Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:6266

2026-05-13 Strafrecht; Materieel strafrecht 26-005978
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-05-13
Publicatiedatum
2026-06-19
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
26-005978
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beslissing artikel 7 Wet DNA, ongegrond

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.181 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht


Zittingsplaats Amsterdam



parketnummer: 13-208595-24
raadkamernummer: 26-005978
datum: 13 mei 2026




beslissing van de enkelvoudige raadkamer enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:






[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. E.M.C. van Nielen;

[adres] ,



hierna te noemen: veroordeelde.




Procedure
Het bezwaarschrift is op 27 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.


De rechtbank heeft op 13 mei 2026 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.



De rechtbank heeft veroordeelde, zijn advocaat, mr. E.M.C. van Nielen, en de officier van justitie, mr. S.M. Hoogerheide, in raadkamer gehoord.




Bezwaar
Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde.


Veroordeelde stelt dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde.



Door veroordeelde is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.
Mijn ouders en ik vinden het geen prettig idee dat mijn DNA wordt opgeslagen. Ik weet niet precies wat ermee gebeurt.



Namens veroordeelde is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.
Cliënt was minderjarig en uitgangspunt is dan dat bij een taakstraf tot 40 uren het DNA-profiel van de minderjarige niet wordt verwerkt. Aan cliënt is conform de LOVS-oriëntatiepunten voor de openlijke gewelding een taakstraf van 40 uren opgelegd en voor de belediging een geheel voorwaardelijke taakstraf van 20 uren. De coulanceregeling voor minderjarigen wordt daarmee met slechts 1 uur overschreden. Het is disproportioneel om het DNA-profiel van cliënt op te nemen in de databank. Het feit dat cliënt na de veroordeling een strafbeschikking heeft opgelegd gekregen, maakt dit niet anders. Hierbij was sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarbij door het slachtoffer olie op de groep waar cliënt onderdeel van was is gegooid en waarop door hen is gereageerd. Er is een zeer geringe taakstraf aan cliënt opgelegd.




Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA.



Beoordeling

Bij vonnis van 24 november 2025 is veroordeelde door de kinderrechter in deze rechtbank veroordeeld ter zake van openlijke geweldpleging en belediging van een ambtenaar.
De rechtbank is bevoegd.



Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. Veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.



Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv.
De rechtbank stelt vast dat het misdrijf (openlijke geweldpleging) waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet.



De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde.



Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing vervolging en berechting van strafbare feiten. Dit is niet het geval bij het door veroordeelde gepleegde misdrijf.



De maatstaf 'bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd' hangt samen
met de persoon van veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan. Hieraan kan worden toegevoegd dat, hoewel in de Wet geen onderscheid wordt gemaakt tussen meerderjarigen en minderjarigen, de rechter bij zijn oordeel of sprake is van ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ de omstandigheid dat veroordeelde ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was moet betrekken. Of, en in welke mate bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Een relevante factor in dit verband kan allereerst zijn of de gevolgen van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel evident disproportioneel zijn, gelet op de omstandigheid dat het feit is begaan toen de veroordeelde minderjarig was. Daarnaast kan de rechter betrekken of, mede gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en de leeftijd van veroordeelde ten tijde van het misdrijf, sprake is van een gering recidivegevaar. Daarvoor kan ook van belang zijn of aanwijzingen bestaan voor eerder gepleegde relevante misdrijven (Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626).



Hetgeen namens veroordeelde is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een uitzonderingssituatie. Hoewel veroordeelde ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was en dit door de rechter als omstandigheid dient te worden betrokken, kan niet worden gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde. Door de rechtbank is aan veroordeelde ter zake van openlijke geweldpleging en belediging van een ambtenaar een taakstraf opgelegd voor de duur van 60 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij is veroordeelde na deze veroordeling wederom veroordeeld voor een geweldsfeit. Derhalve kan niet worden gesproken van een gering recidivegevaar.



Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie en dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.




Beslissing
De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.




Deze beslissing is gegeven door
mr. R.A. Overbosch, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.








































Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.