Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:1848

2026-02-04 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht 25/7410 en 7411
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-02-04
Publicatiedatum
2026-02-20
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Zaaknummer
25/7410 en 7411
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

VOG afgewezen. Vovo hangende beroep. Tussenuitspraak in beroep. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd hoe alle omstandigheden van het geval in samenhang bezien van invloed zijn op de beoordeling van de aanvraag (subjectieve criterium). Verweerder moet nieuw besluit nemen. Ondertussen wordt een voorlopige voorziening getroffen waarbij verzoekster wordt behandeld als ware zij in het bezit van een VOG. Belangen verzoekster wegen daarbij zwaarder.

Citeert (1)

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (21.801 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummers: AMS 25/7410 (voorlopige voorziening) en 25/7411 (beroep)


tussenuitspraak van de voorzieningenrechter van 4 februari 2026 op het beroep en uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen




[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. K. Cras),


en


de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. T.C. Tesselhof).

Samenvatting


1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van verzoeksters aanvraag voor een verklaring omtrent gedrag (VOG). Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzoekt daarnaast om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.



1.2.
De voorzieningenrechter doet een tussenuitspraak op het beroep en concludeert dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. De voorzieningenrechter stelt verweerder in de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daarnaast zal de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop


2.1
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een VOG voor begeleider in de gezondheidszorg ( [bedrijf] ). Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 20 augustus 2025 afgewezen en dit besluit na bezwaar van verzoekster gehandhaafd in het betreden besluit van 15 december 2025. Verweerder heeft daarbij – kortgezegd – overwogen dat verzoekster binnen de (verlengde) terugkijktermijn is veroordeeld voor brandstichting met dodelijke afloop en zwaar lichamelijk letsel tot gevolg en een poging tot oplichting. Verzoekster is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 126 maanden. Zij is op 11 september 2024 voorwaardelijk in vrijheid gesteld en er is nog een proeftijd van kracht tot 23 februari 2028. Het justitiecontact is daarmee te kort geleden om verzoekster een VOG te geven. Om die reden moet het algemeen belang van bescherming van de samenleving zwaarder wegen dan het persoonlijk belang van verzoekster.



2.2.
Verzoekster heeft beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.


2.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.




Beoordeling door de voorzieningenrechter



Spoedeisend belang



3.1.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.



3.2.
Verzoekster heeft in dat kader aangevoerd dat zij op grond van haar arbeidsovereenkomst met [bedrijf] in beginsel gehouden was om op 1 augustus 2025 haar VOG te overleggen. Dit is ook opgenomen als ontbindende voorwaarde in haar contract. Bij hoge uitzondering heeft [bedrijf] daar nog geen beroep op gedaan. Op 1 december 2025 is haar contract verlengd. Op 10 december 2025 heeft [bedrijf] opnieuw gewaarschuwd dat de VOG nog steeds ontbreekt en dat dit wel een vereiste is voor voortzetting van het dienstverband. Indien verzoekster niet spoedig een VOG kan overleggen zal zij worden ontslagen. Dit leidt tot onomkeerbare gevolgen omdat zij dan haar baan en inkomen zal verliezen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met deze omstandigheden er voldoende sprake is van een spoedeisend belang.



3.3.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak neemt zij ook een beslissing in het beroep van verzoekster.



Toetsingskader





4.1
Ingevolge artikel 35 van de Wjsg, weigert verweerder de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan. Bij de beoordeling van de aanvraag heeft verweerder de criteria toegepast die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025 (de Beleidsregels). In de Beleidsregels is bepaald dat als een aanvrager voor komt in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) verweerder aan de hand van een objectief en een subjectief criterium bekijkt of de afgifte van een VOG gerechtvaardigd is.



4.2.
Bij de toetsing aan het objectieve criterium bekijkt verweerder of de justitiële gegevens, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. Is daarvan sprake, dan zal de aanvraag in beginsel worden afgewezen. Bij het subjectieve criterium beoordeelt verweerder, als is voldaan aan het objectieve criterium, of de omstandigheden van het geval ertoe moeten leiden dat toch een VOG moet worden afgegeven. Bij het subjectieve criterium wordt beoordeeld of het belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het eerdergenoemde risico voor de samenleving. Bij de toepassing van het subjectieve criterium worden in ieder geval als relevante omstandigheden betrokken de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. De aanvraag is beoordeeld op basis van het screeningsprofiel ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’.



4.3.
Verweerder komt in het kader van de afgifte van een VOG beoordelingsruimte toe. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het bestreden besluit terughoudend moet toetsen.



Objectieve criterium




5. Tussen partijen is niet in geschil dat de justitiële gegevens, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor de VOG is aangevraagd.




Subjectieve criterium





6.1.
Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat op grond van het subjectieve criterium niet tot afgifte van de VOG kan worden gekomen. De ernst van het feit is evident, maar het gaat om een eenmalige zeer ernstige fout van negen jaar geleden. Er is geen sprake van een delictpatroon of recidive, wat, ongeacht de ernst en gevolgen van het delict, in haar voordeel moet worden meegewogen. Verweerder meent daarbij ten onrechte dat de positieve ontwikkelingen – die worden onderbouwd met de referenties en rapporten van de betrokken professionals zoals de senior casemanager binnen DJI en betrokken reclasseringsmedewerkers – geen verschil kunnen maken ondanks de ernst van het feit. Verweerder heeft daarbij ten onrechte de omstandigheden waarin verzoekster verkeerde ten tijde van het plegen van het delict niet betrokken. Als jonge moeder die studeerde en daarnaast een bijbaan had, werd zij als slachtoffer van de toeslagenaffaire hard getroffen en stapelden de schulden zich op. Er vormde zich een uitzichtloze situatie. Deze omstandigheden doen geen afbreuk aan de ernst van het feit en de dramatische gevolgen voor de slachtoffers en nabestaanden maar zijn ten onrechte niet meegenomen. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke belangen van verzoekster. Zij heeft als alleenstaande moeder de zorg over haar minderjarige kind. De financiële lasten zijn hoog. Verzoekster heeft na jaren wachten en inwonen, een eigen appartement met hoge maandelijkse lasten. Hun gezinsleven is aangepast aan het huidige inkomen. Haar VOG is noodzakelijk voor behoud van haar vaste fulltime contract en behoud van de opgebouwde stabiliteit. Ook de samenleving is erbij gebaat dat zij haar vaste baan behoudt. De maatschappij heeft gekwalificeerde zorgmedewerkers nodig en verzoekster dient maandelijks haar schulden en schadevergoedingsregelingen aan de slachtoffers en nabestaanden af te betalen, wat zij met veel verantwoording doet en wenst te blijven doen. Alles staat of valt met behoud van haar arbeidsovereenkomst en voldoende inkomen. Tevens doet verzoekster een beroep op het vertrouwensbeginsel omdat verweerder reeds drie keer een VOG voor dezelfde functie aan haar heeft verstrekt.


6.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat buiten discussie staat dat verzoekster zich in 2017 schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstige misdrijven. Zij is daar in eerste aanleg door de rechtbank (op 15 februari 2019) en in hoger beroep door het gerechtshof (op 26 april 2021) voor veroordeeld en heeft een forse gevangenisstraf opgelegd gekregen. Het is dan ook begrijpelijk dat verweerder terughoudend is met het afgeven van een VOG aan verzoekster. Verweerder heeft in het bestreden besluit en ook op de zitting toegelicht dat de ernst van de feiten en het korte tijdsverloop sinds verzoekster daadwerkelijk in vrijheid is gesteld, maken dat op dit moment geen VOG kan worden afgegeven.



6.3.
Daartegenover staan de volgende feiten en omstandigheden. Verzoekster is onder toezicht van de DJI en de reclassering succesvol gere-integreerd in de samenleving. Zij heeft gedurende haar detentie een niveau 4 mbo-diploma in de zorg behaald met steun van de gevangenisdirecteur. Zij heeft het PP van 18 september 2023 tot 14 oktober 2024 doorlopen en zich om de week gemeld. In die gesprekken was zij open en proactief. Ook heeft zij zich aan de afspraken gehouden. Dit blijkt uit het reclasseringsadvies van 18 juni 2024 en het afloopbericht van het PP van 14 oktober 2024. Het risico op recidive wordt laag ingeschat. Zij is op basis van de adviezen van DJI en de reclassering per 11 september 2024 door het Openbaar Ministerie in vrijheid gesteld, zonder toezicht en met één bijzondere voorwaarde op verzoek van de slachtoffers, te weten een locatieverbod. Hoewel het enkele feit dat betrokken instanties positief zijn en zij het recidiverisico als laag inschatten niet doorslaggevend hoeft te zijn om alsnog een VOG te verstrekken, speelt hier ook mee dat verzoekster al sinds juli 2024 in de zorg werkt. Zij heeft tijdens haar toezicht met de reclassering gesproken over de mogelijkheden voor het verkrijgen van een VOG. De reclassering gaf haar hoop en vertrouwen omdat zij zich goed gedroeg. Zij heeft, nog gedurende haar PP, een VOG aangevraagd en gekregen voor het werken als zzp’er in de zorg. De voorzieningenrechter kan goed begrijpen dat verzoekster door de steun vanuit DJI en de reclassering voor het volgen van een opleiding in de zorg en het verkrijgen van de VOG vertrouwen heeft gekregen dat zij kon gaan werken in de zorg. Voor verzoekster is het lastig te begrijpen dat dezelfde overheid haar VOG’s later heeft ingetrokken en onderhavige aanvraag heeft afgewezen. Dat de teleurstelling extra groot is voor verzoekster is gelet op voorgaande invoelbaar. Ook begrijpt de voorzieningenrechter dat er nu veel afhangt van de VOG omdat verzoekster – nadat zij is begonnen als zzp’er in de zorg – op eigen kracht een huurwoning in [woonplaats] heeft gevonden, buiten de sociale sector, waardoor zij hoge huurlasten heeft. Zonder een goedbetaalde baan zal zij haar huur niet meer kunnen betalen.



6.4.
In het geval van verzoekster moet in acht worden genomen dat zij hard werkt aan een stabiel leven, met name ook voor haar zoon. De voorzieningenrechter acht dit onderbelicht in het besluit. Uit de stukken in het dossier blijkt dat haar zoon bij de moeder van verzoekster is geplaatst toen zij in detentie zat. Omdat er zorgen waren over de ondersteuning en opvoeding is vrijwillige pleegzorgondersteuning via Levvel ingezet. In 2022 is haar zoon bij haar tante in huis geplaatst, omdat er sprake was van emotionele verwaarlozing. Verzoekster is eerst met haar zoon bij tante verbleven maar heeft nu een eigen appartement. Ter zitting heeft verzoekster toegelicht dat haar zoon zijn traumatherapieën recentelijk succesvol heeft afgerond en na de zomer gaat starten op de middelbare school. In het besluit ontbreekt een afweging over de impact van het weigeren van de VOG op het leven van haar zoon. Verzoekster zal namelijk haar baan en stabiliteit verliezen met alle gevolgen van dien.



6.5.
Ook merkt de voorzieningenrechter op dat weinig gewicht is toegekend aan het verleden van verzoekster en de omstandigheden waaronder het delict is gepleegd. Uit de rapporten, maar tevens ook uit de verklaringen van verzoekster, blijkt dat verzoekster een lastig verleden heeft gehad. Zij komt uit een instabiele opvoedsituatie waarbij haar vader niet in beeld was en haar moeder de zorg voor de kinderen niet kon dragen. Zij is uit huis geplaatst en heeft in verschillende instellingen verbleven, waaronder een gesloten instelling. Op 19-jarige leeftijd raakte verzoekster zwanger. Zij werd slachtoffer van de toeslagenaffaire – zij is een erkend gedupeerde ouder – en raakte in de schulden. Dit alles heeft meegespeeld bij de omstandigheden waaronder de delicten, hoe ernstig die ook zijn, zijn gepleegd.



6.6.
Bovendien dient mee te wegen dat aan verzoekster tot drie keer toe een VOG is verstrekt voor het werk als zzp’er in de zorg. Volgens verweerder ging het hier om automatische toewijzingen door het systeem. Dit is fout gegaan. Als gevolg hiervan is verzoekster wel al sinds juli 2024 aan het werk in de zorg. Op 1 juni 2025 is zij in dienst gekomen [bedrijf] . Dat dienstverband is nu verlengd tot 30 december 2026. Inmiddels heeft zij haar manager op de hoogte gesteld van het feit dat zijn geen VOG krijgt en is zij open geweest over haar verleden. Dat spreekt voor verzoekster.



6.7.
Hoewel bovengenoemde omstandigheden bij elkaar voor verweerder mogelijk niet doorslaggevend zijn om gelet op de ernst van het delict en het tijdsverloop over te gaan tot verlening van de VOG, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd hoe alle omstandigheden van het geval in samenhang bezien van invloed zijn op de beoordeling van de aanvraag. Met name welk gewicht er wordt gegeven aan de recidive-inschatting door deskundige instanties die jarenlang bij verzoekster betrokken zijn geweest, het feit dat stabiele huisvesting en een baan ook beschermende factoren zijn bij die inschatting en wat het verlies van stabiliteit voor haar en haar zoon betekent, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd.




Conclusie en gevolgen



Ten aanzien van het beroep (zaaknummer AMS 25/7411)




7.1.
Gelet op voorgaande bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Omdat verweerder beoordelingsruimte toekomt, ziet de voorzieningenrechter in dit geval aanleiding om een tussenuitspraak te doen om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering, waarin al het voorgaande nogmaals dient te worden afgewogen door verweerder in het licht van het subjectieve criterium, of met het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar waarbij tot verlening van een VOG wordt beslist. De voorzieningenrechter bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.



7.2.
Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen of zij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal verzoekster in de gelegenheid worden gesteld binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.



7.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.



Ten aanzien van de voorlopige voorziening (zaaknummer AMS 25/7410)





8.1
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om – in afwachting van verweerder die nu weer aan zet is – het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Het beroep heeft bij de huidige stand van zaken namelijk een redelijke kans van slagen. Gelet op alle positieve aspecten die hiervoor zijn benoemd, alle belangen afwegend en benadrukkend dat de beoordelingsruimte van verweerder niet wordt doorkruist met deze beslissing, acht de voorzieningenrechter het op dit moment zwaarder wegen dat verzoekster wordt behandeld als ware zij in het bezit van een VOG. Hiermee worden onomkeerbare gevolgen, te weten het ontbinden van de arbeidsovereenkomst en verlies van inkomen, voorkomen. De voorlopige voorziening vervalt zes weken nadat op het beroep is beslist.



8.2.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht dat daaraan is verbonden aan verzoekster vergoeden. Verzoekster krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten die zijn gemaakt in het kader van het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.





Beslissing


De voorzieningenrechter in de bodemprocedure (zaaknummer: AMS 25/7411):

- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of zij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing op het beroep aan.


De voorzieningenrechter in de voorlopige voorziening (zaaknummer: AMS 25/7410):

- schorst het bestreden besluit;
- bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekster wordt behandeld alsof zij in het bezit is van een VOG voor haar functie [bedrijf] ;
- bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt zes weken na de uitspraak op het beroep;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026.











griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.


Rectificatie 9 februari 2026:



Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.



Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.



Artikel 8:86 van de Awb maakt dat mogelijk.


Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.


Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 januari 2012 ECLI:NL:RVS:2012:BV1809, r.o. 2.4.


Dienst Justitiële Inrichtingen.


Penitentiaire programma.


Op grond van artikel 8:51a van de Awb jo. 8:80a van de Awb.