Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:6642
2025-03-20
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
AMS 24/2558
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over de vergoeding van wettelijke rente. De rechtbank komt tot het oordeel dat het UWV het juiste bedrag aan wettelijke rente heeft uitbetaald. Het beroep is ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958 Centrale Raad van Beroep 25-01-2012
- ECLI:NL:CRVB:2025:28 Centrale Raad van Beroep 08-01-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.198 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2558
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] (Spanje), eiser
(gemachtigde: mr. A.J.T.J. Meuwissen),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder, (het UWV).
(gemachtigde: mr. S. Elfert).
Inleiding
Met het besluit van 11 september 2023 heeft het UWV eiser vanaf 13 augustus 2020 een IVA-uitkering toegekend.
Op 23 oktober 2023 heeft het UWV eiser een betalingsspecificatie verzonden waarin het UWV eiser over de periode 1 augustus 2020 tot en met 31 augustus 2023 een nabetaling heeft toegekend van bruto € 8.130,94. Het UWV heeft de hoogte van de wettelijke rente vastgesteld op € 105,22. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Op 2 april 2024 heeft het UWV het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de hoogte van de wettelijke rente vastgesteld op € 431,39 (het bestreden besluit I). Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
Hangende het beroep heeft het UWV op 2 juli 2024 het bestreden besluit I gewijzigd en het bezwaar van eiser opnieuw gegrond verklaard en eiser tevens wettelijke rente over de wettelijke rente ter hoogte van € 10,55 toegekend. Het UWV heeft de wettelijke rente namelijk te laat vergoed (het bestreden besluit II).
Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich met behulp van een telefoonverbinding laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich voor de zitting afgemeld.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit I
6. Gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het bestreden besluit I van rechtswege ook betrekking op het bestreden besluit II. Nu het bestreden besluit I door het bestreden besluit II is vervangen en niet gebleken is dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit I, zal de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaren.Het bestreden besluit II
7. Eiser voert aan dat het UWV ten onrechte heeft gesteld dat de nabetaling van € 8.130,94 na 23 oktober 2023 niet meer rentedragend is. Het UWV heeft op deze datum immers nog niet alle verschuldigde rente aan eiser nabetaald. Niet gebleken is dat de betaling van wettelijke rente alleen ziet op het bedrag van € 8.130,94. Daarnaast bepaalt artikel 6:44 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat betalingen in eerste instantie strekken tot betaling van gemaakte kosten en verschenen wettelijke rente. Daarna strekt een betaling pas in mindering op de hoofdsom en de verschenen rente. Verder bepaalt artikel 6:43 van het BW dat een schuldenaar een betaling aan een bepaalde verbintenis kan toerekenen. Bij gebreke daarvan geschiedt de toerekening naar evenredigheid. In dit geval is geen sprake van een specifieke toerekening, waardoor er naar evenredigheid moet worden toegerekend. Dit betekent automatisch dat het UWV voor de extra nabetaling van € 10,55 een onjuiste ingangsdatum heeft gehanteerd.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) moet het UWV de wettelijke rente berekenen overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012. In deze uitspraak heeft de Raad overwogen dat de berekende rente loopt tot de dag van de algehele voldoening.
9. Naar het oordeel van de rechtbank moet onder ‘algehele voldoening’ worden verstaan de algehele voldoening van het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend. Niet in geschil is dat het na te betalen brutobedrag € 8.130,94 bedraagt en dat de wettelijke rente over dit bedrag moet worden berekend.
10. Niet in geschil is dat het UWV het nettobedrag van € 7.907,18 op 23 oktober 2023 aan eiser heeft nabetaald. Hiermee is sprake van ‘algehele voldoening’ als hiervoor bedoeld. Dat het UWV in eerste instantie te weinig wettelijke rente heeft betaald, maakt dit oordeel niet anders. In dergelijke gevallen is het UWV immers wettelijke rente over de wettelijke rente verschuldigd. Met het bestreden besluit II heeft het UWV deze wettelijke rente over de wettelijke rente reeds toegekend.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep tegen het bestreden besluit I is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit II is ongegrond. Aangezien het UWV lopende de beroepsprocedure een nieuw besluit heeft genomen, zal de rechtbank het UWV opdragen het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.
11. De rechtbank draagt het UWV daarnaast op om aan eiser de door hem gemaakte proceskosten te vergoeden. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;
draagt het UWV op het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- aan hem te vergoeden;
veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Sullivan, rechter, in aanwezigheid van mr.T.W. Steenhoff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958, meer recentelijk herhaald in bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 8 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:28.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2558
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] (Spanje), eiser
(gemachtigde: mr. A.J.T.J. Meuwissen),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder, (het UWV).
(gemachtigde: mr. S. Elfert).
Inleiding
Met het besluit van 11 september 2023 heeft het UWV eiser vanaf 13 augustus 2020 een IVA-uitkering toegekend.
Op 23 oktober 2023 heeft het UWV eiser een betalingsspecificatie verzonden waarin het UWV eiser over de periode 1 augustus 2020 tot en met 31 augustus 2023 een nabetaling heeft toegekend van bruto € 8.130,94. Het UWV heeft de hoogte van de wettelijke rente vastgesteld op € 105,22. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Op 2 april 2024 heeft het UWV het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de hoogte van de wettelijke rente vastgesteld op € 431,39 (het bestreden besluit I). Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
Hangende het beroep heeft het UWV op 2 juli 2024 het bestreden besluit I gewijzigd en het bezwaar van eiser opnieuw gegrond verklaard en eiser tevens wettelijke rente over de wettelijke rente ter hoogte van € 10,55 toegekend. Het UWV heeft de wettelijke rente namelijk te laat vergoed (het bestreden besluit II).
Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich met behulp van een telefoonverbinding laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich voor de zitting afgemeld.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit I
6. Gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het bestreden besluit I van rechtswege ook betrekking op het bestreden besluit II. Nu het bestreden besluit I door het bestreden besluit II is vervangen en niet gebleken is dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit I, zal de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaren.Het bestreden besluit II
7. Eiser voert aan dat het UWV ten onrechte heeft gesteld dat de nabetaling van € 8.130,94 na 23 oktober 2023 niet meer rentedragend is. Het UWV heeft op deze datum immers nog niet alle verschuldigde rente aan eiser nabetaald. Niet gebleken is dat de betaling van wettelijke rente alleen ziet op het bedrag van € 8.130,94. Daarnaast bepaalt artikel 6:44 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat betalingen in eerste instantie strekken tot betaling van gemaakte kosten en verschenen wettelijke rente. Daarna strekt een betaling pas in mindering op de hoofdsom en de verschenen rente. Verder bepaalt artikel 6:43 van het BW dat een schuldenaar een betaling aan een bepaalde verbintenis kan toerekenen. Bij gebreke daarvan geschiedt de toerekening naar evenredigheid. In dit geval is geen sprake van een specifieke toerekening, waardoor er naar evenredigheid moet worden toegerekend. Dit betekent automatisch dat het UWV voor de extra nabetaling van € 10,55 een onjuiste ingangsdatum heeft gehanteerd.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) moet het UWV de wettelijke rente berekenen overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012. In deze uitspraak heeft de Raad overwogen dat de berekende rente loopt tot de dag van de algehele voldoening.
9. Naar het oordeel van de rechtbank moet onder ‘algehele voldoening’ worden verstaan de algehele voldoening van het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend. Niet in geschil is dat het na te betalen brutobedrag € 8.130,94 bedraagt en dat de wettelijke rente over dit bedrag moet worden berekend.
10. Niet in geschil is dat het UWV het nettobedrag van € 7.907,18 op 23 oktober 2023 aan eiser heeft nabetaald. Hiermee is sprake van ‘algehele voldoening’ als hiervoor bedoeld. Dat het UWV in eerste instantie te weinig wettelijke rente heeft betaald, maakt dit oordeel niet anders. In dergelijke gevallen is het UWV immers wettelijke rente over de wettelijke rente verschuldigd. Met het bestreden besluit II heeft het UWV deze wettelijke rente over de wettelijke rente reeds toegekend.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep tegen het bestreden besluit I is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit II is ongegrond. Aangezien het UWV lopende de beroepsprocedure een nieuw besluit heeft genomen, zal de rechtbank het UWV opdragen het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.
11. De rechtbank draagt het UWV daarnaast op om aan eiser de door hem gemaakte proceskosten te vergoeden. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;
draagt het UWV op het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- aan hem te vergoeden;
veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Sullivan, rechter, in aanwezigheid van mr.T.W. Steenhoff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958, meer recentelijk herhaald in bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 8 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:28.