Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:7153
2026-07-16
Strafrecht
13/179476-23
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Voetganger valt op fietspad waardoor fietser ten val komt. Vrijspraak van artikel 6 WVW 1994 en artikel 308 Sr.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2004:AO5822 Hoge Raad 01-06-2004
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.094 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/179476-23
Datum uitspraak: 16 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J. Smilde, en van wat de gemachtigde raadsvrouw van verdachte, mr. P.M. Langereis, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van wat mr. S.W. Smits en de heer [persoon] namens de benadeelde partij [benadeelde partij] , naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat op 17 juli 2023 te Amsterdam:
1. door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [benadeelde partij] (zwaar) lichamelijk letsel werd toegebracht.
2. het aan zijn schuld te wijten is dat [benadeelde partij] (zwaar) lichamelijk letsel heeft bekomen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide tenlastegelegde feiten. Verdachte verkeerde in dusdanige mate onder invloed van alcohol dat hij daardoor onmachtig was om aan het verkeer deel te nemen. Hij heeft zich verwijtbaar in een situatie gebracht waarin hij gevaarzettende omstandigheden heeft gecreëerd. Verdachte was bij het uitstappen van de tram niet in staat om zichzelf staande te houden en is daardoor plots languit op het fietspad gevallen. Als gevolg daarvan is het slachtoffer over verdachte heen gevallen. Dit maakt dat verdachte aanmerkelijke schuld had aan het ongeval.
Artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) zoals ten laste gelegd onder feit 1 moet worden gezien als lex specialis van artikel 308 Wetboek van Strafrecht (Sr) zoals ten laste gelegd onder feit 2. Minimaal is hier sprake van eendaadse samenloop.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit verdachte integraal vrij te spreken omdat er geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW of artikel 308 Sr. Het enkele feit dat verdachte te veel alcohol had gedronken en dat hij is gevallen is hiervoor niet voldoende. Dat verdachte zich onder invloed van alcohol op de openbare weg heeft begeven maakt niet dat er voor hem sprake was van een objectief en voorzienbaar risico op zwaar lichamelijk letsel of de dood van een ander. Uit het dossier volgt bovendien ook niet eenduidig dat verdachte ten gevolge van alcoholinname is gevallen of dat dat de reden is dat hij de val niet kon voorkomen. Ook volgt niet eenduidig uit het dossier dat het slachtoffer over verdachte heen is gevallen, zoals in de tenlastelegging is opgenomen.
Oordeel van de rechtbank
Feit 1:
Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan. Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verdachte veel alcohol had gedronken en dat hij komende vanuit een tram op het fietspad is gevallen, waarna het slachtoffer, dat op haar fiets op het fietspad reed, blijkens de beelden ten gevolge van die val ook ten val is gekomen.
De rechtbank constateert dat er een ongeval heeft plaatsgevonden met zeer ernstige gevolgen voor het slachtoffer.
Echter, het feit dat verdachte, onder invloed van alcohol op het fietspad is gevallen maakt niet dat hij daarmee ook zondermeer schuld heeft aan het ongeval in strafrechtelijke zin, of zelfs aanmerkelijke schuld als bedoeld in artikel 6 WVW. Voor voetgangers gelden geen alcoholnormen in het verkeer, zoals die voor automobilisten en fietsers wel gelden. Van een verkeersovertreding in die zin is derhalve geen sprake. De rechtbank kan op basis van het dossier alleen vaststellen dat verdachte heeft gedronken, dat hij is gevallen en dat ten gevolge van die val een fietser ten val is gekomen. Deze omstandigheden vallen naar het oordeel van de rechtbank niet als een gedraging in de zin van artikel 6 WVW aan te merken. De rechtbank acht feit 1 daarom niet bewezen.
Feit 2:
Om dezelfde reden komt de rechtbank ook niet tot een bewezenverklaring van feit 2. Met het hiervoor beschreven feitencomplex kan niet worden bewezen dat verdachte zich zodanig heeft gedragen, dat hij in strafrechtelijke zin e aanmerkelijke schuld heeft aan het feit dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.
5Benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 33.489,67 aan vergoeding van materiële schade en € 25.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
6Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.A. Spoel, voorzitter,
mrs. A.S. Dogan en A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juli 2026.
[…]
Zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 1 juni 2004 ECLI:NL:HR:2004:AO5822 en van 29 april
2008, ECLI:NL:HR:2008: BD0544.
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/179476-23
Datum uitspraak: 16 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J. Smilde, en van wat de gemachtigde raadsvrouw van verdachte, mr. P.M. Langereis, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van wat mr. S.W. Smits en de heer [persoon] namens de benadeelde partij [benadeelde partij] , naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat op 17 juli 2023 te Amsterdam:
1. door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [benadeelde partij] (zwaar) lichamelijk letsel werd toegebracht.
2. het aan zijn schuld te wijten is dat [benadeelde partij] (zwaar) lichamelijk letsel heeft bekomen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide tenlastegelegde feiten. Verdachte verkeerde in dusdanige mate onder invloed van alcohol dat hij daardoor onmachtig was om aan het verkeer deel te nemen. Hij heeft zich verwijtbaar in een situatie gebracht waarin hij gevaarzettende omstandigheden heeft gecreëerd. Verdachte was bij het uitstappen van de tram niet in staat om zichzelf staande te houden en is daardoor plots languit op het fietspad gevallen. Als gevolg daarvan is het slachtoffer over verdachte heen gevallen. Dit maakt dat verdachte aanmerkelijke schuld had aan het ongeval.
Artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) zoals ten laste gelegd onder feit 1 moet worden gezien als lex specialis van artikel 308 Wetboek van Strafrecht (Sr) zoals ten laste gelegd onder feit 2. Minimaal is hier sprake van eendaadse samenloop.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit verdachte integraal vrij te spreken omdat er geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW of artikel 308 Sr. Het enkele feit dat verdachte te veel alcohol had gedronken en dat hij is gevallen is hiervoor niet voldoende. Dat verdachte zich onder invloed van alcohol op de openbare weg heeft begeven maakt niet dat er voor hem sprake was van een objectief en voorzienbaar risico op zwaar lichamelijk letsel of de dood van een ander. Uit het dossier volgt bovendien ook niet eenduidig dat verdachte ten gevolge van alcoholinname is gevallen of dat dat de reden is dat hij de val niet kon voorkomen. Ook volgt niet eenduidig uit het dossier dat het slachtoffer over verdachte heen is gevallen, zoals in de tenlastelegging is opgenomen.
Oordeel van de rechtbank
Feit 1:
Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan. Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verdachte veel alcohol had gedronken en dat hij komende vanuit een tram op het fietspad is gevallen, waarna het slachtoffer, dat op haar fiets op het fietspad reed, blijkens de beelden ten gevolge van die val ook ten val is gekomen.
De rechtbank constateert dat er een ongeval heeft plaatsgevonden met zeer ernstige gevolgen voor het slachtoffer.
Echter, het feit dat verdachte, onder invloed van alcohol op het fietspad is gevallen maakt niet dat hij daarmee ook zondermeer schuld heeft aan het ongeval in strafrechtelijke zin, of zelfs aanmerkelijke schuld als bedoeld in artikel 6 WVW. Voor voetgangers gelden geen alcoholnormen in het verkeer, zoals die voor automobilisten en fietsers wel gelden. Van een verkeersovertreding in die zin is derhalve geen sprake. De rechtbank kan op basis van het dossier alleen vaststellen dat verdachte heeft gedronken, dat hij is gevallen en dat ten gevolge van die val een fietser ten val is gekomen. Deze omstandigheden vallen naar het oordeel van de rechtbank niet als een gedraging in de zin van artikel 6 WVW aan te merken. De rechtbank acht feit 1 daarom niet bewezen.
Feit 2:
Om dezelfde reden komt de rechtbank ook niet tot een bewezenverklaring van feit 2. Met het hiervoor beschreven feitencomplex kan niet worden bewezen dat verdachte zich zodanig heeft gedragen, dat hij in strafrechtelijke zin e aanmerkelijke schuld heeft aan het feit dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.
5Benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 33.489,67 aan vergoeding van materiële schade en € 25.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
6Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.A. Spoel, voorzitter,
mrs. A.S. Dogan en A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juli 2026.
[…]
Zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 1 juni 2004 ECLI:NL:HR:2004:AO5822 en van 29 april
2008, ECLI:NL:HR:2008: BD0544.