Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:7432
2025-10-10
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
25/5038
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vovo. Afwijzing VOG. Taxichauffeur. Voldaan aan het objectieve criterium. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar een redelijke kans van slagen niet kan worden ontzegd, nu de OvJ en de TTO geen risico op ricidive zien en de TTO alleen maar positieve ontwikkelingen benadrukt over verzoeker. De OvJ heeft geen bezwaar tegen teruggeven van rijbewijs aan verzoeker. Dit maakt het risico minder groot dan hoe verweerder dit risico heeft ingeschat in het bestreden besluit. Toewijzing voorlopige voorziening.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2021:445 Raad van State 03-03-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.688 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5038
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 oktober 2025 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. M.I. L'Ghdas),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. M.H. Kazem).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een verklaring omtrent gedrag (VOG). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe en schorst het bestreden besluit. Dit betekent dat verzoeker wordt behandeld als ware hij in het bezit is van een VOG tot aan de datum waarop de beslissing op bezwaar zal worden genomen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een VOG. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 11 augustus 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker (via een telefoonverbinding in verband met verzoekers verblijf in het buitenland), de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Totstandkoming van het besluit
3. Verzoeker heeft op 10 juni 2025 een VOG aangevraagd voor een chauffeurskaart bij [bedrijf] in [vestigingsplaats].
3.1.
De staatssecretaris heeft onderzoek gedaan naar de justitiële documentatie van verzoeker. De aanvraag is met het bestreden besluit afgewezen omdat binnen de terugkijktermijn in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) de volgende feiten zijn geregistreerd:
Op 17 april 2025 is jegens verzoeker een zaak wegens het als bestuurder taxivervoer aanbieden of verrichten zonder geldige vergunning (artikel (TAXIAMSTERDAM12. 2.3/1) geseponeerd op grond van een "oud feit";
Op 14 april 2025 te Zwanenburg is verzoeker volgens registratie in het JDS met politie/justitie in aanraking gekomen wegens overschrijden van de maximumsnelheid (artikel 62 jo. bord Al Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990). Deze zaak staat nog open.
Bij strafbeschikking van 18 maart 2022 is verzoeker een geldboete van € 397,- opgelegd wegens overschrijden van de maximumsnelheid (artikel 62 jo. bord Al Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij twee minderjarige kinderen heeft en sinds 14 april 2025 geen inkomsten meer heeft. Het spoedeisend belang is tussen partijen niet in geschil. Met partijen acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang aanwezig.
Toetsingskader
5. Bij de beoordeling van de aanvraag heeft verweerder de criteria toegepast die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025 (de beleidsregels). In de beleidsregels is bepaald dat als een aanvrager voorkomt in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) verweerder aan de hand van een objectief en een subjectief criterium bekijkt of de afgifte van een VOG gerechtvaardigd is. Bij de toetsing aan het objectieve criterium bekijkt verweerder of de justitiële gegevens, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. Is daarvan sprake, dan zal de aanvraag in beginsel worden afgewezen. Bij het subjectieve criterium beoordeelt verweerder, als is voldaan aan het objectieve criterium, of de omstandigheden van het geval ertoe moeten leiden dat toch een VOG moet worden afgegeven. De aanvraag is beoordeeld op basis van het screeningsprofiel voor de taxibranche; chauffeurskaart.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
Het objectieve criterium
6. Verzoeker ontkent niet dat hij een verleden heeft met justitie. Maar dit is volgens verzoeker een bijzonder beperkt verleden, met slechts lichte feiten. De eventuele risico’s gerelateerd aan deze feiten worden weggenomen door de maatregelen die verzoeker wil treffen, zoals het installeren van een snelheidsbegrenzer in zijn auto en de bereidheid tot het volgen van een EMG-cursus. Voor herhaling van enig feit of gevaar of risico voor de samenleving hoeft niet te worden gevreesd volgens verzoeker.
6.1.
Voor zover verzoeker heeft bedoeld het objectieve criterium aan te vechten, heeft het bezwaar op dit punt naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen kans van slagen. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de snelheidsovertredingen die verzoeker heeft begaan, indien herhaald in de functie van taxichauffeur, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie van taxichauffeur. Dit risico bestaat uit het in gevaar brengen van het welzijn en de veiligheid van passagiers en andere weggebruikers. Zoals blijkt uit het specifieke screeningsprofiel ‘taxibranche; chauffeurspas’ is een taxichauffeur belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van personen en geldt het in gevaar brengen van de veiligheid van personen als een van de risico’s in de taxibranche. Uit de beleidsregels volgt dat voor de beoordeling van het objectieve criterium niet relevant is of er sprake is van een reëel recidivegevaar.
Het subjectieve criterium
7. Verzoeker voert aan dat zijn belang bij de afgifte van een VOG zwaarder weegt dan het belang dat de samenleving heeft bij de bescherming tegen de door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico’s. Verzoeker heeft twee minderjarige kinderen en hij heeft sinds 14 april 2025 geen inkomsten meer. Daarnaast heeft verzoeker een verklaring van de Toegelaten Taxi Organisatie (TTO) overgelegd waaruit blijkt dat zij zeer tevreden zijn over zijn functioneren. Verzoeker benadrukt dat het niet vaak voorkomt dat een TTO bereid is om een ondersteunende verklaring af te geven, maar dat nu toch een uitzondering is gemaakt vanwege het positieve profiel van verzoeker.
7.1.
De TTO heeft op 18 juli 2025 het volgende verklaard:
“De heer [verzoeker] is aangesloten bij onze organisatie en staat bij ons bekend als een nette, correcte en beleefde chauffeur. Wij hebben verder geen klachten van consumenten ontvangen, dan wel via onze eigen kwaliteitscontrole opmerkingen en/of klachten ontvangen, hetgeen uitzonderlijk is in onze sector en getuigt van een hoge mate van professionaliteit en betrouwbaarheid.
Hij is vader van twee kinderen waar hij (mede) verantwoordelijk voor is. Hij heeft zich binnen onze organisatie altijd coöperatief opgesteld en is bereid om, bij toekenning van de VOG, op ons verzoek een snelheidsbegrenzer te laten installeren in zijn voertuig, waarmee wij actief controle uitoefenen binnen de TTO. Zijn lopende samenwerkingsovereenkomst zal door ons hiervoor worden aangepast. Daarmee toont hij tevens zijn bereidheid om structureel maatregelen te nemen ter voorkoming van herhaling van verkeersfeiten.
Ondanks dat hij in de fout is gegaan verwachten wij dat, samen met de te nemen maatregelen, het risico voor de samenleving niet zodanig groot is dat de afgifte van een VOG geweigerd zou moeten worden. Zeker gezien de positieve ontwikkelingen in gedrag, de inzet van de chauffeur, en het ontbreken van klachten.
Wij verzoeken u dan ook om bij de definitieve beslissing tot beoordeling van de aanvraag van de heer [verzoeker] de bovengenoemde punten in overweging te nemen.”
7.2.
Verzoeker heeft op de zitting verder toegelicht dat hij erkent dat hij te hard heeft gereden. Verzoeker is bereid om overal aan mee te werken om herhalingsgevaar te voorkomen. Ook is verzoeker bereid om een snelheidsbegrenzer in de auto te plaatsen en dit contractueel te laten vastleggen met de TTO. Verzoeker heeft over de snelheidsovertreding op 14 april 2025 toegelicht dat zijn auto met de filter problemen had. Dit heeft hij laten repareren, maar de filter moest nog doorgeblazen worden. Verzoeker wilde dit testen op een lege snelweg, later op de avond. Verzoeker heeft toen de snelheidsmaximum overschreden en daardoor is hij geflitst. Verzoekers zijn rijbewijs is vervolgens ingevorderd voor een periode van vier maanden tot 12 augustus 2025. Na twee maanden heeft verzoeker een beklag ingediend dat strekte tot teruggave zijn rijbewijs. De Officier van Justitie (OvJ) heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat het rijbewijs aan verzoeker moet worden teruggegeven. De rechtbank heeft, gelet op de bevoegdheid van de OvJ, op 10 juni 2025 verzoeker zijn rijbewijs teruggeven. Volgens verzoeker ziet de OvJ door de teruggave van het rijbewijs geen risico’s meer voor de verkeersveiligheid en de samenleving. Als reactie hierop heeft de gemachtigde van de staatssecretaris op zitting toegelicht dat de positieve verklaring van de TTO in het voordeel van verzoeker weegt, maar dat daartegenover staat dat zijn chauffeurskaart is geschorst en rijbewijs in eerste instantie is ingevorderd. De teruggave van het rijbewijs was logischerwijs nog niet bekend ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, waardoor het niet meegenomen kon worden in de belangenafweging.
7.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar een redelijke kans van slagen niet kan worden ontzegd, nu de OvJ en de TTO geen risico op recidive zien en de TTO alleen maar positieve ontwikkelingen benadrukt over de tijd waarin de TTO met verzoeker heeft gewerkt. Dat de OvJ geen bezwaar ertegen heeft dat verzoeker in het bezit is van een rijbewijs en weer op de weg kan rijden, ondanks de openstaande strafzaak, weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook aanzienlijk in het voordeel van verzoeker. De voorzieningenrechter begrijpt hieruit dat de OvJ meent dat er in ieder geval geen acuut gevaar meer is voor de verkeersveiligheid. Dit maakt het risico naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter minder groot dan hoe de staatssecretaris dit risico heeft ingeschat in het bestreden besluit.
Belangenafweging
8. Bij deze stand van zaken, alle belangen afwegend en benadrukkend dat de bevoegdheid van de staatssecretaris niet wordt doorkruist met deze beslissing, wijst de voorzieningenrechter het verzoek daarom toe in die zin, dat verzoeker wordt behandeld als ware hij in het bezit is van een VOG tot de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter heeft geen bevoegdheid om een VOG af te geven. Dat is en blijft de bevoegdheid van de staatssecretaris. Het is uiteindelijk aan de staatssecretaris om alle belangen nogmaals af te wegen in de beslissing op bezwaar en dan opnieuw te bekijken of tot afgifte van de VOG kan worden overgegaan. De voorzieningenrechter wil met toewijzing van de voorlopige voorziening aan verzoeker en zijn werkgever het vertrouwen geven dat verzoeker in ieder geval totdat de beslissing op bezwaar wordt genomen, kan werken als taxichauffeur en daarnaast uitspreken dat verzoeker – afgaande op de verklaring van de TTO - op de goede weg is.
8.1.
De voorzieningenrechter benadrukt tot slot dat de voorlopige voorziening vervalt na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De bevoegdheid om al dan niet een VOG af te geven ligt bij de staatssecretaris met het nemen van de beslissing op bezwaar. Indien de toewijzing van de voorziening langer zou doorlopen na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar zou de voorzieningenrechter te veel op de stoel van de staatssecretaris plaatsnemen. Zo ver wil de voorzieningenrechter niet gaan. Indien in de beslissing op bezwaar negatief wordt beslist door de staatssecretaris, kan verzoeker hangende beroep tegen dat besluit op bezwaar desgewenst een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening indienen.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker dient te worden behandeld alsof hij in het bezit is van een VOG voor zijn functie als taxichauffeur. Deze voorlopige voorziening vervalt na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
9.1.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat de staatssecretaris het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten, omdat het verzoek is toegewezen. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit;
- bepaalt dat verzoeker wordt behandeld alsof hij in het bezit is van een VOG voor zijn functie als taxichauffeur;
- bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:445.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5038
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 oktober 2025 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. M.I. L'Ghdas),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. M.H. Kazem).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een verklaring omtrent gedrag (VOG). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe en schorst het bestreden besluit. Dit betekent dat verzoeker wordt behandeld als ware hij in het bezit is van een VOG tot aan de datum waarop de beslissing op bezwaar zal worden genomen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een VOG. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 11 augustus 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker (via een telefoonverbinding in verband met verzoekers verblijf in het buitenland), de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Totstandkoming van het besluit
3. Verzoeker heeft op 10 juni 2025 een VOG aangevraagd voor een chauffeurskaart bij [bedrijf] in [vestigingsplaats].
3.1.
De staatssecretaris heeft onderzoek gedaan naar de justitiële documentatie van verzoeker. De aanvraag is met het bestreden besluit afgewezen omdat binnen de terugkijktermijn in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) de volgende feiten zijn geregistreerd:
Op 17 april 2025 is jegens verzoeker een zaak wegens het als bestuurder taxivervoer aanbieden of verrichten zonder geldige vergunning (artikel (TAXIAMSTERDAM12. 2.3/1) geseponeerd op grond van een "oud feit";
Op 14 april 2025 te Zwanenburg is verzoeker volgens registratie in het JDS met politie/justitie in aanraking gekomen wegens overschrijden van de maximumsnelheid (artikel 62 jo. bord Al Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990). Deze zaak staat nog open.
Bij strafbeschikking van 18 maart 2022 is verzoeker een geldboete van € 397,- opgelegd wegens overschrijden van de maximumsnelheid (artikel 62 jo. bord Al Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij twee minderjarige kinderen heeft en sinds 14 april 2025 geen inkomsten meer heeft. Het spoedeisend belang is tussen partijen niet in geschil. Met partijen acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang aanwezig.
Toetsingskader
5. Bij de beoordeling van de aanvraag heeft verweerder de criteria toegepast die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025 (de beleidsregels). In de beleidsregels is bepaald dat als een aanvrager voorkomt in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) verweerder aan de hand van een objectief en een subjectief criterium bekijkt of de afgifte van een VOG gerechtvaardigd is. Bij de toetsing aan het objectieve criterium bekijkt verweerder of de justitiële gegevens, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. Is daarvan sprake, dan zal de aanvraag in beginsel worden afgewezen. Bij het subjectieve criterium beoordeelt verweerder, als is voldaan aan het objectieve criterium, of de omstandigheden van het geval ertoe moeten leiden dat toch een VOG moet worden afgegeven. De aanvraag is beoordeeld op basis van het screeningsprofiel voor de taxibranche; chauffeurskaart.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
Het objectieve criterium
6. Verzoeker ontkent niet dat hij een verleden heeft met justitie. Maar dit is volgens verzoeker een bijzonder beperkt verleden, met slechts lichte feiten. De eventuele risico’s gerelateerd aan deze feiten worden weggenomen door de maatregelen die verzoeker wil treffen, zoals het installeren van een snelheidsbegrenzer in zijn auto en de bereidheid tot het volgen van een EMG-cursus. Voor herhaling van enig feit of gevaar of risico voor de samenleving hoeft niet te worden gevreesd volgens verzoeker.
6.1.
Voor zover verzoeker heeft bedoeld het objectieve criterium aan te vechten, heeft het bezwaar op dit punt naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen kans van slagen. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de snelheidsovertredingen die verzoeker heeft begaan, indien herhaald in de functie van taxichauffeur, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie van taxichauffeur. Dit risico bestaat uit het in gevaar brengen van het welzijn en de veiligheid van passagiers en andere weggebruikers. Zoals blijkt uit het specifieke screeningsprofiel ‘taxibranche; chauffeurspas’ is een taxichauffeur belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van personen en geldt het in gevaar brengen van de veiligheid van personen als een van de risico’s in de taxibranche. Uit de beleidsregels volgt dat voor de beoordeling van het objectieve criterium niet relevant is of er sprake is van een reëel recidivegevaar.
Het subjectieve criterium
7. Verzoeker voert aan dat zijn belang bij de afgifte van een VOG zwaarder weegt dan het belang dat de samenleving heeft bij de bescherming tegen de door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico’s. Verzoeker heeft twee minderjarige kinderen en hij heeft sinds 14 april 2025 geen inkomsten meer. Daarnaast heeft verzoeker een verklaring van de Toegelaten Taxi Organisatie (TTO) overgelegd waaruit blijkt dat zij zeer tevreden zijn over zijn functioneren. Verzoeker benadrukt dat het niet vaak voorkomt dat een TTO bereid is om een ondersteunende verklaring af te geven, maar dat nu toch een uitzondering is gemaakt vanwege het positieve profiel van verzoeker.
7.1.
De TTO heeft op 18 juli 2025 het volgende verklaard:
“De heer [verzoeker] is aangesloten bij onze organisatie en staat bij ons bekend als een nette, correcte en beleefde chauffeur. Wij hebben verder geen klachten van consumenten ontvangen, dan wel via onze eigen kwaliteitscontrole opmerkingen en/of klachten ontvangen, hetgeen uitzonderlijk is in onze sector en getuigt van een hoge mate van professionaliteit en betrouwbaarheid.
Hij is vader van twee kinderen waar hij (mede) verantwoordelijk voor is. Hij heeft zich binnen onze organisatie altijd coöperatief opgesteld en is bereid om, bij toekenning van de VOG, op ons verzoek een snelheidsbegrenzer te laten installeren in zijn voertuig, waarmee wij actief controle uitoefenen binnen de TTO. Zijn lopende samenwerkingsovereenkomst zal door ons hiervoor worden aangepast. Daarmee toont hij tevens zijn bereidheid om structureel maatregelen te nemen ter voorkoming van herhaling van verkeersfeiten.
Ondanks dat hij in de fout is gegaan verwachten wij dat, samen met de te nemen maatregelen, het risico voor de samenleving niet zodanig groot is dat de afgifte van een VOG geweigerd zou moeten worden. Zeker gezien de positieve ontwikkelingen in gedrag, de inzet van de chauffeur, en het ontbreken van klachten.
Wij verzoeken u dan ook om bij de definitieve beslissing tot beoordeling van de aanvraag van de heer [verzoeker] de bovengenoemde punten in overweging te nemen.”
7.2.
Verzoeker heeft op de zitting verder toegelicht dat hij erkent dat hij te hard heeft gereden. Verzoeker is bereid om overal aan mee te werken om herhalingsgevaar te voorkomen. Ook is verzoeker bereid om een snelheidsbegrenzer in de auto te plaatsen en dit contractueel te laten vastleggen met de TTO. Verzoeker heeft over de snelheidsovertreding op 14 april 2025 toegelicht dat zijn auto met de filter problemen had. Dit heeft hij laten repareren, maar de filter moest nog doorgeblazen worden. Verzoeker wilde dit testen op een lege snelweg, later op de avond. Verzoeker heeft toen de snelheidsmaximum overschreden en daardoor is hij geflitst. Verzoekers zijn rijbewijs is vervolgens ingevorderd voor een periode van vier maanden tot 12 augustus 2025. Na twee maanden heeft verzoeker een beklag ingediend dat strekte tot teruggave zijn rijbewijs. De Officier van Justitie (OvJ) heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat het rijbewijs aan verzoeker moet worden teruggegeven. De rechtbank heeft, gelet op de bevoegdheid van de OvJ, op 10 juni 2025 verzoeker zijn rijbewijs teruggeven. Volgens verzoeker ziet de OvJ door de teruggave van het rijbewijs geen risico’s meer voor de verkeersveiligheid en de samenleving. Als reactie hierop heeft de gemachtigde van de staatssecretaris op zitting toegelicht dat de positieve verklaring van de TTO in het voordeel van verzoeker weegt, maar dat daartegenover staat dat zijn chauffeurskaart is geschorst en rijbewijs in eerste instantie is ingevorderd. De teruggave van het rijbewijs was logischerwijs nog niet bekend ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, waardoor het niet meegenomen kon worden in de belangenafweging.
7.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar een redelijke kans van slagen niet kan worden ontzegd, nu de OvJ en de TTO geen risico op recidive zien en de TTO alleen maar positieve ontwikkelingen benadrukt over de tijd waarin de TTO met verzoeker heeft gewerkt. Dat de OvJ geen bezwaar ertegen heeft dat verzoeker in het bezit is van een rijbewijs en weer op de weg kan rijden, ondanks de openstaande strafzaak, weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook aanzienlijk in het voordeel van verzoeker. De voorzieningenrechter begrijpt hieruit dat de OvJ meent dat er in ieder geval geen acuut gevaar meer is voor de verkeersveiligheid. Dit maakt het risico naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter minder groot dan hoe de staatssecretaris dit risico heeft ingeschat in het bestreden besluit.
Belangenafweging
8. Bij deze stand van zaken, alle belangen afwegend en benadrukkend dat de bevoegdheid van de staatssecretaris niet wordt doorkruist met deze beslissing, wijst de voorzieningenrechter het verzoek daarom toe in die zin, dat verzoeker wordt behandeld als ware hij in het bezit is van een VOG tot de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter heeft geen bevoegdheid om een VOG af te geven. Dat is en blijft de bevoegdheid van de staatssecretaris. Het is uiteindelijk aan de staatssecretaris om alle belangen nogmaals af te wegen in de beslissing op bezwaar en dan opnieuw te bekijken of tot afgifte van de VOG kan worden overgegaan. De voorzieningenrechter wil met toewijzing van de voorlopige voorziening aan verzoeker en zijn werkgever het vertrouwen geven dat verzoeker in ieder geval totdat de beslissing op bezwaar wordt genomen, kan werken als taxichauffeur en daarnaast uitspreken dat verzoeker – afgaande op de verklaring van de TTO - op de goede weg is.
8.1.
De voorzieningenrechter benadrukt tot slot dat de voorlopige voorziening vervalt na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De bevoegdheid om al dan niet een VOG af te geven ligt bij de staatssecretaris met het nemen van de beslissing op bezwaar. Indien de toewijzing van de voorziening langer zou doorlopen na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar zou de voorzieningenrechter te veel op de stoel van de staatssecretaris plaatsnemen. Zo ver wil de voorzieningenrechter niet gaan. Indien in de beslissing op bezwaar negatief wordt beslist door de staatssecretaris, kan verzoeker hangende beroep tegen dat besluit op bezwaar desgewenst een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening indienen.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker dient te worden behandeld alsof hij in het bezit is van een VOG voor zijn functie als taxichauffeur. Deze voorlopige voorziening vervalt na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
9.1.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat de staatssecretaris het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten, omdat het verzoek is toegewezen. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit;
- bepaalt dat verzoeker wordt behandeld alsof hij in het bezit is van een VOG voor zijn functie als taxichauffeur;
- bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:445.