Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:7877
2026-07-09
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12200957 \ KK EXPL 26-259
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ontruiming sociale huurwoning in kort geding. Overlast.
Citeert (2)
- ECLI:EU:C:2021:68
- ECLI:NL:HR:2025:1081 Hoge Raad 04-07-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (28.888 tekens)
RECHTBANK
AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12200957 \ KK EXPL 26-259
991
Vonnis in kort geding van 9 juli 2026
in de zaak van
de stichting
STICHTING STADGENOOT,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Stadgenoot,
gemachtigde: mr. J.E. Soomers,
tegen
1
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. M. Goedhart,
2. ZIJ DIE VERBLIJVEN IN DE ONROERENDE ZAAK OF EEN GEDEELTE DAARVAN OP HET ADRES [adres],
gedaagde partij,
niet verschenen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 mei 2026, met producties,- de producties van [gedaagde],
- de aanvullende productie van Stadgenoot.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026. Stadgenoot is verschenen bij [naam 1], [functie], vergezeld door de gemachtigde. [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door [naam 2] van de GGD en zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht aan de hand van pleitnotities, die aan het procesdossier zijn toegevoegd, en vragen van de kantonrechter beantwoord.
1.3.
De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.
2De uitgangspunten
2.1.
Stadgenoot is een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet.
2.2.
Stadgenoot heeft met ingang van 4 juni 2018 een huurovereenkomst voor begeleid wonen met Per Mens gesloten met betrekking tot de woning aan de [adres] (hierna: de woning). De huurovereenkomst is per 1 december 2023 omgezet naar een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd op naam van [gedaagde].
2.3.
In de op de huurovereenkomst van toepassing verklaarde Algemene Voorwaarden Woonruimte 01-03-2015 (hierna: de algemene voorwaarden) is onder meer het volgende bepaald:
7.1
U gebruikt en onderhoudt uw woning zoals het hoort.
7.2
U houdt uw woning schoon en zorgt voor voldoende stoffering en meubilering.
(…)
7.9
U voorkomt overlast of hinder voor omwonenden. Ook uw huisgenoten, anderen die met uw toestemming in uw woning zijn en uw huisdieren geven geen overlast. U mag uw geluidsapparatuur niet te hard zetten of op een andere manier geluidsoverlast veroorzaken. U gedraagt zich niet agressief en intimiderend jegens omwonenden en onze medewerkers. Onaangepast gedrag en vervuiling van de woning, uw tuin of directe omgeving zijn eveneens verboden.
7.10
In uw woning vinden geen prostitutie of strafbare feiten plaats. Bij strafbare feiten moet u denken aan de aanwezigheid van wapens, (soft)drugs of gestolen waar. U teelt geen hennep in of bij uw woning en ook maakt u zich niet schuldig aan andere drugsdelicten.
(…)
7.15
U verhuurt uw woning of deel daarvan niet zonder onze voorafgaande schriftelijke toestemming aan een ander. Voor bruikleen van (delen van) uw woning geldt hetzelfde.
(…)
16.1
Leven wij of u een verplichting uit uw huurovereenkomst, deze Algemene Voorwaarden of de wet niet na? En moeten daardoor gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen genomen worden? Dan zijn de gemaakte kosten voor de partij die tekortschiet.
2.4.
Op 28 mei 2024 ontving Stadgenoot een brief van een familielid van een omwonende over onrechtmatige bewoning. Volgens de melder woont er een andere persoon in de woning, woont [gedaagde] daar niet en is er veel aanloop naar de woning van personen – vooral jonge vrouwen – met koffers die enkele dagen verblijven. Bij de melding zijn foto’s van de woning gevoegd, waarop vele bedden te zien zijn, inclusief twee vrouwen op bed.
2.5.
Toezichthouders van de gemeente hebben met de politie op 28 mei 2024 de woning bezocht. Hiervan is door de gemeente een verslag opgemaakt, met foto’s. Hierin is onder meer te lezen dat een omwonende heeft verklaard dat [gedaagde] al een tijd niet in de woning woont, hij veelvuldig drugs gebruikte toen hij nog wel in de woning woonde. Een familielid van de omwonende bevestigde dit.
2.6.
Medewerkers van Stadgenoot zijn op 31 mei 2024 bij de woning langsgegaan en troffen daar [gedaagde] aan. Hij verklaarde dat hij afwezig was en in de tussentijd de sleutels aan een persoon op straat had gegeven, die verschillende vrouwen in de woning had toegelaten. [gedaagde] beaamde dat dit niet de bedoeling was. Hierop heeft Stadgenoot [gedaagde] een waarschuwing gegeven.
2.7.
Bij e-mail van 7 november 2024 heeft de wijkagent aan Stadgenoot laten weten dat omwonenden hadden gemeld dat [gedaagde] allerlei personen de woning binnenliet en op zolder liet verblijven. Omwonenden ervaren daar overlast van.
2.8.
Op 18 december 2024 heeft Stadgenoot een melding van een omwonende over onrechtmatige bewoning ontvangen. Volgens de melder woont [gedaagde] met drugdealers in de woning. Dit zorgt voor overlast, doordat personen ’s-nachts in het trappenhuis lopen en de deur open laten staan. Naar aanleiding van deze melding heeft Stadgenoot een overlastdossier geopend.
2.9.
Bij e-mail van 31 december 2024 heeft Per Mens laten weten dat zij op de hoogte is van klachten over [gedaagde], die gaan over een mogelijke wietplantage, overname van de woning door criminelen, prostitutie en/of mensenhandel en geluidsoverlast in de nacht. Per Mens heeft aan Stadgenoot laten weten dat zij hierover gesprekken heeft gevoerd met [gedaagde], maar niet meer dan dat kan doen.
2.10.
Op 8 januari 2025 is een medewerker van Stadgenoot en een medewerker van Per Mens op huisbezoek geweest bij [gedaagde]. Afgesproken is dat de bedden op zolder binnen twee weken zouden worden weggehaald. De nachtelijke geluidsoverlast zou ook stoppen. [gedaagde] erkende dat hij niet zelfstandig kon wonen. Naar aanleiding van het huisbezoek heeft Stadgenoot het Meldpunt verzocht om een uitvoerdersoverleg te plannen.
2.11.
Op 3 juni 2025 ontvangt Stadgenoot van Meldpunt het bericht dat [gedaagde] begeleid wordt vanuit de verslavingszorg. Het Meldpunt laat weten dat beschermd wonen passender voor [gedaagde] is.
2.12.
Op 19 juni 2025 ontvangt Stadgenoot van de GGD het bericht dat [gedaagde] een gebruiker is en veel ‘ongure types’ in de woning laat. Per Mens zou [gedaagde] begeleiden, maar geen grip op hem hebben.
2.13.
Op 20 juni 2025 heeft een omwonende bij Stadgenood geklaagd over overlast door [gedaagde]. Volgens de melder wordt de situatie alleen maar erger. Zij verklaarde dat er meerdere personen in de woning wonen die zowel overdag als ’s-nachts overlast veroorzaken, waardoor de melder niet kan slapen.
2.14.
Op 7 juli 2025 ontvangt Stadgenoot weer een overlastmelding van een omwonende. Volgens de melder is [gedaagde] verslaafd, laat hij veel mannen in de woning en wordt er gedeald. [gedaagde] heeft vaak problemen met de sleutel en belt dan ’s-nachts bij de melder aan. De toegangsdeur staat ook vaak open in de nacht.
2.15.
Op 14 juli 2025 is een medewerker van Stadgenoot en een medewerker van de GGD bij [gedaagde] op huisbezoek geweest. Zij troffen een rommelige woning aan. Er lagen weegschalen en op tafel lag een spiegel met wit poeder erop. Ook stonden meerdere gekantelde bedden en matrassen in de woning. Van de aangetroffen situatie zijn foto’s genomen.
2.16.
Op 4 augustus 2025 en 27 augustus 2025 zijn wederom meldingen van overlast bij Stadgenoot binnengekomen.
2.17.
Stadgenoot heeft op 27 augustus 2025 bij de GGD geïnformeerd over de status van het beschermd wonen. [gedaagde] staat op de wachtlijst en de GGD zal proberen hem hoger op de wachtlijst te laten plaatsen.
2.18.
Op 16 januari 2026 heeft de wijkagent van een omwonende een melding ontvangen van nachtelijke overlast door [gedaagde]. Er zou ruzie zijn geweest. De melder is bij [gedaagde] langsgegaan. Toen de melder terugkwam uit de woning, lag er een briefje op haar trap met daarop de tekst: “je bent in gevaar, ga hier weg”.
2.19.
Op 26 januari 2026 heeft de wijkagent Stadgenoot geïnformeerd over de meldingen die sinds april 2024 waren binnengekomen. Bij elke melding staat vermeld dat [gedaagde] kwetsbaar is en mogelijk wordt uitgebuit. Bij de huisbezoeken zijn steeds derden in de woning aangetroffen. De politie heeft ook regelmatig zelf geluidsoverlast en/of een wietlucht waargenomen.
2.20.
Op 29 januari 2026 heeft een uitvoerdersoverleg plaatsgevonden, waarbij Stadgenoot, de wijkagent, het Meldpunt en (een arts, verpleegkundige en maatschappelijk werker van) de GGD aanwezig waren. Tijdens het overleg zijn zorgen geuit over [gedaagde]. De politie heeft geconstateerd dat er verschillende mannen in de woning verblijven en zij de woning hebben overgenomen. [gedaagde] is ook een keer op blote voet buiten aangetroffen nadat hij op straat bleek te zijn gezet door een van de mannen die in zijn woning verblijft. De maatschappelijk werker verklaarde dat [gedaagde] twee weken eerder een tweede waarschuwingsbrief heeft ontvangen voor de overlast. De GGD gaf aan geen vertrouwen meer te hebben dat [gedaagde] zijn gedrag verbetert en derden buiten de deur houdt. Alle betrokken instanties zijn het erover eens dat [gedaagde] niet meer zelfstandig kan wonen. De GGD zou [gedaagde] aanmelden voor een WLZ-indicatie.
2.21.
Op 29 januari 2026 zijn een medewerker van Stadgenoot en de wijkagent op huisbezoek geweest. Er hing een wietlucht in het trappenhuis en de woning was verwaarloosd. In de woning troffen zij naast [gedaagde] een man in zijn badjas met blote voeten aan die zei geen woning te hebben en meestal in het [locatie] te verblijven. Hij verklaarde alleen langs te gekomen om te chillen en blowen.
2.22.
Naar aanleiding van de huisbezoeken heeft Stadgenoot [gedaagde] bij brief van 2 februari 2026 een laatste waarschuwing gegeven en verzocht de situatie in de woning ongedaan te maken en ervoor te zorgen dat geen overlast meer plaatsvindt.
2.23.
Op 10 februari 2026 heeft Stadgenoot van de politie een sfeerverbaal ontvangen, waarin onder meer staat dat [gedaagde] tijdens meerdere huisbezoeken heeft aangegeven dat hij geen bezoekers wil binnenlaten omdat zij voor onrust zorgen en [gedaagde] meerdere verbalen heeft gekregen voor openlijk gebruik van verdovende middelen in de openbare ruimte.
2.24.
Op 16 februari 2026 sprak Stadgenoot een omwonende die verklaarde dat er die week een wietlucht in het trappenhuis hing en dat sinds enkele dagen weer dezelfde man in de woning verblijft die eerder de zolderkamers had laten bewonen.
2.25.
Op 20 februari 2026 zijn een medewerker van Stadgenoot en de wijkagent bij de woning langs geweest. De deur van de woning was open. De politie is binnengetreden in het kader van zaakwaarneming en trof een mes en sporen van drugsgebruik aan. Hiervan zijn foto’s gemaakt.
2.26.
Op 27 februari 2026 zijn wederom een medewerker van Stadgenoot en de wijkagent naar de woning gegaan. [gedaagde] gaf aan dat hij nog steeds bezoek ontving, dat hij uit de woning weg wilde, dat hij in het verleden vaak niet de regie had over de woning en dat hij geen sleutels heeft van de woning. Volgens [gedaagde] stonden daarom de toegangsdeuren open of konden die met een elektriciteitsdraad worden opengemaakt. Van het huisbezoek zijn foto’s gemaakt.
2.27.
Op 2 maart 2026 heeft Stadgenoot van de wijkagent informatie over een bezoek van de politie aan de woning op 24 februari 2026 ontvangen. [gedaagde] had aan de politie verklaard dat er mensen in de woning waren die een mes hadden getrokken. Verder verklaarde [gedaagde] dat de personen niet voor hem maar voor een van zijn bezoekers, de heer [naam 3], kwamen. De politie zag verpakkingsmateriaal liggen en op het gasfornuis stonden twee kommen met wit spul erin. In de woning werd ook [naam 3] aangetroffen, die is aangehouden omdat hij nog 19 dagen hechtenis open had staan.
2.28.
Op 6 maart 2026 heeft Stadgenoot van de wijkagent informatie over een bezoek van de politie aan de woning op 4 maart 2026 ontvangen. De politie verklaarde een zogenaamde bolletjesslikker vanaf Schiphol te hebben gevolgd die bij de woning naar binnen ging. Naast [gedaagde] en de bolletjesslikker trof de politie nog twee andere personen in de woning aan, die sliepen. In de woning lag een gebruikershoeveelheid drugs. [gedaagde] verklaarde geen geld te krijgen van de personen in de woning, maar hem in natura (drugs) te betalen.
2.29.
Op 10 maart 2026 heeft een groot overleg met de betrokken partners van het Meldpunt plaatsgevonden. De betrokken partners willen een Einde Interventieverklaring, maar hebben het stemmen hierover uitgesteld totdat er meer duidelijkheid is of [gedaagde] voorrang krijgt voor een plek binnen de maatschappelijke opvang.
2.30.
Op 16 maart 2026 heeft een medewerker van Stadgenoot met drie omwonenden gebeld. De omwonenden verklaren dagelijks nog overlast te ervaren.
2.31.
Op 18 maart 2026 heeft Stadgenoot een melding van een familielid van een omwonende ontvangen over overlast, bestaande uit het aanbellen in de avond en nacht door dealers en gasten van de woning. Hierdoor heeft de omwonende geen nachtrust.
2.32.
Bij brief van 31 maart 2026 heeft Stadgenoot [gedaagde] en de bewoners van de woning gesommeerd de huurovereenkomst op te zeggen en de woning te ontruimen.
2.33.
[gedaagde] heeft via zijn gemachtigde in reactie op de brief van 31 maart 2026 van Stadgenoot laten weten dat de huurovereenkomst niet vrijwillig zal worden opgezegd.
2.34.
Naar aanleiding van het groot overleg van 10 maart 2026 hebben de betrokken partners van het Meldpunt, waaronder Stadgenoot, de politie en de GGD, besloten om een Einde Interventieverklaring af te geven. Deze verklaring wordt afgegeven als alle partners hebben vastgesteld dat de problematische situatie niet te verhelpen is met de middelen die hen ter beschikking staan.
3Het geschil
3.1.
Stadgenoot vordert ontruiming van de woning aan [adres], met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Stadgenoot stelt dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met de huurovereenkomst en de wet door zonder toestemming van Stadgenoot (een deel van) de woning in gebruik te geven aan derden, die overlast veroorzaken. De overlast zorgt ervoor dat omwonenden geen rustig huurgenot hebben en zich onveilig voelen. [gedaagde] heeft ook drugs in de woning en heeft de woning bedrijfsmatig gebruikt of laten gebruiken voor prostitutie. [gedaagde] heeft zich niet als goed huurder gedragen. [gedaagde] is door Stadgenoot en andere instanties verzocht om de overlast te beëindigen, maar dat is niet gelukt. De betrokken instanties zien geen mogelijkheden meer om in te grijpen in de huidige situatie, die onhoudbaar is geworden. De tekortkomingen van [gedaagde] zijn van voldoende gewicht en rechtvaardigen ontbinding van de huurovereenkomst en daarop vooruitlopend ontruiming van de woning.
3.3.
Eventuele andere bewoners dan [gedaagde] verblijven zonder recht of titel in de woning, zodat Stadgenoot met ontruiming beëindiging van die onrechtmatige situatie vordert.
3.4.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] betwist dat sprake is van een tekortkoming die ontbinding rechtvaardigt. Vrijwel alle meldingen van overlast zijn afkomstig van mevrouw [naam 4]. De meldingen zijn uiterst vaag. Hooguit kan worden gezegd dat [gedaagde] wel eens bezoek ontvangt, maar daarmee is nog geen sprake van het in gebruik geven van de woning, ook niet als het bezoek een nachtje zou blijven slapen. Dat er drugs is aangetroffen is onvoldoende onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de stelling dat de woning is gebruikt voor prostitutie. [gedaagde] erkent dat het in het verleden is misgegaan, doordat de woning kortstondig is overgenomen door een derde, maar daarvoor heeft [gedaagde] een waarschuwing gehad. Dat is inmiddels twee jaar terug en het gaat nu goed. De enkele tekortkoming in het verleden is onvoldoende om tot ontruiming over te gaan.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een (diepgaand) onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
Spoedeisend belang
4.2.
Gelet op het voortdurende karakter van de (meldingen van de) overlast en de einde interventieverklaring, is het vereiste spoedeisend belang aanwezig.
Ambtshalve toetsing
4.3.
In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet eerst ambtshalve worden getoetst aan het consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (over oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze vernietigen. Stadgenoot mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68). De kantonrechter toetst die bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn. Deze bedingen zijn geciteerd onder 2.3.
4.4.
De leden van artikel 7 van de algemene voorwaarden waarop Stadgenoot een beroep doet, zijn getoetst en niet oneerlijk bevonden. Weliswaar zou een strikte lezing tot gevolg kunnen hebben dat er beperkingen worden gesteld aan de vrijheid van een huurder om zijn leven vorm te geven op de wijze waarop hij dat wenst, maar uit het artikel blijkt genoegzaam dat wordt gedoeld op wettelijke verboden en geboden en dat daaraan nadere invulling wordt gegeven. Gelet hierop en op het feit dat Stadgenoot ook een zorgplicht heeft om voor een goed leefklimaat te zorgen voor andere omwonenden die eveneens huurders zijn van Stadgenoot, wordt het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen met deze bepalingen niet aanzienlijk verstoord.
4.5.
Artikel 16.1 van de algemene voorwaarden staat het beding met betrekking tot gerechtelijke kosten. Dit beding wordt vooralsnog oneerlijk bevonden, omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien.
De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen.
Tekortkomingen leiden tot ontruiming
4.6.
Niet in geschil is dat [gedaagde] in het verleden is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. Wel is in geschil of [gedaagde] nog steeds tekortschiet, de ernst van eventuele tekortkomingen en de vraag of deze een ontbinding bij een daartoe strekkende vordering in een bodemprocedure zouden rechtvaardigen.
4.7.
Naar voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft Stadgenoot voldoende aannemelijk gemaakt dat zich in de afgelopen twee jaren veelvuldig incidenten hebben voorgedaan, die bij omwonenden hebben geleid tot onrechtmatige overlast. De meest recente verklaring hierover dateert van 22 juni jongstleden. Deze incidenten staan niet op zichzelf, maar hebben een structureel karakter. De meldingen gaan ook steeds over hetzelfde: het binnenlaten van derden in de woning, drugsgerelateerde overlast en nachtelijke overlast (aanbellen bij omwonenden, geluidsoverlast, open deuren).
4.8.
In de woning zijn door de betrokkenen vrijwel altijd derden aangetroffen. Op grond van de aangetroffen situaties in de woning is het aannemelijk dat het niet alleen om logeren gaat maar dat de woning in gebruik is gegeven aan derden en dat er vaak drugs wordt gebruikt met overlast tot gevolg. De constateringen rechtvaardigen ook vermoedens van drugshandel en prostitutie maar zonder nader onderzoek kan de kantonrechter dat in dit kort geding niet vaststellen.
4.9.
Echter, de onrechtmatige, structurele overlast en herhaaldelijke ingebruikgeving van de woning zijn ernstige tekortkomingen, met een nadelig effect op zowel [gedaagde] als persoon als op de leefbaarheid van met name de andere bewoners in het trappenhuis van de woning en van de buurt. Dat de meeste meldingen afkomstig zijn van één directe omwonende en mogelijk niet zo concreet zijn, zoals [gedaagde] aanvoert, neemt niet weg dat de overlastmeldingen continu blijven binnenkomen. Daarbij is van belang dat de overlast niet alleen door de betreffende omwonende wordt gemeld, maar ook is waargenomen door de wijkagent, de politie, de GGD en Stadgenoot zelf.
4.10.
Stadgenoot heeft samen met de hulpverlening en de politie veelvuldig pogingen gedaan om [gedaagde] te helpen. [gedaagde] slaagt er niet in om (kwaadwillende) derden buiten de deur te houden. Hij lijkt zelf ook in te zien dat dit geen houdbare situatie is. Alle betrokken partijen zijn het erover eens dat beschermd wonen in de rede ligt. De situatie is ondanks de waarschuwingen en interventies niet verbeterd en er bestaat ook geen concreet zicht op verbetering. De betrokken instanties hebben daarom een Einde Interventieverklaring afgegeven en dat is veelzeggend.
4.11.
Naar voorlopig oordeel van de kantonrechter is [gedaagde] ernstig tekortgeschoten, schiet hij nog steeds tekort in de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiend uit de huurovereenkomst en heeft hij zich ook niet als goed huurder gedragen. Hij is aansprakelijk voor gedragingen van de personen die hij in de woning heeft binnengelaten. De kantonrechter ziet in dat [gedaagde] de druk van die personen moeilijk kan weerstaan en weinig regie heeft over de woning. [gedaagde] heeft daarbij begrijpelijkerwijs een groot belang bij behoud van zijn woning. Hij is een kwetsbare verslavingsgevoelige man van 80 jaar en dat weegt zwaar. Toch dient het belang van Stadgenoot en daarmee ook de omwonenden onder de gegeven omstandigheden te prevaleren. Van omwonenden kan niet langer worden gevergd dat zij de overlast door of ten gevolge van [gedaagde] nog langer moeten dulden. Het is aannemelijk dat de bodemrechter een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst zal toewijzen, zodat het gerechtvaardigd is om op die beslissing vooruit te lopen door de in dit kort geding gevorderde ontruiming toe te wijzen.
4.12.
De gevorderde ontruiming wordt daarom toegewezen, zowel ten aanzien van [gedaagde] als ten aanzien van ‘zij die verblijven’. De ontruimingstermijn ten aanzien van ‘zij die verblijven’ is toewijsbaar als gevorderd. Gelet op de precaire situatie waarin [gedaagde] zich bevindt en de noodzaak van beschermd wonen, ziet de kantonrechter aanleiding om voor [gedaagde] een langere ontruimingstermijn te bepalen. Een ontruimingstermijn van drie maanden wordt onder de gegeven omstandigheden, met inachtneming van de belangen van partijen, redelijk geacht. De kantonrechter vertrouwt erop dat op deze manier de betrokken instanties in dit specifieke geval ertoe worden aangezet om zo spoedig mogelijk een plaats binnen beschermd wonen voor [gedaagde] te realiseren, zodat [gedaagde] (bij voorkeur) niet, althans korter in de dag- en nachtopvang van het Leger des Heils terecht komt (zoals op de zitting is toegezegd), terwijl Stadgenoot de woning binnen afzienbare tijd kan herverdelen onder de woningzoekenden en de buurt, met name de meldende omwonenden, uitzicht heeft op rust die wederkeert.
4.13.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De door Stadgenoot gemaakte explootkosten voor de andere gedaagde, ‘zij die verblijven’, komen niet ten laste van [gedaagde] en blijven voor haar eigen rekening. Met inachtneming hiervan worden de proceskosten van Stadgenoot begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,02
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
941,02
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Stadgenoot zijn, en de sleutels af te geven aan Stadgenoot,
5.2.
veroordeelt zij die verblijven in de woning aan [adres] om deze woning binnen drie maanden na betekening van dit vonnis te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Stadgenoot zijn, en de sleutels af te geven aan Stadgenoot,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 941,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12200957 \ KK EXPL 26-259
991
Vonnis in kort geding van 9 juli 2026
in de zaak van
de stichting
STICHTING STADGENOOT,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Stadgenoot,
gemachtigde: mr. J.E. Soomers,
tegen
1
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. M. Goedhart,
2. ZIJ DIE VERBLIJVEN IN DE ONROERENDE ZAAK OF EEN GEDEELTE DAARVAN OP HET ADRES [adres],
gedaagde partij,
niet verschenen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 mei 2026, met producties,- de producties van [gedaagde],
- de aanvullende productie van Stadgenoot.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026. Stadgenoot is verschenen bij [naam 1], [functie], vergezeld door de gemachtigde. [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door [naam 2] van de GGD en zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht aan de hand van pleitnotities, die aan het procesdossier zijn toegevoegd, en vragen van de kantonrechter beantwoord.
1.3.
De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.
2De uitgangspunten
2.1.
Stadgenoot is een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet.
2.2.
Stadgenoot heeft met ingang van 4 juni 2018 een huurovereenkomst voor begeleid wonen met Per Mens gesloten met betrekking tot de woning aan de [adres] (hierna: de woning). De huurovereenkomst is per 1 december 2023 omgezet naar een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd op naam van [gedaagde].
2.3.
In de op de huurovereenkomst van toepassing verklaarde Algemene Voorwaarden Woonruimte 01-03-2015 (hierna: de algemene voorwaarden) is onder meer het volgende bepaald:
7.1
U gebruikt en onderhoudt uw woning zoals het hoort.
7.2
U houdt uw woning schoon en zorgt voor voldoende stoffering en meubilering.
(…)
7.9
U voorkomt overlast of hinder voor omwonenden. Ook uw huisgenoten, anderen die met uw toestemming in uw woning zijn en uw huisdieren geven geen overlast. U mag uw geluidsapparatuur niet te hard zetten of op een andere manier geluidsoverlast veroorzaken. U gedraagt zich niet agressief en intimiderend jegens omwonenden en onze medewerkers. Onaangepast gedrag en vervuiling van de woning, uw tuin of directe omgeving zijn eveneens verboden.
7.10
In uw woning vinden geen prostitutie of strafbare feiten plaats. Bij strafbare feiten moet u denken aan de aanwezigheid van wapens, (soft)drugs of gestolen waar. U teelt geen hennep in of bij uw woning en ook maakt u zich niet schuldig aan andere drugsdelicten.
(…)
7.15
U verhuurt uw woning of deel daarvan niet zonder onze voorafgaande schriftelijke toestemming aan een ander. Voor bruikleen van (delen van) uw woning geldt hetzelfde.
(…)
16.1
Leven wij of u een verplichting uit uw huurovereenkomst, deze Algemene Voorwaarden of de wet niet na? En moeten daardoor gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen genomen worden? Dan zijn de gemaakte kosten voor de partij die tekortschiet.
2.4.
Op 28 mei 2024 ontving Stadgenoot een brief van een familielid van een omwonende over onrechtmatige bewoning. Volgens de melder woont er een andere persoon in de woning, woont [gedaagde] daar niet en is er veel aanloop naar de woning van personen – vooral jonge vrouwen – met koffers die enkele dagen verblijven. Bij de melding zijn foto’s van de woning gevoegd, waarop vele bedden te zien zijn, inclusief twee vrouwen op bed.
2.5.
Toezichthouders van de gemeente hebben met de politie op 28 mei 2024 de woning bezocht. Hiervan is door de gemeente een verslag opgemaakt, met foto’s. Hierin is onder meer te lezen dat een omwonende heeft verklaard dat [gedaagde] al een tijd niet in de woning woont, hij veelvuldig drugs gebruikte toen hij nog wel in de woning woonde. Een familielid van de omwonende bevestigde dit.
2.6.
Medewerkers van Stadgenoot zijn op 31 mei 2024 bij de woning langsgegaan en troffen daar [gedaagde] aan. Hij verklaarde dat hij afwezig was en in de tussentijd de sleutels aan een persoon op straat had gegeven, die verschillende vrouwen in de woning had toegelaten. [gedaagde] beaamde dat dit niet de bedoeling was. Hierop heeft Stadgenoot [gedaagde] een waarschuwing gegeven.
2.7.
Bij e-mail van 7 november 2024 heeft de wijkagent aan Stadgenoot laten weten dat omwonenden hadden gemeld dat [gedaagde] allerlei personen de woning binnenliet en op zolder liet verblijven. Omwonenden ervaren daar overlast van.
2.8.
Op 18 december 2024 heeft Stadgenoot een melding van een omwonende over onrechtmatige bewoning ontvangen. Volgens de melder woont [gedaagde] met drugdealers in de woning. Dit zorgt voor overlast, doordat personen ’s-nachts in het trappenhuis lopen en de deur open laten staan. Naar aanleiding van deze melding heeft Stadgenoot een overlastdossier geopend.
2.9.
Bij e-mail van 31 december 2024 heeft Per Mens laten weten dat zij op de hoogte is van klachten over [gedaagde], die gaan over een mogelijke wietplantage, overname van de woning door criminelen, prostitutie en/of mensenhandel en geluidsoverlast in de nacht. Per Mens heeft aan Stadgenoot laten weten dat zij hierover gesprekken heeft gevoerd met [gedaagde], maar niet meer dan dat kan doen.
2.10.
Op 8 januari 2025 is een medewerker van Stadgenoot en een medewerker van Per Mens op huisbezoek geweest bij [gedaagde]. Afgesproken is dat de bedden op zolder binnen twee weken zouden worden weggehaald. De nachtelijke geluidsoverlast zou ook stoppen. [gedaagde] erkende dat hij niet zelfstandig kon wonen. Naar aanleiding van het huisbezoek heeft Stadgenoot het Meldpunt verzocht om een uitvoerdersoverleg te plannen.
2.11.
Op 3 juni 2025 ontvangt Stadgenoot van Meldpunt het bericht dat [gedaagde] begeleid wordt vanuit de verslavingszorg. Het Meldpunt laat weten dat beschermd wonen passender voor [gedaagde] is.
2.12.
Op 19 juni 2025 ontvangt Stadgenoot van de GGD het bericht dat [gedaagde] een gebruiker is en veel ‘ongure types’ in de woning laat. Per Mens zou [gedaagde] begeleiden, maar geen grip op hem hebben.
2.13.
Op 20 juni 2025 heeft een omwonende bij Stadgenood geklaagd over overlast door [gedaagde]. Volgens de melder wordt de situatie alleen maar erger. Zij verklaarde dat er meerdere personen in de woning wonen die zowel overdag als ’s-nachts overlast veroorzaken, waardoor de melder niet kan slapen.
2.14.
Op 7 juli 2025 ontvangt Stadgenoot weer een overlastmelding van een omwonende. Volgens de melder is [gedaagde] verslaafd, laat hij veel mannen in de woning en wordt er gedeald. [gedaagde] heeft vaak problemen met de sleutel en belt dan ’s-nachts bij de melder aan. De toegangsdeur staat ook vaak open in de nacht.
2.15.
Op 14 juli 2025 is een medewerker van Stadgenoot en een medewerker van de GGD bij [gedaagde] op huisbezoek geweest. Zij troffen een rommelige woning aan. Er lagen weegschalen en op tafel lag een spiegel met wit poeder erop. Ook stonden meerdere gekantelde bedden en matrassen in de woning. Van de aangetroffen situatie zijn foto’s genomen.
2.16.
Op 4 augustus 2025 en 27 augustus 2025 zijn wederom meldingen van overlast bij Stadgenoot binnengekomen.
2.17.
Stadgenoot heeft op 27 augustus 2025 bij de GGD geïnformeerd over de status van het beschermd wonen. [gedaagde] staat op de wachtlijst en de GGD zal proberen hem hoger op de wachtlijst te laten plaatsen.
2.18.
Op 16 januari 2026 heeft de wijkagent van een omwonende een melding ontvangen van nachtelijke overlast door [gedaagde]. Er zou ruzie zijn geweest. De melder is bij [gedaagde] langsgegaan. Toen de melder terugkwam uit de woning, lag er een briefje op haar trap met daarop de tekst: “je bent in gevaar, ga hier weg”.
2.19.
Op 26 januari 2026 heeft de wijkagent Stadgenoot geïnformeerd over de meldingen die sinds april 2024 waren binnengekomen. Bij elke melding staat vermeld dat [gedaagde] kwetsbaar is en mogelijk wordt uitgebuit. Bij de huisbezoeken zijn steeds derden in de woning aangetroffen. De politie heeft ook regelmatig zelf geluidsoverlast en/of een wietlucht waargenomen.
2.20.
Op 29 januari 2026 heeft een uitvoerdersoverleg plaatsgevonden, waarbij Stadgenoot, de wijkagent, het Meldpunt en (een arts, verpleegkundige en maatschappelijk werker van) de GGD aanwezig waren. Tijdens het overleg zijn zorgen geuit over [gedaagde]. De politie heeft geconstateerd dat er verschillende mannen in de woning verblijven en zij de woning hebben overgenomen. [gedaagde] is ook een keer op blote voet buiten aangetroffen nadat hij op straat bleek te zijn gezet door een van de mannen die in zijn woning verblijft. De maatschappelijk werker verklaarde dat [gedaagde] twee weken eerder een tweede waarschuwingsbrief heeft ontvangen voor de overlast. De GGD gaf aan geen vertrouwen meer te hebben dat [gedaagde] zijn gedrag verbetert en derden buiten de deur houdt. Alle betrokken instanties zijn het erover eens dat [gedaagde] niet meer zelfstandig kan wonen. De GGD zou [gedaagde] aanmelden voor een WLZ-indicatie.
2.21.
Op 29 januari 2026 zijn een medewerker van Stadgenoot en de wijkagent op huisbezoek geweest. Er hing een wietlucht in het trappenhuis en de woning was verwaarloosd. In de woning troffen zij naast [gedaagde] een man in zijn badjas met blote voeten aan die zei geen woning te hebben en meestal in het [locatie] te verblijven. Hij verklaarde alleen langs te gekomen om te chillen en blowen.
2.22.
Naar aanleiding van de huisbezoeken heeft Stadgenoot [gedaagde] bij brief van 2 februari 2026 een laatste waarschuwing gegeven en verzocht de situatie in de woning ongedaan te maken en ervoor te zorgen dat geen overlast meer plaatsvindt.
2.23.
Op 10 februari 2026 heeft Stadgenoot van de politie een sfeerverbaal ontvangen, waarin onder meer staat dat [gedaagde] tijdens meerdere huisbezoeken heeft aangegeven dat hij geen bezoekers wil binnenlaten omdat zij voor onrust zorgen en [gedaagde] meerdere verbalen heeft gekregen voor openlijk gebruik van verdovende middelen in de openbare ruimte.
2.24.
Op 16 februari 2026 sprak Stadgenoot een omwonende die verklaarde dat er die week een wietlucht in het trappenhuis hing en dat sinds enkele dagen weer dezelfde man in de woning verblijft die eerder de zolderkamers had laten bewonen.
2.25.
Op 20 februari 2026 zijn een medewerker van Stadgenoot en de wijkagent bij de woning langs geweest. De deur van de woning was open. De politie is binnengetreden in het kader van zaakwaarneming en trof een mes en sporen van drugsgebruik aan. Hiervan zijn foto’s gemaakt.
2.26.
Op 27 februari 2026 zijn wederom een medewerker van Stadgenoot en de wijkagent naar de woning gegaan. [gedaagde] gaf aan dat hij nog steeds bezoek ontving, dat hij uit de woning weg wilde, dat hij in het verleden vaak niet de regie had over de woning en dat hij geen sleutels heeft van de woning. Volgens [gedaagde] stonden daarom de toegangsdeuren open of konden die met een elektriciteitsdraad worden opengemaakt. Van het huisbezoek zijn foto’s gemaakt.
2.27.
Op 2 maart 2026 heeft Stadgenoot van de wijkagent informatie over een bezoek van de politie aan de woning op 24 februari 2026 ontvangen. [gedaagde] had aan de politie verklaard dat er mensen in de woning waren die een mes hadden getrokken. Verder verklaarde [gedaagde] dat de personen niet voor hem maar voor een van zijn bezoekers, de heer [naam 3], kwamen. De politie zag verpakkingsmateriaal liggen en op het gasfornuis stonden twee kommen met wit spul erin. In de woning werd ook [naam 3] aangetroffen, die is aangehouden omdat hij nog 19 dagen hechtenis open had staan.
2.28.
Op 6 maart 2026 heeft Stadgenoot van de wijkagent informatie over een bezoek van de politie aan de woning op 4 maart 2026 ontvangen. De politie verklaarde een zogenaamde bolletjesslikker vanaf Schiphol te hebben gevolgd die bij de woning naar binnen ging. Naast [gedaagde] en de bolletjesslikker trof de politie nog twee andere personen in de woning aan, die sliepen. In de woning lag een gebruikershoeveelheid drugs. [gedaagde] verklaarde geen geld te krijgen van de personen in de woning, maar hem in natura (drugs) te betalen.
2.29.
Op 10 maart 2026 heeft een groot overleg met de betrokken partners van het Meldpunt plaatsgevonden. De betrokken partners willen een Einde Interventieverklaring, maar hebben het stemmen hierover uitgesteld totdat er meer duidelijkheid is of [gedaagde] voorrang krijgt voor een plek binnen de maatschappelijke opvang.
2.30.
Op 16 maart 2026 heeft een medewerker van Stadgenoot met drie omwonenden gebeld. De omwonenden verklaren dagelijks nog overlast te ervaren.
2.31.
Op 18 maart 2026 heeft Stadgenoot een melding van een familielid van een omwonende ontvangen over overlast, bestaande uit het aanbellen in de avond en nacht door dealers en gasten van de woning. Hierdoor heeft de omwonende geen nachtrust.
2.32.
Bij brief van 31 maart 2026 heeft Stadgenoot [gedaagde] en de bewoners van de woning gesommeerd de huurovereenkomst op te zeggen en de woning te ontruimen.
2.33.
[gedaagde] heeft via zijn gemachtigde in reactie op de brief van 31 maart 2026 van Stadgenoot laten weten dat de huurovereenkomst niet vrijwillig zal worden opgezegd.
2.34.
Naar aanleiding van het groot overleg van 10 maart 2026 hebben de betrokken partners van het Meldpunt, waaronder Stadgenoot, de politie en de GGD, besloten om een Einde Interventieverklaring af te geven. Deze verklaring wordt afgegeven als alle partners hebben vastgesteld dat de problematische situatie niet te verhelpen is met de middelen die hen ter beschikking staan.
3Het geschil
3.1.
Stadgenoot vordert ontruiming van de woning aan [adres], met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Stadgenoot stelt dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met de huurovereenkomst en de wet door zonder toestemming van Stadgenoot (een deel van) de woning in gebruik te geven aan derden, die overlast veroorzaken. De overlast zorgt ervoor dat omwonenden geen rustig huurgenot hebben en zich onveilig voelen. [gedaagde] heeft ook drugs in de woning en heeft de woning bedrijfsmatig gebruikt of laten gebruiken voor prostitutie. [gedaagde] heeft zich niet als goed huurder gedragen. [gedaagde] is door Stadgenoot en andere instanties verzocht om de overlast te beëindigen, maar dat is niet gelukt. De betrokken instanties zien geen mogelijkheden meer om in te grijpen in de huidige situatie, die onhoudbaar is geworden. De tekortkomingen van [gedaagde] zijn van voldoende gewicht en rechtvaardigen ontbinding van de huurovereenkomst en daarop vooruitlopend ontruiming van de woning.
3.3.
Eventuele andere bewoners dan [gedaagde] verblijven zonder recht of titel in de woning, zodat Stadgenoot met ontruiming beëindiging van die onrechtmatige situatie vordert.
3.4.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] betwist dat sprake is van een tekortkoming die ontbinding rechtvaardigt. Vrijwel alle meldingen van overlast zijn afkomstig van mevrouw [naam 4]. De meldingen zijn uiterst vaag. Hooguit kan worden gezegd dat [gedaagde] wel eens bezoek ontvangt, maar daarmee is nog geen sprake van het in gebruik geven van de woning, ook niet als het bezoek een nachtje zou blijven slapen. Dat er drugs is aangetroffen is onvoldoende onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de stelling dat de woning is gebruikt voor prostitutie. [gedaagde] erkent dat het in het verleden is misgegaan, doordat de woning kortstondig is overgenomen door een derde, maar daarvoor heeft [gedaagde] een waarschuwing gehad. Dat is inmiddels twee jaar terug en het gaat nu goed. De enkele tekortkoming in het verleden is onvoldoende om tot ontruiming over te gaan.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een (diepgaand) onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
Spoedeisend belang
4.2.
Gelet op het voortdurende karakter van de (meldingen van de) overlast en de einde interventieverklaring, is het vereiste spoedeisend belang aanwezig.
Ambtshalve toetsing
4.3.
In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet eerst ambtshalve worden getoetst aan het consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (over oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze vernietigen. Stadgenoot mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68). De kantonrechter toetst die bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn. Deze bedingen zijn geciteerd onder 2.3.
4.4.
De leden van artikel 7 van de algemene voorwaarden waarop Stadgenoot een beroep doet, zijn getoetst en niet oneerlijk bevonden. Weliswaar zou een strikte lezing tot gevolg kunnen hebben dat er beperkingen worden gesteld aan de vrijheid van een huurder om zijn leven vorm te geven op de wijze waarop hij dat wenst, maar uit het artikel blijkt genoegzaam dat wordt gedoeld op wettelijke verboden en geboden en dat daaraan nadere invulling wordt gegeven. Gelet hierop en op het feit dat Stadgenoot ook een zorgplicht heeft om voor een goed leefklimaat te zorgen voor andere omwonenden die eveneens huurders zijn van Stadgenoot, wordt het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen met deze bepalingen niet aanzienlijk verstoord.
4.5.
Artikel 16.1 van de algemene voorwaarden staat het beding met betrekking tot gerechtelijke kosten. Dit beding wordt vooralsnog oneerlijk bevonden, omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien.
De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen.
Tekortkomingen leiden tot ontruiming
4.6.
Niet in geschil is dat [gedaagde] in het verleden is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. Wel is in geschil of [gedaagde] nog steeds tekortschiet, de ernst van eventuele tekortkomingen en de vraag of deze een ontbinding bij een daartoe strekkende vordering in een bodemprocedure zouden rechtvaardigen.
4.7.
Naar voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft Stadgenoot voldoende aannemelijk gemaakt dat zich in de afgelopen twee jaren veelvuldig incidenten hebben voorgedaan, die bij omwonenden hebben geleid tot onrechtmatige overlast. De meest recente verklaring hierover dateert van 22 juni jongstleden. Deze incidenten staan niet op zichzelf, maar hebben een structureel karakter. De meldingen gaan ook steeds over hetzelfde: het binnenlaten van derden in de woning, drugsgerelateerde overlast en nachtelijke overlast (aanbellen bij omwonenden, geluidsoverlast, open deuren).
4.8.
In de woning zijn door de betrokkenen vrijwel altijd derden aangetroffen. Op grond van de aangetroffen situaties in de woning is het aannemelijk dat het niet alleen om logeren gaat maar dat de woning in gebruik is gegeven aan derden en dat er vaak drugs wordt gebruikt met overlast tot gevolg. De constateringen rechtvaardigen ook vermoedens van drugshandel en prostitutie maar zonder nader onderzoek kan de kantonrechter dat in dit kort geding niet vaststellen.
4.9.
Echter, de onrechtmatige, structurele overlast en herhaaldelijke ingebruikgeving van de woning zijn ernstige tekortkomingen, met een nadelig effect op zowel [gedaagde] als persoon als op de leefbaarheid van met name de andere bewoners in het trappenhuis van de woning en van de buurt. Dat de meeste meldingen afkomstig zijn van één directe omwonende en mogelijk niet zo concreet zijn, zoals [gedaagde] aanvoert, neemt niet weg dat de overlastmeldingen continu blijven binnenkomen. Daarbij is van belang dat de overlast niet alleen door de betreffende omwonende wordt gemeld, maar ook is waargenomen door de wijkagent, de politie, de GGD en Stadgenoot zelf.
4.10.
Stadgenoot heeft samen met de hulpverlening en de politie veelvuldig pogingen gedaan om [gedaagde] te helpen. [gedaagde] slaagt er niet in om (kwaadwillende) derden buiten de deur te houden. Hij lijkt zelf ook in te zien dat dit geen houdbare situatie is. Alle betrokken partijen zijn het erover eens dat beschermd wonen in de rede ligt. De situatie is ondanks de waarschuwingen en interventies niet verbeterd en er bestaat ook geen concreet zicht op verbetering. De betrokken instanties hebben daarom een Einde Interventieverklaring afgegeven en dat is veelzeggend.
4.11.
Naar voorlopig oordeel van de kantonrechter is [gedaagde] ernstig tekortgeschoten, schiet hij nog steeds tekort in de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiend uit de huurovereenkomst en heeft hij zich ook niet als goed huurder gedragen. Hij is aansprakelijk voor gedragingen van de personen die hij in de woning heeft binnengelaten. De kantonrechter ziet in dat [gedaagde] de druk van die personen moeilijk kan weerstaan en weinig regie heeft over de woning. [gedaagde] heeft daarbij begrijpelijkerwijs een groot belang bij behoud van zijn woning. Hij is een kwetsbare verslavingsgevoelige man van 80 jaar en dat weegt zwaar. Toch dient het belang van Stadgenoot en daarmee ook de omwonenden onder de gegeven omstandigheden te prevaleren. Van omwonenden kan niet langer worden gevergd dat zij de overlast door of ten gevolge van [gedaagde] nog langer moeten dulden. Het is aannemelijk dat de bodemrechter een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst zal toewijzen, zodat het gerechtvaardigd is om op die beslissing vooruit te lopen door de in dit kort geding gevorderde ontruiming toe te wijzen.
4.12.
De gevorderde ontruiming wordt daarom toegewezen, zowel ten aanzien van [gedaagde] als ten aanzien van ‘zij die verblijven’. De ontruimingstermijn ten aanzien van ‘zij die verblijven’ is toewijsbaar als gevorderd. Gelet op de precaire situatie waarin [gedaagde] zich bevindt en de noodzaak van beschermd wonen, ziet de kantonrechter aanleiding om voor [gedaagde] een langere ontruimingstermijn te bepalen. Een ontruimingstermijn van drie maanden wordt onder de gegeven omstandigheden, met inachtneming van de belangen van partijen, redelijk geacht. De kantonrechter vertrouwt erop dat op deze manier de betrokken instanties in dit specifieke geval ertoe worden aangezet om zo spoedig mogelijk een plaats binnen beschermd wonen voor [gedaagde] te realiseren, zodat [gedaagde] (bij voorkeur) niet, althans korter in de dag- en nachtopvang van het Leger des Heils terecht komt (zoals op de zitting is toegezegd), terwijl Stadgenoot de woning binnen afzienbare tijd kan herverdelen onder de woningzoekenden en de buurt, met name de meldende omwonenden, uitzicht heeft op rust die wederkeert.
4.13.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De door Stadgenoot gemaakte explootkosten voor de andere gedaagde, ‘zij die verblijven’, komen niet ten laste van [gedaagde] en blijven voor haar eigen rekening. Met inachtneming hiervan worden de proceskosten van Stadgenoot begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,02
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
941,02
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Stadgenoot zijn, en de sleutels af te geven aan Stadgenoot,
5.2.
veroordeelt zij die verblijven in de woning aan [adres] om deze woning binnen drie maanden na betekening van dit vonnis te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Stadgenoot zijn, en de sleutels af te geven aan Stadgenoot,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 941,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.