Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:5144
2026-05-22
Civiel recht; Europees civiel recht
11890133 \ CV EXPL 25-12974
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Niet-gecontracteerde zorgverlener, niet-transparant prijsbeding, dus toetsen op eerlijkheid. Prijsbeding is eerlijk. Schuldenaar niet in verzuim toen zij veertiendagenbrief ontving; buitengerechtelijke incassokosten niet toewijsbaar.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.082 tekens)
RECHTBANK
AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11890133 \ CV EXPL 25-12974
Vonnis van 22 mei 2026
in de zaak van
STICHTING ACIBADEM INTERNATIONAL MEDICAL CENTER,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Acibadem,
gemachtigde: mr. G.J.C. Rooijmans-Schakenraad (CollectiveBMK Incasso),
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- het tussenvonnis van 30 oktober 2025
- akte overlegging productie van 8 januari 2026
- het proces-verbaal van mondeling antwoord van 8 januari 2026 met daaraan gehecht een handgeschreven, ongedateerd en ongetekend, verweer- het instructievonnis van 22 januari 2026 en de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 17 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De zaak is besproken tijdens de mondelinge behandeling van 17 april 2026. Namens Acibadem was de gemachtigde aanwezig. Gedaagde is, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt die in het dossier zijn gevoegd. De gemachtigde van Acibadem heeft desgevraagd kenbaar gemaakt dat zij het handgeschreven (ongetekende en ongedateerde) verweer van [gedaagde] niet had ontvangen. Na korte bestudering ter zitting heeft de gemachtigde gemeld geen kopie nodig te hebben, ook omdat het verweer bijna hetzelfde is als het proces-verbaal van mondeling antwoord waarvan zij wel een kopie had ontvangen. Er is vervolgens om een vonnis gevraagd en hiervoor is een datum bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde] heeft op 1 en 6 februari 2024 een medische behandeling ondergaan bij Acibadem.
2.2.
Acibadem heeft haar vordering op [gedaagde] overgedragen aan Infomedics B.V. Voor de medische behandeling heeft Infomedics op 10 mei 2024 een factuur aan [gedaagde] gestuurd van € 734,00. Infomedics B.V. heeft [gedaagde] per e-mail van 22 december 2025 bericht dat de vordering met ingang van 28 oktober 2024 weer aan Acibadem was overgedragen.
2.3.
Bij zowel de afspraakbevestiging als de factuur is een betaalinstructie gestuurd. Hierin staat, kort gezegd, dat de factuur bij de zorgverzekeraar moet worden ingediend. De door de zorgverzekeraar uitgekeerde vergoeding, vermeerderd met eventueel verrekend eigen risico, moet vervolgens aan Acibadem worden betaald. Het door de zorgverzekeraar niet vergoede deel wordt dan door Acibadem kwijtgescholden, zodat nooit méér hoeft te worden betaald dan het eigen risico.
2.4.
[gedaagde] heeft geen betaling aan Acibadem (of Infomedics B.V.) gedaan.
3Het geschil
3.1.
Acibadem vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 734,00 aan hoofdsom, vermeerderd met € 133,22 aan buitengerechtelijke kosten (inclusief btw) en daarnaast met wettelijke rente en de proceskosten.
3.2.
Acibadem stelt dat [gedaagde] een medische behandeling heeft ondergaan, maar de daarvoor opgemaakte factuur niet heeft betaald. Acibadem stelt daarnaast dat [gedaagde] in verzuim is en dat [gedaagde] een aanmaning heeft ontvangen zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW.
3.3.
[gedaagde] voert aan dat zij de factuur wil betalen maar voor vergoeding door haar zorgverzekeraar een per post gestuurd, origineel exemplaar nodig heeft omdat zij de digitaal beschikbare factuur niet kan downloaden.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Ambtshalve toetsing
4.1.
De geneeskundige behandelovereenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt, is gesloten tussen Acibadem als handelaar en [gedaagde] als consument. In dat geval moet ambtshalve, dus ook als dat door partijen niet aan de orde is gesteld en/of de vordering is erkend, worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht.
4.2.
Ambtshalve toetsing van informatieplichten is hier niet aan de orde, omdat een geneeskundige behandelovereenkomst op grond van artikel 6:230h lid 2 sub d van het Burgerlijk Wetboek (BW) is uitgezonderd van toetsing.
4.3.
Wel dient het prijsbeding ambtshalve getoetst te worden aan de Richtlijn oneerlijke bedingen 93/13/EEG (hierna: de richtlijn). Ingevolge artikel 4 lid 2 van deze richtlijn zijn echter kernbedingen (zoals het prijsbeding) uitgesloten van toetsing op oneerlijkheid mits deze transparant zijn.
Transparantie
4.4.
Acibadem heeft in de processtukken en ter zitting haar werkwijze toegelicht. Zoals verplicht is gesteld door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft zij op haar website de tarieven voor de verschillende behandelingen per behandeling/NZa code gepubliceerd (de zogenaamde passantentarieven). Bij een niet-gecontracteerde verzekeraar brengt Acibadem het gepubliceerde passantentarief bij de patiënt in rekening. Deze rekening moet de patiënt zelf indienen bij zijn zorgverzekeraar.
4.5.
Uit de stellingen en overgelegde stukken van Acibadem wordt geconcludeerd dat Acibadem voorafgaand aan de behandeling geen informatie heeft gegeven over de daadwerkelijke prijs van de behandeling. Weliswaar staan de passantentarieven gepubliceerd op de website, maar gesteld noch gebleken is dat Acibadem vóór de behandeling verwijst naar de door haar op haar website gepubliceerde passantentarieven. Bovendien informeert Acibadem de patiënt niet over de NZa-code van zijn behandeling, waardoor het voor de patiënt ondoenlijk is om het toepasselijke tarief in die lijst te vinden. Daarbij geldt dat vaak pas gedurende of na de behandeling precies wordt vastgesteld welke NZa-codes in rekening worden gebracht. Sterker, uit de toelichting van Acibadem volgt dat de prijs die betaald wordt voor gecontracteerde zorg altijd lager is dan het passantentarief en de uiteindelijke prijs voor niet-gecontracteerde zorg afhankelijk is van het bedrag dat de verzekeraar achteraf vergoedt. In dat laatste geval staat de prijs die Acibadem uiteindelijk in rekening brengt, voorafgaand aan de behandeling dus nog niet vast. Conclusie is dan ook dat het prijsbeding niet transparant is en getoetst moet worden op oneerlijkheid.
(On)eerlijkheid
4.6.
Volgens artikel 3, lid 1 van de richtlijn wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.
4.7.
Acibadem heeft voldoende gesteld dat zij bij niet-gecontracteerde zorg de prijs voor de behandeling achteraf aanpast aan de vergoeding die de zorgverzekeraar voor de behandeling aan de patiënt betaalt (door kwijtschelding van het meerdere). Voorwaarde daarvoor is wel dat de patiënt zijn factuur indient bij de zorgverzekeraar en de specificatie daarvan aan Acibadem stuurt. In dat geval is de patiënt alleen de van de verzekeraar ontvangen vergoeding aan Acibadem verschuldigd, eventueel nog vermeerderd met het verrekende eigen risico. Onbetwist is gebleven dat zij deze wijze van factureren voorafgaande aan de behandeling op haar website en bij de afspraakbevestiging heeft vermeld. [gedaagde] is op de hoogte van de werkwijze van Acibadem, zoals door haar bij antwoord toegelicht.
4.8.
Het evenwicht tussen partijen is, ondanks de intransparantie over de precies te betalen prijs, niet in strijd met de goede trouw aanzienlijk verstoord. Zowel bij contractuele als bij niet-contractuele zorg brengt Acibadem bij de patiënt (uiteindelijk) immers alleen de prijs in rekening die door de verzekeraar aan de patiënt wordt vergoed, zodat een verzekerde patiënt zelf ten hoogste het eigen risico moet betalen. Dat bij niet-gecontracteerde zorg het bedrag aan eigen risico, zoals in het onderhavige geval, betaald moet worden aan Acibadem in plaats van aan de zorgverzekeraar, maakt het voorstaande niet anders.
4.9.
Acibadem heeft ter zitting bevestigd dat zodra [gedaagde] de van haar zorgverzekeraar ontvangen specificatie met betrekking tot de factuur overeenkomstig de instructies aan Acibadem toestuurt én het door de zorgverzekeraar vergoede bedrag (eventueel vermeerderd met eigen risico) aan Acibadem is betaald, Acibadem het meerdere van het factuurbedrag alsnog zal kwijtschelden en (zo nodig) zal terugbetalen. Hieraan is geen vervaltermijn verbonden.
4.10.
Op grond van het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat het prijsbeding niet oneerlijk is volgens de richtlijn.
Opeisbaarheid
4.11.
Acibadem stelt dat zij haar verbintenis om medische behandelingen uit te voeren en daarvoor een gespecificeerde factuur te sturen is nagekomen en dat [gedaagde] haar verbintenis tot betaling van de factuur moet nakomen omdat deze opeisbaar is. [gedaagde] voert aan dat zij -om een vergoeding van haar zorgverzekeraar te kunnen ontvangen - een per post gestuurd, origineel exemplaar van de factuur nodig heeft. De kantonrechter leidt daaruit af dat [gedaagde] tevens bedoelt dat zij de factuur van Acibadem pas verschuldigd is als de factuur bij de zorgverzekeraar is ingediend en vergoed. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in dat verweer en licht dat als volgt toe.
4.12.
Bij een niet-gecontracteerde verzekeraar brengt Acibadem het gepubliceerde passantentarief bij de patiënt in rekening. Acibadem past de prijs voor de behandeling aan tot de vergoeding die de zorgverzekeraar voor de behandeling aan de patiënt betaalt door kwijtschelding van het meerdere. Voorwaarde daarvoor is dat de patiënt de factuur indient bij de zorgverzekeraar en de specificatie daarvan aan Acibadem stuurt. De verbintenis van de patiënt tot betaling (en het vorderingsrecht van Acibadem) heeft in beginsel betrekking op de prijs voor de medische behandeling op basis van de passantentarieven zoals vermeld op de factuur. Uit het feit dat Acibadem achteraf, onder voorwaarden, een deel van het factuurbedrag kwijtscheldt, kan niet worden afgeleid dat de betalingsverbintenis van de patiënt slechts betrekking heeft op de prijs inclusief het kwijtgescholden gedeelte. Uit artikel 6:38 BW vloeit voort dat Acibadem na ontvangst van de factuur nakoming van de betalingsverbintenis door [gedaagde] kan vorderen.
4.13.
Acibadem heeft ter zitting onbetwist gesteld dat zorgverzekeraars genoegen nemen met een digitaal verstrekte factuur en zij heeft betwist dat een per post verzonden, “origineel” en/of hardcopy exemplaar nodig is om vergoeding van de zorgverzekeraar te ontvangen. Acibadem heeft bovendien aangevoerd dat zij patiënten - als zij moeite hebben met het indienen van een (digitaal verstrekte) factuur bij hun zorgverzekeraar - op hun verzoek daarbij ondersteunt.
4.14.
Acibadem heeft onbetwist gesteld dat de factuur door Infomedics digitaal aan [gedaagde] is verstrekt en dat de gemachtigde van Acibadem, toen [gedaagde] daarom telefonisch had verzocht, de factuur nogmaals heeft verstrekt per e-mail van 21 januari 2025. Acibadem heeft toegelicht dat zij facturen in beginsel digitaal aan patiënten verstrekt en pas een factuur per post stuurt indien een patiënt daarom verzoekt. Acibadem heeft aangevoerd dat [gedaagde] niet eerder dan bij antwoord in de onderhavige procedure om toezending per post heeft verzocht. Acibadem heeft ook aangevoerd dat zij per e-mail met [gedaagde] heeft gecommuniceerd en zij er daarom vanuit mocht gaan dat [gedaagde] beschikt over de middelen voor digitale communicatie. Bovendien is de dagvaarding aan [gedaagde] betekend inclusief de aangehechte producties zoals volgt uit het exploot van 15 september 2025. Productie 2 bij de dagvaarding is de factuur die [gedaagde] zegt nodig te hebben. [gedaagde] heeft deze dus ook op 15 september 2025 ontvangen zodat zij niet meer bij antwoord van 8 januari 2026 het standpunt kon innemen dat zij niet beschikte over een aan haar overhandigd, hardcopy, exemplaar van de factuur.
4.15.
Denkbaar is dat de vordering tot betaling van de factuur door Acibadem niet toewijsbaar is als Acibadem de patiënt niet in staat stelt een vergoeding bij de zorgverzekeraar te claimen en gedeeltelijke kwijtschelding van de factuur door Acibadem te bewerkstelligen. Daarvan is geen echter geen sprake geweest. De meeste patiënten hebben volgens Acibadem ook genoeg aan de termijn van 30 dagen die in de factuur wordt gegeven om, na verstrekking van de factuur aan hun verzekeraar, van hun verzekeraar uitsluitsel te krijgen over welk bedrag vergoed wordt en welk bedrag aan eigen risico verschuldigd is. Zodra deze informatie van de verzekeraar door de patiënt aan Acibadem is verstrekt, wordt het oorspronkelijke factuurbedrag verminderd en is slechts het door de verzekeraar vergoede gedeelte opeisbaar, vermeerderd met een eventueel door de patiënt te betalen eigen risico. [gedaagde] heeft niet gesteld dat zij de bedoelde informatie van haar verzekeraar heeft ontvangen en aan Acibadem heeft verstrekt. Onder die omstandigheden stelt Acibadem zich terecht op het standpunt dat het volledige passanten tarief voor de behandeling(en) opeisbaar is.
4.16.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het factuurbedrag van € 734,00 opeisbaar is en [gedaagde] dit bedrag moet betalen.
Incassokosten en wettelijke rente
4.17.
Acibadem vordert naast de hoofdsom van € 734,00 ook betaling van een bedrag van € 110,10 voor buitengerechtelijke incassokosten en € 23,12 voor daarover verschuldigde btw. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Op grond van artikel 6:96 lid 6 BW is vereist dat [gedaagde] in verzuim verkeerde toen op 19 februari 2025 de aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW (hierna: veertiendagenbrief) werd verstuurd.
4.18.
Acibadem stelt dat op de factuur van Infomedics is vermeld dat verzuim zonder nadere ingebrekestelling intreedt als betaling niet plaatsvindt binnen de vervaltermijn van 30 dagen die zou verstrijken op 9 juni 2024. Dit betreft echter algemene informatie voor alle facturen die Infomedics stuurt terwijl in dit geval een bijzondere regeling geldt. In het “declaratie stappenplan” dat als bijlage bij de factuur is gevoegd, staat bij stap 1 (ontvangst van de factuur via Infomedics): “Let op: bij deze stap hoeft u de factuur nog niet te betalen!”. Uit het stappenplan blijkt verder dat de patiënt de factuur direct bij de zorgverzekeraar moet indienen, het vergoede deel en eventueel eigen risico moet betalen en het declaratieoverzicht aan Acibadem moet sturen. Acibadem stelt dat het mogelijk is om alle stappen binnen 30 dagen af te ronden, maar erkent dat niet in het stappenplan is vermeld dat de patiënt het stappenplan binnen 30 dagen moet hebben afgerond om niet in verzuim te komen.
4.19.
Namens Acibadem zijn op 4, 12 en 28 november 2024 en op 12 december 2024 sommaties gestuurd aan [gedaagde], maar deze sommaties hebben betrekking op een bedrag inclusief incassokosten en wettelijke rente zonder dat gemotiveerd is gesteld dat [gedaagde] deze bijkomende kosten toen reeds verschuldigd was. De termijn voor betaling die in deze sommaties is gegeven zag op het bedrag inclusief bijkomende kosten. Het is daardoor niet duidelijk dat [gedaagde] aan haar verplichting tot betaling zou voldoen als zij slechts het oorspronkelijke factuurbedrag (zonder bijkomende kosten) zou betalen. Deze sommaties gelden daarom niet als schriftelijke aanmaning zoals bedoeld in artikel 6:82 lid 1 BW. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat partijen een voor betaling geldende fatale termijn zijn overeengekomen zoals bedoeld in artikel 6:83 sub a BW. [gedaagde] is na ontvangst van de factuur en de sommaties niet in verzuim geraakt met het betalen van de factuur.
4.20.
Gelet op het voorgaande is niet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW voldaan omdat geen sprake was van verzuim voordat namens Acibadem op 19 februari 2025 de veertiendagenbrief werd gestuurd. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal daarom worden afgewezen.
4.21.
Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente geldt eveneens dat verzuim is vereist (zie artikel 6:119 lid 1 BW). In de veertiendagenbrief van 19 februari 2025 is een redelijke termijn van 15 dagen gegeven voor nakoming, zodat [gedaagde] na het verstrijken van die termijn (en dus op 6 maart 2025) in verzuim is geraakt. De wettelijke rente zal dus vanaf die datum worden toegewezen.
Proceskosten
4.22.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Acibadem worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
340,00
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
846,14
4.23.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Acibadem te betalen een bedrag van € 734,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag te rekenen vanaf 6 maart 2025,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 846,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Veldman en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
67982
AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11890133 \ CV EXPL 25-12974
Vonnis van 22 mei 2026
in de zaak van
STICHTING ACIBADEM INTERNATIONAL MEDICAL CENTER,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Acibadem,
gemachtigde: mr. G.J.C. Rooijmans-Schakenraad (CollectiveBMK Incasso),
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- het tussenvonnis van 30 oktober 2025
- akte overlegging productie van 8 januari 2026
- het proces-verbaal van mondeling antwoord van 8 januari 2026 met daaraan gehecht een handgeschreven, ongedateerd en ongetekend, verweer- het instructievonnis van 22 januari 2026 en de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 17 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De zaak is besproken tijdens de mondelinge behandeling van 17 april 2026. Namens Acibadem was de gemachtigde aanwezig. Gedaagde is, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt die in het dossier zijn gevoegd. De gemachtigde van Acibadem heeft desgevraagd kenbaar gemaakt dat zij het handgeschreven (ongetekende en ongedateerde) verweer van [gedaagde] niet had ontvangen. Na korte bestudering ter zitting heeft de gemachtigde gemeld geen kopie nodig te hebben, ook omdat het verweer bijna hetzelfde is als het proces-verbaal van mondeling antwoord waarvan zij wel een kopie had ontvangen. Er is vervolgens om een vonnis gevraagd en hiervoor is een datum bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde] heeft op 1 en 6 februari 2024 een medische behandeling ondergaan bij Acibadem.
2.2.
Acibadem heeft haar vordering op [gedaagde] overgedragen aan Infomedics B.V. Voor de medische behandeling heeft Infomedics op 10 mei 2024 een factuur aan [gedaagde] gestuurd van € 734,00. Infomedics B.V. heeft [gedaagde] per e-mail van 22 december 2025 bericht dat de vordering met ingang van 28 oktober 2024 weer aan Acibadem was overgedragen.
2.3.
Bij zowel de afspraakbevestiging als de factuur is een betaalinstructie gestuurd. Hierin staat, kort gezegd, dat de factuur bij de zorgverzekeraar moet worden ingediend. De door de zorgverzekeraar uitgekeerde vergoeding, vermeerderd met eventueel verrekend eigen risico, moet vervolgens aan Acibadem worden betaald. Het door de zorgverzekeraar niet vergoede deel wordt dan door Acibadem kwijtgescholden, zodat nooit méér hoeft te worden betaald dan het eigen risico.
2.4.
[gedaagde] heeft geen betaling aan Acibadem (of Infomedics B.V.) gedaan.
3Het geschil
3.1.
Acibadem vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 734,00 aan hoofdsom, vermeerderd met € 133,22 aan buitengerechtelijke kosten (inclusief btw) en daarnaast met wettelijke rente en de proceskosten.
3.2.
Acibadem stelt dat [gedaagde] een medische behandeling heeft ondergaan, maar de daarvoor opgemaakte factuur niet heeft betaald. Acibadem stelt daarnaast dat [gedaagde] in verzuim is en dat [gedaagde] een aanmaning heeft ontvangen zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW.
3.3.
[gedaagde] voert aan dat zij de factuur wil betalen maar voor vergoeding door haar zorgverzekeraar een per post gestuurd, origineel exemplaar nodig heeft omdat zij de digitaal beschikbare factuur niet kan downloaden.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Ambtshalve toetsing
4.1.
De geneeskundige behandelovereenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt, is gesloten tussen Acibadem als handelaar en [gedaagde] als consument. In dat geval moet ambtshalve, dus ook als dat door partijen niet aan de orde is gesteld en/of de vordering is erkend, worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht.
4.2.
Ambtshalve toetsing van informatieplichten is hier niet aan de orde, omdat een geneeskundige behandelovereenkomst op grond van artikel 6:230h lid 2 sub d van het Burgerlijk Wetboek (BW) is uitgezonderd van toetsing.
4.3.
Wel dient het prijsbeding ambtshalve getoetst te worden aan de Richtlijn oneerlijke bedingen 93/13/EEG (hierna: de richtlijn). Ingevolge artikel 4 lid 2 van deze richtlijn zijn echter kernbedingen (zoals het prijsbeding) uitgesloten van toetsing op oneerlijkheid mits deze transparant zijn.
Transparantie
4.4.
Acibadem heeft in de processtukken en ter zitting haar werkwijze toegelicht. Zoals verplicht is gesteld door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft zij op haar website de tarieven voor de verschillende behandelingen per behandeling/NZa code gepubliceerd (de zogenaamde passantentarieven). Bij een niet-gecontracteerde verzekeraar brengt Acibadem het gepubliceerde passantentarief bij de patiënt in rekening. Deze rekening moet de patiënt zelf indienen bij zijn zorgverzekeraar.
4.5.
Uit de stellingen en overgelegde stukken van Acibadem wordt geconcludeerd dat Acibadem voorafgaand aan de behandeling geen informatie heeft gegeven over de daadwerkelijke prijs van de behandeling. Weliswaar staan de passantentarieven gepubliceerd op de website, maar gesteld noch gebleken is dat Acibadem vóór de behandeling verwijst naar de door haar op haar website gepubliceerde passantentarieven. Bovendien informeert Acibadem de patiënt niet over de NZa-code van zijn behandeling, waardoor het voor de patiënt ondoenlijk is om het toepasselijke tarief in die lijst te vinden. Daarbij geldt dat vaak pas gedurende of na de behandeling precies wordt vastgesteld welke NZa-codes in rekening worden gebracht. Sterker, uit de toelichting van Acibadem volgt dat de prijs die betaald wordt voor gecontracteerde zorg altijd lager is dan het passantentarief en de uiteindelijke prijs voor niet-gecontracteerde zorg afhankelijk is van het bedrag dat de verzekeraar achteraf vergoedt. In dat laatste geval staat de prijs die Acibadem uiteindelijk in rekening brengt, voorafgaand aan de behandeling dus nog niet vast. Conclusie is dan ook dat het prijsbeding niet transparant is en getoetst moet worden op oneerlijkheid.
(On)eerlijkheid
4.6.
Volgens artikel 3, lid 1 van de richtlijn wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.
4.7.
Acibadem heeft voldoende gesteld dat zij bij niet-gecontracteerde zorg de prijs voor de behandeling achteraf aanpast aan de vergoeding die de zorgverzekeraar voor de behandeling aan de patiënt betaalt (door kwijtschelding van het meerdere). Voorwaarde daarvoor is wel dat de patiënt zijn factuur indient bij de zorgverzekeraar en de specificatie daarvan aan Acibadem stuurt. In dat geval is de patiënt alleen de van de verzekeraar ontvangen vergoeding aan Acibadem verschuldigd, eventueel nog vermeerderd met het verrekende eigen risico. Onbetwist is gebleven dat zij deze wijze van factureren voorafgaande aan de behandeling op haar website en bij de afspraakbevestiging heeft vermeld. [gedaagde] is op de hoogte van de werkwijze van Acibadem, zoals door haar bij antwoord toegelicht.
4.8.
Het evenwicht tussen partijen is, ondanks de intransparantie over de precies te betalen prijs, niet in strijd met de goede trouw aanzienlijk verstoord. Zowel bij contractuele als bij niet-contractuele zorg brengt Acibadem bij de patiënt (uiteindelijk) immers alleen de prijs in rekening die door de verzekeraar aan de patiënt wordt vergoed, zodat een verzekerde patiënt zelf ten hoogste het eigen risico moet betalen. Dat bij niet-gecontracteerde zorg het bedrag aan eigen risico, zoals in het onderhavige geval, betaald moet worden aan Acibadem in plaats van aan de zorgverzekeraar, maakt het voorstaande niet anders.
4.9.
Acibadem heeft ter zitting bevestigd dat zodra [gedaagde] de van haar zorgverzekeraar ontvangen specificatie met betrekking tot de factuur overeenkomstig de instructies aan Acibadem toestuurt én het door de zorgverzekeraar vergoede bedrag (eventueel vermeerderd met eigen risico) aan Acibadem is betaald, Acibadem het meerdere van het factuurbedrag alsnog zal kwijtschelden en (zo nodig) zal terugbetalen. Hieraan is geen vervaltermijn verbonden.
4.10.
Op grond van het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat het prijsbeding niet oneerlijk is volgens de richtlijn.
Opeisbaarheid
4.11.
Acibadem stelt dat zij haar verbintenis om medische behandelingen uit te voeren en daarvoor een gespecificeerde factuur te sturen is nagekomen en dat [gedaagde] haar verbintenis tot betaling van de factuur moet nakomen omdat deze opeisbaar is. [gedaagde] voert aan dat zij -om een vergoeding van haar zorgverzekeraar te kunnen ontvangen - een per post gestuurd, origineel exemplaar van de factuur nodig heeft. De kantonrechter leidt daaruit af dat [gedaagde] tevens bedoelt dat zij de factuur van Acibadem pas verschuldigd is als de factuur bij de zorgverzekeraar is ingediend en vergoed. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in dat verweer en licht dat als volgt toe.
4.12.
Bij een niet-gecontracteerde verzekeraar brengt Acibadem het gepubliceerde passantentarief bij de patiënt in rekening. Acibadem past de prijs voor de behandeling aan tot de vergoeding die de zorgverzekeraar voor de behandeling aan de patiënt betaalt door kwijtschelding van het meerdere. Voorwaarde daarvoor is dat de patiënt de factuur indient bij de zorgverzekeraar en de specificatie daarvan aan Acibadem stuurt. De verbintenis van de patiënt tot betaling (en het vorderingsrecht van Acibadem) heeft in beginsel betrekking op de prijs voor de medische behandeling op basis van de passantentarieven zoals vermeld op de factuur. Uit het feit dat Acibadem achteraf, onder voorwaarden, een deel van het factuurbedrag kwijtscheldt, kan niet worden afgeleid dat de betalingsverbintenis van de patiënt slechts betrekking heeft op de prijs inclusief het kwijtgescholden gedeelte. Uit artikel 6:38 BW vloeit voort dat Acibadem na ontvangst van de factuur nakoming van de betalingsverbintenis door [gedaagde] kan vorderen.
4.13.
Acibadem heeft ter zitting onbetwist gesteld dat zorgverzekeraars genoegen nemen met een digitaal verstrekte factuur en zij heeft betwist dat een per post verzonden, “origineel” en/of hardcopy exemplaar nodig is om vergoeding van de zorgverzekeraar te ontvangen. Acibadem heeft bovendien aangevoerd dat zij patiënten - als zij moeite hebben met het indienen van een (digitaal verstrekte) factuur bij hun zorgverzekeraar - op hun verzoek daarbij ondersteunt.
4.14.
Acibadem heeft onbetwist gesteld dat de factuur door Infomedics digitaal aan [gedaagde] is verstrekt en dat de gemachtigde van Acibadem, toen [gedaagde] daarom telefonisch had verzocht, de factuur nogmaals heeft verstrekt per e-mail van 21 januari 2025. Acibadem heeft toegelicht dat zij facturen in beginsel digitaal aan patiënten verstrekt en pas een factuur per post stuurt indien een patiënt daarom verzoekt. Acibadem heeft aangevoerd dat [gedaagde] niet eerder dan bij antwoord in de onderhavige procedure om toezending per post heeft verzocht. Acibadem heeft ook aangevoerd dat zij per e-mail met [gedaagde] heeft gecommuniceerd en zij er daarom vanuit mocht gaan dat [gedaagde] beschikt over de middelen voor digitale communicatie. Bovendien is de dagvaarding aan [gedaagde] betekend inclusief de aangehechte producties zoals volgt uit het exploot van 15 september 2025. Productie 2 bij de dagvaarding is de factuur die [gedaagde] zegt nodig te hebben. [gedaagde] heeft deze dus ook op 15 september 2025 ontvangen zodat zij niet meer bij antwoord van 8 januari 2026 het standpunt kon innemen dat zij niet beschikte over een aan haar overhandigd, hardcopy, exemplaar van de factuur.
4.15.
Denkbaar is dat de vordering tot betaling van de factuur door Acibadem niet toewijsbaar is als Acibadem de patiënt niet in staat stelt een vergoeding bij de zorgverzekeraar te claimen en gedeeltelijke kwijtschelding van de factuur door Acibadem te bewerkstelligen. Daarvan is geen echter geen sprake geweest. De meeste patiënten hebben volgens Acibadem ook genoeg aan de termijn van 30 dagen die in de factuur wordt gegeven om, na verstrekking van de factuur aan hun verzekeraar, van hun verzekeraar uitsluitsel te krijgen over welk bedrag vergoed wordt en welk bedrag aan eigen risico verschuldigd is. Zodra deze informatie van de verzekeraar door de patiënt aan Acibadem is verstrekt, wordt het oorspronkelijke factuurbedrag verminderd en is slechts het door de verzekeraar vergoede gedeelte opeisbaar, vermeerderd met een eventueel door de patiënt te betalen eigen risico. [gedaagde] heeft niet gesteld dat zij de bedoelde informatie van haar verzekeraar heeft ontvangen en aan Acibadem heeft verstrekt. Onder die omstandigheden stelt Acibadem zich terecht op het standpunt dat het volledige passanten tarief voor de behandeling(en) opeisbaar is.
4.16.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het factuurbedrag van € 734,00 opeisbaar is en [gedaagde] dit bedrag moet betalen.
Incassokosten en wettelijke rente
4.17.
Acibadem vordert naast de hoofdsom van € 734,00 ook betaling van een bedrag van € 110,10 voor buitengerechtelijke incassokosten en € 23,12 voor daarover verschuldigde btw. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Op grond van artikel 6:96 lid 6 BW is vereist dat [gedaagde] in verzuim verkeerde toen op 19 februari 2025 de aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW (hierna: veertiendagenbrief) werd verstuurd.
4.18.
Acibadem stelt dat op de factuur van Infomedics is vermeld dat verzuim zonder nadere ingebrekestelling intreedt als betaling niet plaatsvindt binnen de vervaltermijn van 30 dagen die zou verstrijken op 9 juni 2024. Dit betreft echter algemene informatie voor alle facturen die Infomedics stuurt terwijl in dit geval een bijzondere regeling geldt. In het “declaratie stappenplan” dat als bijlage bij de factuur is gevoegd, staat bij stap 1 (ontvangst van de factuur via Infomedics): “Let op: bij deze stap hoeft u de factuur nog niet te betalen!”. Uit het stappenplan blijkt verder dat de patiënt de factuur direct bij de zorgverzekeraar moet indienen, het vergoede deel en eventueel eigen risico moet betalen en het declaratieoverzicht aan Acibadem moet sturen. Acibadem stelt dat het mogelijk is om alle stappen binnen 30 dagen af te ronden, maar erkent dat niet in het stappenplan is vermeld dat de patiënt het stappenplan binnen 30 dagen moet hebben afgerond om niet in verzuim te komen.
4.19.
Namens Acibadem zijn op 4, 12 en 28 november 2024 en op 12 december 2024 sommaties gestuurd aan [gedaagde], maar deze sommaties hebben betrekking op een bedrag inclusief incassokosten en wettelijke rente zonder dat gemotiveerd is gesteld dat [gedaagde] deze bijkomende kosten toen reeds verschuldigd was. De termijn voor betaling die in deze sommaties is gegeven zag op het bedrag inclusief bijkomende kosten. Het is daardoor niet duidelijk dat [gedaagde] aan haar verplichting tot betaling zou voldoen als zij slechts het oorspronkelijke factuurbedrag (zonder bijkomende kosten) zou betalen. Deze sommaties gelden daarom niet als schriftelijke aanmaning zoals bedoeld in artikel 6:82 lid 1 BW. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat partijen een voor betaling geldende fatale termijn zijn overeengekomen zoals bedoeld in artikel 6:83 sub a BW. [gedaagde] is na ontvangst van de factuur en de sommaties niet in verzuim geraakt met het betalen van de factuur.
4.20.
Gelet op het voorgaande is niet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW voldaan omdat geen sprake was van verzuim voordat namens Acibadem op 19 februari 2025 de veertiendagenbrief werd gestuurd. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal daarom worden afgewezen.
4.21.
Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente geldt eveneens dat verzuim is vereist (zie artikel 6:119 lid 1 BW). In de veertiendagenbrief van 19 februari 2025 is een redelijke termijn van 15 dagen gegeven voor nakoming, zodat [gedaagde] na het verstrijken van die termijn (en dus op 6 maart 2025) in verzuim is geraakt. De wettelijke rente zal dus vanaf die datum worden toegewezen.
Proceskosten
4.22.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Acibadem worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
340,00
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
846,14
4.23.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Acibadem te betalen een bedrag van € 734,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag te rekenen vanaf 6 maart 2025,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 846,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Veldman en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
67982