Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:6290
2026-05-13
Strafrecht; Materieel strafrecht
26-011705
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beslissing artikel 164, lid 8 WVW 1994, gegrond.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.988 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
parketnummer : 96-084982-26
raadkamernummer : 26-011705
datum : 13 mei 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. V.A. van Biljouw;
[adres] ,
hierna te noemen: klager.
Feiten
Tegen klager is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 8, tweede lid, WVW 1994, gepleegd op 21 maart 2026 omstreeks 04:13 uur op de [straat] in Amsterdam.
Het proces-verbaal houdt onder meer in dat klager in een personenauto reed en dat het alcoholgehalte in zijn adem hoger was dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Tijdens de ademanalyse werd een ademalcoholgehalte van 640 µg/l geconstateerd.
Op 21 maart 2026 is op grond van het bovenstaande het rijbewijs van klager ingevorderd.
De officier van justitie heeft vervolgens binnen tien dagen beslist het rijbewijs onder zich te houden voor een periode van vier maanden, tot uiterlijk 19 juli 2026.
Procedure
Het klaagschrift is op 22 april 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 13 mei 2026 het beklag in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van klager, mr. V.A. van Biljouw, en de officier van justitie, mr. S.M. Hoogerheide, op zitting gehoord.
Klager is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van het rijbewijs van klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt.
Namens klager is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.
Klager heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk als taxichauffeur en als ZZP’er in de bouw. Hij kan al anderhalve maand niet werken en zijn financiële middelen raken op. Dit persoonlijk belang wordt ook door het Openbaar Ministerie erkend. Klager heeft een brief gekregen van het CBR en hij zal een cursus moeten volgen. Daar komt het belang van de verkeersveiligheid aan bod. Gelet op het persoonlijk belang van klager dient het rijbewijs met onmiddellijke ingang aan hem te worden teruggegeven.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft verklaard zich niet te verzetten tegen teruggave van het rijbewijs per 21 mei 2026 dan wel met onmiddellijke ingang.
Beoordeling
De rechtbank acht de inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 lid 4 WVW 1994 rechtmatig. De officier van justitie heeft in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het persoonlijk belang van klager bij het kunnen beschikken over het rijbewijs en het feit dat klager niet eerder is veroordeeld wegens het rijden onder invloed, ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat in geval van een veroordeling dan wel uitvaardiging van een strafbeschikking aan klager geen onvoorwaardelijke rijontzegging voor een langere periode zal worden opgelegd dan de periode die het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest.
De rechtbank zal het klaagschrift gegrond verklaren en bevelen dat het rijbewijs aan klager moet worden teruggegeven.
Dit laat overigens onverlet dat de officier van justitie, dan wel de rechter te zijner tijd in de strafzaak een ontzegging van de rijbevoegdheid kan opleggen voor een langere periode dan de periode die het rijbewijs reeds ingevorderd of ingehouden is geweest.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave van het rijbewijs met het nummer [nummer] aan klager.
Deze beslissing is gegeven door
mr. R.A. Overbosch, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager en het openbaar ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,
in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, voor het openbaar ministerie binnen veertien (14) dagen en voor klager binnen veertien (14) dagen na de dagtekening van deze beslissing.
Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
parketnummer : 96-084982-26
raadkamernummer : 26-011705
datum : 13 mei 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. V.A. van Biljouw;
[adres] ,
hierna te noemen: klager.
Feiten
Tegen klager is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 8, tweede lid, WVW 1994, gepleegd op 21 maart 2026 omstreeks 04:13 uur op de [straat] in Amsterdam.
Het proces-verbaal houdt onder meer in dat klager in een personenauto reed en dat het alcoholgehalte in zijn adem hoger was dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Tijdens de ademanalyse werd een ademalcoholgehalte van 640 µg/l geconstateerd.
Op 21 maart 2026 is op grond van het bovenstaande het rijbewijs van klager ingevorderd.
De officier van justitie heeft vervolgens binnen tien dagen beslist het rijbewijs onder zich te houden voor een periode van vier maanden, tot uiterlijk 19 juli 2026.
Procedure
Het klaagschrift is op 22 april 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 13 mei 2026 het beklag in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van klager, mr. V.A. van Biljouw, en de officier van justitie, mr. S.M. Hoogerheide, op zitting gehoord.
Klager is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van het rijbewijs van klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt.
Namens klager is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.
Klager heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk als taxichauffeur en als ZZP’er in de bouw. Hij kan al anderhalve maand niet werken en zijn financiële middelen raken op. Dit persoonlijk belang wordt ook door het Openbaar Ministerie erkend. Klager heeft een brief gekregen van het CBR en hij zal een cursus moeten volgen. Daar komt het belang van de verkeersveiligheid aan bod. Gelet op het persoonlijk belang van klager dient het rijbewijs met onmiddellijke ingang aan hem te worden teruggegeven.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft verklaard zich niet te verzetten tegen teruggave van het rijbewijs per 21 mei 2026 dan wel met onmiddellijke ingang.
Beoordeling
De rechtbank acht de inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 lid 4 WVW 1994 rechtmatig. De officier van justitie heeft in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het persoonlijk belang van klager bij het kunnen beschikken over het rijbewijs en het feit dat klager niet eerder is veroordeeld wegens het rijden onder invloed, ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat in geval van een veroordeling dan wel uitvaardiging van een strafbeschikking aan klager geen onvoorwaardelijke rijontzegging voor een langere periode zal worden opgelegd dan de periode die het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest.
De rechtbank zal het klaagschrift gegrond verklaren en bevelen dat het rijbewijs aan klager moet worden teruggegeven.
Dit laat overigens onverlet dat de officier van justitie, dan wel de rechter te zijner tijd in de strafzaak een ontzegging van de rijbevoegdheid kan opleggen voor een langere periode dan de periode die het rijbewijs reeds ingevorderd of ingehouden is geweest.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave van het rijbewijs met het nummer [nummer] aan klager.
Deze beslissing is gegeven door
mr. R.A. Overbosch, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager en het openbaar ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,
in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, voor het openbaar ministerie binnen veertien (14) dagen en voor klager binnen veertien (14) dagen na de dagtekening van deze beslissing.