaling.



Veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag van in totaal € 2.857,54 (tweeduizend achthonderdzevenenvijftig euro en vierenvijftig cent) aan [benadeelde partij 2], behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.



Legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2], aan de Staat in totaal
€ 2.857,54 (tweeduizend achthonderdzevenenvijftig euro en vierenvijftig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2020 over een bedrag van € 2.500.- en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2020 over een bedrag van € 357,54, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander of anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 28 (achtentwintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen ten behoeve van [benadeelde partij 2] heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.



Wijst de vordering van [benadeelde partij 4] toe tot een bedrag van € 2.750.- (tweeduizend zevenhonderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 mei 2020 tot de dag van volledige betaling.



Veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 4] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.



Legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 4], aan de Staat € 2.750,- (tweeduizend zevenhonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2020, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander of anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 27 (zevenentwintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.



Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen ten behoeve van [benadeelde partij 4] heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.



Wijst de vordering van [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 2.750,- (tweeduizend zevenhonderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 mei 2020 tot de dag van volledige betaling.



Veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.



Legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1], aan de Staat € 2.750.- (tweeduizend zevenhonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2020, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander of anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 27 (zevenentwintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.



Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen ten behoeve van [benadeelde partij 1] heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.



Wijst de vordering van [benadeelde partij 3] toe tot een bedrag van € 2.750,- (tweeduizend zevenhonderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 mei 2020 tot de dag van volledige betaling.



Veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 3] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.



Legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3], aan de Staat € 2.750,- (tweeduizend zevenhonderd vijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2020, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander of anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 27 (zevenentwintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen ten behoeve van [benadeelde partij 3] heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.



Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door elk van de hiervoor genoemde benadeelde partijen gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.



Verklaart [benadeelde partij 5] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding.



Bepaalt dat [benadeelde partij 5] en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.




Opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.





























Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Smit, voorzitter,
mr. M. Wiewel en mr. A.E. Wilbrink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.M. Zoetelief, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juni 2026.
















































[…]