Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:4865
2026-04-23
Civiel recht; Verbintenissenrecht
11374567 \ CV EXPL 24-13710
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Warmtelevering. Nader uitlaten over hoe is voldaan aan de informatieplichten voortvloeiend uit de Warmtewet. Tarievenblad overleggen. Uitlaten over transparantie en (on)eerlijkheid prijsbeding. Uitlaten over incassokostenbeding dat als oneerlijk is aangemerkt.
Citeert (3)
- ECLI:EU:C:2021:68
- ECLI:EU:C:2022:971
- ECLI:NL:HR:2023:198 Hoge Raad 10-02-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.889 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11374567 \ CV EXPL 24-13710
Vonnis van 23 april 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SVP DISTRIBUTIE & LEVERING B.V.,
gevestigd te Purmerend,
eisende partij,
hierna te noemen: SVP,
gemachtigde: Dw [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 oktober 2024, met producties,
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De beoordeling
2.1.
SVP vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 414,60 aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente, € 40,00 aan incassokosten en proceskosten.
2.2.
SVP stelt dat tussen partijen een overeenkomst bestaat met betrekking tot levering van warmte op het adres [adres] . [gedaagde] is eigenaar van deze woning. [gedaagde] heeft twee maandtermijnen niet betaald, namelijk die van juli 2024 en augustus 2024. Dat [gedaagde] andere termijnen wel heeft betaald, toont aan dat de [gedaagde] de overeenkomst tussen partijen – die voor SVP niet meer is te produceren – erkent. Op de leveringsovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.3.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.4.
De warmtelevering door SVP wordt beheerst door de Warmtewet. De informatieplichten waaraan SVP als warmteleverancier moet voldoen staan in Afdeling 2b, Titel 5 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en in artikel 3 van de Warmtewet. Onderdeel van die informatieplichten is volgens artikel 3 van de Warmtewet de informatie genoemd in de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v BW. In artikel 3 lid 1 van de Warmtewet is bepaald dat de gegevens genoemd in artikel 6:230m lid 1 BW en de informatie genoemd in artikel 3 lid 1 sub a t/m c van de Warmtewet door de leverancier aan de gebruiker moeten worden verstrekt voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst.
2.5.
SVP stelt in de dagvaarding dat zij aan de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230v BW heeft voldaan en verwijst naar de overeenkomst tussen partijen en naar informatie op haar website. Die enkele stelling volstaat niet. De verwijzing naar de overeenkomst gaat niet op, nu SVP deze niet in het geding heeft gebracht (zie ook 2.2). Afgezien daarvan is niet gesteld wanneer de overeenkomst is gesloten, op welke wijze dat is gebeurd, hoe concreet is voldaan aan vorenbedoelde informatieplichten en waar de betreffende informatie is te vinden. Deze stellingen moeten worden onderbouwd.
Hierover dient SVP zich bij akte nader uit te laten.
2.6.
In de algemene voorwaarden wordt verwezen naar een tarievenblad, dat niet in het geding is gebracht. Dit tarievenblad maakt onderdeel uit van de overeenkomst. De kantonrechter dient over het tarievenblad te beschikken om de duidelijkheid en begrijpelijkheid (transparantie) van het prijsbeding te kunnen toetsen. SVP wordt daarom opgedragen het tarievenblad van zowel het moment van het sluiten van de overeenkomst als van het jaar 2024, waarop de vordering betrekking heeft, te overleggen. Daarbij dient SVP zich uit te laten over de transparantie en (on)eerlijkheid van het prijsbeding in de zin van de richtlijn. Als de tarieven zijn verhoogd, dient SVP het beding te noemen dat aan die verhoging ten grondslag ligt en een standpunt in te nemen over de (on)eerlijkheid van dat beding in de zin van de richtlijn.
2.7.
SVP stelt dat de overeenkomst met [gedaagde] niet meer is te produceren. In plaats daarvan wordt een (voorbeeld van een) soortgelijke overeenkomst verlangd, ook in verband met het toetsen van het prijsbeding. SVP wordt opgedragen deze te overleggen.
2.8.
SVP maakt aanspraak op een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Zij heeft in de algemene voorwaarden in artikel 17 een beding staan dat zij aan deze vordering ten grondslag kan leggen. Dat beding moet worden getoetst op oneerlijkheid. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter, ook als SVP zich in de procedure niet beroept op een bepaald beding in de overeenkomst, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
2.9.
Het beding in de algemene voorwaarden verwijst voor de hoogte van de ‘vergoeding voor redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte’ naar het tarievenblad. Op grond van dit beding kan SVP in het tarievenblad dus zelf bepalen welke kosten ter verkrijging buiten rechte zij redelijk acht. Het beding maakt het dan ook mogelijk af te wijken van de wettelijke regeling in artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, die beide van dwingend recht zijn. Dat maakt het beding oneerlijk (zie ECLI:NL:HR:2023:198), zodat de kantonrechter voornemens is het beding buiten toepassing te laten.
2.10.
Voordat de kantonrechter het beding buiten toepassing laat, mag SVP zich hierover uitlaten.
2.11.
De zaak wordt voor akte uitlating en overlegging stukken door SVP verwezen naar de rol.
2.12.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
2.13.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3De beslissing
De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van donderdag 21 mei 2026 om 10.00 uur voor akte uitlating en overlegging stukken door SVP,
3.2.
bepaalt dat SVP de akte aan [gedaagde] moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.12,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.
991
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11374567 \ CV EXPL 24-13710
Vonnis van 23 april 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SVP DISTRIBUTIE & LEVERING B.V.,
gevestigd te Purmerend,
eisende partij,
hierna te noemen: SVP,
gemachtigde: Dw [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 oktober 2024, met producties,
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De beoordeling
2.1.
SVP vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 414,60 aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente, € 40,00 aan incassokosten en proceskosten.
2.2.
SVP stelt dat tussen partijen een overeenkomst bestaat met betrekking tot levering van warmte op het adres [adres] . [gedaagde] is eigenaar van deze woning. [gedaagde] heeft twee maandtermijnen niet betaald, namelijk die van juli 2024 en augustus 2024. Dat [gedaagde] andere termijnen wel heeft betaald, toont aan dat de [gedaagde] de overeenkomst tussen partijen – die voor SVP niet meer is te produceren – erkent. Op de leveringsovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.3.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.4.
De warmtelevering door SVP wordt beheerst door de Warmtewet. De informatieplichten waaraan SVP als warmteleverancier moet voldoen staan in Afdeling 2b, Titel 5 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en in artikel 3 van de Warmtewet. Onderdeel van die informatieplichten is volgens artikel 3 van de Warmtewet de informatie genoemd in de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v BW. In artikel 3 lid 1 van de Warmtewet is bepaald dat de gegevens genoemd in artikel 6:230m lid 1 BW en de informatie genoemd in artikel 3 lid 1 sub a t/m c van de Warmtewet door de leverancier aan de gebruiker moeten worden verstrekt voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst.
2.5.
SVP stelt in de dagvaarding dat zij aan de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230v BW heeft voldaan en verwijst naar de overeenkomst tussen partijen en naar informatie op haar website. Die enkele stelling volstaat niet. De verwijzing naar de overeenkomst gaat niet op, nu SVP deze niet in het geding heeft gebracht (zie ook 2.2). Afgezien daarvan is niet gesteld wanneer de overeenkomst is gesloten, op welke wijze dat is gebeurd, hoe concreet is voldaan aan vorenbedoelde informatieplichten en waar de betreffende informatie is te vinden. Deze stellingen moeten worden onderbouwd.
Hierover dient SVP zich bij akte nader uit te laten.
2.6.
In de algemene voorwaarden wordt verwezen naar een tarievenblad, dat niet in het geding is gebracht. Dit tarievenblad maakt onderdeel uit van de overeenkomst. De kantonrechter dient over het tarievenblad te beschikken om de duidelijkheid en begrijpelijkheid (transparantie) van het prijsbeding te kunnen toetsen. SVP wordt daarom opgedragen het tarievenblad van zowel het moment van het sluiten van de overeenkomst als van het jaar 2024, waarop de vordering betrekking heeft, te overleggen. Daarbij dient SVP zich uit te laten over de transparantie en (on)eerlijkheid van het prijsbeding in de zin van de richtlijn. Als de tarieven zijn verhoogd, dient SVP het beding te noemen dat aan die verhoging ten grondslag ligt en een standpunt in te nemen over de (on)eerlijkheid van dat beding in de zin van de richtlijn.
2.7.
SVP stelt dat de overeenkomst met [gedaagde] niet meer is te produceren. In plaats daarvan wordt een (voorbeeld van een) soortgelijke overeenkomst verlangd, ook in verband met het toetsen van het prijsbeding. SVP wordt opgedragen deze te overleggen.
2.8.
SVP maakt aanspraak op een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Zij heeft in de algemene voorwaarden in artikel 17 een beding staan dat zij aan deze vordering ten grondslag kan leggen. Dat beding moet worden getoetst op oneerlijkheid. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter, ook als SVP zich in de procedure niet beroept op een bepaald beding in de overeenkomst, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
2.9.
Het beding in de algemene voorwaarden verwijst voor de hoogte van de ‘vergoeding voor redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte’ naar het tarievenblad. Op grond van dit beding kan SVP in het tarievenblad dus zelf bepalen welke kosten ter verkrijging buiten rechte zij redelijk acht. Het beding maakt het dan ook mogelijk af te wijken van de wettelijke regeling in artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, die beide van dwingend recht zijn. Dat maakt het beding oneerlijk (zie ECLI:NL:HR:2023:198), zodat de kantonrechter voornemens is het beding buiten toepassing te laten.
2.10.
Voordat de kantonrechter het beding buiten toepassing laat, mag SVP zich hierover uitlaten.
2.11.
De zaak wordt voor akte uitlating en overlegging stukken door SVP verwezen naar de rol.
2.12.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
2.13.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3De beslissing
De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van donderdag 21 mei 2026 om 10.00 uur voor akte uitlating en overlegging stukken door SVP,
3.2.
bepaalt dat SVP de akte aan [gedaagde] moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.12,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.
991