Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:11522

2025-10-13 Bestuursrecht; Omgevingsrecht AMS 23/6870
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2025-10-13
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AMS 23/6870
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dit geschil gaat over de vraag of eiser een dwangsom moet betalen en zo ja, welk bedrag. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.423 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Bestuursrecht


zaaknummer: AMS 23/6870


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2025 in de zaak tussen



[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. J. El Haddouchi),


en




het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college
(gemachtigde: mr. S. Ramcharan).



Inleiding

1. Op 2 maart 2021 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd, omdat hij de dakkapel aan de voorkant van de woning [adres] in afwijking van een eerder verleende omgevingsvergunning heeft geplaatst. Als eiser de overtreding niet binnen zes weken beëindigt, zou hij een geldbedrag van € 10.000,- moeten betalen. Eiser heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.

2. Op verzoek van eiser is de termijn om de overtreding te beëindigen verlengd tot 31 augustus 2021. Op 3 september 2021 heeft een buiteninspecteur van de gemeente Amsterdam een controle uitgevoerd en geconstateerd dat eiser de dakkapel niet overeenkomstig de eerder verleende omgevingsvergunning heeft aangepast.

3. Op 21 september 2021 heeft het college aan eiser het voornemen bekend gemaakt om de verbeurde dwangsom van € 10.000,- in te vorderen. Eiser heeft hiertegen een zienswijze ingediend.

4. Op 29 april 2022 heeft een toezichthouder van de gemeente Amsterdam opnieuw een controle uitgevoerd en geconstateerd dat eiser de dakkapel nog altijd niet heeft aangepast. Het college heeft de dwangsom daarom op 12 mei 2022 ingevorderd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

5. Het college heeft de behandeling van het bezwaarschrift met instemming van eiser aangehouden tot 1 juli 2023 om eiser in de gelegenheid te stellen de dakkapel overeenkomstig de eerder verleende omgevingsvergunning aan te passen. Het college heeft uiteindelijk geconcludeerd dat eiser de dakkapel wel heeft aangepast, maar niet overeenkomstig de verleende omgevingsvergunning. Het college heeft het bezwaar van eiser daarom ongegrond verklaard.

6. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep aangehouden om partijen de mogelijkheid te geven samen tot een oplossing te komen. Op 23 juni 2025 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank bericht dat zij geen oplossing hebben bereikt en verzocht de zaak op zitting te behandelen.

7. De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 16 september 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, vergezeld door zijn zoon, [naam], en bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. M. Huizing, jurist.



De beoordeling van de rechtbank



Vrijstelling van het griffierecht



8. Eiser heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Eiser heeft ter onderbouwing geen gegevens verstrekt, en de rechtbank heeft het verzoek vooralsnog afgewezen. Eiser heeft het griffierecht voldaan. De rechtbank wijst het beroep op betalingsonmacht daarom af.



De invordering



9. Niet in geschil is dat eiser de geconstateerde overtreding inmiddels heeft beëindigd. Het geschil gaat alleen nog over de vraag of eiser een dwangsom moet betalen en zo ja, welk bedrag.

10. De rechtbank stelt hierbij voorop dat bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom, aan het belang van die invordering veel gewicht moet worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van het opleggen van een last onder dwangsom. Ook de wetsgeschiedenis gaat hiervan uit. Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat de opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

11. Eiser stelt zich op het standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden om geheel van invordering af te zien. Eiser heeft namelijk geen draagkracht. Hij komt aan het einde van een maand ongeveer € 100,- tekort. Eiser en zijn partner hebben allebei geen spaarrekening. Eerdere werkzaamheden aan de dakkapellen en de tuin zijn door familieleden van eiser gefinancierd. Daarnaast lijdt eiser aan een ernstige chronische depressie. De invordering heeft een negatieve invloed op deze klachten. Eiser is al meermalen langdurig opgenomen voor behandeling door een crisissituatie door zijn psychische klachten. De onzekerheid en zorgen rondom de dakkapel en de hoogte van de dwangsom leiden tot een verergering van de klachten. Het college heeft onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke situatie van eiser.



De draagkracht van eiser



12. De rechtbank overweegt dat het college bij de invordering van de verbeurde dwangsom in principe geen rekening hoeft te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht kan namelijk in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering bestaat alleen aanleiding als evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen. De overtreder moet aannemelijk maken dat dit het geval is. Hij moet daarvoor informatie verstrekken waaruit blijkt dat een betrouwbaar en volledig overzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben.

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij door zijn draagkracht niet in staat is de verbeurde dwangsom te betalen. Vast is komen te staan dat de echtgenote van eiser ook inkomen geniet. Deze inkomsten zijn echter niet inzichtelijk gemaakt. Uit het financiële overzicht uit 2022 dat eiser heeft overgelegd kan alleen worden opgemaakt dat eiser in die periode € 100,- per maand tekort kwam in zijn uitgaven. Eiser heeft echter geen banksaldo of bankafschriften overgelegd. Tot slot kan eiser een betalingsregeling met het college treffen waarbij rekening wordt gehouden met de beslagvrije voet en zijn draagkracht. De grond slaagt niet.



De persoonlijke situatie van eiser



14. De rechtbank is van oordeel dat de medische en persoonlijke problemen van eiser bij de toetsing van het invorderingsbesluit wel een rol spelen, maar dat deze omstandigheden niet tot het oordeel leiden dat het college van invordering had moeten afzien. Het uitgangspunt blijft immers dat als een last eenmaal is opgelegd, deze ook moet worden geëffectueerd. Uit het dossier maakt de rechtbank op dat eiser al sinds 2018 aan psychische klachten lijdt. Uit het dossier kan de rechtbank echter niet opmaken dat eiser door zijn medische klachten (eventueel met hulp) niet aan de invordering kan voldoen. Het door eiser overgelegde stuk van de GGZ maakt dit niet anders. Hoewel de rechtbank kan begrijpen dat de invordering de psychische klachten van eiser niet beter maakt, betekent dit niet dat hij geen betalingsregeling kan treffen of aan de invordering kan voldoen. Uit het enkele gegeven dat eiser stress ervaart door de situatie, kan de rechtbank verder niet opmaken dat de psychische problemen van eiser alleen verband houden met de terugvordering. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat niet is gebleken dat de door eiser gestelde medische problemen zodanig zijn dat het college om die reden van invordering heeft moeten afzien.



Zorgvuldigheid



15. Eiser betoogt tot slot dat het college het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden, omdat hij niet alle bijzondere omstandigheden om van invordering af te zien heeft meegewogen, althans niet op juiste waarde heeft geschat. Het college heeft de medische problematiek van eiser en de negatieve invloed die deze invordering op zijn klachten heeft, niet (serieus) in overweging genomen.

16. Ook deze grond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de financiële en medische situatie van eiser voldoende in zijn besluitvorming betrokken.



Conclusie en gevolgen


17. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Dit oordeel laat echter onverlet dat het college op de zitting heeft toegezegd dat, gelet op alle omstandigheden tezamen, het aanbod om het invorderingsbedrag uit coulance te halveren blijft staan, met de mogelijkheid om daarvoor een betalingsregeling naar draagkracht te treffen.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.W. Steenhoff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2025.









griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Zie de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 115).


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:887.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1438.