Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:4876
2026-05-06
Strafrecht; Europees strafrecht
13/033144-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vervolgings-EAB uit Polen. De ontvangen aanvullende informatie neemt het reeds - in de tussenuitspraak - vastgestelde individuele gevaar niet weg en levert geen wijziging van de omstandigheden op. De rechtbank geeft geen gevolg aan het EAB, verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering en heft de overleveringsdetentie op.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:3301 Rechtbank Amsterdam 02-04-2026
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:7259 Rechtbank Amsterdam 16-07-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (11.937 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-033144-26 (EAB II)
Datum uitspraak: 6 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 4 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 november 2025 door the Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Division, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De zitting van 26 februari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 26 februari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
Op deze zitting is gelijktijdig een EAB van eerdere datum met parketnummer 13-259988-25 (EAB I) ten aanzien van de opgeëiste persoon behandeld. De rechtbank heeft de behandeling van beide zaken aangehouden in afwachting van een terugkeergarantie in zowel EAB I als EAB II en een detentiegarantie in EAB II.
Tevens heeft de rechtbank ter zitting de gevangenneming in EAB II bevolen.
De zitting van 19 maart 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op deze zitting, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal.
Tussenuitspraak van 2 april 2026
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank onder meer vastgesteld dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) bestaat vanwege de detentieomstandigheden in de Remand Prison in Warsaw-Służewiec. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek heropend en geschorst en op basis van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen met 30 verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW met 30 dagen.
De zitting van 6 mei 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op deze zitting, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om bij de behandeling op zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. S. de Goede.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak van 2 april 2026
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de strafbaarheid van het feit (onder 4), de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (onder 5) en artikel 11 OLW voor zover het artikel 47 Handvest betreft (onder 6.1). Deze overwegingen van de rechtbank moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
4Poolse detentieomstandigheden
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6.2 van de tussenuitspraak van 2 april 2026, die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
De rechtbank heeft naar aanleiding van de door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie over de detentieomstandigheden in de Prison Service van de Remand Prison in Warsaw-Sluźewiec geoordeeld dat die informatie onvoldoende is om het algemene gevaar op schending van de grondrechten van gedetineerden in het remand regime in Polen weg te nemen. Op grond hiervan heeft de rechtbank vastgesteld dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan. De rechtbank heeft daarom de beslissing over de overlevering aangehouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW en een redelijke termijn van 30 dagen gesteld om af te wachten of een wijziging in de omstandigheden zal optreden. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat als binnen deze termijn zich geen gewijzigde omstandigheden voordoen, geen gevolg zal worden gegeven aan het EAB.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op
8 april 2026 aan de Poolse autoriteiten gevraagd om aanvullende informatie te verstrekken over de tijd die de opgeëiste persoon minimaal buiten zijn cel zou kunnen verblijven wanneer de overlevering wordt toegestaan.
Bij brief van 22 april 2026 heeft de Prosecutor of the Regional Prosecutor’s Office in Warsaw de volgende informatie verstrekt:
“In response to your questions of April 8, 2026 regarding the European Arrest Warrant for [de opgeëiste persoon] , issued on November 5, 2025, in case VIII Kop 263/25, I hereby inform you that as I indicated in my letter of February 27 that, the conditions of detention for [de opgeëiste persoon] at the Warsaw Służewiec Remand Center will be the same as those specified in the response regarding the European Arrest Warrant in case VIII Kop 37/24. I am sending you attached a letter from case VIII Kop 37/24 regarding these issues (…)”
Bij deze informatie is als bijlage een brief van 23 januari 2026 gevoegd waarin de Prosecutor of the Regional Prosecutor’s Office in Warsaw, voor zover relevant, de volgende informatie heeft verstrekt ten aanzien van de opgeëiste persoon:
“(…) [de opgeëiste persoon] , the suspect, as a person provisionally detained for the purpose of the preparatory proceedings case file no. 1001-10 5.Ds.34.2024, supervised by the Mazovian Division of the Department for Organised Crime and Corruption, will be remanded in custody in accordance with the regionalisation at the Warsaw- Służewiec Remand Centre in Warsaw. When placing persons in provisional detention, the administration of the remand centre takes into account the instructions of the authority to which they are assigned, with a view to ensuring the proper conduct of criminal proceedings and security in the detention centre.
Pursuant to Article 110(1) of the Executive Penal Code, convicts shall be placed in shared or single cells.
The living space per convict in a cell shall be no less than 3 m2. The cell shall be equipped with appropriate accommodation facilities providing the convict with a separate place to sleep. The cell shall provide adequate hygiene conditions, sufficient air supply and temperature appropriate to the season, as well as lighting in accordance with the standards specified for living quarters (Article 110(2) of the Executive Penal Code).
Pursuant to Article 112 of the Executive Penal Code inmates shall have the right to rest necessary for their health, in particular to at least one hour of walking and 8 hours of sleep per day.
How inmates spend their free time depends on the individual. During their free time, they can enjoy cultural, educational and sports facilities and activities, radio, television, books and newspapers, as stipulated in Article 135 of the Executive Penal Code. However, it should be noted that the scope of this right depends on the type of remand centre in which the inmate is held, and that the above rights must not violate the discipline and order in force in the remand centre. (…)”
Standpunten van de raadsman en de officier van justitie
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW.
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zich binnen de in de tussenuitspraak gestelde redelijke termijn een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het individuele reële gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten.
De rechtbank is van oordeel dat de hierboven weergegeven door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie daartoe onvoldoende aanknopingspunten biedt. De rechtbank kan op basis van de aanvullende informatie die na de tussenuitspraak is verstrekt namelijk nog altijd niet vaststellen hoeveel uur per dag de opgeëiste persoon mimimaal buiten de cel zal kunnen verblijven in de Remand Prison in Warsaw-Służewiec. In die informatie is voor de opgeëiste persoon alleen gegarandeerd dat hij één uur per dag kan wandelen. Niet duidelijk is geworden hoe vaak de opgeëiste persoon kan deelnemen aan overige activiteiten en hoe lang deze activiteiten duren.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat voornoemde aanvullende informatie niet heeft geleid tot een wijziging in de omstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW, terwijl de redelijke termijn in de zin van artikel 11, vierde lid, OLW inmiddels is verstreken. Het individuele gevaar is voor de opgeëiste persoon nog steeds niet weggenomen.
5Slotsom
De rechtbank zal geen gevolg geven aan het EAB, gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW, en zal op grond van artikel 11, vierde lid, in verbinding met artikel 28, derde lid, OLW de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Daarmee is de overleveringsprocedure beëindigd.
6Toepasselijke wetsartikelen
Artikel 11 OLW.
7Beslissing
GEEFT geen gevolg aan het EAB.
VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OP de overleveringsdetentie.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2026:3301.
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-033144-26 (EAB II)
Datum uitspraak: 6 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 4 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 november 2025 door the Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Division, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De zitting van 26 februari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 26 februari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
Op deze zitting is gelijktijdig een EAB van eerdere datum met parketnummer 13-259988-25 (EAB I) ten aanzien van de opgeëiste persoon behandeld. De rechtbank heeft de behandeling van beide zaken aangehouden in afwachting van een terugkeergarantie in zowel EAB I als EAB II en een detentiegarantie in EAB II.
Tevens heeft de rechtbank ter zitting de gevangenneming in EAB II bevolen.
De zitting van 19 maart 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op deze zitting, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal.
Tussenuitspraak van 2 april 2026
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank onder meer vastgesteld dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) bestaat vanwege de detentieomstandigheden in de Remand Prison in Warsaw-Służewiec. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek heropend en geschorst en op basis van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen met 30 verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW met 30 dagen.
De zitting van 6 mei 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op deze zitting, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om bij de behandeling op zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. S. de Goede.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak van 2 april 2026
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de strafbaarheid van het feit (onder 4), de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (onder 5) en artikel 11 OLW voor zover het artikel 47 Handvest betreft (onder 6.1). Deze overwegingen van de rechtbank moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
4Poolse detentieomstandigheden
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6.2 van de tussenuitspraak van 2 april 2026, die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
De rechtbank heeft naar aanleiding van de door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie over de detentieomstandigheden in de Prison Service van de Remand Prison in Warsaw-Sluźewiec geoordeeld dat die informatie onvoldoende is om het algemene gevaar op schending van de grondrechten van gedetineerden in het remand regime in Polen weg te nemen. Op grond hiervan heeft de rechtbank vastgesteld dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan. De rechtbank heeft daarom de beslissing over de overlevering aangehouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW en een redelijke termijn van 30 dagen gesteld om af te wachten of een wijziging in de omstandigheden zal optreden. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat als binnen deze termijn zich geen gewijzigde omstandigheden voordoen, geen gevolg zal worden gegeven aan het EAB.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op
8 april 2026 aan de Poolse autoriteiten gevraagd om aanvullende informatie te verstrekken over de tijd die de opgeëiste persoon minimaal buiten zijn cel zou kunnen verblijven wanneer de overlevering wordt toegestaan.
Bij brief van 22 april 2026 heeft de Prosecutor of the Regional Prosecutor’s Office in Warsaw de volgende informatie verstrekt:
“In response to your questions of April 8, 2026 regarding the European Arrest Warrant for [de opgeëiste persoon] , issued on November 5, 2025, in case VIII Kop 263/25, I hereby inform you that as I indicated in my letter of February 27 that, the conditions of detention for [de opgeëiste persoon] at the Warsaw Służewiec Remand Center will be the same as those specified in the response regarding the European Arrest Warrant in case VIII Kop 37/24. I am sending you attached a letter from case VIII Kop 37/24 regarding these issues (…)”
Bij deze informatie is als bijlage een brief van 23 januari 2026 gevoegd waarin de Prosecutor of the Regional Prosecutor’s Office in Warsaw, voor zover relevant, de volgende informatie heeft verstrekt ten aanzien van de opgeëiste persoon:
“(…) [de opgeëiste persoon] , the suspect, as a person provisionally detained for the purpose of the preparatory proceedings case file no. 1001-10 5.Ds.34.2024, supervised by the Mazovian Division of the Department for Organised Crime and Corruption, will be remanded in custody in accordance with the regionalisation at the Warsaw- Służewiec Remand Centre in Warsaw. When placing persons in provisional detention, the administration of the remand centre takes into account the instructions of the authority to which they are assigned, with a view to ensuring the proper conduct of criminal proceedings and security in the detention centre.
Pursuant to Article 110(1) of the Executive Penal Code, convicts shall be placed in shared or single cells.
The living space per convict in a cell shall be no less than 3 m2. The cell shall be equipped with appropriate accommodation facilities providing the convict with a separate place to sleep. The cell shall provide adequate hygiene conditions, sufficient air supply and temperature appropriate to the season, as well as lighting in accordance with the standards specified for living quarters (Article 110(2) of the Executive Penal Code).
Pursuant to Article 112 of the Executive Penal Code inmates shall have the right to rest necessary for their health, in particular to at least one hour of walking and 8 hours of sleep per day.
How inmates spend their free time depends on the individual. During their free time, they can enjoy cultural, educational and sports facilities and activities, radio, television, books and newspapers, as stipulated in Article 135 of the Executive Penal Code. However, it should be noted that the scope of this right depends on the type of remand centre in which the inmate is held, and that the above rights must not violate the discipline and order in force in the remand centre. (…)”
Standpunten van de raadsman en de officier van justitie
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW.
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zich binnen de in de tussenuitspraak gestelde redelijke termijn een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het individuele reële gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten.
De rechtbank is van oordeel dat de hierboven weergegeven door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie daartoe onvoldoende aanknopingspunten biedt. De rechtbank kan op basis van de aanvullende informatie die na de tussenuitspraak is verstrekt namelijk nog altijd niet vaststellen hoeveel uur per dag de opgeëiste persoon mimimaal buiten de cel zal kunnen verblijven in de Remand Prison in Warsaw-Służewiec. In die informatie is voor de opgeëiste persoon alleen gegarandeerd dat hij één uur per dag kan wandelen. Niet duidelijk is geworden hoe vaak de opgeëiste persoon kan deelnemen aan overige activiteiten en hoe lang deze activiteiten duren.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat voornoemde aanvullende informatie niet heeft geleid tot een wijziging in de omstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW, terwijl de redelijke termijn in de zin van artikel 11, vierde lid, OLW inmiddels is verstreken. Het individuele gevaar is voor de opgeëiste persoon nog steeds niet weggenomen.
5Slotsom
De rechtbank zal geen gevolg geven aan het EAB, gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW, en zal op grond van artikel 11, vierde lid, in verbinding met artikel 28, derde lid, OLW de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Daarmee is de overleveringsprocedure beëindigd.
6Toepasselijke wetsartikelen
Artikel 11 OLW.
7Beslissing
GEEFT geen gevolg aan het EAB.
VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OP de overleveringsdetentie.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2026:3301.