Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:11532

2025-12-10 Bestuursrecht; Omgevingsrecht AMS 24/907
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2025-12-10
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AMS 24/907
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor een aantal bouwwerkzaamheden. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen deze vergunning. De rechtbank is van oordeel dat het college de welstandsadviezen niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Na een heropening heeft het college in beroep echter alsnog voldoende gemotiveerd dat het project niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. De overige gronden slagen niet. Het beroep is daarom gegrond, maar de rechtbank laat de omgevingsvergunning in stand.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.543 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Bestuursrecht


zaaknummer: AMS 24/907


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen



[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, het college
(gemachtigde: mr. J.P.G. van Egeraat).



Als derde-partij neemt deel: [vergunninghouder] te Badhoevedorp, vergunninghouder
(gemachtigde: mr. P.M.L. Schilder Spel).




Samenvatting


1. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor een aantal bouwwerkzaamheden. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen deze vergunning. De rechtbank is van oordeel dat het college de welstandsadviezen niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Na een heropening heeft het college in beroep echter alsnog voldoende gemotiveerd dat het project niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. De overige gronden slagen niet. Het beroep is daarom gegrond, maar de rechtbank laat de omgevingsvergunning in stand.




Inleiding

2. Eiser is eigenaar van het pand [adres 1] in Amsterdam. Op 17 maart 2023 heeft het college een omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend voor het aanbrengen van diverse balkons, dakterrassen, een uitbouw en enkele inpandige verbouwingen op het adres [adres 2] in Amsterdam.

3. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het college heeft eiser in bezwaar geen gelijk gegeven en de omgevingsvergunning in stand gelaten.

4. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 16 mei 2025 op zitting behandeld. Aanwezig waren: eiser, [de persoon 1] ([functie] van eiser), mr. H.D. Hosper (de toenmalige gemachtigde van het college), [de persoon 2] namens vergunninghouder en mr. K. van der Hoeven (de toenmalige gemachtigde van vergunninghouder).

5. Op 27 mei 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, omdat het onderzoek niet volledig is geweest. De rechtbank heeft de Commissie Omgevingskwaliteit (COK) verzocht haar advies van 14 december 2022 nader toe te lichten.
6. Op 12 juni 2025 en 20 oktober 2025 heeft het college een nadere toelichting van de COK ingediend. Eiser en vergunninghouder hebben hierop gereageerd. Naar aanleiding van de reactie van eiser heeft het college op 3 november 2025 een nadere toelichting van de COK ingediend.

7. De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 opnieuw op zitting behandeld. Eiser is verschenen, vergezeld door [de persoon 1]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. M. van Looij. Vergunninghouder is, met bericht vooraf, niet verschenen.



Beoordeling door de rechtbank

8. Voordat de rechtbank inhoudelijk op de argumenten van eiser in kan gaan, moet zij beoordelen welke wet- en regelgeving in deze zaak van toepassing is.

9. Bij het beantwoorden van deze vraag gaat het erom wanneer de vergunning is aangevraagd. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet namelijk in werking getreden. Als de omgevingsvergunning echter is aangevraagd vóórdat de Omgevingswet in werking trad, dan blijft het recht dat vóór de Omgevingswet gold van toepassing. In dit geval is de omgevingsvergunning op 1 september 2022 aangevraagd. Dit is vóór 1 januari 2024 en dus is het recht dat toen gold (de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en onderliggende regelingen) in deze zaak van toepassing.



Welstand



10. Allereerst verschillen partijen van mening over de vraag of sprake is van strijd met de redelijke eisen van welstand. Eiser betoogt, onder verwijzing naar een rapport van [de persoon 1], dat de adviezen van het COK onbegrijpelijk zijn.

11. De rechtbank stelt vast dat het college twee adviezen van de COK aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd: een advies van 25 november 2022 en een advies van 14 december 2022. In het advies van 25 november 2022 heeft de COK negatief geadviseerd, door onder meer het volgende te overwegen:



‘De uitbouw op de begane grond aan de achterzijde en het daarop gelegen dakterras zijn vanuit welstandsoogpunt mogelijk. In het verleden is reeds een kleinschalige uitbouw aangebracht. Vanuit welstandsoogpunt is het wenselijk dat het bestaande en nieuwe uitbouwvolume één geheel vormen, zodat geen stapeling van elementen ontstaat aan de achtergevel. Voor de hekwerken is het van belang dat de vormgeving wordt afgestemd op die van de belending ( [adres 1] ). De panden vormen namelijk een eenheid, waardoor de samenhang in het beeld van de achtergevel niet mag worden verstoord. Indien privacy-voorzieningen nodig zijn, dan wordt verzocht om die mee te ontwerpen.’



12. Vergunninghouder heeft het project vervolgens aangepast. Op 14 december 2022 heeft de COK als volgt geadviseerd:
‘Akkoord. Met de wijzigingen is tegemoetgekomen aan de opmerkingen van het vorig advies.’

13. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat het college deze adviezen van de COK niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Uit het advies van de COK van 14 december 2022 blijkt immers niet waarom de COK uiteindelijk akkoord is gegaan met het gewijzigde project, in het bijzonder welke wijzigingen de COK op het oog heeft gehad. De rechtbank betrekt hierbij ook dat vergunninghouder op de zitting van 16 mei 2025 heeft toegelicht dat er geen wijzigingen zijn aangebracht aan het bouwvolume en de hekwerken. Dit betekent dat het betoog van eiser slaagt.



Heropening



14. Om het geschil zo definitief mogelijk te kunnen beslechten heeft de rechtbank het onderzoek na de zitting heropend en de COK verzocht nader te motiveren waarom zij uiteindelijk akkoord is gegaan met het gewijzigde project. Het college (en ook vergunninghouder) heeft hiertoe een nadere toelichting gegeven.

15. In haar nadere toelichting van 3 september 2025 heeft vergunninghouder een mailwisseling overgelegd tussen een medewerker van de gemeente Amsterdam en een medewerker van een bouw- en vastgoedadviseur. Uit deze mailwisseling blijkt dat er iets mis is gegaan. Als de nieuwe en al bestaande uitbouwen als geheel vormgegeven moeten worden, betekent dit dat de nieuwe uitbouw 3,25 meter diep moet worden gebouwd. Dit sluit niet aan op het eerder gegeven advies van stedenbouw om de aanbouw niet dieper te maken dan 2,5 meter. Ter correctie hiervan moet in plaats van rabatdelen (hetzelfde) metselwerk worden toegepast. Ook dan wordt het meer één geheel. Op 20 oktober 2025 heeft de COK toegelicht dat op een foto een latere uitbouw zichtbaar is, waarbij de rabatdelen zijn gewijzigd naar steen, zodat meer eenheid in het beeld komt en er geen stapeling van verschillende materialen meer is. Daarnaast heeft de COK toegelicht dat het hekwerk volgens de detailtekening een aluminium spijlen hekwerk, wit gemoffeld is. Dit sluit aan op het hekwerk van de belending, omdat sprake is van een gelijkwaardige vormgeving en kleur.

16. Eiser heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de adviezen van de COK nog steeds onbegrijpelijk zijn. In de nadere toelichting worden alleen de bouwvoorschriften voor de balkonhekwerken naar voren gebracht. Daarnaast gaat de toelichting voorbij aan de gevraagde toelichting over het eigen advies van de COK. Verder heeft de COK ten onrechte gesteld dat met stapeling van elementen wordt bedoeld dat er geen verschillende materialen worden gebruikt bij het bouwen van de uitbouw. Er wordt in het advies duidelijk gedoeld op het volume en niet op materialen. Het komt verder onwaarschijnlijk voor dat de uitbouw van rabatdelen zou worden gemaakt. Tot slot wordt er voor het eerst iets ingegaan op de stijl van de balkons. Ook de rest van de balkonbouw moet worden afgestemd op het belendende pand. De balkons zijn nu allemaal van grijs staal. Eiser blijft bij het verzoek tot aanpassing van het bouwvolume, zodat er geen stapeling van elementen ontstaat en de vormgeving en afmetingen van de balkons zijn afgestemd op die van de belending.



Het oordeel van de rechtbank



17. Naar het oordeel van de rechtbank is met deze nadere toelichtingen voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van strijd met de redelijke eisen van welstand. Uit de nadere toelichtingen blijkt dat de COK de vraag of sprake is van ‘een geheel’ heeft beoordeeld aan de hand van de materialisering en niet (meer) aan de hand van het bouwvolume, aangezien dat op een fout berustte. Ook blijkt uit deze toelichtingen dat zowel de gebruikte materialen van de uitbouw, als de vormgeving en kleur van het hekwerk voldoen aan de redelijke eisen van welstand. De rechtbank ziet in het rapport van [de persoon 1] geen aanleiding voor een ander oordeel. Het rapport leidt immers niet tot twijfel over de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies van de COK, de begrijpelijkheid van de redenering in het advies of de getrokken conclusies. Dat [de persoon 1] het niet eens is met de COK is onvoldoende voor dergelijke twijfel.



De grootte van de aanbouw



18. Eiser voert aan dat de vergunde aanbouw groter is dan het bestemmingsplan toelaat. De aanbouw is namelijk 3,25 meter, terwijl het bestemmingsplan slechts een maximale diepte van 2,5 meter toestaat. Daarnaast heeft vergunninghouder deze aanbouw gesloopt en hoger teruggebouwd.

19. De rechtbank stelt vast dat op het perceel van vergunninghouder al een aanbouw van 3,25 meter diep was gebouwd. Deze aanbouw (en de eventuele sloop en herbouw ervan) maakt echter geen deel uit van de aanvraag van vergunninghouder. Aangezien het college alleen kan beslissen op wat is aangevraagd, valt deze aanbouw buiten deze procedure. Eiser kan op dit punt een handhavingsverzoek indienen bij het college, waarna het college de rechtmatigheid van de aanbouw kan onderzoeken. De te bouwen aanbouw van 2,5 meter is wél door vergunninghouder aangevraagd. Eiser heeft echter erkend dat de aangevraagde aanbouw van 2,5 meter op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Het betoog slaagt dan ook niet.



Privacy



20. Eiser voert vervolgens aan dat het project zijn privacy onevenredig aantast. Het dakterras op de uitbouw heeft namelijk een vergunde diepte van twee meter over de volledige breedte van de uitbouw. Er is direct zicht in de badkamer en de slaapkamer op de eerste verdieping van de [adres 1] . Daarnaast heeft het balkon op de tweede verdieping inkijk in de woonkamer en de keuken van de tweede verdieping van de [adres 1] .

21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat de belangen van eiser niet onevenredig worden geschaad. De rechtbank overweegt hiertoe dat in een stedelijke omgeving een zekere beperking van de privacy door bouwplannen van anderen niet kan leiden tot de conclusie dat de privacy onevenredig wordt geschaad. In dit geval is de aantasting niet onevenredig, omdat er geen rechtstreekse inkijk is, maar zijdelings. Er is immers alleen inkijk als er vanaf een hoek van het balkon zijwaarts en naar achteren wordt gekeken. De beperking van de privacy is hiermee beperkt. Ook dit argument slaagt dan ook niet.



Daglichttoetreding



22. Eiser voert tot slot aan dat er door de afwijkende diepte van de balkons minder daglicht in de belendende tuin valt en de zon eerder wegdraait van de woningen en de achtertuin.

23. Ook dit argument slaagt niet. Eiser heeft de gestelde afname van daglicht immers niet (met stukken) onderbouwd en daarmee evenmin dat de afname leidt tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat.



Conclusie en gevolgen

24. Gelet op rechtsoverweging 13, is het beroep gegrond. De rechtbank zal de beslissing op bezwaar vernietigen. Aangezien de overige argumenten van eiser niet slagen en het college in beroep alsnog voldoende heeft gemotiveerd dat het project niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van de te vernietigen beslissing op bezwaar in stand laten. Dit betekent dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft. Aangezien het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden.



Proceskosten



25. Eiser heeft de rechtbank verzocht het college te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten voor het advies van [de persoon 1], ter hoogte van € 1.089,-.

26. De rechtbank overweegt dat kosten van een deskundige voor vergoeding in aanmerking komen als het inroepen van die deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Hieruit vloeit voort dat niet is vereist dat een deskundigenrapport over een voor de uitkomst van dat geschil mogelijk relevante vraag uiteindelijk heeft bijgedragen aan de rechterlijke beslissing. Er bestaat onder bepaalde omstandigheden aanleiding hierop een uitzondering te maken. Zulke omstandigheden doen zich in het bijzonder voor in zaken in het omgevingsrecht, waarin het kan voorkomen dat argumenten zijn gericht tegen zeer verschillende aspecten van hetzelfde besluit.

27. In deze zaak is geen sprake van zo’n uitzondering. Het advies van [de persoon 1] gaat namelijk ook over de redelijke eisen van welstand, het aspect dat tot gegrondverklaring van het beroep heeft geleid. De rechtbank zal daarom beoordelen of het inroepen van een deskundige en de deskundigenkosten zelf, redelijk zijn.

28. Bij het beantwoorden van de vraag of het inroepen van een deskundige redelijk was, is van belang of degene die deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden ten tijde van de inroeping, ervan uit mocht gaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een vraag die voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevant is. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. Aangezien de redelijke eisen van welstand onderwerp van dit geschil zijn, was het inroepen van een architect redelijk.

29. Over de vraag of de kosten redelijk zijn, overweegt de rechtbank als volgt. De kosten die eiser heeft opgegeven zijn de kosten voor de verrichte werkzaamheden met betrekking tot de uitbouw voor divers overleg, inclusief de zitting bij de rechtbank. De gemaakte kosten komen de rechtbank niet onredelijk voor, uitgaande van zes uren en een uurtarief van € 150,-. Ook de hierbij ingecalculeerde kosten voor de zitting komen voor vergoeding in aanmerking, nu de rechtbank de deskundige op zitting heeft gehoord.

30. De rechtbank zal het college daarom veroordelen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.089,-. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten aan de zijde van eiser is niet gebleken.



Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de beslissing op bezwaar;


bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing op bezwaar geheel in stand blijven;


draagt het college op om het griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden;


veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.089,-.




Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.W. Steenhoff, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.









griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:881.


Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3153.


Op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5468.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3075, meer recentelijk herhaald in de uitspraak van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5468.


Zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1407.