Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:7267
2026-05-26
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/13/786327 / FA RK 26/2996
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wvggz. Zorgmachtiging verleend. Zorg in een vrijwillig kader lukt niet.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2022:123 Hoge Raad 04-02-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.683 tekens)
beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/786327 / FA RK 26/2996
kenmerk: ZM/IND/195362
Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
Beschikking van 26 mei 2026 van de rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene]
,
geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] ,
verblijvende te [adres 2] ,
zorgaanbieder: Arkin,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. A.M. Neijzen te Amsterdam.
1Procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 14 april 2026.
De mondelinge behandeling vond aanvankelijk plaats op 28 april 2026 in het gebouw van de rechtbank alwaar betrokkene niet was verschenen. Mede gezien het verweer namens betrokkene dat er sprake was van wilsbekwaam verzet heeft de rechtbank het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging aangehouden voor maximaal één maand voor verder onderzoek omdat niet gebleken was dat er een beoordeling had plaatsgevonden door de onafhankelijk deskundige van de wilsbekwaamheid; nader onderzoek naar de wilsbekwaamheid van betrokkene werd noodzakelijk bevonden. Op 11 mei 2026 is bij de rechtbank de aanvullende medische verklaring van de onafhankelijke deskundige van 7 mei 2026 binnengekomen waarin de onafhankelijk deskundige kortgezegd aangeeft dat betrokkene geen wilsbekwame beslissing kan maken over zijn behandeling. De mondelinge behandeling van het verzoek is voortgezet op 26 mei 2026 in het gebouw van de zorgaanbieder op de locatie [locatie].
Ter zitting in de kliniek aan de [locatie] waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- betrokkene;
- de advocaat;
- mw. [naam], psychiater.
Omdat de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig acht, is hij niet bij de mondelinge behandeling verschenen.
2Beoordeling
2.1.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van psychoses, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en afhankelijkheid van middelen, te weten o.a. basecocaïne en cannabis.
2.2.
Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang.
2.3.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen of de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig.
2.4.
Anders dan de advocaat namens betrokkene heeft bepleit, is gebleken dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Gebleken is dat betrokkene inmiddels (met inzet van verplichte zorg) is opgenomen in de kliniek. De psychiater heeft toegelicht dat betrokkene opgeknapt is in de kliniek. Hij is aangesterkt en de zelfverzorging lukt ook beter. Het is moeilijk om betrokkene in zorg te houden. Hij houdt het contact met het ambulante team af. Betrokkene heeft levenslang medicatie nodig om hem te beschermen tegen psychoses. Hij gebruikt echter ook middelen, waardoor de medicatie geen goede bescherming biedt. Betrokkene heeft weinig ziektebesef en -inzicht en ook niet de motivatie om te stoppen met het middelengebruik. Verplichte zorg is noodzakelijk.
2.5.
Van de in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg, die zijn gebaseerd op het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur, alsmede gelet op hetgeen bij de mondelinge behandeling naar voren is gekomen acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk voor de duur van twaalf maanden:
toedienen van vocht en voeding, telkens voor de duur van maximaal zes weken per keer;
toedienen van medicatie;
het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
beperken van de bewegingsvrijheid;
insluiten, telkens voor de duur van maximaal een week per keer;
uitoefenen van toezicht op betrokkene, telkens voor de duur van maximaal een week per keer;
onderzoek aan kleding of lichaam, telkens voor de duur van maximaal een week per keer;
onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen, telkens voor de duur van maximaal drie maanden per keer;
controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen, telkens voor de duur van maximaal drie maanden per keer;
aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen en het nakomen van afspraken met het ambulant behandelteam, telkens voor de duur van maximaal drie maanden per keer;
opnemen in een accommodatie, telkens voor de duur van maximaal drie maanden per keer.
2.6.
De verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
2.7.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De advocaat heeft subsidiair verzocht om de zorgmachtiging te beperken tot de duur van zes maanden, in verband met het overschrijden van de beslistermijn ex artikel 6 lid 2 aanhef en onder a Wvggz. De rechtbank gaat hier niet in mee. De mondelinge behandeling van de zaak is op 28 april 2026 aangehouden voor de duur van een maand voor het verkrijgen van een verklaring van de onafhankelijke deskundige waaruit blijkt of betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is, ex artikel 6:1 lid 5 Wvggz. Met dat mede op grond van het verweer ingezette nadere onderzoek maakt dat, artikel 6:2 lid 4 Wvggz daarbij betrekkend, de beslistermijn met betrekking tot een aansluitende zorgmachtiging is verlengd met drie weken. Ondersteuning voor dit standpunt vindt de rechtbank in de voetnoot bij rechtsoverweging 3.1.5 van de beslissing van de Hoge Raad van 4 februari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:123). Deze toepassing maakt vervolgens dat de voorgaande machtiging nog niet op grond van artikel 6.6 lid 2 Wvggz is vervallen doordat de mondelinge behandeling van het verzoek en de te nemen beslissing nog binnen de (verlengde) beslistermijn vallen. De rechtbank zal om die reden het verzoek toewijzen voor de (verzochte) duur van twaalf maanden.
3Beslissing
De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats], inhoudende dat gedurende de looptijd van de machtiging bij wijze van verplichte zorg de in rechtsoverweging 2.5 genoemde maatregelen kunnen worden getroffen;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 26 mei 2027.
Deze beschikking is op 26 mei 2026 mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door
mr. H.P.E. Has, rechter, bijgestaan door mr. K.W. de Haan als griffier en op 4 juni 2026 schriftelijk uitgewerkt.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/786327 / FA RK 26/2996
kenmerk: ZM/IND/195362
Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
Beschikking van 26 mei 2026 van de rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene]
,
geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] ,
verblijvende te [adres 2] ,
zorgaanbieder: Arkin,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. A.M. Neijzen te Amsterdam.
1Procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 14 april 2026.
De mondelinge behandeling vond aanvankelijk plaats op 28 april 2026 in het gebouw van de rechtbank alwaar betrokkene niet was verschenen. Mede gezien het verweer namens betrokkene dat er sprake was van wilsbekwaam verzet heeft de rechtbank het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging aangehouden voor maximaal één maand voor verder onderzoek omdat niet gebleken was dat er een beoordeling had plaatsgevonden door de onafhankelijk deskundige van de wilsbekwaamheid; nader onderzoek naar de wilsbekwaamheid van betrokkene werd noodzakelijk bevonden. Op 11 mei 2026 is bij de rechtbank de aanvullende medische verklaring van de onafhankelijke deskundige van 7 mei 2026 binnengekomen waarin de onafhankelijk deskundige kortgezegd aangeeft dat betrokkene geen wilsbekwame beslissing kan maken over zijn behandeling. De mondelinge behandeling van het verzoek is voortgezet op 26 mei 2026 in het gebouw van de zorgaanbieder op de locatie [locatie].
Ter zitting in de kliniek aan de [locatie] waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- betrokkene;
- de advocaat;
- mw. [naam], psychiater.
Omdat de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig acht, is hij niet bij de mondelinge behandeling verschenen.
2Beoordeling
2.1.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van psychoses, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en afhankelijkheid van middelen, te weten o.a. basecocaïne en cannabis.
2.2.
Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang.
2.3.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen of de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig.
2.4.
Anders dan de advocaat namens betrokkene heeft bepleit, is gebleken dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Gebleken is dat betrokkene inmiddels (met inzet van verplichte zorg) is opgenomen in de kliniek. De psychiater heeft toegelicht dat betrokkene opgeknapt is in de kliniek. Hij is aangesterkt en de zelfverzorging lukt ook beter. Het is moeilijk om betrokkene in zorg te houden. Hij houdt het contact met het ambulante team af. Betrokkene heeft levenslang medicatie nodig om hem te beschermen tegen psychoses. Hij gebruikt echter ook middelen, waardoor de medicatie geen goede bescherming biedt. Betrokkene heeft weinig ziektebesef en -inzicht en ook niet de motivatie om te stoppen met het middelengebruik. Verplichte zorg is noodzakelijk.
2.5.
Van de in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg, die zijn gebaseerd op het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur, alsmede gelet op hetgeen bij de mondelinge behandeling naar voren is gekomen acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk voor de duur van twaalf maanden:
toedienen van vocht en voeding, telkens voor de duur van maximaal zes weken per keer;
toedienen van medicatie;
het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
beperken van de bewegingsvrijheid;
insluiten, telkens voor de duur van maximaal een week per keer;
uitoefenen van toezicht op betrokkene, telkens voor de duur van maximaal een week per keer;
onderzoek aan kleding of lichaam, telkens voor de duur van maximaal een week per keer;
onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen, telkens voor de duur van maximaal drie maanden per keer;
controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen, telkens voor de duur van maximaal drie maanden per keer;
aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen en het nakomen van afspraken met het ambulant behandelteam, telkens voor de duur van maximaal drie maanden per keer;
opnemen in een accommodatie, telkens voor de duur van maximaal drie maanden per keer.
2.6.
De verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
2.7.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De advocaat heeft subsidiair verzocht om de zorgmachtiging te beperken tot de duur van zes maanden, in verband met het overschrijden van de beslistermijn ex artikel 6 lid 2 aanhef en onder a Wvggz. De rechtbank gaat hier niet in mee. De mondelinge behandeling van de zaak is op 28 april 2026 aangehouden voor de duur van een maand voor het verkrijgen van een verklaring van de onafhankelijke deskundige waaruit blijkt of betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is, ex artikel 6:1 lid 5 Wvggz. Met dat mede op grond van het verweer ingezette nadere onderzoek maakt dat, artikel 6:2 lid 4 Wvggz daarbij betrekkend, de beslistermijn met betrekking tot een aansluitende zorgmachtiging is verlengd met drie weken. Ondersteuning voor dit standpunt vindt de rechtbank in de voetnoot bij rechtsoverweging 3.1.5 van de beslissing van de Hoge Raad van 4 februari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:123). Deze toepassing maakt vervolgens dat de voorgaande machtiging nog niet op grond van artikel 6.6 lid 2 Wvggz is vervallen doordat de mondelinge behandeling van het verzoek en de te nemen beslissing nog binnen de (verlengde) beslistermijn vallen. De rechtbank zal om die reden het verzoek toewijzen voor de (verzochte) duur van twaalf maanden.
3Beslissing
De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats], inhoudende dat gedurende de looptijd van de machtiging bij wijze van verplichte zorg de in rechtsoverweging 2.5 genoemde maatregelen kunnen worden getroffen;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 26 mei 2027.
Deze beschikking is op 26 mei 2026 mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door
mr. H.P.E. Has, rechter, bijgestaan door mr. K.W. de Haan als griffier en op 4 juni 2026 schriftelijk uitgewerkt.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.