Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:6655

2026-06-19 Civiel recht 12166805 CV EXPL 26-4941
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-06-19
Publicatiedatum
2026-07-01
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
12166805 CV EXPL 26-4941
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Huur, verstek, ambtshalve toetsing, Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Eindvonnis, geen markthuurprijsherziening.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.628 tekens)
vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM


Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 12166805 CV EXPL 26-4941
vonnis van: 19 juni 2026
fno.: 506


vonnis van de kantonrechter


I n z a k e


de stichting stichting Ymere

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam
eisende partij
gemachtigde: vd Hoeden/Mulder, gerechtsdeurwaarders



t e g e n



[gedaagde]


wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen



Verder verloop van de procedure


Op 8 mei 2026 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft eisende partij op 5 juni 2026 een akte ingediend en, conform hetgeen in voornoemd tussenvonnis is overwogen, een kopie van de akte, inclusief het tussenvonnis aan gedaagde partij toegestuurd met mededeling dat en op welke wijze gedaagde partij hierop kon reageren. Eisende partij heeft de aan gedaagde partij tijdig gestuurde brief eveneens overgelegd. Van gedaagde partij is geen reactie ontvangen.



Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.





GRONDEN VAN DE BESLISSING



Beoordeling



In het tussenvonnis van 8 mei 2026 is, onder r.o. 2, reeds overwogen dat in de onderhavige zaak ambtshalve moet worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).


Hoewel daartoe in het tussenvonnis van 8 mei 2026 nog in de gelegenheid voor te zijn gesteld heeft eisende partij in haar akte van 5 juni 2026 geen standpunt ingenomen over de eventuele (on)eerlijkheid van de bedingen die betrekking hebben op de vordering.



3. Het huurprijsbeding en het servicekostenbeding in de huurovereenkomst en het daarbij horende Overzicht maandelijkse prijs zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.

4. Het beding dat voor de beoordeling van de onderhavige vordering relevant is, te weten artikel 4.1 (Huurprijswijziging) van de algemene voorwaarden, is door de kantonrechter getoetst en wordt niet oneerlijk bevonden.

5. Ten aanzien van artikel 4.2 van de algemene voorwaarden heeft eisende partij bij akte van 5 juni 2026 het standpunt ingenomen dat een markthuurprijsherziening op grond van dit beding nooit is toegepast. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eisende partij voorts alle huurverhogingsbrieven vanaf de aanvang van de huurovereenkomst in het geding gebracht. Gelet op het voorgaande stelt de kantonrechter vast dat de vordering niet op artikel 4.2 van de algemene voorwaarden gegrond is, zodat dit beding niet getoetst hoeft te worden.

6. Tot slot is artikel 10.1 van de algemene voorwaarden door de kantonrechter getoetst.
Dit artikel luidt als volgt:



Artikel 10 Overige bepalingen

10.1
Indien de huurder in gebreke blijft in de nakoming van enige verplichting welke door de wet of deze overeenkomst op hem rust en daarvoor gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen getroffen moeten worden, komen alle daaruit voortvloeiende kosten voor zijn rekening. Hiertoe worden ook gerekend de wettelijke rente en eventuele omzetbelasting voor rekening van huurder

7. Voor zover dit beding de wettelijke rente betreft, is dit beding niet oneerlijk bevonden.

8. Artikel 10.1 van de algemene voorwaarden is ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten wel oneerlijk, omdat daarin niet (voldoende duidelijk) staat dat de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten) in het geval van een consument moet worden toegepast. Dit kan ertoe leiden dat hogere kosten voor rekening van de consument komen dan wettelijk is toegestaan. Het voorgaande betekent dat het beding buiten toepassing zal worden gelaten en de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen.

9. Voorts is artikel 10.1 van de algemene voorwaarden ook oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen.



De vordering



10. De vordering komt voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hetgeen hieronder met betrekking tot de ontruimingstermijn nog is overwogen.

11. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken.

12. Gedaagde partij wordt veroordeeld in de proceskosten.





BESLISSING


De kantonrechter:



ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak (de parkeerplaats) aan de [adres];



veroordeelt gedaagde partij om deze onroerende zaak met al wie en al wat zich daarin vanwege gedaagde partij bevindt, binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van alle toegangsmiddelen geheel ter vrije beschikking van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;




veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij:
a) € 1.012,84 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met 31 maart 2026, vermeerderd met de wettelijke rente over het voorgenoemde bedrag vanaf de dag der dagvaarding (26 maart 2026) tot de voldoening;
b) € 65,05 per maand vanaf 1 april 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt;




veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,02 aan explootkosten, € 144,00 aan salaris gemachtigde, € 350,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;



verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier