Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:7558
2026-07-17
Civiel recht
11729436 \ CV EXPL 25-7864
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
eindvonnis na tussenvonnis (ECLI:NL:RBAMS:2026:2353). Consumentenrecht. Eiseres heeft niet aan informatieplichten (artikel 6:230m lid 1 BW en 6:230v BW) voldaan. Oneerlijk kernbeding. Vorderingen worden afgewezen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2013:691 Hoge Raad 13-09-2013
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.006 tekens)
RECHTBANK
AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11729436 \ CV EXPL 25-7864
Vonnis van 17 juli 2026
in de zaak van
AUDAX RENEWABLES NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Audax ,
gemachtigde: mr. P.P. Otte,
tegen
[gedaagde]
,
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. C.C. van Dam.
1De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 januari 2026 (hierna: het tussenvonnis), - de akte van Audax van 13 februari 2026, met producties, - de antwoordakte van [gedaagde] van 24 april 2026,
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
Partijen hebben een overeenkomst gesloten op basis waarvan Audax energie aan [gedaagde] heeft geleverd. Op enig moment is tussen partijen discussie ontstaan over de betalingsverplichtingen onder de (afwikkeling van de) overeenkomst. Omdat [gedaagde] verschillende facturen onbetaald heeft gelaten, vordert Audax in deze procedure betaling van € 13.728,28, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] weerspreekt de bedragen van de openstaande facturen. Hij stelt zich verder op het standpunt dat hij de overeenkomst als consument heeft gesloten en heeft daarom een beroep gedaan op de regels die consumenten beschermen.
2.2.
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat [gedaagde] inderdaad moet worden aangemerkt als consument, zodat (ambtshalve) moet worden onderzocht of Audax aan haar informatieverplichtingen als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 en artikel 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft voldaan. Daarnaast moet de overeenkomst tussen partijen worden getoetst aan de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). De kantonrechter heeft Audax in de gelegenheid gesteld om zich daarover uit te laten en onder meer toe te lichten of het prijsbeding dat zij in haar algemene voorwaarden hanteert, transparant is.
2.3.
In haar akte stelt Audax als eerst (nogmaals) dat [gedaagde] niet als consument moet worden beschouwd. Aan die stelling zal de kantonrechter voorbijgaan. In het tussenvonnis is de vraag of [gedaagde] als consument moet worden aangemerkt immers al beantwoord. Bovendien vraagt Audax de kantonrechter in haar akte niet uitdrukkelijk om op zijn bindende eindbeslissing op dat punt terug te komen.
2.4.
Daarnaast vult Audax in haar akte de grondslag van haar vordering aan, in die zin dat zij zich nu (subsidiair) op het standpunt stelt dat [gedaagde] ongerechtvaardigd wordt verrijkt en zij zelf ongerechtvaardigd wordt verarmd, nu [gedaagde] kosteloos energie verkreeg terwijl Audax die energie tegen betaling inkocht. [gedaagde] brengt hier bij antwoordakte tegenin dat die aanvulling in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De kantonrechter volgt [gedaagde] daarin. Het toelaten van de aanvulling van de grondslag van de vordering van Audax zou tot een ongeoorloofde heropening van het partijdebat en een onnodige vertraging van de procedure leiden. De stelling van Audax dat sprake zou zijn van ongerechtvaardigde verrijking, wordt daarom buiten beschouwing gelaten.
2.5.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter verder dat Audax met haar stelling dat [gedaagde] ook als consument ‘gewoon’ moet betalen, de regels van het consumentenrecht miskent, waaraan de kantonrechter hierna zal toetsen.
Informatieplichten
2.6.
Zoals in het tussenvonnis overwogen, moet de kantonrechter ambtshalve toetsen of Audax aan haar informatieplichten als opgenomen in artikel 6:230m lid 1 en artikel 6:230v BW heeft voldaan. In haar akte betoogt Audax dat dit het geval is. Ter onderbouwing daarvan heeft zij de informatieplichten uit artikel 6:230m lid 1 en artikel 6:230v BW opgenomen, een daaronder per informatieplicht aangegeven “staat in de overeenkomst/zie overeenkomst” of “nvt”. Dat is niet voldoende. Het is aan Audax om te laten zien waar in de overeenkomst de informatie staat en om aan te tonen hoe [gedaagde] hier voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op is gewezen. De enkele algemene verwijzing naar de algemene voorwaarden door Audax is om diezelfde reden niet voldoende. Daarvoor geldt bovendien dat [gedaagde] de toepasselijkheid en de terhandstelling van de algemene voorwaarden heeft bestreden en dat Audax alleen kaal heeft gesteld dat deze set van algemene voorwaarden van toepassing zijn en ter hand zijn gesteld. Dit alles maakt dat Audax niet heeft aangetoond dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplichten uit artikel 6:230m lid 1 en artikel 6:230v BW.
Oneerlijke bedingen
2.7.
Zogezegd moet de kantonrechter de overeenkomst ook ambtshalve toetsen op oneerlijke bedingen. Op grond van artikel 3 lid 1 van de Richtlijn wordt een beding in een overeenkomst als oneerlijk beschouwd indien het beding het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.
2.8.
Audax baseert haar vorderingen op twee prijsbedingen in haar algemene voorwaarden (hierna: de prijsbedingen), zodat die bedingen op oneerlijkheid zullen worden getoetst. De prijsbedingen luiden als volgt:
“7.3 Indien de Afnemer een Leveringsovereenkomst voor bepaalde tijd niet heeft opgezegd en de Leveringsovereenkomst aldus stilzwijgend wordt verlengd, behoudt de Leverancier zich het recht voor om de prijzen en andere vergoedingen zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel aan te passen aan de dan geldende variabele tarieven, zoals de Leverancier die kenbaar heeft gemaakt en die tussentijds aangepast kunnen worden. Bij hernieuwde stilzwijgende verlenging is de Leverancier bevoegd om wederom prijsaanpassingen als bedoeld in dit lid 3 door te voeren in de Leveringsovereenkomst.
(…)
10.3
Indien Afnemer een Leveringsovereenkomst voor bepaalde tijd niet heeft opgezegd en de Leveringsovereenkomst aldus stilzwijgend wordt verlengd, behoudt de Leverancier zich het recht voor om de prijzen en andere vergoedingen zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel aan te passen aan de dan geldende variabele tarieven, zoals de Leverancier die kenbaar heeft gemaakt en die tussentijds aangepast kunnen worden. Bij hernieuwde stilzwijgende verlenging is de Leverancier bevoegd om wederom prijsaanpassingen als bedoeld in dit lid 3 door te voeren in de Leveringsovereenkomst.”
2.9.
Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de prijsbedingen aan te merken als kernbedingen. Niet is gebleken dat partijen afzonderlijk over de prijsbedingen hebben onderhandeld. Op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn dienen kernbedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld alleen aan de Richtlijn te worden getoetst als deze niet transparant zijn, met andere woorden: als de bedingen niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Daarvoor geldt dat de rechter moet nagaan of aan de consument alle gegevens zijn medegedeeld die van invloed kunnen zijn op de omvang van zijn verbintenis en op basis waarvan hij de financiële consequenties daarvan kon inschatten. Ook in het geval de financiële consequenties van zijn verbintenis afhangen van onvoorzienbare toekomstige gebeurtenissen waarover de handelaar geen controle heeft, moet de consument in ieder geval in staat worden gesteld om met de nodige voorzichtigheid een beslissing te kunnen nemen. De prijsbedingen geven [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende informatie om bij benadering de prijs van de te leveren energie te kunnen inschatten. Daarmee zijn de prijsbedingen niet transparant.
2.10.
Vervolgens moet worden beoordeeld of de prijsbedingen oneerlijk zijn. Het enkele feit dat de prijsbedingen niet transparant zijn, betekent namelijk nog niet direct dat die bepalingen oneerlijk zijn, maar speelt daarbij wel een rol. In deze zaak ligt een prijsbepaling voor die een handelaar het recht geeft om eenzijdig de prijs te kunnen bepalen. Daarmee is de machtsbalans tussen handelaar en consument dusdanig verstoord, dat dit oneerlijk is. Audax stelt dat zij in de praktijk de variabele prijzen afstemt met de Autoriteit Consument en Markt. Nog los van het feit dat dit verder niet is onderbouwd, doet dit er niet aan af dat voornoemde machtsbalans blijft bestaan. Contractueel heeft Audax de bevoegdheid om de prijs eenzijdig te wijzigen. Dat betekent dat de prijsbedingen worden aangemerkt als oneerlijk.
2.11.
De Richtlijn schrijft voor dat de sancties op het gebruik van oneerlijke bedingen doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend moeten zijn. Een richtlijnconforme uitleg brengt mee dat een oneerlijke bepaling op grond van artikel 6:233 BW moet worden vernietigd. Dat betekent dat de prijsbedingen worden vernietigd. Aangezien de overeenkomst zonder de prijsbedingen niet kan voortbestaan bestaan, komt daarmee de gehele overeenkomst te vervallen. Dat betekent dat de vorderingen van Audax worden afgewezen, omdat zij zijn gegrond op een vervallen overeenkomst.
Proceskosten
2.12.
Audax is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
1.080,00
(2,5 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.224,00
3De beslissing
De kantonrechter
3.1.
wijst de vorderingen van Audax af,
3.2.
veroordeelt Audax in de proceskosten van € 1.224,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Audax niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.F. de Groot, rechter, bijgestaan door mr. M.A. van Eerde, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 3 maart 2020, C-125/18.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 12 januari 2023, C-395/21.
Hoge Raad 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691.
AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11729436 \ CV EXPL 25-7864
Vonnis van 17 juli 2026
in de zaak van
AUDAX RENEWABLES NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Audax ,
gemachtigde: mr. P.P. Otte,
tegen
[gedaagde]
,
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. C.C. van Dam.
1De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 januari 2026 (hierna: het tussenvonnis), - de akte van Audax van 13 februari 2026, met producties, - de antwoordakte van [gedaagde] van 24 april 2026,
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
Partijen hebben een overeenkomst gesloten op basis waarvan Audax energie aan [gedaagde] heeft geleverd. Op enig moment is tussen partijen discussie ontstaan over de betalingsverplichtingen onder de (afwikkeling van de) overeenkomst. Omdat [gedaagde] verschillende facturen onbetaald heeft gelaten, vordert Audax in deze procedure betaling van € 13.728,28, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] weerspreekt de bedragen van de openstaande facturen. Hij stelt zich verder op het standpunt dat hij de overeenkomst als consument heeft gesloten en heeft daarom een beroep gedaan op de regels die consumenten beschermen.
2.2.
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat [gedaagde] inderdaad moet worden aangemerkt als consument, zodat (ambtshalve) moet worden onderzocht of Audax aan haar informatieverplichtingen als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 en artikel 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft voldaan. Daarnaast moet de overeenkomst tussen partijen worden getoetst aan de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). De kantonrechter heeft Audax in de gelegenheid gesteld om zich daarover uit te laten en onder meer toe te lichten of het prijsbeding dat zij in haar algemene voorwaarden hanteert, transparant is.
2.3.
In haar akte stelt Audax als eerst (nogmaals) dat [gedaagde] niet als consument moet worden beschouwd. Aan die stelling zal de kantonrechter voorbijgaan. In het tussenvonnis is de vraag of [gedaagde] als consument moet worden aangemerkt immers al beantwoord. Bovendien vraagt Audax de kantonrechter in haar akte niet uitdrukkelijk om op zijn bindende eindbeslissing op dat punt terug te komen.
2.4.
Daarnaast vult Audax in haar akte de grondslag van haar vordering aan, in die zin dat zij zich nu (subsidiair) op het standpunt stelt dat [gedaagde] ongerechtvaardigd wordt verrijkt en zij zelf ongerechtvaardigd wordt verarmd, nu [gedaagde] kosteloos energie verkreeg terwijl Audax die energie tegen betaling inkocht. [gedaagde] brengt hier bij antwoordakte tegenin dat die aanvulling in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De kantonrechter volgt [gedaagde] daarin. Het toelaten van de aanvulling van de grondslag van de vordering van Audax zou tot een ongeoorloofde heropening van het partijdebat en een onnodige vertraging van de procedure leiden. De stelling van Audax dat sprake zou zijn van ongerechtvaardigde verrijking, wordt daarom buiten beschouwing gelaten.
2.5.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter verder dat Audax met haar stelling dat [gedaagde] ook als consument ‘gewoon’ moet betalen, de regels van het consumentenrecht miskent, waaraan de kantonrechter hierna zal toetsen.
Informatieplichten
2.6.
Zoals in het tussenvonnis overwogen, moet de kantonrechter ambtshalve toetsen of Audax aan haar informatieplichten als opgenomen in artikel 6:230m lid 1 en artikel 6:230v BW heeft voldaan. In haar akte betoogt Audax dat dit het geval is. Ter onderbouwing daarvan heeft zij de informatieplichten uit artikel 6:230m lid 1 en artikel 6:230v BW opgenomen, een daaronder per informatieplicht aangegeven “staat in de overeenkomst/zie overeenkomst” of “nvt”. Dat is niet voldoende. Het is aan Audax om te laten zien waar in de overeenkomst de informatie staat en om aan te tonen hoe [gedaagde] hier voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op is gewezen. De enkele algemene verwijzing naar de algemene voorwaarden door Audax is om diezelfde reden niet voldoende. Daarvoor geldt bovendien dat [gedaagde] de toepasselijkheid en de terhandstelling van de algemene voorwaarden heeft bestreden en dat Audax alleen kaal heeft gesteld dat deze set van algemene voorwaarden van toepassing zijn en ter hand zijn gesteld. Dit alles maakt dat Audax niet heeft aangetoond dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplichten uit artikel 6:230m lid 1 en artikel 6:230v BW.
Oneerlijke bedingen
2.7.
Zogezegd moet de kantonrechter de overeenkomst ook ambtshalve toetsen op oneerlijke bedingen. Op grond van artikel 3 lid 1 van de Richtlijn wordt een beding in een overeenkomst als oneerlijk beschouwd indien het beding het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.
2.8.
Audax baseert haar vorderingen op twee prijsbedingen in haar algemene voorwaarden (hierna: de prijsbedingen), zodat die bedingen op oneerlijkheid zullen worden getoetst. De prijsbedingen luiden als volgt:
“7.3 Indien de Afnemer een Leveringsovereenkomst voor bepaalde tijd niet heeft opgezegd en de Leveringsovereenkomst aldus stilzwijgend wordt verlengd, behoudt de Leverancier zich het recht voor om de prijzen en andere vergoedingen zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel aan te passen aan de dan geldende variabele tarieven, zoals de Leverancier die kenbaar heeft gemaakt en die tussentijds aangepast kunnen worden. Bij hernieuwde stilzwijgende verlenging is de Leverancier bevoegd om wederom prijsaanpassingen als bedoeld in dit lid 3 door te voeren in de Leveringsovereenkomst.
(…)
10.3
Indien Afnemer een Leveringsovereenkomst voor bepaalde tijd niet heeft opgezegd en de Leveringsovereenkomst aldus stilzwijgend wordt verlengd, behoudt de Leverancier zich het recht voor om de prijzen en andere vergoedingen zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel aan te passen aan de dan geldende variabele tarieven, zoals de Leverancier die kenbaar heeft gemaakt en die tussentijds aangepast kunnen worden. Bij hernieuwde stilzwijgende verlenging is de Leverancier bevoegd om wederom prijsaanpassingen als bedoeld in dit lid 3 door te voeren in de Leveringsovereenkomst.”
2.9.
Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de prijsbedingen aan te merken als kernbedingen. Niet is gebleken dat partijen afzonderlijk over de prijsbedingen hebben onderhandeld. Op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn dienen kernbedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld alleen aan de Richtlijn te worden getoetst als deze niet transparant zijn, met andere woorden: als de bedingen niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Daarvoor geldt dat de rechter moet nagaan of aan de consument alle gegevens zijn medegedeeld die van invloed kunnen zijn op de omvang van zijn verbintenis en op basis waarvan hij de financiële consequenties daarvan kon inschatten. Ook in het geval de financiële consequenties van zijn verbintenis afhangen van onvoorzienbare toekomstige gebeurtenissen waarover de handelaar geen controle heeft, moet de consument in ieder geval in staat worden gesteld om met de nodige voorzichtigheid een beslissing te kunnen nemen. De prijsbedingen geven [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende informatie om bij benadering de prijs van de te leveren energie te kunnen inschatten. Daarmee zijn de prijsbedingen niet transparant.
2.10.
Vervolgens moet worden beoordeeld of de prijsbedingen oneerlijk zijn. Het enkele feit dat de prijsbedingen niet transparant zijn, betekent namelijk nog niet direct dat die bepalingen oneerlijk zijn, maar speelt daarbij wel een rol. In deze zaak ligt een prijsbepaling voor die een handelaar het recht geeft om eenzijdig de prijs te kunnen bepalen. Daarmee is de machtsbalans tussen handelaar en consument dusdanig verstoord, dat dit oneerlijk is. Audax stelt dat zij in de praktijk de variabele prijzen afstemt met de Autoriteit Consument en Markt. Nog los van het feit dat dit verder niet is onderbouwd, doet dit er niet aan af dat voornoemde machtsbalans blijft bestaan. Contractueel heeft Audax de bevoegdheid om de prijs eenzijdig te wijzigen. Dat betekent dat de prijsbedingen worden aangemerkt als oneerlijk.
2.11.
De Richtlijn schrijft voor dat de sancties op het gebruik van oneerlijke bedingen doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend moeten zijn. Een richtlijnconforme uitleg brengt mee dat een oneerlijke bepaling op grond van artikel 6:233 BW moet worden vernietigd. Dat betekent dat de prijsbedingen worden vernietigd. Aangezien de overeenkomst zonder de prijsbedingen niet kan voortbestaan bestaan, komt daarmee de gehele overeenkomst te vervallen. Dat betekent dat de vorderingen van Audax worden afgewezen, omdat zij zijn gegrond op een vervallen overeenkomst.
Proceskosten
2.12.
Audax is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
1.080,00
(2,5 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.224,00
3De beslissing
De kantonrechter
3.1.
wijst de vorderingen van Audax af,
3.2.
veroordeelt Audax in de proceskosten van € 1.224,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Audax niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.F. de Groot, rechter, bijgestaan door mr. M.A. van Eerde, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 3 maart 2020, C-125/18.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 12 januari 2023, C-395/21.
Hoge Raad 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691.