Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:3840
2026-04-16
Strafrecht; Europees strafrecht
13-343463-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vervolgings-EAB uit Polen. Na tussenuitspraak. Het algemeen reëel gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Overlevering toegestaan.
Citeert (6)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:2540 Rechtbank Amsterdam 12-03-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:1806 Rechtbank Amsterdam 19-02-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:1395 Rechtbank Amsterdam 03-02-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:2315 Rechtbank Amsterdam 04-03-2026
- ECLI:EU:C:2018:589
- ECLI:NL:RBAMS:2025:7088 Rechtbank Amsterdam 25-09-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.715 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-343463-25
Datum uitspraak: 16 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 21 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 augustus 2025 door the Regional Court in Płock, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1991,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting van 26 februari 2026
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.E. Broekert, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Daarnaast heeft de rechtbank, op vordering van de officier van justitie, voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
Tussenuitspraak van 12 maart 2026
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen over de detentieomstandigheden in de detentie-instelling van Henryka Sienkiewicza in Płock waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd als de overlevering wordt toegestaan.
Voorts heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 2 april 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.E. Broekert, en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak van 12 maart 2026
De rechtbank stelt vast dat in deze tussenuitspraak al is geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB (onder 3), de dubbele strafbaarheid van de feiten (onder 4), de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (onder 5) en artikel 11 OLW voor wat betreft artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) (onder 6.1). Hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen, moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
4Artikel 11 OLW: Detentieomstandigheden in Poolse remand regimes
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6.2.1 en 6.3 van de tussenuitspraak van 12 maart 2026. De overwegingen uit de tussenuitspraak dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Naar aanleiding van deze tussenuitspraak heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum van het Openbaar Ministerie (IRC) op 18 maart 2026 de volgende vragen van de rechtbank aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd:
“1. Could you please guarantee that [de opgeëiste persoon] will be detained in a shared cell with more than 4 m2 of personal living space, excluding sanitary facilities?
2. If not, could you please explain
in more detail
how many hours [de opgeëiste persoon] can spend outside his cell on average per day under normal circumstances - when he chooses to participate in various activities in the common room and recreation room and when using the library?”
In een brief van 23 maart 2026 heeft the Deputy District Attorney in Płock de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“1. In accordance with the applicable provisions of Polish law, a person detained in a pre-trial detention centre is guaranteed the right to 3 square metres of personal space in a multi-person cell. If the detention center has such capabilities (a smaller number of inmates), the inmates are provided with more space in the cell. If it is necessary for medical reasons, it is possible to detain a pre-trial detainee in a room, where the personal space for the inmate is guaranteed in the size of 4 square meters.2. An inmate in a prison has the right to walk for at least one hour a day. He also has the right to stay outside the cell if the inmate participates in cultural and educational activities organized by the prison administration. There is no limit on the number of hours in which an inmate can stay outside the cell - this number depends on the availability of classes (conducted in the prison's common room) and the inmate's will to participate in them. In addition, the inmate, if he wishes and is able, may take up employment on the premises of the unit - then he may stay outside the cell for up to 5-6 hours.”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De opgeëiste persoon zal worden gedetineerd in een cel met 3 m2 persoonlijke leefruimte (exclusief sanitaire voorzieningen), waardoor moet worden gekeken of hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. De opgeëiste persoon krijgt dagelijks de mogelijkheid om één uur te wandelen en kan deelnemen aan activiteiten. Dit staat ook in de eerdere aanvullende informatie van 30 januari 2026 beschreven. Het is echter onduidelijk hoe vaak en welke activiteiten plaatsvinden, aangezien dit afhankelijk is van de beschikbaarheid van klassen. Bovendien kan een gedetineerde in een Huis van Bewaring geen arbeid verrichten, aldus de opgeëiste persoon. Daarnaast blijkt uit de aanvullende informatie ook niet of de opgeëiste persoon voor arbeid in aanmerking komt. Er bestaat dan ook een gevaar dat de opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel van 3 m2. Het algemeen reëel gevaar wordt voor de opgeëiste persoon niet weggenomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich - onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank - op het standpunt gesteld dat de door the Deputy District Attorney in Płock verstrekte informatie voldoende is, zodat geen gevaar van een schending van artikel 4 van het Handvest meer bestaat voor de opgeëiste persoon. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de door the Deputy District Attorney in Płock gegeven garantie, verstrekt met de aanvullende informatie van 23 maart 2026.
Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon ten minste 3 m2 persoonlijke leefruimte, exclusief sanitaire voorzieningen, in een meerpersoonscel wordt gegarandeerd.
Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld, wordt het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 en 4 m2 in ieder geval weggenomen met de garantie dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Als de autoriteiten een dergelijke garantie niet kunnen geven, heeft de rechtbank concrete informatie nodig over de vraag hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden, en wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen, gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. Met andere woorden: de rechtbank heeft informatie nodig waaruit blijkt aan welke activiteiten de opgeëiste persoon dagelijks kan deelnemen, met name de duur van die activiteiten, én de omstandigheden waarvan die deelname en die duur afhankelijk zijn.
Uit de aanvullende informatie begrijpt de rechtbank dat de opgeëiste persoon ten minste één uur per dag kan wandelen. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon de mogelijkheid om deel te nemen aan culturele en educatieve activiteiten buiten zijn cel. Uit de eerder verstrekte aanvullende informatie van 30 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon gemiddeld twee keer per week volgens een wekelijks vastgesteld schema kan deelnemen aan diverse activiteiten in de gemeenschappelijke ruimte, tweemaal per week boeken kan lenen in de bibliotheek en minstens één keer per week kan deelnemen aan zogenoemde ‘interest groups’ in de gemeenschappelijke ruimte, welke 30 tot 60 minuten duren. Verder volgt uit de aanvullende informatie van 23 maart 2026 dat de opgeëiste persoon vijf tot zes uur arbeid kan verrichten. Gezien de concrete vraagstelling van het IRC vermoedt de rechtbank dat de vermelde vijf tot zes uur zien op het aantal uren per dag. Echter, ook als de opgeëiste persoon per week vijf tot zes uur arbeid zou verrichten, kan hij, gelet op alle andere hiervoor genoemde activiteiten, nog gemiddeld zo’n twee uur per dag buiten zijn cel verblijven. Op grond van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de informatie van de Poolse autoriteiten. De verklaring van de opgeëiste persoon dat gedetineerden in een Huis van Bewaring geen arbeid kunnen verrichten, is door de verdediging niet onderbouwd.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.
5Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 311 en 312 Wetboek van Strafrecht, 2, 3, 10 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.
7Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Płock (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. L. Sanders en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Rb. Amsterdam 12 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2540.
De raadsvrouw heeft verwezen naar Rb. Amsterdam 19 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1806.
Rb. Amsterdam 3 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1395 en Rb. Amsterdam 4 maart 2025, ECLI:NL:RBAMS:2026:2315.
HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.
Rb. Amsterdam 25 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7088.
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-343463-25
Datum uitspraak: 16 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 21 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 augustus 2025 door the Regional Court in Płock, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1991,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting van 26 februari 2026
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.E. Broekert, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Daarnaast heeft de rechtbank, op vordering van de officier van justitie, voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
Tussenuitspraak van 12 maart 2026
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen over de detentieomstandigheden in de detentie-instelling van Henryka Sienkiewicza in Płock waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd als de overlevering wordt toegestaan.
Voorts heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 2 april 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.E. Broekert, en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak van 12 maart 2026
De rechtbank stelt vast dat in deze tussenuitspraak al is geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB (onder 3), de dubbele strafbaarheid van de feiten (onder 4), de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (onder 5) en artikel 11 OLW voor wat betreft artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) (onder 6.1). Hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen, moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
4Artikel 11 OLW: Detentieomstandigheden in Poolse remand regimes
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6.2.1 en 6.3 van de tussenuitspraak van 12 maart 2026. De overwegingen uit de tussenuitspraak dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Naar aanleiding van deze tussenuitspraak heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum van het Openbaar Ministerie (IRC) op 18 maart 2026 de volgende vragen van de rechtbank aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd:
“1. Could you please guarantee that [de opgeëiste persoon] will be detained in a shared cell with more than 4 m2 of personal living space, excluding sanitary facilities?
2. If not, could you please explain
in more detail
how many hours [de opgeëiste persoon] can spend outside his cell on average per day under normal circumstances - when he chooses to participate in various activities in the common room and recreation room and when using the library?”
In een brief van 23 maart 2026 heeft the Deputy District Attorney in Płock de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“1. In accordance with the applicable provisions of Polish law, a person detained in a pre-trial detention centre is guaranteed the right to 3 square metres of personal space in a multi-person cell. If the detention center has such capabilities (a smaller number of inmates), the inmates are provided with more space in the cell. If it is necessary for medical reasons, it is possible to detain a pre-trial detainee in a room, where the personal space for the inmate is guaranteed in the size of 4 square meters.2. An inmate in a prison has the right to walk for at least one hour a day. He also has the right to stay outside the cell if the inmate participates in cultural and educational activities organized by the prison administration. There is no limit on the number of hours in which an inmate can stay outside the cell - this number depends on the availability of classes (conducted in the prison's common room) and the inmate's will to participate in them. In addition, the inmate, if he wishes and is able, may take up employment on the premises of the unit - then he may stay outside the cell for up to 5-6 hours.”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De opgeëiste persoon zal worden gedetineerd in een cel met 3 m2 persoonlijke leefruimte (exclusief sanitaire voorzieningen), waardoor moet worden gekeken of hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. De opgeëiste persoon krijgt dagelijks de mogelijkheid om één uur te wandelen en kan deelnemen aan activiteiten. Dit staat ook in de eerdere aanvullende informatie van 30 januari 2026 beschreven. Het is echter onduidelijk hoe vaak en welke activiteiten plaatsvinden, aangezien dit afhankelijk is van de beschikbaarheid van klassen. Bovendien kan een gedetineerde in een Huis van Bewaring geen arbeid verrichten, aldus de opgeëiste persoon. Daarnaast blijkt uit de aanvullende informatie ook niet of de opgeëiste persoon voor arbeid in aanmerking komt. Er bestaat dan ook een gevaar dat de opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel van 3 m2. Het algemeen reëel gevaar wordt voor de opgeëiste persoon niet weggenomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich - onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank - op het standpunt gesteld dat de door the Deputy District Attorney in Płock verstrekte informatie voldoende is, zodat geen gevaar van een schending van artikel 4 van het Handvest meer bestaat voor de opgeëiste persoon. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de door the Deputy District Attorney in Płock gegeven garantie, verstrekt met de aanvullende informatie van 23 maart 2026.
Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon ten minste 3 m2 persoonlijke leefruimte, exclusief sanitaire voorzieningen, in een meerpersoonscel wordt gegarandeerd.
Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld, wordt het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 en 4 m2 in ieder geval weggenomen met de garantie dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Als de autoriteiten een dergelijke garantie niet kunnen geven, heeft de rechtbank concrete informatie nodig over de vraag hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden, en wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen, gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. Met andere woorden: de rechtbank heeft informatie nodig waaruit blijkt aan welke activiteiten de opgeëiste persoon dagelijks kan deelnemen, met name de duur van die activiteiten, én de omstandigheden waarvan die deelname en die duur afhankelijk zijn.
Uit de aanvullende informatie begrijpt de rechtbank dat de opgeëiste persoon ten minste één uur per dag kan wandelen. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon de mogelijkheid om deel te nemen aan culturele en educatieve activiteiten buiten zijn cel. Uit de eerder verstrekte aanvullende informatie van 30 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon gemiddeld twee keer per week volgens een wekelijks vastgesteld schema kan deelnemen aan diverse activiteiten in de gemeenschappelijke ruimte, tweemaal per week boeken kan lenen in de bibliotheek en minstens één keer per week kan deelnemen aan zogenoemde ‘interest groups’ in de gemeenschappelijke ruimte, welke 30 tot 60 minuten duren. Verder volgt uit de aanvullende informatie van 23 maart 2026 dat de opgeëiste persoon vijf tot zes uur arbeid kan verrichten. Gezien de concrete vraagstelling van het IRC vermoedt de rechtbank dat de vermelde vijf tot zes uur zien op het aantal uren per dag. Echter, ook als de opgeëiste persoon per week vijf tot zes uur arbeid zou verrichten, kan hij, gelet op alle andere hiervoor genoemde activiteiten, nog gemiddeld zo’n twee uur per dag buiten zijn cel verblijven. Op grond van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de informatie van de Poolse autoriteiten. De verklaring van de opgeëiste persoon dat gedetineerden in een Huis van Bewaring geen arbeid kunnen verrichten, is door de verdediging niet onderbouwd.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.
5Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 311 en 312 Wetboek van Strafrecht, 2, 3, 10 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.
7Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Płock (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. L. Sanders en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Rb. Amsterdam 12 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2540.
De raadsvrouw heeft verwezen naar Rb. Amsterdam 19 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1806.
Rb. Amsterdam 3 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1395 en Rb. Amsterdam 4 maart 2025, ECLI:NL:RBAMS:2026:2315.
HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.
Rb. Amsterdam 25 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7088.