Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:6529

2026-02-26 Strafrecht; Materieel strafrecht 13/298781-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-02-26
Publicatiedatum
2026-06-26
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
13/298781-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor artikel 2 onder B van de Opiumwet, aanwezig hebben cocaïne bewezen. Eveneens veroordeling voor vuurwapenbezit. Geen sprake van vormverzuim. De rechter-commissaris heeft verdachte telefonisch meegedeeld dat hij toestemming heeft gegeven tot doorzoeking van de woning. Er was geen sprake van een verhoorsituatie met betrekking tot het vuurwapen. De cautie had dus niet opnieuw moeten worden gegeven.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.325 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM



Afdeling Publiekrecht



Teams Strafrecht



Parketnummer: 13/298781-25



Datum uitspraak: 26 februari 2026




Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:





[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1972,
wonende op het adres [adres] ,
thans gedetineerd te: [detentieadres] .





1Het onderzoek ter terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 februari 2026.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.W.M. van der Linde, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. K. Ramdhan, naar voren hebben gebracht.





2Tenlastelegging


Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij op 7 november 2025 in Amsterdam (i) opzettelijk in totaal 176,51 gram cocaïne heeft verkocht of aanwezig heeft gehad en (ii) een pistool voorhanden heeft gehad.



De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.



Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.





3Waardering van het bewijs


3.1.

Feiten en omstandigheden



3.1.1.
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.



3.1.2.
Na een Meld Misdaad Anoniem-melding over drugshandel gaan verbalisanten op 7 november 2025 naar de woning van verdachte. Verdachte doet de deur open en zegt desgevraagd dat hij niet handelt in GHB maar dat hij het wel gebruikt. De verbalisanten melden dat verdachte niet verplicht is te antwoorden. Kort daarna verleent de hulpofficier van justitie een machtiging om de woning binnen te treden. Eenmaal binnen treffen de verbalisanten verschillende verpakkingen met wit poeder aan. Dan neemt de rechter-commissaris telefonisch contact op en meldt aan verdachte dat hij toestemming geeft voor een volledige doorzoeking van de woning. De rechter-commissaris vraagt of er wapens aanwezig zijn en verdachte antwoordt dat dit het geval zou kunnen zijn. De hulpofficier vraagt aan verdachte of hij kan aanwijzen waar het wapen ligt en of het een vuurwapen is. Verdachte antwoordt dat het een vuurwapen is en dat dit in de wasruimte ligt. In die ruimte treffen verbalisanten vervolgens een vuurwapen aan. Bij de doorzoeking worden verdovende middelen aangetroffen die indicatief worden getest op cocaïne. Later gaan de verbalisanten een tweede keer naar de woning en dan treffen zij nog een verpakking aan.



3.1.3.
Uit onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut blijkt dat in de aangetroffen verpakkingen 1,79 gram, 12,69 gram en 87,66 gram (in totaal 102,14 gram) cocaïne zit. Uit technisch onderzoek blijkt dat het aangetroffen wapen een vuurwapen is van categorie III onder 1 zoals bedoeld in de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Baikal, type Makarov.




3.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie



De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat verdachte op 7 november 2025 opzettelijk in totaal 102,14 gram cocaïne aanwezig heeft gehad, maar niet dat verdachte op die datum cocaïne heeft verkocht (feit 1). Ook kan worden bewezen dat verdachte een vuurwapen voorhanden heeft gehad (feit 2).




3.3.

Het standpunt van de verdediging



Volgens de verdediging kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk 102,14 gram cocaïne aanwezig heeft gehad (feit 1). De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het voorhanden hebben van een vuurwapen (feit 2).




3.4.

Het oordeel van de rechtbank




Feit 1, aanwezig hebben van cocaïne




3.4.1.
Verdachte heeft op de terechtzitting van 12 februari 2026 duidelijk en ondubbelzinnig bekend dat hij op 7 november 2025 in zijn woning in Amsterdam cocaïne aanwezig heeft gehad, dat hij daarvan wetenschap had en dat het zijn cocaïne was.



3.4.2.

De rechtbank acht, op basis van de bekennende verklaring van verdachte
en het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, bewezen dat verdachte op 7 november 2025 in Amsterdam opzettelijk 1,79 gram, 12,69 gram en 87,66 gram cocaïne aanwezig heeft gehad. Dat verdachte met die cocaïne op die datum ook heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, verstrekt en/of heeft afgeleverd acht de rechtbank niet bewezen, zodat de rechtbank verdachte daarvan vrijspreekt.




Feit 2, voorhanden hebben van een vuurwapen





3.4.3.
De verdediging heeft voor feit 2, het voorhanden hebben van een pistool, vrijspraak bepleit en daartoe het volgende aangevoerd. De rechter-commissaris heeft op 7 november 2025 mondeling toestemming gegeven voor een doorzoeking van de woning van verdachte. Volgens de verdediging was op dat moment sprake van een verdenking als bedoeld in artikel 27 Sv. Daarna heeft de rechter-commissaris gevraagd of wapens aangetroffen zouden kunnen worden en, na een bevestigend antwoord van verdachte, heeft de hulpofficier gevraagd waar het wapen lag en of het een vuurwapen betrof. De verdediging stelt zich op het standpunt dat op het moment dat de rechter-commissaris en de hulpofficier deze vragen stelden, sprake was van een verhoorsituatie voor een ander strafbaar feit dan de drugs. Daarom hadden zij ook voor dit feit moeten mededelen dat verdachte niet tot antwoorden verplicht was. Ook is verdachte toen niet gewezen op het recht op rechtsbijstand. Er is sprake van onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv en deze moeten leiden tot bewijsuitsluiting, aldus de verdediging.



3.4.4.
Anders dan de raadsman heeft betoogd, is er geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim dat zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting. Uit hetgeen onder 3.1.2. is overwogen volgt dat de rechter-commissaris verdachte telefonisch heeft medegedeeld dat hij toestemming heeft gegeven tot doorzoeking van de woning. Er was geen sprake van een verhoorsituatie en voor deze -in het kader van de gegeven toestemming- gestelde vragen gericht op een mogelijk aantreffen van een vuurwapen, behoefde niet (opnieuw) de cautie te worden verleend. Het verweer wordt dan ook verworpen. Ten overvloede geldt nog dat ook als het antwoord van verdachte op deze vragen als een verboden vrucht had moeten worden aangemerkt, de machtiging tot doorzoeking van de woning reeds was verleend en het wapen ook zonder de verklaring van de verdachte zou zijn aangetroffen. Tot slot heeft verdachte op zitting erkend dat hij een wapen voorhanden heeft gehad.



3.4.5.
De rechtbank acht op basis van de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en het rapport van technisch onderzoek bewezen dat verdachte het vuurwapen op 7 november 2025 in zijn woning voorhanden heeft gehad.






4Bewezenverklaring


De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen waarnaar in rubriek 3 is verwezen, bewezen dat verdachte



1
op 7 november 2025 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad, 1,79 gram en 12,69 gram en 87,66 gram van een materiaal bevattende cocaïne;



2
op 7 november 2025 te Amsterdam, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Baikal, type Makarov, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;





5De strafbaarheid van de feiten


De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.





6De strafbaarheid van verdachte


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.





7Motivering van de straf


7.1.

De eis van de officier van justitie



De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.




7.2.

Het standpunt van de verdediging



De verdediging heeft verzocht bij bewezenverklaring een taakstraf van 100 uur op te leggen en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaar.




7.3.

Het oordeel van de rechtbank



De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.



De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.




Ernst van de feiten




Verdachte heeft meer dan 100 gram cocaïne aanwezig gehad. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers ervan. Er gaat veel geld om in de handel in harddrugs en die handel gaat daardoor vaak gepaard met andere vormen van ernstige en ontwrichtende criminaliteit. Verdachte heeft dit, door het aanwezig hebben van verdovende middelen, in stand gehouden. Daarbij komt dat verdachte op de terechtzitting heeft verklaard dat hij ongeveer een maand voor zijn aanhouding een grote hoeveelheid cocaïne had gekocht (250 gram). Verdachte heeft verklaard dat hij zelf ongeveer twee tot drie gram per week gebruikte. Een deel verstrekte hij aan vrienden, naar eigen zeggen al dan niet tegen een wederdienst. De rechtbank ziet in het feit dat de hoeveelheid cocaïne van verdachte in ongeveer een maand met bijna 150 gram is afgenomen een dealerindicatie. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij door zo te handelen ook de verslaving van anderen in stand heeft gehouden. Verslaving aan verdovende middelen zorgt in veel gevallen niet alleen voor ernstige problemen bij de gebruikers, maar brengt ook vaak hun directe omgeving veel financiële en emotionele schade toe.



Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen brengt in het algemeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee, omdat het kan leiden tot het gebruik ervan met alle gevolgen van dien. Daarom moet daar streng tegen worden opgetreden. Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij het vuurwapen voor een bekende bewaarde. De rechtbank kan niet vaststellen of deze verklaring juist is. Als dit het geval is dan rekent de rechtbank verdachte aan dat hij lichtvaardig het wapen voor die ander heeft bewaard, zonder zich daarbij af te vragen waar die ander het wapen voor zou kunnen gebruiken.




De persoon van verdachte




De rechtbank heeft op het strafblad van verdachte van 7 januari 2026 gezien dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Daarbij constateert de rechtbank dat verdachte direct na zijn aanhouding op 7 november 2025 openheid van zaken heeft gegeven over de feiten.



In een rapport van 10 februari 2026 meldt de reclassering dat verdachte een koopwoning heeft, een groot sociaal netwerk en een vaste baan. De reclassering ziet dit als beschermende factoren. Daar staat tegenover dat verdachte verslavingsgevoelig is. Verdachte heeft gezegd te willen stoppen met het gebruik van cocaïne. De reclassering ziet er meerwaarde in verdachte daarbij te monitoren. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:



Meldplicht bij reclassering


Ambulante behandeling





Conclusie van de rechtbank




De rechtbank is van oordeel dat met name gelet op het blanco strafblad van verdachte en zijn open houding aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Alles afwegend vindt de rechtbank dat een gevangenisstraf moet worden opgelegd van zes maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Daarbij zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden opleggen van meldplicht en ambulante behandeling.






8Beslag


Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:




STK Pistool, met voorwerpnummer: G6733439


18 GR Verdovende Middelen, met voorwerpnummer: G6733462


18 GR Verdovende Middelen, met voorwerpnummer: G6733443


GR Verdovende Middelen, met voorwerpnummer: G6733473


134 GR Verdovende Middelen, met voorwerpnummer: G6733577


1 STK Kluis, met voorwerpnummer: G6733429





Onttrekking aan het verkeer




Met betrekking tot het pistool onder 1 en de verdovende middelen onder 2, 4 en 5 is het bewezen geachte begaan en deze voorwerpen zijn van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Zij moeten daarom worden onttrokken aan het verkeer.
De verdovende middelen onder 3 moeten ook worden onttrokken aan het verkeer. Ook deze zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Daarbij zijn deze verdovende middelen aangetroffen bij het onderzoek naar de door verdachte begane feiten, en zij kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten.




Teruggave aan rechthebbende




Niet is gebleken dat de kluis (onder 6) is verkregen door of gebruikt bij het plegen van de bewezen geachte feiten. De kluis dient daarom aan de rechthebbende te worden teruggegeven.





9Toepasselijke wettelijke voorschriften


De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.





10Beslissing


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.



Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.



Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.



Het bewezen verklaarde levert op:



feit 1:




opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;




feit 2:




handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III




Verklaart het bewezene strafbaar.



Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.



Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.



Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.



Bepaalt dat een gedeelte, groot 2 (twee) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.



Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.



De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.



De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.




Stelt als bijzondere voorwaarden:





Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.




Ambulante behandeling

Veroordeelde laat zich behandelen door Inforsa Forensische Ambulante Zorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Onderdeel van de behandeling kan zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.



Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd




ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;


medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht. bedoeld in artikel 14c zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.





Beslag




Verklaart onttrokken aan het verkeer:




STK Pistool, met voorwerpnummer: G6733439


18 GR Verdovende Middelen, met voorwerpnummer: G6733462


18 GR Verdovende Middelen, met voorwerpnummer: G6733443


GR Verdovende Middelen, met voorwerpnummer: G6733473


134 GR Verdovende Middelen, met voorwerpnummer: G6733577




Gelast de teruggave aan de rechthebbende van:


1 STK Kluis, met voorwerpnummer: G6733429



Voorlopige hechtenis




Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.J. Blok, voorzitter,
mrs. J.M. van Hall en M. Smayel, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 februari 2026.








[(...)]






Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.


een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025280839-5, p. 9 tot en met 11.


een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025280839-12, p 16 tot en met 20.


een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025280839-21, p 26 tot en met 27.


een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen met nummer 251110-752-296, p 4 tot en met 10 en verslagen van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 3 december 2025, nummer 2025.12.03.189, aanvragen 001, 005 en 006, opgemaakt door [deskundige] , NFI-deskundige afgelegde forensische drugsanalyse, p 12 tot en met 14.


een proces-verbaal van technisch onderzoek met nummer 2025280909-03, p 59 tot en met 61.