Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:3911
2026-02-19
Strafrecht; Europees strafrecht
13/150796-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Executie-EAB, Polen. Artikel 12-verweer verworpen: situatie alsb bedoeld in artikel 12, sub b, OLW aan de orde. Verweer m.b.t. de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in Barczewo verworpen. Overlevering toegestaan.
Citeert (8)
- ECLI:EU:C:2023:1030
- ECLI:EU:C:2023:1031
- ECLI:NL:RBAMS:2021:420 Rechtbank Amsterdam 10-02-2021
- ECLI:NL:RBAMS:2022:1794 Rechtbank Amsterdam 06-04-2022
- ECLI:NL:RBAMS:2022:1794 Rechtbank Amsterdam 06-04-2022
- ECLI:EU:C:2022:100
- ECLI:NL:RBAMS:2025:326 Rechtbank Amsterdam 16-01-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:909 Rechtbank Amsterdam 14-02-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.200 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/150796-25
Datum uitspraak: 19 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 27 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 april 2025 door de Sąd Okręgowy W Koninie (Regional Court in Konin), Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 14 januari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 14 januari 2026 in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is (conform een door hem getekende afstandsverklaring) niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda.
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB voor bepaalde tijd aangehouden om de raadsman in de gelegenheid te stellen de zaak met de opgeëiste persoon te bespreken, aangezien de vorige raadsman de verdediging had neergelegd en mr. De Goede de verdediging pas een dag voor de zitting had overgenomen.
Zitting 12 februari 2026
De behandeling is, met instemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 12 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft de zaak voor bepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen te stellen ten behoeve van de toetsing aan artikel 12 OLW.
Zitting 19 februari 2026
De behandeling van het EAB is, met instemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 19 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the Regional Court in Konin van 28 oktober 2021 (met referentie: II K 38/13). Op 18 februari 2026 heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) een Nederlandse vertaling verstrekt van de aanvullende informatie (ongedateerd) van de uitvaardigende autoriteiten in reactie op de vragen die zijn gesteld. Uit die aanvullende informatie blijkt dat op 15 oktober 2024 een arrest is gewezen door het gerechtshof (Sąd Apelacyjny) te Poznań (met referentie: II Aka 88/21).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, één maand en twaalf dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat, hoewel de aanvullende informatie vermeldt dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen en hem in hoger beroep te verdedigen, de opgeëiste persoon dit betwist.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van de situatie zoals omschreven in artikel 12, sub b, OLW nu uit de aanvullende informatie met betrekking tot de procedure in hoger beroep volgt dat er een gemachtigde advocaat voor de opgeëiste persoon is opgetreden.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
De rechtbank zal daarom het arrest van 15 oktober 2024 van het gerechtshof (Sąd Apelacyjny) te Poznań (met referentie: II Aka 88/21) toetsen aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de advocaat van de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg en dat de opgeëiste persoon, terwijl hij op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren gedurende dat proces en dat die advocaat ook daadwerkelijk zijn verdediging heeft gevoerd. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie. De enkele betwisting door de opgeëiste persoon vormt dan ook geen reden om te twijfelen aan de verstrekte informatie.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat sprake is van de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
5Strafbaarheid
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6Artikel 11 OLW
6.1.
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
6.2.
Poolse detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de zaak aan te houden om actuele informatie op te vragen bij de Poolse autoriteiten over de voortgang en bevindingen van het door het naar aanleiding van het NMPT-rapport van 2022 ingestelde expertteam uitgevoerde onderzoek naar de detentieomstandigheden in Barczewo. Weliswaar heeft de rechtbank eerder geoordeeld dat geen sprake was van een algemeen reëel gevaar voor de gevangenis in Barczewo, maar dat laat onverlet dat de omstandigheden aldaar zeer zorgelijk waren. Op grond van de uitkomsten van het onderzoek door het expertteam zou mogelijk een algemeen gevaar van schending van grondrechten moeten worden aangenomen.
Stanpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zolang de verdediging geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens heeft verstrekt die duiden op een algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten in Polen, er – mede gelet op het vertrouwensbeginsel – geen aanleiding is om vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder, in een andere zaak, vragen gesteld over de detentieomstandigheden in de gevangenis in Barczewo. De rechtbank heeft in die zaak op 14 februari 2025 uitspraak gedaan, waarin zij heeft geoordeeld dat er geen algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in die gevangenis worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel, nu niet met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens is onderbouwd dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken met betrekking tot de detentieomstandigheden voor personen die een gevangenisstraf in in Barczewo (of elders in Polen) moeten uitzitten.. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding het onderzoek ter zitting te heropenen om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
7Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
9Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Sąd Okręgowy W Koninie (Regional Court in Konin), Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
Report of the Commissioner for Human Rights on the Activities of the National Mechanism for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment in Poland.
Rb. Amsterdam 16 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:326.
Rb. Amsterdam 14 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:909.
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/150796-25
Datum uitspraak: 19 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 27 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 april 2025 door de Sąd Okręgowy W Koninie (Regional Court in Konin), Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 14 januari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 14 januari 2026 in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is (conform een door hem getekende afstandsverklaring) niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda.
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB voor bepaalde tijd aangehouden om de raadsman in de gelegenheid te stellen de zaak met de opgeëiste persoon te bespreken, aangezien de vorige raadsman de verdediging had neergelegd en mr. De Goede de verdediging pas een dag voor de zitting had overgenomen.
Zitting 12 februari 2026
De behandeling is, met instemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 12 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft de zaak voor bepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen te stellen ten behoeve van de toetsing aan artikel 12 OLW.
Zitting 19 februari 2026
De behandeling van het EAB is, met instemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 19 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the Regional Court in Konin van 28 oktober 2021 (met referentie: II K 38/13). Op 18 februari 2026 heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) een Nederlandse vertaling verstrekt van de aanvullende informatie (ongedateerd) van de uitvaardigende autoriteiten in reactie op de vragen die zijn gesteld. Uit die aanvullende informatie blijkt dat op 15 oktober 2024 een arrest is gewezen door het gerechtshof (Sąd Apelacyjny) te Poznań (met referentie: II Aka 88/21).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, één maand en twaalf dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat, hoewel de aanvullende informatie vermeldt dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen en hem in hoger beroep te verdedigen, de opgeëiste persoon dit betwist.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van de situatie zoals omschreven in artikel 12, sub b, OLW nu uit de aanvullende informatie met betrekking tot de procedure in hoger beroep volgt dat er een gemachtigde advocaat voor de opgeëiste persoon is opgetreden.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
De rechtbank zal daarom het arrest van 15 oktober 2024 van het gerechtshof (Sąd Apelacyjny) te Poznań (met referentie: II Aka 88/21) toetsen aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de advocaat van de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg en dat de opgeëiste persoon, terwijl hij op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren gedurende dat proces en dat die advocaat ook daadwerkelijk zijn verdediging heeft gevoerd. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie. De enkele betwisting door de opgeëiste persoon vormt dan ook geen reden om te twijfelen aan de verstrekte informatie.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat sprake is van de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
5Strafbaarheid
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6Artikel 11 OLW
6.1.
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
6.2.
Poolse detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de zaak aan te houden om actuele informatie op te vragen bij de Poolse autoriteiten over de voortgang en bevindingen van het door het naar aanleiding van het NMPT-rapport van 2022 ingestelde expertteam uitgevoerde onderzoek naar de detentieomstandigheden in Barczewo. Weliswaar heeft de rechtbank eerder geoordeeld dat geen sprake was van een algemeen reëel gevaar voor de gevangenis in Barczewo, maar dat laat onverlet dat de omstandigheden aldaar zeer zorgelijk waren. Op grond van de uitkomsten van het onderzoek door het expertteam zou mogelijk een algemeen gevaar van schending van grondrechten moeten worden aangenomen.
Stanpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zolang de verdediging geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens heeft verstrekt die duiden op een algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten in Polen, er – mede gelet op het vertrouwensbeginsel – geen aanleiding is om vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder, in een andere zaak, vragen gesteld over de detentieomstandigheden in de gevangenis in Barczewo. De rechtbank heeft in die zaak op 14 februari 2025 uitspraak gedaan, waarin zij heeft geoordeeld dat er geen algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in die gevangenis worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel, nu niet met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens is onderbouwd dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken met betrekking tot de detentieomstandigheden voor personen die een gevangenisstraf in in Barczewo (of elders in Polen) moeten uitzitten.. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding het onderzoek ter zitting te heropenen om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
7Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
9Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Sąd Okręgowy W Koninie (Regional Court in Konin), Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
Report of the Commissioner for Human Rights on the Activities of the National Mechanism for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment in Poland.
Rb. Amsterdam 16 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:326.
Rb. Amsterdam 14 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:909.