Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:6361

2026-05-29 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11345118 \ CV EXPL 24-12834
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-05-29
Publicatiedatum
2026-06-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11345118 \ CV EXPL 24-12834
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Operational lease fiets. Opzegvergoeding. Bedingen met betrekking tot ontbinding en opzegboete zijn beide vermoedelijk oneerlijk. Voornemen de bedingen buiten toepassing te laten. Daarover mag de eisende partij zich uitlaten.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.732 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Civiel recht
Kantonrechter



Zaaknummer: 11345118 \ CV EXPL 24-12834




Vonnis van 29 mei 2026




in de zaak van



de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FRIESLAND LEASE B.V.,
gevestigd te Drachten,
eisende partij,
gemachtigde: M.P.A. Roelands,



tegen





[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 september 2024, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.






2De beoordeling


2.1.
Eisende partij vordert uit hoofde van een op 18 februari 2022 met gedaagde partij gesloten (operational) leaseovereenkomst met betrekking tot een fiets veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 2.046,81 aan hoofdsom, te vermeerderen met wettelijke rente, € 307,02 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.



2.2.
De hoofdsom bestaat uit onbetaald gelaten leasetermijnen en uit een opzeggingsvergoeding van € 1.251,70 die in rekening is gebracht op grond van artikel 8.6 jo. 15.3 van de algemene voorwaarden. Gedaagde partij is vanaf aanvang van de leaseovereenkomst zijn betalingsverplichting niet nagekomen. Er is geen enkele betaling verricht.



2.3.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).



2.4.
De overeenkomst is volgens eisende partij op afstand gesloten, zodat de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing zijn. Eisende partij heeft in de dagvaarding gesteld op welke wijze zij aan deze informatieplichten heeft voldaan.



2.5.
Uit artikel 5 van de algemene voorwaarden volgt dat de leaseovereenkomst ingaat na ondertekening daarvan door gedaagde partij, zodat vóór dat moment nog geen betalingsverplichting bestaat. De kantonrechter stelt vast dat in de leaseovereenkomst alle informatie uit artikel 6:230m lid 1 BW staat die de Hoge Raad als essentieel heeft aangemerkt (ECLI:NL:HR:2021:1677). Gedaagde partij heeft de gelegenheid gekregen de overeenkomst door te nemen voor deze digitaal te ondertekenen. Met het plaatsen van een digitale handtekening direct onder de overeenkomst heeft gedaagde partij het aanbod van eisende partij – waaruit onmiskenbaar een betalingsverplichting volgt – aanvaard. Een bestelknop als bedoeld in artikel 6:230v lid 3 BW is in dit geval niet aan de orde.



2.6.
Conclusie is dat eisende partij heeft voldaan aan haar informatieplichten.



2.7.

Met betrekking tot de onbetaald gelaten leasetermijnen geldt dat dit gedeelte van de vordering ziet op de kern van de overeengekomen prestaties, te weten de door gedaagde partij te betalen prijs. Ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn moeten dergelijke kernbedingen uitsluitend op oneerlijkheid worden getoetst als deze niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Nu de prijs op duidelijke en begrijpelijke wijze in de overeenkomst staat, is verdere toetsing aan de richtlijn niet aan de orde.
Dit gedeelte van de hoofdsom is daarom toewijsbaar.




2.8.
De opzegvergoeding vordert eisende partij op grond van artikel 8.6 jo. 15.3 van de algemene voorwaarden. Genoemde artikelen zijn standaardbedingen en moeten nu deze aan de vordering ten grondslag liggen ambtshalve worden getoetst op oneerlijkheid in de zin van de richtlijn. De betreffende artikelen luiden als volgt:



8.6

Indien u het termijnbedrag of andere bedragen niet tijdig betaalt, kan de overeenkomst ontbonden worden. Indien Leasefiets de Leaseovereenkomst ontbindt wegens niet-betaling wordt de reeds bestaande vordering op u verhoogd met de ontbindingsvergoeding. Deze ontbindingsvergoeding is gelijk aan de opzeggingsvergoeding zoals beschreven in artikel 15. De ontbindingsvergoeding bent u verschuldigd naast de andere bedragen. Om de Leaseovereenkomst wegens niet-betaling te kunnen ontbinden, ontvangt u eerst een aangetekende brief, met een kopie per gewone brief of e-mail. In die brief wordt u in de gelegenheid gesteld alsnog binnen 14 dagen te betalen, onder vermelding dat Leasefiets anders de Leaseovereenkomst mag ontbinden en dat u dan de hiervoor genoemde vergoeding verschuldigd bent. Indien op het moment waarop die termijn afloopt, de Leaseovereenkomst kan worden opgezegd, wijzen wij u op de regeling van opzegging van artikel 15.1.
(…)



15.3
Voor elke maand dat de Leaseovereenkomst eerder dan de einddatum, van de Leaseperiode wordt beëindigd, betaalt u een vaste opzeggingsvergoeding van 50% van de totaal resterende maandtermijnen. Daarnaast worden eventueel niet gemelde schades bij inlevering met u verrekend.


15.4
Indien uit berekening blijkt dat een herberekening van de Leaseperiode naar een kortere looptijd voor u een totale gunstigere uitkomst biedt dan de vaste opzeggingsvergoeding van 50%, dan wordt voor herberekening gekozen.



2.9.
In de hiervoor geciteerde artikelen staan twee bedingen: een beding met betrekking tot ontbinding en een beding met betrekking tot de in rekening te brengen opzegvergoeding (zijnde een boetebeding). Eisende partij beroept zich op beide bedingen.



Beding met betrekking tot ontbinding




2.10.
Dit beding wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling, omdat daaruit volgt dat een tekortkoming ontbinding ook moet rechtvaardigen. Daar zit een bepaalde redelijkheidstoets in, die het beding niet kent. Integendeel, op grond van het beding kan eisende partij bij het niet (volledig) of niet tijdig betalen een leasetermijn of andere bedragen, na het sturen van een brief met een nakomingstermijn van 14 dagen, tot ontbinding overgaan en de bedongen vergoeding in rekening brengen, ook als zo’n ontbinding met haar gevolgen, gelet op de geringe aard van de tekortkoming, niet gerechtvaardigd zou zijn. Dat maakt het beding oneerlijk.



Boetebeding




2.11.
De onderhavige leaseovereenkomst, waarbij de fiets aan het einde van de leaseperiode moet worden teruggegeven, kwalificeert als een huurovereenkomst. Op grond van de hiervoor geciteerde artikelen is gedaagde partij na ontbinding een vast bedrag ter grootte van 50% van de nog resterende termijnen verschuldigd. Dit is een boetebeding als bedoeld in artikel 6:91 BW. Als partijen geen regeling inzake de ontbindingsvergoeding hadden getroffen, dan zouden de artikelen 6:271 en 6:277 BW van toepassing zijn geweest. Het eerste artikel bepaalt dat een ontbinding partijen bevrijdt van de daardoor getroffen verbintenissen en voor zover deze reeds zijn nagekomen, ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking. Toepassing van dit artikel zou ertoe hebben geleid dat gedaagde partij vanaf de datum van ontbinding zou zijn bevrijd van zijn betalingsverplichtingen. Het tweede artikel bepaalt dat de partij wier tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd, verplicht is haar wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt, doordat geen wederzijdse nakoming maar ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt. Het zogenaamde ‘positief contractsbelang’ dient dan te worden vergoed (ECLI:NL:HR:1995:ZC1731). Dat houdt in dit geval in dat eisende partij dient te worden gebracht in de situatie waarin zij zou hebben verkeerd als de tekortkoming was uitgebleven en de leaseovereenkomst correct was nagekomen. Hierbij moet wel overeenkomstig artikel 6:100 BW het voordeel dat de ontbinding voor de wederpartij oplevert, voor zover dit redelijk is, bij de vaststelling van de te vergoeden schade in mindering worden gebracht.



2.12.
Het boetebeding voortvloeiend uit de algemene voorwaarden van eisende partij kan erop neerkomen dat méér wordt vergoed dan het positief contractsbelang, omdat gedaagde partij de helft van de gemiste omzet moet vergoeden, in plaats van de gederfde winst. Gesteld noch gebleken is dat de gederfde winst van eisende partij in alle gevallen (ongeveer) gelijk is te stellen aan 50% van de gemiste omzet. Daarbij komt dat eisende partij de opzegvergoeding berekent aan de hand van de leaseprijs inclusief btw, terwijl moet worden aangenomen dat haar contractbelang exclusief btw is. Voorts wordt in het beding geen rekening gehouden met het reëel te verwachten voordeel ten tijde van de sluiting van de leaseovereenkomst, bestaande uit (onder meer) bespaarde kosten en de opbrengst uit een leaseovereenkomst met een andere lessee betreffende de onderhavige fiets of de verkoop ervan (vgl. ECLI:EU:C:2021:68).



2.13.
Het boetebeding zorgt dan ook voor een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen, mede doordat eisende partij daar al een beroep op kan doen bij iedere vorm van wanbetaling, dus ook ingeval van (zeer) geringe tekortkomingen, die op grond van de wettelijke regeling ontbinding met haar gevolgen niet zouden rechtvaardigen. Van belang is verder dat er geen mogelijkheid bestaat voor gedaagde om aan het gebruik van het boetebeding door eisende partij een einde te maken door (bijvoorbeeld) alsnog de achterstallige termijnen te betalen. Eisende partij heeft redelijkerwijs dan ook niet mogen aannemen dat gedaagde partij het boetebeding zou hebben aanvaard als daarover afzonderlijk zou zijn onderhandeld door partijen.



2.14.
Het (boete)beding dat aan de in rekening gebrachte opzegvergoeding ten grondslag ligt wordt op grond van het voorgaande eveneens als oneerlijk aangemerkt. Oneerlijke bedingen binden de consument niet.



2.15.
De kantonrechter is voornemens de hiervoor besproken bedingen die als oneerlijk zijn aangemerkt toepassing te laten. Voordat daartoe wordt overgegaan, mag eisende partij zich bij akte over de oneerlijkheid en de gevolgen daarvan uitlaten.



2.16.
Als de bedingen buiten toepassing blijven, heeft dat tot gevolg dat geen ruimte is voor ontbinding en de gevorderde opzegvergoeding zal worden afgewezen.



2.17.
Eisende partij wordt tot ook verzocht de kantonrechter te informeren over wat er met de fiets is gebeurd na de ontbinding.



2.18.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.






3De beslissing


De kantonrechter



3.1.
verwijst de zaak naar de rol van vrijdag 26 juni 2026 om 10.00 uur voor akte uitlating eisende partij,



3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026.





991