Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7832

2026-07-31 Civiel recht; Goederenrecht 12086897 CV26-1508
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-31
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Civiel recht; Goederenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
12086897 CV26-1508
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Sdu Nieuws Huurrecht 2026/121

Inhoudsindicatie

Huurovereenkomst standplaats woonwagen. Wapens en hennep in woning en naastgelegen woning van zoon huurder gevonden. Burgemeerstersluiting. Bevoegdheid verhuurder om buitengerechtelijke te ontbinden op grond van art. 7:231 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Huurder ovrv. Partner huurder vrijgesproken. Wetenschap van goederen in woning is niet komen vast te staan. 8 EVRM

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (22.942 tekens)
vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM


Afdeling privaatrecht



zaaknummer: 12086897 CV EXPL 26-1508
vonnis van: 31 juli 2026
fno.: 94



vonnis van de kantonrechter


I n z a k e



[eiseres]


wonende te [woonplaats]
eiseres in conventie
verweerster in (voorwaardelijke) reconventie
nader te noemen: [eiseres]
gemachtigde: mr. C.C.J.L. Huurman-Ip Vai Ching



t e g e n


Gemeente Amsterdam

gevestigd te Amsterdam
gedaagde in conventie
eiseres in (voorwaardelijke) reconventie
nader te noemen: de Gemeente
gemachtigde: mrs. D.L. Sinaij en N.E.V. van Nispen tot Sevenaer-Berger



VERLOOP VAN DE PROCEDURE

In het dossier bevinden zich de volgende processtukken:
- de dagvaarding van 23 januari 2026 met producties;- het antwoord met (voorwaardelijke) eis in reconventie met producties;
- de wijziging eis met conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie met producties;- het instructievonnis;- de dagbepaling mondelinge behandeling.


De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. [eiseres] is verschenen samen met haar partner en [naam 1] van ([bedrijf]) en bijgestaan door haar gemachtigde. Namens de Gemeente is verschenen [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigden. Partijen zijn mede aan de hand van een pleitnota gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.




GRONDEN VAN DE BESLISSING



Feiten


1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:


1.1.
Sinds 1 februari 1996 verhuurt de Gemeente een standplaats aan het [adres 1] aan [eiseres] . [eiseres] woont samen met haar partner in een op de standplaats geplaatste woonwagen. De naastgelegen standplaats ( [adres 2] ) werd gehuurd door [naam 3] , hun zoon. Vader en zoon werkten samen in een klusbedrijf.


1.2.

In de huurovereenkomst staat (voor zover hier van belang) het volgende.

Artikel 3. Verplichtingen huurder/ster

3.1 De standplaats is bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, ten einde

daarin te wonen. De woonwagen dient als woonruimte door huurder/ster en degene(n) met wie hij/zij een huishouden heeft. Voor andere bestemmingen is schriftelijk toestemming van het Woningbedrijf vereist.


(…)

3.4 De huurder/ster zal de standplaats als een goed huurder/ster gebruiken (…).

( …)




3.6.

het is huurder/ster verboden brandbare of anderszins gevaarlijke stoffen, anders dan voor huishoudelijk gebruik, op de standplaats te hebben.

3.7. Het is de huurder/ster verboden op de standplaats handel te drijven of reclame aan te brengen, behoudens schriftelijke toestemming van het Woningbedrijf.



1.3.
In de avond en nacht van 2 op 3 april 2025 heeft de politie van de eenheid Amsterdam-Amstelland in aanwezigheid van de rechter-commissaris een plaatsopneming gedaan op het [adres 1] en [adres 2] en zijn de beide woonwagens doorzocht. Daarbij zijn onder andere vuurwapens, munitie, zwaar illegaal vuurwerk, een handelshoeveelheid aan meerdere soorten verdovende middelen (hard- en softdrugs) en andere illegale zaken aangetroffen.


1.4.

De politie heeft hiervan op 18 april 2025 een bestuurlijke rapportage opgemaakt, waarin over de aangetroffen zaken in de woonwagen van [eiseres] het volgende staat.

Tijdens de doorzoeking zijn er in de woning verschillende vuurwapens en hennep aangetroffen. Het betreft de volgende goederen welke allen in de woning op zolder werden aangetroffen:

- UZI pistoolmitrailleur, inclusief patronenmagazijn gevuld met munitie, het vuurwapen was ongeladen;

- Scorpion EVO 3 S1 pistool karabijn, inclusief patroonhouder gevuld met patronen, het vuurwapen was ongeladen;

- 2 patroonmagazijnen voor Kalasjnikov 47 gevuld met munitie

- Zak hennep, gewicht 1039 gram, herkend door geur en uiterlijke verschijningsvormen.




1.5.
De wapens en munitie bevonden zich in een supermarkttas en in een koffer in een spiegelkast op de eerste verdieping en de hennep bevond zich in de berging van de woonwagen van [eiseres] .


1.6.
Naar aanleiding van de bevindingen van de doorzoeking zijn [eiseres] , haar partner en zoon als verdachten aangehouden voor het overtreden van de Opiumwet en de Wet Wapens en Munitie.


1.7.
Bij bevel van 26 mei 2025 heeft de burgemeester de woonwagen en de standplaats [adres 1] en [adres 2] per 28 mei 2025 voor de duur van drie maanden gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. [eiseres] heeft bezwaar gemaakt tegen de sluiting welk bezwaar ongegrond is verklaard. [eiseres] heeft daartegen beroep ingesteld. Hierop is nog niet beslist.


1.8.
Bij brief van 13 juni 2025 heeft de Gemeente de huurovereenkomst per direct ontbonden en [eiseres] gesommeerd om uiterlijk op 27 juni 2025 de standplaats te ontruimen.


1.9.
De zoon heeft bij verhoor door de politie op 3 juli 2025 onder meer verklaard:De spullen die bij mijn ouders zijn gevonden heb ik daar neergelegd zonder hun medeweten. Ik heb ook de huissleutel. Dat wilde ik al vanaf dag 1 zeggen maar op advies van mijn advocaat heb ik me op mijn zwijgrecht beroepen. Mijn vader heeft een hartinfarct gehad in de gevangenis. Dat ik onschuldige mensen erbij heb betrokken, dat wilde ik even zeggen. (…)Ik had te veel spullen in mijn eigen woning. Ik wilde het risico verspreiden. Verder heeft hij verklaard dat de spullen sinds ongeveer 2 a 3 dagen in de woonwagen van [eiseres] lagen.


1.10.
Bij vonnis van 4 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de gemeente in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat de noodzaak bestond om de woning te sluiten voor 3 maanden en het verzoek van [eiseres] en [naam 3] om een voorlopige voorziening afgewezen.


1.11.
Uit het door de politie verrichte DNA-onderzoek blijkt dat op de aangetroffen wapens uitsluitend DNA-sporen zijn aangetroffen van de zoon en van een derde. Er is geen biologisch spoor van [eiseres] vastgesteld.


1.12.
Bij vonnis in kort geding van 23 juli 2025 is [eiseres] veroordeeld de standplaats te ontruimen, welke vonnis het Gerechtshof in zijn mondelinge uitspraak van 21 augustus 2025 heeft bekrachtigd.


1.13.
Op 17 oktober 2025 is de strafzaak tegen [eiseres] geseponeerd en is de partner van [eiseres] vrijgesproken voor het opzettelijke voorhanden hebben van hennep, het voorhanden hebben van een pistoolmitrailleur en munitie en het witwassen. De rechtbank heeft daarbij onder meer geoordeeld:Gelet op de plaatsen waar de vuurwapens, de munitie en de hennep in de woning van verdachte zijn aangetroffen -uit het zicht, verborgen in een tas en koffer in afgesloten kasten- kan de rechtbank hieruit niet de wetenschap van verdachte vaststellen. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat verdachte heeft verklaard geen wetenschap te hebben gehad van de aanwezigheid van de wapens, munitie en hennep in zijn woning. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van de medeverdachte, de zoon van verdachte, dat hij een sleutel van de woning had en de wapens, munitie en hennep boven in de woning heeft neergelegd. Dit scenario kan op basis van het dossier niet worden uitgesloten. Verder zijn er geen concrete aanwijzingen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in zijn woning de wapens, munitie en hennep werden bewaard. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank niet geconcludeerd worden dat verdachte kennis heeft gehad van de aanwezigheid hiervan in de woning.


1.14.
De Gemeente heeft de ontruimingstermijn op verzoek van [eiseres] enkele malen verlengd om haar de gelegenheid te geven de woonwagen over te dragen. Dat heeft geen resultaat gehad.


1.15.
Bij vonnis in kort geding van 10 juni 2026 is het verzoek van [eiseres] om de Gemeente te verbieden de standplaats te ontruimen afgewezen. Daarin heeft de rechtbank het volgende overwogen:(…) De door [eiseres] gestelde omstandigheden dat zij niets wist van de aanwezigheid van hennep en wapens en haar verwijzing naar de verklaring van haar zoon, de vrijlating van haar man en de uitslag van het DNA-onderzoek, kortom de stelling dat zij niet in verband kan worden gebracht met de verdenkingen waarop de woning is gesloten, is in dit kader niet relevant. Een op artikel 7:231 lid 2 BW gestoelde ontbinding is namelijk niet gegrond op een tekortkoming van de huurder, maar op de enkele grond dat een burgemeester een bevel tot sluiting heeft genomen.


1.16.
De zoon is inmiddels door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden.



Vordering

2. [eiseres] vordert -na wijziging eis-:I Primair:voor recht te verklaren dat de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst van 13 juni 2025 geen rechtsgevolg heeft, althans buiten toepassing dient te blijven wegens strijd met artikel 8 EVRM en artikel 94 Grondwet dan wel een andere wettelijke grondslag, en de Gemeente te veroordelen het huurgenot van [eiseres] te herstellen;I Subsidiair:voor recht te verklaren dat het beroep van de Gemeente op de buitengerechtelijke ontbinding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en de Gemeente te veroordelen tot herstel van het huurgenot dan wel het aanbieden van een gelijkswaardige standplaats als hiervoor omschreven;I meer subsidiair:voor recht te verklaren dat de Gemeente misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding en de Gemeente te veroordelen tot herstel van het huurgenot dan wel het aanbieden van een gelijkwaardige standplaats als hiervoor omschreven:II de Gemeente te veroordelen tot vergoeding van de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade als gevolg van de onrechtmatige ontbinding en ontruiming, zowel materieel als immaterieel nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;III de gemeente te veroordelen in de proceskosten.
3. [eiseres] stelt daartoe dat de Gemeente in redelijkheid geen gebruik mocht maken van haar ontbindingsbevoegdheid. Het beroep van de Gemeente op de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst is namelijk disproportioneel en onzorgvuldig. Volgens [eiseres] ontbraken de foto’s van de feitelijke situatie en de processen-verbaal in de vorige rechterlijke procedures en is daarom toen ten onrechte ervan uitgegaan dat de goederen zichtbaar waren in de woonwagen. De rechter moet thans van het nieuwe volledige feitencomplex uitgaan, dus van de foto’s, de processen-verbaal en van het nieuwe gegeven dat de zaak tegen [eiseres] is geseponeerd en haar partner is vrijgesproken in de strafzaak. Uit deze gegevens kan worden afgeleid dat de goederen waren verborgen in afgesloten kasten. Zij benadrukt nogmaals dat zij geen wetenschap had van de aanwezigheid van de illegale goederen in de woonwagen en dat haar daarvan ook geen verwijt kan worden gemaakt. Van haar hoeft niet te worden verwacht dat zij haar kasten op de bovenverdieping periodiek controleert. Zij gebruikt deze verdieping nauwelijks. Zij wijst erop dat haar zoon ook consistent heeft verklaard dat hij de goederen zonder medeweten van zijn ouders in de woonwagen heeft geplaatst. Er is geen DNA van haar of haar partner op de goederen aangetroffen.
4. [eiseres] stelt dat haar persoonlijke omstandigheden in het licht van artikel 8 EVRM in de afweging dienen te worden betrokken en dat deze zwaarder wegen dan de belangen van de Gemeente. Zij is een woonwagenbewoner en woont al bijna 30 jaar zonder noemenswaardige problemen op de standplaats. Haar familie woont op hetzelfde woonwagencentrum. Het wonen in familieverband vormt voor haar een essentieel onderdeel van haar levenswijze. Het verlies van woonruimte is een onomkeerbare aantasting van haar gezinsleven, sociale netwerk en culturele identiteit. Alternatieve standplaatsen zijn bovendien schaars, als zij nu weer op de wachtlijst komt zal zij nooit meer een nieuwe plek krijgen.
5. De Gemeente voert aan dat zij bevoegd was de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden op grond van artikel 13 b van de Opiumwet jo artikel 7:231 lid 2 BW. Daarbij hoeft geen sprake te zijn van een tekortkoming van de huurder. Zij betwist overigens dat [eiseres] niets van de goederen wist. De verklaring van de zoon is niet geloofwaardig alleen al omdat hij dit niet direct bij zijn aanhouding heeft verklaard. Dat er geen DNA van [eiseres] is aangetroffen betekent niet dat zij geen wetenschap had van de wapens en de drugs. Dat zij niet op de bovenverdieping komt is ongeloofwaardig. De Gemeente vermoedt dat de drugs en wapens en munitie van de partner van [eiseres] waren en dat hij samen met zijn zoon handelde in drugs. De uitkomst van de strafzaak doet volgens de Gemeente niet af aan de ontbindingsbevoegdheid.
6. [eiseres] is volgens de Gemeente als huurder verantwoordelijk voor wat er gebeurt in haar woning. Het valt haar te verwijten dat zij een sleutel aan haar zoon heeft gegeven in de wetenschap dat hij er illegale handelspraktijken op na hield.
7. Verder voert de Gemeente aan dat haar belangen zwaarder wegen dan die van [eiseres] . Zij moet de leefbaarheid en veiligheid voor burgers en andere bewoners van de locatie borgen. Zij wil een eind maken aan de drugscriminaliteit en voert een zero tolerance beleid. Zij wijst erop dat in de 3 verschillende procedures rechters na afweging van de verschillende belangen ook hebben geoordeeld dat de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming proportioneel is.
8. De Gemeente voert subsidiair aan dat [eiseres] is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen in de huurovereenkomst doordat zij zich niet heeft gedragen als goed huurder in de zin van artikel 7:213 BW. In het gehuurde zijn immers wapens en drugs aangetroffen, waarmee op de belangen van omwonenden ernstig inbreuk is gemaakt.
9. Voor het geval de vordering in conventie wordt toegewezen vordert de Gemeente daarom in reconventie:
I ontbinding van de huurovereenkomst enII veroordeling van [eiseres] de standplaats met opstal te ontruimen met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding.



Beoordeling

10. Vaststaat dat de burgemeester van Amsterdam op 28 mei 2025 het gehuurde en de woonwagen op grond van artikel 174a van de Gemeentewet voor een periode van drie maanden heeft gesloten vanwege een ernstige aantasting van de openbare orde. Daarmee is voldaan aan de criteria van artikel 7:231 lid 2 BW en staat tevens vast dat de Gemeente de huurovereenkomst in beginsel buitengerechtelijke kon ontbinden. Voor een rechtsgeldig beroep op de buitengerechtelijke ontbinding op grond van artikel 7:231 lid 2 BW is niet vereist dat het sluitingsbevel onherroepelijk is geworden.
10. Dat de Gemeente in beginsel terecht gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid de huurovereenkomst met [eiseres] buitengerechtelijk te ontbinden, neemt echter niet weg dat de kantonrechter dient te beoordelen of het beroep van de Gemeente op artikel 7:231 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid als onaanvaardbaar zou moeten worden aangemerkt. Bij deze toetsing dient de kantonrechter alle relevante omstandigheden in aanmerking te nemen en een belangenafweging te maken. Daarbij kunnen onder meer de aard en ernst van de feiten die tot de sluiting hebben geleid, de mate waarin de huurder daarvan een verwijt kan worden gemaakt en de bescherming die artikel 8 EVRM biedt, in de belangenafweging worden betrokken (zie ECLI:NL:HR:2026:587). Dit kan betekenen dat ook als de bestuursrechter de burgemeesterssluiting rechtmatig heeft geoordeeld, de civiele rechter kan oordelen dat de daarop gebaseerde ontbinding en ontruiming door de verhuurder in het voorliggende geval niet proportioneel is en dat een beroep op artikel 7:231 lid 2 BW naar deze maatstaven van redelijkheid en billijkheid dus onaanvaardbaar is.

In dat kader overweegt de kantonrechter als volgt.

12. Aan de ene kant staat het belang van de Gemeente. Vaststaat dat er automatische wapens en drugs in de woonwagen van [eiseres] zijn aangetroffen en dat het voorhanden hebben daarvan in beginsel een ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Drugs en wapens zorgen immers voor aantasting van het woon- en leefklimaat en de veiligheid in de buurt. De Gemeente hoeft vanzelfsprekend niet te dulden dat een door haar verhuurde standplaats en woonwagen daarvoor wordt gebruikt. De Gemeente heeft dan ook zwaarwegend belang om een strikt beleid te hanteren en tegen overtreding daarvan op te treden.
12. Daar staat tegenover dat de zoon van [eiseres] weliswaar is veroordeeld, maar dat de zaak tegen [eiseres] is geseponeerd en haar partner is vrijgesproken. Anders dan de rechters in de vorige procedures is de kantonrechter van oordeel dat ook in deze civiele procedure niet is komen vast te staan dat [eiseres] wist van, althans een verwijt kan worden gemaakt voor het in de woning aanwezig hebben van drugs en wapens. [eiseres] heeft gemotiveerd betwist dat zij daarvan wist. Uit de foto’s van de situatie kan worden afgeleid dat de goederen waren verstopt in een tas en koffer in een kast en in de berging. Nu de zoon heeft verklaard dat deze er slechts sinds een paar dagen lagen, is het heel goed mogelijk dat [eiseres] inderdaad niet kon weten dat er drugs en wapens in de woning aanwezig waren. Daarbij komt dat de partner van [eiseres] is vrijgesproken omdat volgens de rechter de wapens en munitie uit het zicht lagen en omdat de zoon heeft verklaard dat hij het daar had neergelegd. Niet kon dan volgens de strafrechter worden geconcludeerd dat hij kennis had van de aanwezigheid daarvan in de woonwagen. Gelet op deze omstandigheden zijn er geen aanknopingspunten dat [eiseres] kan worden verweten dat zij op de hoogte was van de aanwezigheid van de drugs en wapens of dat zij daar redelijkerwijs van op de hoogte had kunnen zijn. De enkele omstandigheid dat vader en zoon een klusbedrijf hebben, is onvoldoende om bekendheid van [eiseres] met criminele activiteiten van haar zoon te kunnen aannemen. Dat haar zoon een sleutel van haar woning had is, gelet op het feit dat niet is komen vast te staan dat [eiseres] wist van de handel van haar zoon, onvoldoende om [eiseres] een verwijt te maken.
12. Ook moet in de afweging van belangen betrokken worden dat de ontruiming een zeer ingrijpende maatregel is en dat het sociale leven van [eiseres] zich op het woonwagencomplex afspeelt. De kantonrechter weegt ook mee dat het voor [eiseres] bijna onmogelijk zal zijn een andere standplaats op een woonwagencomplex te vinden en dat [eiseres] 30 jaar zonder problemen op de standplaats heeft gewoond. Gelet op het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat de belangen van [eiseres] zwaarder wegen dan de belangen van de Gemeente en dat het beroep van de Gemeente op de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid daarom onaanvaardbaar is.
12. Subsidiair is door de Gemeente aangevoerd dat sprake is van een tekortkoming van [eiseres] in de nakoming van de huurovereenkomst. Op grond van artikel 6:265 lid 1 BW geldt als uitgangspunt dat iedere tekortkoming in de nakoming grond kan opleveren voor ontbinding van een huurovereenkomst, tenzij die tekortkoming gelet op haar aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. In het midden kan blijven of [eiseres] tekort is geschoten in haar verplichtingen uit de huurovereenkomst doordat er wapens en drugs in haar woning zijn aangetroffen omdat de kantonrechter, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, van oordeel is dat de gestelde tekortkoming niet van voldoende gewicht is om de huurovereenkomst alsnog te ontbinden.
12. Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat de gevorderde verklaring voor recht op de hierna te noemen wijze zal worden toegewezen dat en de Gemeente zal worden veroordeeld het huurgenot te herstellen. Nu de standplaats nog niet opnieuw verhuurd is, moet dit uitvoerbaar zijn. Voor het aanbieden van een gelijkwaardige standplaats aan [eiseres] is vooralsnog onvoldoende (grondslag) gesteld.


17. [eiseres] vordert tevens de Gemeente te veroordelen tot vergoeden van de schade als gevolg van de onrechtmatige ontbinding en ontruiming. Deze vordering zal worden afgewezen. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen was de Gemeente destijds bevoegd de huurovereenkomst op grond van de gemeentelijke sluiting buitengerechtelijk te ontbinden. Dat thans anders wordt geoordeeld betekent niet dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld en voor de daardoor door [eiseres] geleden schade aansprakelijk is.

18. De Gemeente zal als de voor het grootste gedeelte in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De kosten in reconventie zullen, wegens het nauwe verband met de vordering in conventie, worden begroot op nihil.



BESLISSING


De kantonrechter:




In conventie:




verklaart voor recht dat het beroep van de Gemeente op de buitengerechtelijke ontbinding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is;


veroordeelt de Gemeente het huurgenot te herstellen;


veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op:exploot € 151,94salaris € 506,00griffierecht € 93,00 -----------------totaal € 750,94voor zover van toepassing, inclusief btw;


veroordeelt de Gemeente in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 126,50 aan salaris gemachtigde, voor zover van toepassing inclusief btw;


verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



wijst af het meer of anders gevorderde.




In reconventie





wijst de vordering af;



veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding aan de zijde van [eiseres] gevallen, tot heden begroot op nihil.


Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.