Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:7481
2026-07-14
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25/5936
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep ongegrond. Wajong. Verweerder heeft voldoende rekening gehouden met de beslagvrije voet.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2018:2687 Centrale Raad van Beroep 30-08-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.808 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5936
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. I. Heijselaar),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de toepassing van een beslagvrije voet van € 1.022,- per maand op zijn Wajong-uitkering.
Met het primaire besluit van 21 juli 2025 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat vanwege een derdenbeslag rekening wordt gehouden met een beslagvrije voet van € 1.022,-. Aangezien eiser ook aan verweerder geld terugbetaalt, betaalt verweerder momenteel niks uit aan de beslaglegger en hanteert hij een eigen beslagvrije voet die is afgesproken met eiser. Met het bestreden besluit van 11 september 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2026. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder was – zonder voorafgaand bericht – niet aanwezig.
Totstandkoming van de besluiten
1. Eiser ontvangt van verweerder een Wajong-uitkering. Op 15 januari 2015 heeft de kantonrechter een vonnis gewezen waarin eiser is verplicht een bedrag van € 14.929,70, vermeerderd met nevenvorderingen, te voldoen aan [bedrijf] . (hierna: de beslaglegger). Vanaf 2016 heeft de beslaglegger beslag gelegd op de Wajong-uitkering van eiser. Eiser moet daarnaast ook een bedrag aan het Uwv terugbetalen. In 2021 heeft de beslaglegger verweerder geïnformeerd dat de beslagvrije voet voor eiser is vastgesteld op € 1.022,- per maand. Verweerder hanteert echter, vanwege een betalingsregeling met eiser, een eigen beslagvrije voet van € 1.278,- om eerst zijn eigen vordering te voldoen.
2. Met het primaire besluit heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat vanwege een derdenbeslag ongewijzigd rekening wordt gehouden met een beslagvrije voet van € 1.022,-. Omdat verweerder een betalingsregeling met eiser heeft met betrekking tot een eigen vordering, wordt deze regeling en de daarin opgenomen beslagvrije voet toegepast. Met het bestreden besluit van 11 september 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De beslaglegging van de beslaglegger is op een juiste wijze uitgevoerd. Het is aan de burgerlijke rechter om te beoordelen of er terecht en juist beslag is gelegd.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen de toepassing van een beslagvrije voet van € 1.022,- per maand op zijn Wajong-uitkering. Daarbij staat de rechtbank in het bijzonder voor de vraag of verweerder de beslagvrije voet moet vaststellen op het niveau van de volledige Wajong-uitkering, zoals eiser verzoekt.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser een schuld had bij verweerder. Vanwege deze schuld had verweerder een preferente vordering tot terugbetaling op eiser. Daarom heeft verweerder met bestreden besluit aangegeven dat de beslagvrije voet van de beslaglegger op dat moment niet werd toegepast. Eiser heeft met verweerder namelijk een betalingsregeling getroffen, waarin een hogere beslagvrije voet is gebruikt. Met een besluit van 11 juni 2025 heeft verweerder deze betalingsregeling opnieuw berekend en de beslagvrije voet vastgesteld op € 1.278,-. Indien eiser het niet eens was met dit besluit, had hij daartegen tijdig bezwaar kunnen maken. Omdat hij dit niet heeft gedaan, staat dit besluit in rechte vast. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om zich uit te laten over het verschil tussen de door verweerder gehanteerde beslagvrije voet en de volledige Wajong-uitkering.
5. Op de zitting heeft eiser overigens verklaard dat het resterende deel van zijn schuld bij verweerder met ingang van 9 april 2026 is kwijtgescholden. Vanaf dat moment heeft eiser geen schuld meer aan verweerder, zodat de beslagvrije voet van de beslaglegger kan worden gebruikt.
6. Eiser stelt, kort gezegd, dat de beslagvrije voet van de beslaglegger te laag is vastgesteld. Ter onderbouwing voert hij aan dat hij vanwege zijn medische situatie aan een rolstoel gebonden is. Hierdoor heeft hij aanzienlijk hogere zijn woon- en leefkosten. Eiser is daarom van mening dat er voor hem een uitzondering moet worden gemaakt, dan wel dat aanleiding bestaat om op grond van de hardheidsclausule een hogere beslagvrije voet vast te stellen.
7. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat bezwaren betreffende een beslag kunnen worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter en dat het niet op de weg van de derdebeslagene, in dit geval verweerder, ligt om de geldigheid van het beslag te beoordelen. Indien een deurwaarder executoriaal beslag heeft gelegd op bijvoorbeeld een Wajong-uitkering om een door een rechter vastgestelde vordering te incasseren, is verweerder verplicht om volledige medewerking te verlenen aan (uitvoering van) het gelegde beslag. Verweerder mag de geldigheid van dit beslag of de hoogte van de door de deurwaarder vastgestelde beslagvrije voet niet beoordelen. Ook de bestuursrechter dient daarover niet te oordelen.
8. Bij de beoordeling van een betalingsbeslissing moet het gelegde beslag als een gegeven worden aanvaard. De bestuursrechter dient zijn toetsing te beperken tot de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van deze betalingsbeslissing binnen het kader van het beslag is gebleven.
9. TeRecht Gerechtsdeurwaarders en Incasso heeft met een brief van 26 april 2021 de beslagvrije voet op € 1.022,- vastgesteld. In het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat, indien geen sprake zou zijn van een eigen terugvordering, rekening wordt gehouden met een beslagvrije voet van € 1.022,- per maand. Dit bedrag komt overeen met de vastgestelde beslagvrije voet. Verweerder is daarmee binnen de grenzen van het gelegde beslag gebleven.
10. Voor zover eiser het niet eens is met de hoogte van de door TeRecht Gerechtsdeurwaarders en Incasso vastgestelde beslagvrije voet, dient hij zich te wenden tot de deurwaarder en bij geschil tot de burgerlijke (executie)rechter.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Bij deze uitkomst bestaat er ook geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2687.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5936
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. I. Heijselaar),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de toepassing van een beslagvrije voet van € 1.022,- per maand op zijn Wajong-uitkering.
Met het primaire besluit van 21 juli 2025 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat vanwege een derdenbeslag rekening wordt gehouden met een beslagvrije voet van € 1.022,-. Aangezien eiser ook aan verweerder geld terugbetaalt, betaalt verweerder momenteel niks uit aan de beslaglegger en hanteert hij een eigen beslagvrije voet die is afgesproken met eiser. Met het bestreden besluit van 11 september 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2026. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder was – zonder voorafgaand bericht – niet aanwezig.
Totstandkoming van de besluiten
1. Eiser ontvangt van verweerder een Wajong-uitkering. Op 15 januari 2015 heeft de kantonrechter een vonnis gewezen waarin eiser is verplicht een bedrag van € 14.929,70, vermeerderd met nevenvorderingen, te voldoen aan [bedrijf] . (hierna: de beslaglegger). Vanaf 2016 heeft de beslaglegger beslag gelegd op de Wajong-uitkering van eiser. Eiser moet daarnaast ook een bedrag aan het Uwv terugbetalen. In 2021 heeft de beslaglegger verweerder geïnformeerd dat de beslagvrije voet voor eiser is vastgesteld op € 1.022,- per maand. Verweerder hanteert echter, vanwege een betalingsregeling met eiser, een eigen beslagvrije voet van € 1.278,- om eerst zijn eigen vordering te voldoen.
2. Met het primaire besluit heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat vanwege een derdenbeslag ongewijzigd rekening wordt gehouden met een beslagvrije voet van € 1.022,-. Omdat verweerder een betalingsregeling met eiser heeft met betrekking tot een eigen vordering, wordt deze regeling en de daarin opgenomen beslagvrije voet toegepast. Met het bestreden besluit van 11 september 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De beslaglegging van de beslaglegger is op een juiste wijze uitgevoerd. Het is aan de burgerlijke rechter om te beoordelen of er terecht en juist beslag is gelegd.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen de toepassing van een beslagvrije voet van € 1.022,- per maand op zijn Wajong-uitkering. Daarbij staat de rechtbank in het bijzonder voor de vraag of verweerder de beslagvrije voet moet vaststellen op het niveau van de volledige Wajong-uitkering, zoals eiser verzoekt.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser een schuld had bij verweerder. Vanwege deze schuld had verweerder een preferente vordering tot terugbetaling op eiser. Daarom heeft verweerder met bestreden besluit aangegeven dat de beslagvrije voet van de beslaglegger op dat moment niet werd toegepast. Eiser heeft met verweerder namelijk een betalingsregeling getroffen, waarin een hogere beslagvrije voet is gebruikt. Met een besluit van 11 juni 2025 heeft verweerder deze betalingsregeling opnieuw berekend en de beslagvrije voet vastgesteld op € 1.278,-. Indien eiser het niet eens was met dit besluit, had hij daartegen tijdig bezwaar kunnen maken. Omdat hij dit niet heeft gedaan, staat dit besluit in rechte vast. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om zich uit te laten over het verschil tussen de door verweerder gehanteerde beslagvrije voet en de volledige Wajong-uitkering.
5. Op de zitting heeft eiser overigens verklaard dat het resterende deel van zijn schuld bij verweerder met ingang van 9 april 2026 is kwijtgescholden. Vanaf dat moment heeft eiser geen schuld meer aan verweerder, zodat de beslagvrije voet van de beslaglegger kan worden gebruikt.
6. Eiser stelt, kort gezegd, dat de beslagvrije voet van de beslaglegger te laag is vastgesteld. Ter onderbouwing voert hij aan dat hij vanwege zijn medische situatie aan een rolstoel gebonden is. Hierdoor heeft hij aanzienlijk hogere zijn woon- en leefkosten. Eiser is daarom van mening dat er voor hem een uitzondering moet worden gemaakt, dan wel dat aanleiding bestaat om op grond van de hardheidsclausule een hogere beslagvrije voet vast te stellen.
7. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat bezwaren betreffende een beslag kunnen worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter en dat het niet op de weg van de derdebeslagene, in dit geval verweerder, ligt om de geldigheid van het beslag te beoordelen. Indien een deurwaarder executoriaal beslag heeft gelegd op bijvoorbeeld een Wajong-uitkering om een door een rechter vastgestelde vordering te incasseren, is verweerder verplicht om volledige medewerking te verlenen aan (uitvoering van) het gelegde beslag. Verweerder mag de geldigheid van dit beslag of de hoogte van de door de deurwaarder vastgestelde beslagvrije voet niet beoordelen. Ook de bestuursrechter dient daarover niet te oordelen.
8. Bij de beoordeling van een betalingsbeslissing moet het gelegde beslag als een gegeven worden aanvaard. De bestuursrechter dient zijn toetsing te beperken tot de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van deze betalingsbeslissing binnen het kader van het beslag is gebleven.
9. TeRecht Gerechtsdeurwaarders en Incasso heeft met een brief van 26 april 2021 de beslagvrije voet op € 1.022,- vastgesteld. In het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat, indien geen sprake zou zijn van een eigen terugvordering, rekening wordt gehouden met een beslagvrije voet van € 1.022,- per maand. Dit bedrag komt overeen met de vastgestelde beslagvrije voet. Verweerder is daarmee binnen de grenzen van het gelegde beslag gebleven.
10. Voor zover eiser het niet eens is met de hoogte van de door TeRecht Gerechtsdeurwaarders en Incasso vastgestelde beslagvrije voet, dient hij zich te wenden tot de deurwaarder en bij geschil tot de burgerlijke (executie)rechter.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Bij deze uitkomst bestaat er ook geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2687.