Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:3598

2026-04-09 Strafrecht; Materieel strafrecht 13/196352-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-04-09
Publicatiedatum
2026-04-10
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
13/196352-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 24 maanden voor witwassen (€ 62.000,-) en aanwezig hebben verdovende middelen (MDMA en hennep). Het aan de kant zetten van verdachte op grond van artikel 160 Wegenverkeerswet 1994 en het vervolgens verrichten van een technische controle aan het voertuig van verdachte levert geen vormverzuimen op. Dit is anders voor de inbeslagname van een tas onder de bijrijdersstoel waarin het geld is aangetroffen: op het moment van inbeslagname was nog geen sprake van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. Dit betreft een onherstelbaar vormverzuim. De rechtbank volstaat echter met de enkele constatering van het vormverzuim. Het vervolgens doorzoeken van de kelderbox van verdachte levert opnieuw geen vormverzuim op.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (31.050 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM



Afdeling Publiekrecht



Teams Strafrecht



Parketnummer: 13/196352-25



Datum uitspraak: 9 april 2026




Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:





[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
wonende op het adres [adres] .





1Het onderzoek ter terechtzitting


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 maart 2026.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M.E. Hirdes, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S.Ph.Chr. Wester, naar voren hebben gebracht.





2Tenlastelegging


Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 27 juni 2025 in (ten aanzien van feit 1) Diemen en (ten aanzien van de feiten 2 en 3) [plaats 1] heeft schuldig gemaakt aan:


1. het witwassen van een geldbedrag van € 62.000,-;
2. het aanwezig hebben van ongeveer 6,8 kilogram MDMA (een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I);
3. het aanwezig hebben van ongeveer 2,02 kilogram hennep (een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II).


De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.












3Waardering van het bewijs


3.1

Het standpunt van de officier van justitie



De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle drie aan verdachte ten laste gelegde feiten. Van de door de raadsman hierna weer te geven gestelde vormverzuimen is volgens de officier van justitie geen sprake.




3.2

Het standpunt van de verdediging



De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er meerdere vormverzuimen ten grondslag liggen aan het aantreffen van het geldbedrag in de auto van verdachte en het vervolgens aantreffen van de verdovende middelen in de kelderbox. De raadsman heeft primair verzocht om over te gaan tot bewijsuitsluiting van hetgeen in de auto en de kelderbox is gevonden, als gevolg waarvan verdachte dient te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de vormverzuimen in de vorm van strafvermindering.



De raadsman heeft geen verdere bewijsverweren gevoerd ten aanzien van het aangetroffen geldbedrag en de aangetroffen verdovende middelen.



De (verdere) inhoud van de door de raadsman gevoerde verweren worden waar nodig in het hiernavolgende besproken.




3.3

Het oordeel van de rechtbank



3.3.1

Inleiding



De rechtbank zal eerst ingaan op het verweer van de raadsman aangaande de gestelde vormverzuimen. Aansluitend zal de rechtbank komen tot een bespreking van de aan verdachte ten laste gelegde feiten.



Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.




3.3.2

Is er sprake van vormverzuimen?




Staandehouding en technische controle

Op 27 juni 2025 heeft verdachte, terwijl hij in zijn Tesla Model 3 met kenteken [kenteken] op de A1 ter hoogte van Diemen reed, van de politie een volgteken gekregen naar aanleiding van een melding van het Automatic Numberplate Recognition-systeem (hierna: ANPR) ten aanzien van zijn kenteken. Het kenteken van verdachte was opgenomen in het ANPR-systeem met het doel het voertuig te controleren vanwege of in verband met ondermijnende criminaliteit. De informatie die hieraan ten grondslag heeft gelegen is vanwege “zwaarwegende opsporings- en vervolgingsbelangen in toekomstige onderzoeken” niet nader uiteengezet.



Het aan de kant zetten van verdachte was gegrond op artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Verdachte is door de verbalisanten op grond van de in dit artikel neergelegde bevoegdheden gevraagd naar zijn rijbewijs en heeft deze vervolgens ook daadwerkelijk getoond. Nu daadwerkelijk gebruik is gemaakt van de in artikel 160, eerste lid WVW genoemde bevoegdheid tot het vorderen van de afgifte van het rijbewijs (en later ook het kentekenbewijs) is deze controlebevoegdheid niet uitsluitend aangewend met een ander doel (namelijk: het verrichten van opsporingshandelingen). De Hoge Raad heeft zich eerder over deze werkwijze uitgelaten en heeft geoordeeld dat deze niet onrechtmatig is. Van een vormverzuim is tot dusver dan ook geen sprake.



Eén van de verbalisanten heeft het voertuig van verdachte vervolgens onderworpen aan een controle van de technische staat. De banden, autoportieren, veiligheidsgordels en stoelen zijn door de verbalisant gecontroleerd. Volgens de raadsman was er op dit moment feitelijk geen sprake van een technische controle, maar van een doorzoeking op grond van artikel 96b Wetboek van Strafvordering (Sv) – zonder dat sprake was van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of een verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. De rechtbank volgt de raadsman niet in dit verweer. De verbalisanten waren op grond van artikel 160, vierde lid WVW bevoegd een onderzoek in te stellen naar de naleving van de bij of krachtens die wet vastgestelde voorschriften. Hieronder valt de controle naar de staat van het voertuig en de algemene inrichtingseisen van het voertuig. Nu de technische staat van het voertuig blijkens het opgestelde proces-verbaal van bevindingen daadwerkelijk is gecontroleerd, kan opnieuw niet worden afgeleid dat de controlebevoegdheid enkel voor een ander doel is aangewend dan waarvoor deze is verleend. Van een vormverzuim is ook op dit punt dan ook geen sprake.




Aantreffen tas met geld

Bij het uitvoeren van de technische controle constateerde de verbalisant die de controle uitvoerde dat niet gecontroleerd kon worden of de bijrijdersstoel naar voren en naar achteren kon bewegen omdat daar een Action-tas onder bleek te liggen. Omdat de verbalisant sterk het vermoeden had dat er in de tas strafbare goederen zaten heeft hij de tas in beslag genomen om de inhoud te bekijken. In de tas zijn vervolgens meerdere bundels geld aangetroffen. De bevoegdheid tot inbeslagname is in dit geval geregeld in artikel 96 Sv. Om ingevolge dit artikel over te gaan tot inbeslagname had er sprake moeten zijn van ontdekking van een misdrijf op heterdaad van een strafbaar feit of verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. Hiervan was naar het oordeel van de rechtbank op het moment van het initiële aantreffen van de tas nog geen sprake. Het vermoeden van de verbalisant dat de tas strafbare goederen bevatte kwam blijkens het proces-verbaal van bevindingen voort uit de volgende indicaties: de korte reisbeweging die verdachte blijkens de ANPR-gegevens gemaakt had naar het zuiden van Nederland, zijn trillende handen, zijn dikke en witte slijm door de spanning, zijn grote en verbaasde ogen, zijn gehaaste en nerveus gedrag, het geld dat bij het pakken van zijn kentekenbewijs in de middenconsole werd waargenomen en een harddrugs-antecedent uit 2022. Deze indicaties zijn van onvoldoende gewicht om te kunnen spreken van ontdekking van een misdrijf op heterdaad van een strafbaar feit of verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. In dat kader merkt de rechtbank op dat het geldbedrag dat in de middenconsole werd waargenomen dusdanig klein bleek te zijn dat het in de fouilleringszak van verdachte is gegaan. Een niet nader in het proces-verbaal gespecificeerd antecedent kan daarnaast geen grond zijn voor een in artikel 96 Sv bedoelde verdenking. De rechtbank ziet verder niet in wat er verdacht is aan het enkele feit dat verdachte een reisbeweging naar het zuiden van Nederland gemaakt heeft. Tot slot is door de verbalisant ook niet nader gespecificeerd van welk strafbaar feit zij verdachte precies verdachten.



De rechtbank oordeelt gelet op het voorgaande dat de inbeslagname van de plastic tas onrechtmatig is geweest en dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Sv. De vraag is vervolgens of er rechtsgevolgen aan dat vormverzuim moeten worden verbonden.



Bij de beoordeling hiervan dient de rechtbank rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren, te weten: het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt.



Bewijsuitsluiting zoals de verdediging heeft bepleit, kan alleen aan de orde komen ter verzekering van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen en door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Daar is in deze zaak geen sprake van. Het gaat hier om de inbeslagname van een tas waarin (alleen) een grote som aan contant geld is aangetroffen. Het belang dat je je vrij en onaantastbaar moet voelen is geen rechtens te respecteren belang. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen plaats voor bewijsuitsluiting. Evenmin is gesteld en komen vast te staan in welke mate verdachte nadeel heeft ondervonden van het vormverzuim. Compensatie door middel van strafvermindering is dan ook niet aan de orde. De rechtbank zal volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim. Het verweer van de raadsman wordt voor het overige verworpen.




Betreden woning en kelderbox en doorzoeking kelderbox

Naar aanleiding van het aangetroffen geldbedrag is verdachte aangehouden en zijn verbalisanten naar de woning van verdachte in [plaats 1] (gelegen aan de [adres] ) gegaan. De woning is aan de hand van een machtiging en met de bij verdachte aangetroffen sleutelbos betreden, geschouwd en vervolgens verlaten omdat er op het eerste oog geen bijzonderheden in de woning te zien waren die konden worden gelinkt aan witwassen. Vervolgens is, opnieuw met de bij verdachte aangetroffen sleutelbos, ook de kelderbox betreden die hoort bij de woning. In die kelderbox zagen de verbalisanten een openstaande kartonnen doos met daarin een doorzichtige zak met rozekleurige pillen. Bij de verbalisanten ontstond op dat moment het vermoeden dat het ging om verdovende middelen (namelijk XTC). De verbalisanten namen waar dat er meerdere kartonnen dozen en bigshoppers in de kelderbox stonden. Gelet op dit alles is toestemming gevraagd aan een officier van justitie om over te gaan tot doorzoeking van de kelderbox. Na het verkrijgen van deze toestemming is overgegaan tot de daadwerkelijke doorzoeking van de kelderbox, waarbij meerdere zakken en een doos met vermoedelijk verdovende middelen werden aangetroffen.



Bij het betreden van de woning is voldaan aan de daarvoor geldende voorschriften, nu er op grond van de artikelen 2 en 3 van de Algemene wet op het binnentreden juncto 96 Sv een machtiging was afgegeven. Het vervolgens betreden van de kelderbox levert volgens de raadsman opnieuw een vormverzuim op. De kelderbox was immers niet opgenomen in de machtiging tot binnentreden en na het verkrijgen van de toestemming tot doorzoeking van de kelderbox is niet gewacht op de komst van een bevoegd persoon die aanwezig moet zijn bij de doorzoeking (zijnde een officier van justitie of een hulpofficier van justitie), aldus de raadsman. De rechtbank is van oordeel dat een kelderbox volgens vaste jurisprudentie niet valt onder het bereik van de Algemene wet op het binnentreden. Niet gebleken noch gesteld is immers dat de kelderbox ten tijde van het binnentreden een ruimte betrof die tot exclusief verblijf voor een persoon of voor een beperkt aantal in een gemeenschappelijke huishouding levende personen ingericht en bestemd was. Op grond van artikel 96 Sv mocht de kelderbox daarom betreden worden zonder machtiging op grond van de Algemene wet op het binnentreden. Voor de doorzoeking is vervolgens van de officier van justitie de daarvoor vereiste machtiging verkregen op grond van artikel 96c Sv. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat de doorzoeking onder leiding van een officier van justitie (of hulpofficier van justitie) geschiedt. Persoonlijke aanwezigheid van in het onderhavige geval de officier van justitie (of hulpofficier van justitie) is daarbij niet vereist. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt voorts dat de doorzoeking door de officier van justitie is geopend en gesloten, hetgeen kan worden aangemerkt als het daarover in de zin van artikel 96c Sv geven van leiding. Concluderend stelt de rechtbank vast dat er bij de doorzoeking van de kelderbox geen sprake geweest is van een vormverzuim.



De rechtbank komt nu toe aan het bespreken van de aan verdachte ten laste gelegde feiten.




3.3.3


Feit 1: is er sprake van witwassen?

De rechtbank dient in het kader van het aan hem onder 1 ten laste gelegde de vraag te beantwoorden of verdachte aan de hand van het in zijn auto aangetroffen geldbedrag van in totaal € 62.000,- kan worden veroordeeld voor witwassen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en acht bewezen dat verdachte het bedoelde geldbedrag voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf. Het witwasvermoeden dat op grond van het aantreffen van een dergelijk groot geldbedrag zoals in de onderhavige zaak gerechtvaardigd is ontstaan, is door verdachte niet weerlegd. Hij heeft, door niet te reageren op de zogeheten witwasbrief, immers geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven dat het geldbedrag niet van misdrijf afkomstig is.



Concluderend komt de rechtbank tot bewezenverklaring van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde.




3.3.4


Feit 2 en 3

In de kelderbox zijn meerdere verpakkingen met verdovende middelen aangetroffen, te weten:












Verpakking/goednummer




SIN-nummer




Netto gewicht




Testresultaat NFI/herkenning





Twee sealbags met rozekleurige pillen (6675520)


AARU2234NL


4,08 kilogram


MDMA




Twee sealbags met blauw-/grijskleurige pillen (6675522)


AARU2232NL


2,02 kilogram


MDMA




Twee boterhamzakjes met paars/rozekleurige pillen (6675524)


AARU2233NL


0,46 kilogram


MDMA




Hersluitbare plasticzak met groen-/grijskleurige pillen (6675526)


AARU2231NL


0,34 kilogram


MDMA




Twee sealbags met hennep (6675532)


-


2,02 kilogram


Hennep







De rechtbank stelt op basis van de bovenstaande tabel vast dat er in de kelderbox totaal 6,9 kilogram MDMA en 2,02 kilogram hennep is aangetroffen.



Ten aanzien van deze verdovende middelen dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte wetenschap had van de aanwezigheid hiervan en of hij over de aangetroffen verdovende middelen ook beschikkingsmacht had. De rechtbank is van oordeel dat beide vragen bevestigend beantwoord kunnen worden. De kelderbox waarin de verdovende middelen zijn aangetroffen is immers geopend met een sleutel die zich aan de sleutelbos van verdachte bevond. Blijkens de verklaring van de moeder van verdachte is er slechts één sleutel van de kelderbox en is die sleutel in het bezit van verdachte. Zoals reeds vermeld bevond in ieder geval een deel van de verdovende middelen zich daarnaast in een openstaande doos. Het kan al met al niet anders dan dat verdachte wetenschap had van de in de kelderbox aangetroffen verdovende middelen en dat hij daar als enige gebruiker van die kelderbox ook beschikkingsmacht over had.



Concluderend komt de rechtbank ook ten aanzien van het aan verdachte onder 2 en 3 ten laste gelegde tot bewezenverklaring.







4Bewezenverklaring


De rechtbank acht op grond van het voorgaande en de in de voetnoten vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:




Ten aanzien van feit 1:

op 27 juni 2025 te Diemen een geldbedrag (62.000 euro) voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist dat dat geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;




Ten aanzien van feit 2:

op 27 juni 2025 te [plaats 1] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6,8 kilogram MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;




Ten aanzien van feit 3:

op 27 juni 2025 te [plaats 1] opzettelijk aanwezig heeft gehad 2,02 kilogram hennep, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.



Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.





5De strafbaarheid van de feiten


De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.





6De strafbaarheid van verdachte


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.





7Motivering van de straffen en maatregelen


7.1

De eis van de officier van justitie



De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest.




7.2

Het standpunt van de verdediging



De raadsman heeft zich in het geval de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten en daarbij niet overgaat tot strafvermindering vanwege de gestelde vormverzuimen (hetgeen het geval is) op het standpunt gesteld dat kan worden volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.




7.3


Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.



De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder de ernst van het feit laten meewegen. De bij verdachte aangetroffen verdovende middelen vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en verdachte heeft met het aanwezig hebben van die verdovende middelen bijgedragen aan het in stand houden van de markt voor drugs. Deze markt gaat naast de genoemde bedreiging voor de volksgezondheid ook gepaard met veel geweld en criminaliteit. Met het witwassen van criminele gelden heeft verdachte daarnaast een bijdrage geleverd aan de bedreiging van de legale economie. Witwassen tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.



Verdachte heeft enkel willen verklaren over de controle van de politie die heeft geleid tot het aantreffen van het geldbedrag. Over het geldbedrag en de in zijn kelderbox aangetroffen verdovende middelen heeft verdachte niets willen verklaren. Daardoor heeft de rechtbank ook geen inzicht gekregen waarom verdachte hiertoe is gekomen en kan daar ook geen rekening mee houden bij de bepaling van de straf.



De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 5 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte op 2 juni 2022 is veroordeeld op grond van de Opiumwet. Daarmee is sprake van recidive.



Verdachte heeft tot slot niet mee willen werken aan de opstelling van een reclasseringsadvies, waardoor er ook op andere wijze geen informatie is over de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het opleggen van een eventueel voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden ook niet in de rede ligt. Dit alles maakt dat de rechtbank geen reden ziet om in het voordeel van verdachte af te wijken van de eis van de officier van justitie. De rechtbank zal de officier van justitie dan ook volgen in haar eis en aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest opleggen.



Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.






8Beslag


Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:




€ 61.500,- (PL1300-2025158836-G6675510);


€ 500,- (PL1300-2025158836-G6675575).





Verbeurdverklaring

De voorwerpen behoren aan verdachte toe. Nu met betrekking tot die voorwerpen het onder 1 bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.





9Toepasselijke wettelijke voorschriften


De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.





10Beslissing


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.



Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.



Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.



Het bewezen verklaarde levert op:




t.a.v. feit 1:


witwassen





t.a.v. feit 2:


opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod





t.a.v. feit 3:


opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod




Verklaart het bewezene strafbaar.



Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.



Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden.



Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.




Verklaart verbeurd:




€ 61.500,- (PL1300-2025158836-G6675510);


€ 500,- (PL1300-2025158836-G6675575).






Dit vonnis is gewezen door
mr. H.H.J. Zevenhuijzen, voorzitter,
mrs. J.M. van Hall en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. L.J.F. Ceelie en C.N. Droogsma, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 april 2026.





[…]





Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025158836-4, doorgenummerde pagina’s einddossier 20 en 21 onder ‘Hoedanigheid’, ‘ANPR-hit’, ‘Bevraging kenteken/kentekenhouder’ en ‘Controle Wegenverkeerswet’.


Hoge Raad 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9670.


Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025158836-4, doorgenummerde pagina’s einddossier 21 en 22 onder ‘Controle technische staat voertuig’.


Zie opnieuw Hoge Raad 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9670.


Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025158836-4, doorgenummerde pagina einddossier 22, bovenste deel tot aan ‘Aanhouding’.


Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025158836-4, doorgenummerde pagina einddossier 22 onder ‘Doorzoeken voertuig’.


Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025158836-20, doorgenummerde pagina einddossier 72.


Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025158836-20, doorgenummerde pagina’s einddossier 73 en 74.


Vergelijk gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 november 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10030.


Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025158836-20, doorgenummerde pagina’s einddossier 73 en 74.


Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025158836-24, doorgenummerde pagina einddossier 25.


Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025158836-20, doorgenummerde pagina einddossier 73 onder ‘Aanvang doorzoeking kelderbox’.


Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025158836-39, doorgenummerde pagina einddossier 158 onder ‘Roze pillen, AARU2234NL’.


Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen met nummer PL1300-2025158836-32, doorgenummerde pagina einddossier 93.


Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 22 juli 2025 met zaaknummer 2025.07.21.021 (aanvraag 001), doorgenummerde pagina einddossier 162.


Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025158836-20, doorgenummerde pagina einddossier 73 onder ‘Aantreffen Action bigshopper’.


Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025158836-39, doorgenummerde pagina einddossier 158 onder ‘Blauw/zwarte pillen, AARU2232NL’.


Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen met nummer PL1300-2025158836-32, doorgenummerde pagina einddossier 93.


Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 21 juli 2025 met zaaknummer 2025.07.21.021 (aanvraag 004), doorgenummerde pagina einddossier 164.


Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025158836-20, doorgenummerde pagina einddossier 73 onder ‘Aantreffen Action bigshopper’.


Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025158836-39, doorgenummerde pagina einddossier 158 onder ‘Roze/paarse pillen, AARU2233NL’.


Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen met nummer PL1300-2025158836-32, doorgenummerde pagina einddossier 93.


Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 22 juli 2025 met zaaknummer 2025.07.21.021 (aanvraag 002), doorgenummerde pagina einddossier 163.


Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025158836-20, doorgenummerde pagina einddossier 74, bovenaan.


Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025158836-39, doorgenummerde pagina einddossier 158 onder ‘Groen/zwarte pillen, AARU2231NL’.


Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen met nummer PL1300-2025158836-32, doorgenummerde pagina einddossier 93.


Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 21 juli 2025 met zaaknummer 2025.07.21.021 (aanvraag 003), doorgenummerde pagina einddossier 165.


Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025158836-20, doorgenummerde pagina einddossier 74 onder ‘Aantreffen Vomar bigshopper’.


Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025158836-20, doorgenummerde pagina einddossier 76, bovenaan.


Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025158836-27, doorgenummerde pagina einddossier 91, eerste helft.


Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025158836-20, doorgenummerde pagina’s einddossier 72 onder ‘Binnentreden woning’ en 73 onder ‘Betreden kelderbox’.


Proces-verbaal van verhoor verdachte, mevrouw [persoon] (moeder), met nummer PL1300-2025159052-2, doorgenummerde pagina einddossier 131, tweede helft.